2004/306

Rapport

Verzoeker klaagt over de handelwijze van het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen te Gouda (LBIO) inzake het innen van de onderhoudsbijdrage voor zijn twee minderjarige kinderen.

Verzoeker klaagt er met name over dat het LBIO:

1. ten onrechte de inning van de onderhoudsbijdrage heeft overgenomen, omdat de rechterlijke beschikking tot echtscheiding met het daarin opgenomen echtscheidingsconvenant bepaalt dat er bij onenigheid tussen de partijen eerst bemiddeling via een bemiddelingsbureau moet worden ingeroepen;

2. ten onrechte de inning van de onderhoudsbijdrage heeft overgenomen, terwijl de wet voorschrijft dat er een achterstand van tenminste één periodieke betaling moet zijn, hetgeen niet betekent een gedeeltelijke achterstand ten aanzien van één periodieke betaling;

3. in de berekening van de bedragen die van verzoeker worden gevorderd, onvoldoende duidelijk heeft gemaakt waarop die berekening is gebaseerd.

4. de brief van 27 mei 2002 betreffende de overname van de inning van de kinderalimentatie niet aangetekend heeft verstuurd, ondanks de bepaling in artikel 1:408 vijfde lid BW.

Beoordeling

Algemeen

1. Op gezamenlijk verzoek van verzoeker en zijn toenmalige echtgenote is op 22 september 1999 de echtscheiding uitgesproken. In de rechterlijke beschikking is de maandelijkse bijdrage voor de verzorging en opvoeding van de twee minderjarige kinderen bepaald op ƒ 500 (€ 226,89) per kind en is de wijze van betaling vastgesteld, 'alles met inachtneming van hetgeen partijen blijkens het convenant zijn overeengekomen' (zie Informatieoverzicht, onder 2.). Voorts heeft de rechter bepaald dat het echtscheidingsconvenant deel uitmaakt van de beschikking. Zowel de beschikking als het echtscheidingsconvenant bepalen dat de man maandelijks per de eerste van de maand de onderhouds- en verzorgingskosten voor de kinderen aan de ex-echtgenote betaalt. Op deze onderhoudskosten is de jaarlijkse indexering kinderalimentatie van toepassing. Voorts bepaalt het echtscheidingsconvenant dat indien een van beide partijen het redelijk acht om de bepaling omtrent de kosten voor de verzorging en opvoeding van de kinderen te herzien, dit mogelijk is in onderling overleg. Indien geen overleg mogelijk is, zullen zij de bemiddeling inroepen van het bemiddelingsbureau. Ook op andere punten bepaalt het convenant in artikel 7 dat een bemiddelingsbureau zal worden ingeschakeld indien er onenigheid is tussen de beide partijen (zie Informatieoverzicht, onder 1.).

2. Op 8 maart 2002 schakelde verzoekers ex-echtgenote het LBIO in met het oog op de inning van achterstallige kinderalimentatie. Na correspondentie met verzoeker en zijn ex-echtgenote schreef het LBIO op 27 mei 2002 aan verzoeker dat het voornemens was de inning over te nemen. Op 16 juli 2002 nam het LBIO met terugwerkende kracht vanaf oktober 2001 de inning van de onderhoudsbijdragen over. Na verdere correspondentie met het LBIO diende verzoeker op 31 oktober 2002 een klacht in bij het LBIO; deze werd op 20 november 2002 niet gegrond verklaard.

3. Verzoeker liet het LBIO na de klachtafhandeling weten nog steeds geen inzicht te hebben in onder meer de berekening van de gestelde achterstand. Hij verzocht bij brieven van 1 december 2002, 29 december 2002 en 12 februari 2003 nadere inlichtingen te verkrijgen. Bij brief van 24 maart 2003 gaf het LBIO onder meer op dit punt antwoord en voegde een overzicht van alle berekeningen bij.

I. Ten aanzien van de overname van inning ondanks het echtscheidingsconvenant

Bevindingen

1. Verzoeker klaagt er over dat het LBIO ten onrechte de inning van de onderhoudsbijdrage heeft overgenomen, omdat het in de rechterlijke beschikking tot echtscheiding opgenomen echtscheidingsconvenant bepaalt dat er bij onenigheid tussen de partijen eerst bemiddeling via een bemiddelingsbureau moet worden ingeroepen. Nadat verzoeker in maart 2002 door het LBIO was aangeschreven dat hij zijn betalingsverplichtingen niet nakwam, wees hij het LBIO op de bepalingen 4.1 en 7 van het echtscheidingsconvenant en liet weten dat hij handelde volgens dit convenant. Daarbij liet hij het LBIO weten dat er eerst bemiddeling moest worden inroepen.

2.1. De directeur van het LBIO achtte de klacht van verzoeker op dit punt niet gegrond. Hij gaf daarbij aan dat het LBIO was verzocht om de rechterlijke beschikking van 22 september 1999 ten uitvoer te leggen. De beschikking schreef voor dat verzoeker maandelijks ƒ 500 per kind zou betalen. Uit de wet vloeit voort dat het in de beschikking opgelegde bedrag jaarlijks per 1 januari is te vermeerderen met de geldende indexering. Omdat verzoeker de wettelijke indexering niet voldeed, was er volgens de directeur van het LBIO sprake van het niet naleven van een verplichting voortvloeiend uit de wet en uit de rechterlijke beschikking en was er geen sprake van dat verzoekers ex-echtgenote het LBIO inschakelde naar aanleiding van onenigheid voortvloeiend uit verplichtingen die in het convenant waren vastgelegd. De directeur van het LBIO was dan ook van mening dat artikel 7 van het convenant, waarin was vastgelegd dat indien uitvoering of aanpassing van het convenant tot onenigheid zou leiden waarover de ex-partners geen overeenstemming konden bereiken er bemiddeling zou worden ingeroepen van het bemiddelingsbureau, niet van toepassing was.

2.2. Verder liet de directeur van het LBIO weten dat er binnen het LBIO geen werkinstructie bestaat over de grondslag van het overnemen van de inning wanneer er een echtscheidingsconvenant is opgesteld. Immers, een 'los' convenant is geen executoriale titel en het LBIO kan op basis van uitsluitend een convenant geen invorderingsmaatregel treffen. Wanneer het echtscheidingsconvenant onderdeel uitmaakt van de beschikking, doordat de rechter deze in het dictum heeft opgenomen, dient het LBIO wel rekening te houden met hetgeen in het convenant wordt vermeld, althans voorzover dit voor de hoogte en de inning van de kinderalimentatie relevant is, aldus de directeur.

2.3. Uit de door het LBIO toegezonden stukken is gebleken dat het LBIO zich op 26 april 2002 op het standpunt stelde dat het LBIO de inning niet kon overnemen vanwege de bepalingen 4.1. en 7 van het echtscheidingsconvenant. Nadat het LBIO verzoekers ex-echtgenote hierover had geïnformeerd, liet deze middels haar advocaat weten dat een convenant geen executoriale titel bevat, zodat een deurwaarder hier niets mee kan doen. Voorts liet de advocaat weten dat zijn cliënte een verzoekschrift tot het vaststellen van een omgangsregeling tot de rechtbank had gericht waarin zij vermeldde slechte ervaringen te hebben gehad met bemiddeling, dat zij het gevoel had dat de bemiddelaars geen strikte neutraliteit bewaarden, en dat van haar onder deze omstandigheden niet kon worden verwacht dat zij opnieuw een beroep moest doen op bemiddeling. Het LBIO besloot vervolgens op 22 mei 2002 dat het inningsverzoek wel in behandeling zou worden genomen. Op 27 mei 2002 schreef het LBIO aan verzoeker voornemens te zijn de inning over te nemen en liet daarbij weten geen bemoeienis te hebben met het echtscheidingsconvenant.

2.4. Tijdens de interne klachtafhandeling op 20 november 2002 stelde het LBIO het echtscheidingsconvenant zorgvuldig te hebben getoetst, alvorens de inning over te nemen, maar bij het standpunt te blijven dat een dergelijk convenant geen executoriale titel is. Het LBIO voegde daaraan toe dat het niet kon ingaan op afspraken die mondeling waren overeengekomen, dan wel in het convenant zijn vastgelegd.

2.5. Tijdens het onderzoek door de Nationale ombudsman is er geen rechterlijke beschikking uitgegeven over het door verzoekers ex-partner ingediende verzoek tot wijziging van de omgangsregeling.

Beoordeling

1. Op grond van artikel 819 en 827 lid 1c Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) (zie Achtergrond, onder 2.) kan de rechter tussen echtgenoten gemaakte afspraken omtrent kosten voor verzorging en opvoeding van kinderen opnemen in de beschikking waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken. Zo'n beschikking vormt een titel voor executie en de overhandiging daarvan door de betalingsgerechtigde aan het LBIO machtigt het LBIO tot inning van de alimentatie.

Een en ander is aan de orde bij de beschikking waarbij de echtscheiding van verzoeker werd uitgesproken. Daarin heeft de rechter het bedrag van de kinderalimentatie vastgelegd “met inachtneming van hetgeen partijen blijkens het convenant zijn overeengekomen”. Verder is in die beschikking bepaald dat daarvan deel uitmaakt de regeling zoals tussen verzoeker en zijn toenmalige echtgenote overeengekomen in het convenant.

2. De Nationale ombudsman kan het LBIO evenwel niet volgen in het standpunt dat het LBIO op het moment van overname van de inning geen bemoeienis had met het convenant, zoals verwoord in de brief van 27 mei 2002. Evenmin juist is mededeling van het LBIO (in de brief van 20 november 2002) dat het niet kon ingaan op afspraken die in het convenant zijn vastgelegd.

Het had namelijk in de rede gelegen nader onderzoek in te stellen en artikel 4.1 van het convenant aan verzoekers ex-echtgenote voor te leggen, om te bezien waarom zij geen bemiddeling op dit punt had gezocht alvorens het LBIO te verzoeken de inning van de onderhoudsbijdragen over te nemen. Het verzoekschrift dat zij namelijk bij de rechter had ingediend - en ter ondersteuning van haar standpunt over bemiddeling aan het LBIO had voorgelegd - betrof een verzoek tot wijziging van de omgangsregeling, en betrof daarmee bepaling 7 van het echtscheidingsconvenant inzake onenigheid over uitvoering of aanpassing van het convenant in het algemeen. Het was juister geweest als het LBIO rekening had gehouden met bepaling 4.1 en nadere informatie had ingewonnen over de pogingen tussen beide partijen om tot overeenstemming te komen betreffende de onderhoudsbijdragen, ofwel tussen partijen, ofwel door inschakeling van een bemiddelingsbureau alvorens de inning over te nemen. Het LBIO mag op grond van het vierde lid van artikel 1:408 BW slechts tot invordering overgaan indien de ontvangstgerechtigde de achterstand in betaling aannemelijk heeft gemaakt. Nu uit het convenant voortvloeit dat hierover afspraken kunnen worden gemaakt had het LBIO verzoekers ex-partner moeten wijzen op de bepaling dat eerst via bemiddeling een oplossing van het conflict moest worden gevonden en dat een achterstand in betaling niet volledig aannemelijk was nu er mogelijk afwijkende afspraken waren gemaakt. Een en ander geldt te meer, nu verzoekers ex-partner zich in strijd met het van de rechterlijke beschikking deel uitmakende echtscheidingsconvenant niet tot het bemiddelingsbureau heeft gewend en het bemiddelingsbureau ook niet heeft kunnen vaststellen of bemiddeling al dan niet mogelijk was.

3. Dat hiernaast is gebleken dat het LBIO tussentijds van mening veranderde over de toepasselijkheid van het echtscheidingsconvenant, maar daarbij niet aan de Nationale ombudsman kon aantonen dat juridisch was onderzocht of en hoe dat convenant invloed kon hebben op (het tijdstip van) de eventuele overname van de inning door het LBIO, acht de Nationale ombudsman een onzorgvuldige handelwijze.

De onderzochte gedraging is niet behoorlijk.

Het voorgaande leidt ertoe dat de handelingen die hieruit voortvloeien, namelijk de berekening van de achterstand, de informatieverschaffing dienaangaande en de verzending van de brief, ook als niet behoorlijk dienen te worden aangemerkt. Niettemin zal in het hiernavolgende op die klachtonderdelen worden ingegaan, om na te gaan of zij, wanneer zij op zichzelf worden bezien, de toets der kritiek kunnen doorstaan. Ten aanzien van deze punten zal de Nationale ombudsman echter niet meer toekomen aan het geven van een behoorlijkheidsoordeel.

II. Ten aanzien van de overname van de inning na achterstand van tenminste één periodieke betaling

Bevindingen

1. Verzoeker klaagt er over dat het LBIO ten onrechte de inning van de onderhoudsbijdrage heeft overgenomen, terwijl de wet voorschrijft dat er een achterstand van tenminste één periodieke betaling moet zijn, hetgeen volgens verzoeker niet betekent een gedeeltelijke achterstand ten aanzien van één periodieke betaling. Verzoeker heeft de Nationale ombudsman desgevraagd laten weten dat hij en zijn ex-echtgenote in januari 2000 mondeling waren overeengekomen dat voor 2000 de wettelijke indexering niet zou worden toegepast, omdat de echtscheiding pas enkele maanden daarvoor was uitgesproken. Verzoeker heeft derhalve ook in 2000 ƒ 1000 per maand betaald. Met ingang van januari 2001, heeft hij een verhoging van 3% toegepast, in plaats van de voor dat jaar wettelijk voorgeschreven indexering van 3,3%. Voorts heeft verzoeker het LBIO laten weten dat hij in 2001 volgens afspraak met zijn ex-echtgenote handelde.

2.1. De directeur van het LBIO heeft in reactie op dit punt laten weten dat het LBIO op grond van artikel 1:408 lid 4 BW gerechtigd was tot invordering over te gaan zodra 14 dagen na de brief van 27 mei 2002 zou blijken dat er ten aanzien van minimaal één maandtermijn een achterstand in de betalingen bestond. Volgens de directeur behoefde er derhalve op grond van de wet niet minimaal één volledige termijn achterstallig te zijn alvorens het LBIO mocht overgaan tot invordering. De directeur gaf aan dat de passage uit een handboek, zoals bijgevoegd door verzoeker, strijdig was met de wetstekst. Ook gaf hij toe dat de informatie op de website van het LBIO strijdig bleek te zijn met de wetstekst. Ondanks deze tegenstrijdigheden was de directeur van mening dat het LBIO zijn standpunt volledig kon stoelen op de wetstekst. Hoewel hij begreep dat dit verwarring stichtte, achtte de directeur verzoekers klacht op dit punt niet gegrond.

2.2. In antwoord op een vraag van de Nationale ombudsman heeft de directeur van het LBIO laten weten dat partijen in onderling overleg afspraken kunnen maken ten aanzien van de verschuldigdheid van de wettelijke indexering. Het LBIO houdt met dergelijke afspraken rekening, wanneer duidelijk is dat daar in het verleden een eenduidige overeenkomst over is gesloten. Met enige regelmaat verzoeken ontvangstgerechtigden dan om een lager bedrag dan wettelijk verschuldigd is bij de betalingsplichtige te incasseren. De ontvangstgerechtigde kan de afspraak intrekken, echter kan niet met terugwerkende kracht hierop terugkomen. De directeur voegde hieraan toe dat wanneer partijen niets op papier hebben gezet, slechts één van de partijen aangeeft dat er een dergelijke afspraak is en de andere partij verzoekt om inning van het hele bedrag, het dan voor het LBIO onmogelijk is om te achterhalen of er inderdaad een dergelijke afspraak bestond.

Overweging

1. Ingevolge artikel 408 lid 4 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW, zie Achtergrond, onder 1.) kan het LBIO tot invordering overgaan indien de betalingsplichtige ten aanzien van ten minste één periodieke betaling tekort is geschoten. De memorie van toelichting op het toenmalige wetsvoorstel met betrekking tot dit artikel geeft aan dat het tekortschieten kan bestaan uit niet of niet tijdig dan wel te weinig betalen. Op grond hiervan kan de Nationale ombudsman verzoeker niet volgen in zijn standpunt dat het LBIO alleen de inning mag overnemen wanneer er sprake is van een achterstand van ten minste één volledige maandtermijn.

2.1. Het is van belang om vast te stellen of verzoeker daadwerkelijk vanaf oktober 2001 was tekortgeschoten in zijn betalingsverplichtingen. Gebleken is dat het LBIO in de berekeningen van de achterstand, de wettelijke indexering zowel in 2000 als in 2001 heeft toegepast zoals deze jaarlijks zijn voorgeschreven. Volgens de berekeningen van het LBIO betaalde verzoeker derhalve in 2001 € 13,07 per maand te weinig; hij had € 480,46 per maand moeten betalen en hij betaalde daarentegen € 467,39.

De Nationale ombudsman is echter van mening dat de betalingen van verzoeker in 2001 moeten worden berekend in het licht van de afspraak gemaakt begin 2000, ondanks dat deze niet op papier is gesteld. De Nationale ombudsman acht het namelijk, gelet op het tijdsverloop vanaf januari 2000 tot maart 2002, de maand waarin verzoekers ex-echtgenote het LBIO verzocht de inning over te nemen, en gelet op de korte periode die was verstreken na de rechterlijke beschikking in september 1999 en vóór het toepassen van de wettelijke indexering per 1 januari 2000, aannemelijk dat er inderdaad voor 2000 een dergelijke afspraak bestond tussen beide partijen.

Onduidelijker is of een dergelijke afspraak ook bestond ten aanzien van het toepassen van een lagere indexering voor 2001. Nu hierover niets is vastgelegd, en verzoekers ex-echtgenote het LBIO heeft verzocht om de inning met terugwerkende kracht over te nemen vanaf oktober 2001, acht de Nationale ombudsman het niet onjuist dat het LBIO zich op het standpunt heeft gesteld dat verzoeker de volledige wettelijke indexering van 3,3% in 2001 had moeten toepassen.

2.2. Gebleken is echter dat het LBIO geen onderzoek heeft verricht naar het bestaan van de door verzoeker gestelde afspraken, noch wat de eventuele gevolgen van deze afspraken waren voor de betalingsverplichting van verzoeker. Op dit punt had van het LBIO mogen worden verwacht dat het LBIO de stelling van verzoeker zou hebben geverifieerd bij de ex-echtgenote, en niet al direct de indexeringsbedragen voor alle jaren volgend op de rechterlijke beschikking in rekening had gebracht.

De Nationale ombudsman berekent dat een juiste toepassing van de wettelijke indexering van 3,3% op ƒ 1000 in 2001 zou hebben geleid tot een bedrag van € 468,75 per maand. Het tekortschieten in het jaar 2001 bedroeg derhalve per maand € 1,26 (zie OVERZICHT, onder 3.). De Nationale ombudsman overweegt dat, hoewel dit een klein bedrag betreft, het LBIO terecht tot de conclusie kon komen dat verzoeker feitelijk was tekortgeschoten in de betalingsverplichting, alhoewel de Nationale ombudsman met het LBIO van mening verschilt over de hoogte van de achterstand.

3. OVERZICHT MAANDELIJKSE ONDERHOUDSBIJDRAGEN, zonder toepassing van door het LBIO berekende opslagkosten

Jaar

Betaald door verzoeker per maand

Verschuldigd volgens LBIO

Bij afspraak tot niet toepassen indexering over 2000

1999

Hfl.1000 = € 453,78

€ 453,78

€ 453,78

2000

€ 453,78

€ 465,12

€ 453,78

2001

€ 467,39

€ 480,46

€ 468,75

2002

Januari, maart, april, mei: € 467,39; februari: €458,32

€ 502,56

€ 490,31

2002

Vanaf juni: € 488,89

€ 502,56

€ 490,31

Tekortgeschoten in betalingen uitgaande van een afspraak tot niet toepassen indexering over 2000:

2000

Geen tekortschieten wegens aannemelijkheid bestaan van afspraak

2001

Door vz. toegepaste wettelijke indexering na door hem gestelde afspraak van 3%

Met toepassing 3,3%:

€ 1,26 per maand tekort

2002

Door vz. gedurende 6 maanden geen wettelijke indexering toegepast. In februari afgeweken van maandelijkse betaling. Vanaf juni indexering toegepast

€ 22,92 per maand tekort, in februari € 31,99 tekort, vanaf juni € 0,42 per maand tekort

III. Ten aanzien van de toelichting op de berekening

Bevindingen

1. Verzoeker klaagt erover dat het LBIO in de berekening van de bedragen die van hem worden gevorderd, onvoldoende duidelijk heeft gemaakt waarop die berekening is gebaseerd.

2.1. Op 22 maart 2002 schreef het LBIO aan verzoeker van zijn ex-echtgenote te hebben vernomen dat hij betalingen voor zijn kinderen niet of niet correct had verhoogd met de wettelijke indexering. De juiste maandbedragen waren volgens het LBIO: € 251,28 voor 2002 en € 240,23 voor 2001. Hem werd verzocht de - niet nader gespecificeerde - achterstand te voldoen.

2.2. Verzoeker antwoordde op 8 april 2002 dat hij zijn financiële verplichtingen zoals vastgelegd in het echtscheidingsconvenant wel nakwam en dat bemiddeling moest worden ingeroepen als er een misverstand of andere zienswijze bestond die zijn ex-echtgenote schijnbaar niet met hem wilde bespreken.

2.3. Op 27 mei 2002 deelde het LBIO verzoeker schriftelijk mee dat zijn ex-echtgenote overname van de inning van de alimentatie verzocht wegens een betalingsachterstand. Het LBIO liet weten zich daarbij te baseren op de rechterlijke beschikking en geen bemoeienis te hebben met het convenant. Het LBIO kondigde aan de inning te zullen overnemen en kosten daarvan aan verzoeker in rekening te zullen brengen als hij niet binnen 14 dagen zou aantonen dat er geen betalingsachterstand (meer) was.

De achterstand werd als volgt toegelicht:

"…De geïndexeerde (artikel 402a burgerlijk wetboek, boek 1) maandelijkse alimentatie bedraagt EUR 240,23 per kind (2001) en EUR 251,28 per kind (2002) en volgens de opgave in het verzoek is er sprake van een achterstand in de betaling van EUR 224,13 (vanaf 01 oktober 2001) per 31 mei 2002 (vanaf 01 oktober 2001). Deze achterstand betreft:

* EUR 39,21 te weinig voldaan over de maanden oktober, november en december 2001

* EUR 35,17 te weinig voldaan over januari 2002

* EUR 44,24 te weinig voldaan over februari 2002

* EUR 105,51 te weinig voldaan over de maanden maart, april en mei 2002…"

2.4. Verzoeker antwoordde bij brief van 14 juni 2002 dat de berekeningen hem niet geheel duidelijk waren, dat hij begin 2001 met zijn ex-echtgenote had afgesproken dat hij maandelijks ƒ 1030 (€ 467,39) te weten het oorspronkelijke bedrag + 3% zou betalen. Voor 2002 zou dat bedrag met 4,6% verhoogd moeten worden tot € 488,89. Hij had die verhoging aanvankelijk niet betaald, maar het verschil inmiddels bijgepast, zo schreef hij aan het LBIO.

2.5. De reactie van het LBIO op 16 juli 2002 luidde dat de berekening van verzoeker niet juist was, dat de berekening van het LBIO in de brief van 27 mei wel juist was en dat de zaak naar de met inning belaste afdeling werd overgedragen. Deze schreef verzoeker op 7 augustus 2002 dat hij niet had aangetoond de verschuldigde bijdrage te hebben betaald. Het LBIO becijferde de tot en met 31 augustus 2002 verschuldigde alimentatie op € 1624,31 en de opslagkosten op € 162,44.

2.6. Verzoekers schriftelijke reactie hierop dat hij rechtstreeks aan zijn ex-echtgenote had betaald, leidde nog eind augustus tot correctie door het LBIO - een wezenlijke verlaging- van de bedragen verschuldigd terzake alimentatie en opslagkosten.

3. De directeur van het LBIO achtte de klacht niet gegrond. Daartoe schreef hij dat het LBIO alleen rekening kon houden met betalingen die (door beide partijen) aan het LBIO bekend waren gemaakt. Er stond op een bepaald moment inderdaad een te hoge vordering genoteerd, aangezien het LBIO op het moment van aanmaken van de acceptgirokaarten niet op de hoogte was gebracht van rechtstreekse betalingen aan de ontvangstgerechtigde. Deze werden pas verwerkt nadat de ontvangstgerechtigde ze had gemeld. Verder was de directeur van mening dat de bedragen voldoende werden verhelderd in de brief van 24 maart 2003.

Overweging

1. Zoals de Nationale ombudsman in rapport 2002/323 heeft overwogen is van belang dat het LBIO, wanneer het aankondigt de inning te zullen overnemen, inzicht geeft in de hoogte en samenstelling van de vermeende achterstand. Een dergelijke toelichting biedt de alimentatieplichtige aanknopingspunten om na te gaan en aan het LBIO uiteen te zetten in hoeverre hij al dan niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan.

2. Bij brief van 27 mei 2002 kondigde het LBIO aan verzoeker aan dat de inning van de onderhoudsbijdragen zou worden overgenomen indien verzoeker niet binnen 14 dagen kon aantonen dat de door het LBIO berekende achterstand was betaald. In deze brief werd aan de hand van de verschuldigde bedragen per jaar aangetoond hoeveel verzoeker tekortschoot. Niettemin stond in deze brief niet vermeld welk bedrag het LBIO voor ogen had voor de onderhoudsbijdragen in 2000. De Nationale ombudsman is van mening dat een vermelding van de hoogte van de onderhoudsbijdragen voor 2000 opheldering had kunnen verschaffen waarom het LBIO een andere berekening had dan die waar verzoeker op uitkwam. Desalniettemin kan de Nationale ombudsman niet anders concluderen dan dat het begrijpelijk is dat het misverstand is ontstaan, omdat het LBIO nooit is ingelicht over de afspraken over de onderhoudsbijdragen voor het jaar 2000. De Nationale ombudsman is dan ook van mening dat de door het LBIO getoonde overzicht in de betalingsachterstand in de brief van 27 mei 2002 voldoende overzichtelijk is.

3. Wel merkt de Nationale ombudsman op dat er in de daaropvolgende correspondentie tussen verzoeker en het LBIO veel onduidelijkheid heeft bestaan over te betalen bedragen en achterstanden. Het LBIO heeft uiteindelijk op 24 maart 2003 een verhelderend overzicht verschaft van alle berekeningen, met een verdere toelichting. De Nationale ombudsman vindt het niet juist dat in de tussentijdse correspondentie zoveel onduidelijkheid bleef bestaan.

IV. Ten aanzien van het niet aangetekend versturen van een brief betreffende de overname van de inning

Bevindingen

1. Verzoeker klaagt er over dat het LBIO de brief van 27 mei 2002 betreffende de overname van de inning van de kinderalimentatie niet aangetekend maar per gewone post heeft verstuurd, ondanks de bepaling in artikel 1:408 vijfde lid BW. Verzoeker reageerde op deze brief op 14 juni 2002, met de mededeling dat hij de brief pas recentelijk had ontvangen.

2.1. De directeur van het LBIO achtte de klacht gegrond. Hij wees daarbij op artikel 1:408 lid 5 BW dat bepaalt dat een bericht van overname van de inning dient te worden verstuurd met bericht van ontvangst (zie Achtergrond, onder 1.). Nu het LBIO geen uitvoering gaf aan dit artikel was verzoekers klacht op dit punt gegrond.

Overweging

De Nationale ombudsman acht het niet juist dat het LBIO artikel 1:408 vijfde lid BW niet heeft nageleefd door de brief waarmee verzoeker in kennis werd gesteld van het voornemen om over te gaan tot invordering van de alimentatie met verhaal van kosten per gewone post te verzenden en verwijst voorts naar zijn overwegingen dienaangaande in rapport 2003/370 van 16 oktober 2003 (zie Achtergrond, onder 3.).

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) is gegrond.

Onderzoek

Op 11 december 2002 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer prof. X te Amsterdam, met een klacht over een gedraging van het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) te Gouda.

Naar deze gedraging werd een onderzoek ingesteld.

In het kader van het onderzoek werd het LBIO verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben.

Tijdens het onderzoek kregen betrokkenen de gelegenheid op de door ieder van hen verstrekte inlichtingen te reageren.

Tevens werd aan het LBIO een aantal specifieke vragen gesteld.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. Verzoeker en het LBIO deelden mee zich met de inhoud van het verslag te kunnen verenigen.

Informatieoverzicht

De bevindingen van het onderzoek zijn gebaseerd op de volgende informatie.

Echtscheidingsconvenant, waarvan bepaling 4.1. voorschrijft:

"Tot de kinderen meerderjarig zijn betaalt de man alle kosten voor de verzorging en opvoeding van de kinderen. (…) Deze kosten zijn bepaald op ƒ 1000,- netto per maand. De man maakt dit bedrag maandelijks per 1e van de maand over op rekeningnr. (…) van de vrouw. Op dit bedrag is de jaarlijkse indexering kinderalimentatie van toepassing. De kinderbijslag voor beide kinderen zal de vrouw ontvangen.

Indien de omstandigheden dusdanig wijzigen, dat de man of de vrouw het redelijk acht om artikel 4.1. te herzien en indien de man en de vrouw in onderling overleg geen overeenstemming kunnen bereiken, zullen zij bemiddeling inroepen van bureau C. te Amsterdam of een vergelijkbaar bemiddelingsbureau."

Bepaling 7:

"Bemiddeling

Indien de uitvoering of aanpassing van dit convenant leidt tot onenigheid tussen de man en de vrouw waarover zij in onderling overleg geen overeenstemming kunnen bereiken, zal in eerste instantie bemiddeling worden ingeroepen van bureau C. te Amsterdam of een vergelijkbaar bemiddelingsbureau. (…)"

2. Beschikking van de rechtbank te Amsterdam van 22 september 1999:

"Beslissing:

- (…)

- Bepaalt dat de man ƒ 500,- (vijfhonderd gulden) netto per kind per maand zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarigen, bij vooruitbetaling te voldoen aan de vrouw en te verhogen met het bedrag van iedere uitkering die hem op grond van geldende wetten of regelingen ten behoeve van de minderjarigen kan of zal worden verleend, alles met inachtneming van hetgeen partijen blijkens het convenant zijn overeengekomen;

- Verklaart voormelde voorziening uitvoerbaar bij voorraad;

- Bepaalt dat de regeling, zoals tussen partijen is overeengekomen in het aan deze beschikking gehechte convenant, deel uitmaakt van de beschikking."

Brief van 22 maart 2002 van het LBIO aan verzoeker betreffende gedeeltelijke achterstand.

Brief van 8 april 2002 van verzoeker aan het LBIO.

Verzoekschrift van 19 april 2002 van de advocaat van verzoekers ex-echtgenote aan de rechtbank te Amsterdam.

Brief van 26 april 2002 van het LBIO aan verzoekers ex-echtgenote.

Brief van 3 mei 2002 van de advocaat van verzoekers ex-echtgenote aan het LBIO.

Brief van 27 mei 2002 van het LBIO aan verzoeker betreffende de overname van de inning.

Brief van verzoeker aan het LBIO van 14 juni 2002.

Brief van 16 juli 2002 van het LBIO aan verzoeker.

Brief van 7 augustus 2002 van het LBIO aan verzoeker over achterstand tot en met augustus 2002.

Brief van 17 augustus 2002 van verzoeker aan het LBIO in reactie op bericht van 7 augustus 2002.

Brief van 27 augustus 2002 van het LBIO aan verzoeker betreffende verwerking rechtstreeks gedane betalingen

Klachtbrief van verzoeker aan LBIO gedateerd 31 oktober 2002.

Klachtafdoening van 20 november 2002 door het LBIO.

Verzoekschrift aan de Nationale ombudsman van 11 december 2002.

Brief van het LBIO aan verzoeker van 24 maart 2003.

Reactie van de directeur van het LBIO aan de Nationale ombudsman van 15 augustus 2003.

Bevindngen

"zie onder Beoordeling"

Achtergrond

1. Burgerlijk Wetboek

Artikel 1:408, eerste tot en met zesde lid:

"1. Een uitkering tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding of tot voorziening in de kosten van levensonderhoud en studie, waarvan het bedrag in een rechterlijke beslissing, daaronder begrepen de beslissing op grond van artikel 822, eerste lid, onder c, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, is vastgelegd, wordt ten behoeve van de minderjarige aan de ouder die het kind verzorgt en opvoedt of aan de voogd onderscheidenlijk aan de meerderjarige betaald.

2. Op verzoek van een gerechtigde als bedoeld in het eerste lid, van een onderhoudsplichtige dan wel op gezamenlijk verzoek van een gerechtigde en onderhoudsplichtige neemt het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen de invordering van de onderhoudsgelden op zich. De executoriale titel wordt daartoe door de onderhoudsgerechtigde in handen gesteld van dit Bureau. De overhandiging daarvan machtigt het Bureau tot het doen van de invordering, zo nodig door middel van executie.

3. Kosten van invordering door het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen worden verhaald op de onderhoudsplichtige, onverminderd de kosten van gerechtelijke vervolging en executie. Het verhaal van kosten vindt plaats door wijziging van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels.

4. Tot invordering op verzoek van een onderhoudsgerechtigde wordt slechts overgegaan, indien de gerechtigde ter gelegenheid van de indiening van het verzoek aannemelijk heeft gemaakt dat binnen ten hoogste zes maanden voorafgaande aan de indiening van het verzoek de onderhoudsplichtige ten aanzien van ten minste één periodieke betaling tekort is geschoten in zijn verplichtingen. In deze gevallen geschiedt de invordering van bedragen die verschuldigd zijn vanaf een tijdstip van ten hoogste zes maanden voorafgaande aan de indiening van het verzoek.

5. Alvorens tot invordering met verhaal van kosten over te gaan wordt de onderhoudsplichtige bij brief met bericht van ontvangst in kennis gesteld van het voornemen daartoe en de reden daarvoor, alsmede van het bedrag inclusief de kosten van invordering. Het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen wordt bevoegd tot invordering over te gaan op de veertiende dag na de verzending van de brief.

6. De invordering die op verzoek van de onderhoudsgerechtigde geschiedt, eindigt slechts, indien gedurende ten minste een half jaar regelmatig is betaald aan het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen en er geen bedragen meer verschuldigd zijn als bedoeld in het vierde lid, tweede volzin. De termijn van een half jaar wordt telkens verdubbeld, indien een voorgaande termijn van invordering ook op verzoek van de onderhoudsgerechtigde was aangevangen."

2. Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

Artikel 819:

"Betreft het een gemeenschappelijk verzoek (tot echtscheiding; N.o.), dan kan de rechter de getroffen onderlinge regelingen, daaronder begrepen afspraken omtrent uitkeringen tot levensonderhoud en omtrent de kosten van verzorging en opvoeding van een minderjarige, geheel of gedeeltelijk in de beschikking opnemen."

Artikel 827, eerste lid, onder c:

"Ingeval de echtscheiding, de scheiding van tafel en bed of de ontbinding na het huwelijk na scheiding van tafel en bed wordt uitgesproken, kan de rechter als nevenvoorziening de navolgende voorzieningen treffen:

(…)

c. voorzieningen betreffende het gezag over, de omgang met, de informatie en raadpleging over en een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen der echtgenoten; (…)"

3. Rapport 2003/370 van de Nationale ombudsman van 16 oktober 2003

"Het vijfde lid van artikel 1:408 van het Burgerlijk Wetboek (…) bepaalt dat de brief waarmee de onderhoudsplichtige in kennis wordt gesteld van het voornemen om over te gaan tot invordering van alimentatie met verhaal van kosten, dient te worden verstuurd met bericht van ontvangst. Het doel van dit voorschrift is dat op die manier onweerlegbaar komt vast te staan dat het poststuk ook daadwerkelijk op de bestemde plaats is aangekomen. Het is de Nationale ombudsman ambtshalve bekend dat van de voorheen in het binnenlands postverkeer bestaande mogelijkheden voor verzekerde verzending, te weten bij aangetekende brief of bij brief met ontvangstbevestiging, uitsluitend nog de mogelijkheid van aangetekende verzending resteert. Niettemin moet artikel 1:408, vijfde lid, van het Burgerlijk Wetboek zo worden verstaan dat aan een andere wijze van inkennisstelling dezelfde waarborgen moeten worden ontleend als aan een brief met bericht van ontvangst. Aan de in artikel 1:408, vijfde lid, van het Burgerlijk Wetboek neergelegde waarborg kan thans alleen worden voldaan door aangetekende verzending. Reeds in een eerder in 2001 uitgebracht rapport 2001/395 heeft de Nationale ombudsman het LBIO hierop gewezen (…).

Tijdens het onderzoek in deze zaak is gebleken dat het LBIO zijn brief (…) aan verzoeker niet aangetekend heeft verstuurd. Naar aanleiding hiervan werd het LBIO verzocht aan te geven of een onderhoudsplichtige altijd middels een aangetekend schrijven in kennis wordt gesteld van het voornemen de inning over te nemen. Deze vraag werd door het LBIO ontkennend beantwoord; de betalingsplichtige wordt altijd per gewone post geïnformeerd (…). Hiermee kwam vast te staan dat het LBIO nog immer in strijd handelde met de wettelijke bepalingen op dit punt. De door het LBIO aangevoerde omstandigheid dat, in het geval geen reactie van de betalingsplichtige volgt, altijd verificatie plaatsvindt bij de Gemeentelijke Basis Administratie alvorens tot overname wordt overgegaan, doet hieraan niet af.

Dit gaf de Nationale ombudsman aanleiding om de minister van Justitie te vragen zich uit te laten over de handelwijze van het LBIO. In reactie hierop liet de minister de Nationale ombudsman weten dat het standpunt van het LBIO alsmede de inhoud van het eerdere rapport van de Nationale ombudsman, hem aanleiding hadden gegeven zich uitvoerig te beraden over de eventueel te nemen maatregelen. Uiteindelijk heeft dit geleid tot een verzoek van de minister van Justitie aan het LBIO om zijn werkwijze aan te passen in die zin dat de brief van het LBIO waarin het voornemen tot invordering wordt aangekondigd, voortaan met bericht van ontvangst wordt verstuurd (...).

Aangezien het, zoals hiervóór reeds is opgemerkt, niet meer mogelijk is om brieven met bericht van ontvangst te versturen, gaat de Nationale ombudsman ervan uit dat de minister van Justitie hierbij heeft gedoeld op de thans nog resterende mogelijkheid van aangetekende verzending."

4. Rapport 2002/323 van de Nationale ombudsman van 21 oktober 2002

"De Nationale ombudsman acht het van belang dat het LBIO, wanneer het aankondigt de inning te zullen overnemen, inzicht geeft in de hoogte en samenstelling van de vermeende achterstand. Een dergelijke toelichting biedt de alimentatiegerechtigde aanknopingspunten om na te gaan en aan het LBIO uiteen te zetten in hoeverre hij/zij al dan niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan."

Instantie: Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen

Klacht:

Ten onrechte inning overgenomen, zonder bemiddeling via bemiddelingsbureau, terwijl sprake was van een gedeeltelijke achterstand tav een periodieke betaling i.p.v. achterstand van hele periodieke betaling; onvoldoende duidelijk gemaakt waarop berekening vordering is gebaseerd; brief betreffende overname inning niet aangetekend verstuurd.

Oordeel:

Gegrond