2004/029

Rapport

Verzoekster klaagt over de wijze waarop functionarissen van de Koninklijke Luchtmacht van de vliegbasis Volkel van het ministerie van Defensie zich tussen november 2000 en juni 2001 op en om het bosperceel waar zij verblijft en dat eigendom is van de Stichting Atoomvrijstaat, hebben gedragen. Zij klaagt er in dit verband over dat voornoemde functionarissen:

haar in genoemde periode zowel overdag als 's nachts om de ongeveer dertig minuten met (nacht)kijkers hebben bespied, terwijl het perceel geen militair terrein is en niet ligt tussen militaire objecten;

daarbij met legervoertuigen over smalle bospaden hebben gereden, terwijl dit niet is toegestaan;

zich daarbij hebben doen vergezellen van een hond en gewapend waren met (een) mitrailleur(s).

Voorts klaagt verzoekster over de wijze waarop zij is bejegend door functionarissen van de Koninklijke Luchtmacht van het ministerie van Defensie van de vliegbasis Volkel tijdens haar aanhouding op 27 december 2000. Zij klaagt er in dit verband over dat zij:

van haar fiets is getrokken;

geen gelegenheid heeft gekregen haar fiets op slot te zetten.

Tenslotte klaagt verzoekster over de wijze waarop zij is bejegend door een functionaris van de Koninklijke Luchtmacht van het ministerie van Defensie op 27 december 2000 op de vliegbasis Volkel. Zij klaagt er met name over dat de functionaris op haar verzoek om haar fietsen veilig te stellen, heeft gereageerd met de opmerking dat zij haar mond moest houden of dat hij hem anders dicht zou slaan.

Beoordeling

Ten aanzien van het patrouilleren

A. De wijze van patrouilleren.

1. Verzoekster, vredesactiviste, verbleef in de periode tussen november 2000 en juni 2001, op het bosperceel van de Stichting Atoomvrijstaat. Verzoekster verbleef daar om te protesteren tegen de vermeende aanwezigheid van atoomwapens op de nabijgelegen vliegbasis Volkel. Vanaf dit terrein voerde verzoekster ook acties, in het kader waarvan zij en andere activisten onder meer vernielingen aanbrachten aan het hek van de vliegbasis, en het terrein van de vliegbasis betraden. Verzoekster verbleef zowel overdag als 's nachts op dit terrein. Zij klaagt er in de eerste plaats over dat ambtenaren van de Koninklijke Luchtmacht tijdens dit verblijf, zowel overdag als 's nachts, haar om de ongeveer dertig minuten hebben bespied tijdens hun patrouilles, terwijl het perceel geen militair object is en ook niet ligt tussen militaire objecten.

2. De beveiliging van de vliegbasis Volkel en de bijbehorende militaire objecten is opgedragen aan het bewakingspersoneel van de Koninklijke Luchtmacht. Het patrouilleren op en rondom de vliegbasis vindt in het kader van deze bewaking plaats. In het Voorschrift Bewaking Koninklijke Luchtmacht (VBKLu) en in de Lokale Instructie Bevoegdheden van en Optreden door wachtpersoneel (LBOA) zijn de uitgangspunten en de procedures vastgelegd voor de bewaking. Beide instructies hebben een confidentieel karakter. De Nationale ombudsman heeft kennis genomen van de inhoud van beide instructies. Daarnaast is het Besluit geweldgebruik defensiepersoneel in de uitoefening van de bewakings- en beveiligstaak (zie Achtergrond, onder 3.) van toepassing.

3. Uit het onderzoek komt naar voren dat het bewakingspersoneel van de Koninklijke Luchtmacht uit oogpunt van veiligheid ook buiten de vliegbasis patrouilles uitvoert. Deze patrouilles zijn gericht op extern gelegen militaire objecten en op andere aandachtsgebieden, die voor de veiligheid van belang kunnen zijn. Patrouilles vinden regulier plaats maar kunnen indien wenselijk ook incidenteel worden ingezet. De frequentie, de route en de duur van de patrouillering zijn confidentieel. Patrouillering vindt zowel overdag als 's nachts plaats. Het patrouilleren kan per auto maar ook te voet plaatsvinden. Indien per auto wordt gepatrouilleerd blijft men op de verharde weg.

4. De minister heeft in zijn reactie op de klacht aangegeven dat het bosperceel van de Stichting Atoomvrijstaat, waar verzoekster verbleef, uit oogpunt van bewaking als aandachtsgebied gold. Gezien de reden van verblijf van verzoekster op het perceel van de Atoom Vrijstaat kan de minister in deze stelling worden gevolgd. Het patrouilleren in de nabijheid van dit terrein was dan ook toegestaan. Of er om de dertig minuten werd gepatrouilleerd, zoals verzoekster aangeeft, valt niet vast te stellen. Wel is aannemelijk dat de frequentie regelmatig zeer hoog lag. Op basis van de interne instructies is het zowel overdag als 's nachts toegestaan met hoge frequentie te patrouilleren. Gelet op het doel van de patrouilles - veiligheid - ten opzichte van het doel van het verblijf van de betrokkenen - het voeren van acties door onder meer het aanrichten van vernielingen en het betreden van de vliegbasis - heeft de Koninklijke Luchtmacht in redelijkheid kunnen besluiten frequent te patrouilleren, en daarbij het bosperceel van de Stichting Atoomvrijstaat te observeren.

De onderzochte gedraging is op dit punt behoorlijk.

B. Het gebruik van (nacht-)kijkers.

1. Verzoekster klaagt er voorts over dat het bewakingspersoneel van de Koninklijke Luchtmacht tijdens het patrouilleren gebruik heeft gemaakt van (nacht-)kijkers om haar te bespieden. Tijdens het patrouilleren bestaat de uitrusting uit een gevechtstenue, gevechtslaarzen, herkenningsplaatje, instructies en een patrouilleband, eventueel aangevuld met wapen, wapenstok, scherfwerend vest, helm en een hond.

2. Op de vraag of bij het patrouilleren gebruik is gemaakt van (nacht-)kijkers om verzoekster te bespieden is tijdens het onderzoek geen duidelijk antwoord gegeven. De (nacht-)kijkers worden niet genoemd in de beschrijving van de standaarduitrusting van het bewakingspersoneel tijdens het patrouilleren. Ook in de interne instructies worden (nacht-)kijkers niet genoemd als behorende tot de uitrusting van het bewakingspersoneel.

3. Het gebruik van kijkers tijdens patrouilles is op zichzelf geen bijzonderheid. Het is dan ook niet onaannemelijk dat bij de (nachtelijke) patrouilles in voorkomende gevallen (nacht-)kijkers zijn gebruikt. Dat verzoekster dit uit een oogpunt van privacy als hinderlijk heeft ervaren is begrijpelijk, met name voor zover sprake was van verstoring van de nachtrust.

Het was verzoekster echter niet toegestaan om zich 's nachts op het bosperceel te bevinden (zie Achtergrond, onder 5.). Het perceel van de stichting Atoom Vrijstaat heeft op grond van het bestemmingsplan Buitengebied Zeeland als bestemming bosgrond. Dit betekent dat het perceel onder andere mag worden gebruikt voor recreatief buitenverblijf tussen zonsopgang en zonsondergang. Dat verzoekster met het verblijf protesteerde tegen de aanwezigheid van kernwapens op vliegveld Volkel en haar verblijf zag als een zelfstandige vorm van vrijheid van meningsuiting, maakt dit niet anders (zie Bevindingen, onder F.)

4. Nu aldus bezien geen sprake was van een recht op ongestoorde nachtrust, terwijl er wel goede redenen waren om te patrouilleren en daarbij het bosperceel te observeren, en het gebruik van kijkers daarbij een geëigend middel is, heeft de Koninklijke Luchtmacht in redelijkheid kunnen besluiten (nacht-)kijkers te gebruiken.

De onderzochte gedraging is op dit punt behoorlijk.

C. Het rijden over smalle bospaden

1. Verzoekster klaagt er tevens over dat de ambtenaren van de Koninklijke Luchtmacht tijdens het patrouilleren met legervoertuigen over smalle bospaadjes hebben gereden, terwijl dit niet was toegestaan. Verzoekster liet in haar eerste klachtbrief weten dat zij regelmatig vanaf haar verblijfplaats op het bosperceel militaire voertuigen voorbij had zien rijden over de bospaden rond en zelfs op het perceel. In zijn reactie op de klacht van verzoekster liet de minister van Defensie weten de ambtenaren te hebben opgedragen zich aan de Wegenverkeerswet te houden.

2. Naast de Wegenverkeerswet (zie Achtergrond, onder 4.) zijn de interne instructies voor bewaking van toepassing tijdens het patrouilleren.

Uit het onderzoek komt naar voren dat in verband met het patrouilleren een verharde weg is aangelegd om de vliegbasis Volkel heen. In beginsel maakt men gebruik van de openbare en verharde weg, tenzij een incident of noodsituatie het noodzakelijk maakt hiervan af te wijken. In dat geval wordt de patrouille te voet voortgezet en wordt er melding van gemaakt in het dagrapport.

3. Het bosperceel van de Atoom Vrijstaat is gelegen in de Trentse Bosschen ten noorden van de vliegbasis. Het perceel is niet via de verharde weg te bereiken. Er loopt in het noorden een breed zandpad langs het perceel, in het westen loopt een smal bospad. De dichtst bijzijnde verharde weg vanaf het perceel is de Millse Baan ten zuiden van het terrein. Deze verharde weg grenst niet aan het perceel.

4. Op de vraag van de Nationale ombudsman of het bewakingspersoneel over bospaden heeft gereden tijdens het patrouilleren, liet de minister weten dat de betreffende ambtenaren zich dit niet konden herinneren. Daarbij gaf de minister aan dat indien dit in het onderhavige geval zou hebben plaatsgevonden, dat in ieder geval niet (onnodig) lang was geweest. Deze reactie van de minister wekt bevreemding. Immers volgens de interne instructie dient men bij patrouille per auto gebruik te maken van de verharde en openbare weg en als men in geval van een incident daarvan afwijkt, dient dat in het dagrapport te worden vermeld. Aan de hand van de dagrapporten had de minister moeten kunnen vaststellen of in de periode waarover verzoekster klaagt met militaire voertuigen over bospaden was gereden in de nabijheid van het bosperceel van de Atoomvrijstaat. Of de betreffende ambtenaren van de Koninklijke Luchtmacht zich niet meer konden herinneren of zij over bospaden hebben gereden is in zoverre niet relevant.

5. Uit de getoonde dagrapporten blijkt niet van de melding van een noodsituatie die tot afwijking van de verharde weg noopte. Uit de in de dagrapporten gedane gedetailleerde signaleringen blijkt echter wel dat men regelmatig zeer dicht in de buurt van het kamp moet zijn geweest om een en ander te kunnen waarnemen. Ook de opmerking van de minister dat, als er al op de bospaden zou zijn gereden, dit in ieder geval niet onnodig (lang) had plaatsgevonden, doet vermoeden dat men tijdens de patrouillering inderdaad de verharde weg heeft verlaten. In dit geval hecht de Nationale ombudsman dan ook meer waarde aan de gedetailleerde beschrijving van verzoekster dan aan de verklaring van de betrokken ambtenaren dat zij het zich niet kunnen herinneren. Het wordt er dan ook voor gehouden dat de ambtenaren van de Koninklijke Luchtmacht zich meerdere keren niet hebben gehouden aan de interne instructies en zich met militaire voertuigen op de bospaden hebben begeven, zonder dat daarvan en van de noodzaak daartoe melding is gemaakt in het dagrapport.

De onderzochte gedraging is op dit punt niet behoorlijk.

D. Het meevoeren van wapens en een hond

1. Verzoekster klaagt er ook over dat de ambtenaren van de Koninklijke Luchtmacht tijdens de patrouillering zich lieten vergezellen van een hond en gewapend waren met mitrailleurs. Verzoekster voelde zich hierdoor geïntimideerd. Verzoekster klacht heeft betrekking op de periode van november 2000 tot juni 2001. Zij heeft niet nader aangegeven wanneer en op welke wijze met de honden en wapens is gepatrouilleerd.

2. Tijdens het patrouilleren bestaat de uitrusting uit een gevechtstenue, gevechtslaarzen, herkenningsplaatje, instructies en een patrouilleband, eventueel aangevuld met wapen, wapenstok, scherfwerend vest, helm en een hond.

Op grond van het Besluit geweldgebruik defensiepersoneel in de uitoefening van de bewakings- en beveiligingstaak is het inzetten van een hond tijdens het patrouilleren toegestaan als dit onder toezicht van een hondengeleider gebeurt. Ook het dragen van een wapen door het defensiepersoneel tijdens het patrouilleren is toegestaan.

3. De minister van Defensie heeft in zijn reactie op de klacht aangegeven dat op speciale routes en op speciale tijden bij het patrouilleren in en om de vliegbasis een hond werd ingezet. Ook werd tijdens het patrouilleren een wapen gedragen. Of dit wapen een mitrailleur was is in het onderzoek niet komen vast te staan.

4. Het lijdt geen twijfel dat het gewapend en met een hond patrouilleren als intimiderend kan worden ervaren. Dit neemt niet weg dat gewapend en met een hond patrouilleren ter bewaking van de vliegbasis is toegestaan, uiteraard mits geen sprake is van een onjuiste inzet van die middelen. Daarvan is echter in dit geval niet gebleken.

De onderzochte gedraging is op dit punt behoorlijk.

Ten aanzien van de aanhouding op 27 december 2000

A. Het van de fiets trekken

1. Verzoekster werd op 27 december 2000 tegelijk met een andere vredesactiviste even buiten de vliegbasis Volkel door een ambtenaar van de Koninklijke Luchtmacht aangehouden op heterdaad wegens vernieling van het hekwerk van de basis. Verzoekster verklaarde, zoals vastgelegd in het proces verbaal van aangifte van mishandeling (zie Bevindingen, onder E.2.) dat een ambtenaar van de Koninklijke Marechaussee zonder enige waarschuwing de fiets waar zij op reed, had vastgepakt, waardoor zij ten val kwam. Zij was door hem vervolgens bij haar arm vastgepakt en daarna had de ambtenaar verklaard dat zij was aangehouden. Vervolgens was zij door twee ambtenaren door een gat in het hekwerk de vliegbasis op geleid.

De betreffende ambtenaar verklaarde, zoals vastgelegd in het proces verbaal van verhoor naar aanleiding van de aangifte van verzoekster (zie Bevindingen, onder E.3.) dat hij verzoekster op heterdaad had betrapt bij vernieling van het hekwerk van de basis. Hij had de achtervolging ingezet om haar aan te houden. Verzoekster was weggerend en op haar fiets gesprongen, die buiten de vliegbasis tegen een hek stond. Toen zij wegreed, was zij door de gladheid vanwege de sneeuw ten val gekomen. De ambtenaar had verzoekster toen bij haar arm gepakt en op luide toon laten weten dat zij was aangehouden. Vervolgens was zij door hem en een collega de basis op geleid.

2. Op grond van het Besluit geweldgebruik defensiepersoneel in de uitoefening van de bewakings- en beveiligingstaak (zie Achtergrond, onder 3.) is het een ambtenaar van de Koninklijke Luchtmacht toegestaan om geweld te gebruiken, ter uitvoering van de bewakings- en beveiligingstaak. Aan het daadwerkelijk uitoefenen van geweld gaat, tenzij de omstandigheden dit niet toelaten, een duidelijke waarschuwing vooraf, en ook moet dit in overeenstemming zijn met de vereisten van subsidiariteit en proportionaliteit.

3. De lezingen van verzoekster en de betrokken ambtenaar over de wijze van aanhouding lopen uiteen en er zijn geen feiten of omstandigheden die de ene lezing meer aannemelijk maken dan de andere. Vaststaat dat verzoekster op heterdaad is betrapt bij het vernielen van hekwerken. Ook staat vast dat zij zich op moment van aanhouding met een fiets buiten de vliegbasis bevond in de nabijheid van het vernielde hekwerk. Er kan echter niet worden vastgesteld of verzoekster ten val is gekomen doordat zij door de gladheid weggleed, of doordat de betrokken ambtenaar haar fiets vastpakte. Derhalve kan evenmin worden vastgesteld of sprake is van geweldstoepassing, en zo ja of die geweldstoepassing geoorloofd was.

Over de onderzochte gedraging kan op dit punt geen oordeel worden gegeven.

B. Het niet in de gelegenheid stellen de fiets op slot te zetten

1. Na haar aanhouding verzocht verzoekster de ambtenaar die haar had aangehouden om in de gelegenheid te worden gesteld haar fiets, die zich nog buiten de vliegbasis bevond, op slot te zetten. In het proces-verbaal van aangifte van mishandeling verklaarde verzoekster dat de betrokken ambtenaar dit op nogal luide toon had geweigerd. Hij had haar daarbij meegedeeld dat als ze niet snel haar mond zou houden hij hem wel dicht zou slaan en had daarbij dreigend zijn vuist geheven.

De ambtenaar gaf tijdens het verhoor naar aanleiding van de aangifte van mishandeling door verzoekster toe dat zijn optreden, hoewel het niet zijn bedoeling was dreigend over te komen, door de combinatie van het heffen van zijn hand en de luid uitgesproken woorden dreigend overgekomen had kunnen zijn.

2. Uit een oogpunt van professionaliteit dient een ambtenaar zich te onthouden van intimiderend gedrag. Ook dient hij niet nodeloos te dreigen met geweld.

3. De Bevelhebber heeft op 15 november 2001 in reactie op verzoeksters klacht het volgende laten weten. De ambtenaren van de luchtmachtbewaking op de vliegbasis worden regelmatig geconfronteerd met activisten. Het personeel moet voorkomen dat derden zich ongeoorloofd toegang verschaffen tot de vliegbasis en zich schuldig maken aan vernieling, zoals de omheining van de basis. Bij dat (preventieve) optreden kan geen onderscheid gemaakt worden tussen activisten met vredelievende bedoelingen of activisten die er op uit zijn om vernielingen aan te richten. Dit optreden gaat soms gepaard met lichte vormen van geweld met als uitgangspunt het vereiste van proportionaliteit. In het onderhavige geval is het mogelijk geweest dat verzoekster onheus is bejegend. Het ging hier met name om nodeloos intimiderende wijzen van communiceren en handelen tegenover onder andere verzoekster. De Bevelhebber achtte de klacht op dit punt gedeeltelijk gegrond, en deelde mee dat de commandant en vervolgens het betreffende personeel hierop waren aangesproken. Op de vliegbasis was een extra trainingsprogramma gestart waarbij de Koninklijke Marechaussee de ambtenaren van de luchtmachtbewaking traint in het op de juiste wijze aanhouden en omgaan met civiele verdachten.

4. Door zijn wijze van optreden heeft de betrokken ambtenaar van de Koninklijke Luchtmacht zich tegenover verzoekster niet professioneel gedragen. Hij heeft haar door zijn stem te verheffen in combinatie met het heffen van zijn hand geïntimideerd. De minister van Defensie kan in die zin worden gevolgd in zijn zienswijze zoals hij deze bij brief van 8 februari 2001 naar voren heeft gebracht. Hij verwees daarin naar de hierboven weergegeven reactie van de Bevelhebber en achtte de klacht op het punt van de intimiderende wijze van communiceren gegrond.

5. Bovendien had de betrokken ambtenaar moeten ingaan op het verzoek om de fiets op slot te zetten. Nu verzoekster was aangehouden, kon zij de zorg voor haar fiets immers niet meer zelf uitoefenen. Door niet te reageren op het verzoek, heeft de betrokken ambtenaar verzoeksters belang onvoldoende behartigd.

De onderzochte gedraging is op dit punt niet behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van de Koninklijke Luchtmacht, die wordt aangemerkt als een gedraging van de minister van Defensie, is gegrond, behoudens wat betreft het patrouilleren, het gebruik van (nacht-)kijkers, en het meevoeren van hond en wapen; op die punten is de klacht niet gegrond. Ten aanzien van het ten val komen onthoudt de Nationale ombudsman zich van een oordeel.

Onderzoek

Op 22 juni, 10 juli en 6 augustus 2001 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van mevrouw M., ingediend door de heer mr. E.Th. Hummels te Zeist, met een klacht over een gedraging van de Koninklijke Luchtmacht.

Naar deze gedraging (aanvankelijk behoudens het laatste onderdeel), die wordt aangemerkt als een gedraging van de minister van Defensie, werd een onderzoek ingesteld.

In het kader van het onderzoek werd de minister van Defensie verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben.

Vervolgens werd de klacht uitgebreid met het hierboven genoemde derde klachtenonderdeel.

Tevens werd de minister een aantal specifieke vragen gesteld. De Nationale ombudsman heeft inzage gehad in een deel van de dagrapporten en de aanwezigheidsroosters van het bewakingspersoneel van de Koninklijke Luchtmacht over de periode van november 2000 tot juni 2001. Ook werd het Voorschrift bewaking Koninklijke Luchtmacht (VBKLu) en de Lokale Instructie Bevoegdheden van en Optreden door wachtpersoneel (LBOA) ingezien. Deze stukken zijn confidentieel. Het verzoek van de minister om vertrouwelijke behandeling van genoemde stukken, werd gehonoreerd.

Tijdens het onderzoek kregen de minister en verzoekster de gelegenheid op de door ieder van hen verstrekte inlichtingen te reageren.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen.

De minister deelde mee zich met de inhoud van het verslag te kunnen verenigen.

Verzoekers gemachtigde gaf binnen de gestelde termijn geen reactie.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:

A. feiten

1. Verzoekster, vredesactiviste, verbleef in de periode tussen november 2000 en juni 2001 regelmatig op het bosperceel dat eigendom is van de Stichting Atoomvrijstaat. Dit bosperceel bevindt zich niet ver van de vliegbasis Volkel. Het bosperceel van de Atoom Vrijstaat is gelegen in de Trentse Bosschen ten noorden van de vliegbasis. Het perceel is niet via de verharde weg te bereiken. Er loopt in het noorden een breed zandpad langs het perceel, in het westen loopt een smal bospad. De dichtst bijzijnde verharde weg vanaf het perceel is de Millse Baan ten zuiden van het terrein. Deze verharde weg grenst niet aan het perceel. De Atoomvrijstaat is opgericht als protest tegen de vermeende aanwezigheid van kernwapens op de vliegbasis Volkel. Vanaf die plaats nam verzoekster ook deel aan vredesacties tegen de aanwezigheid van kernwapens op de vliegbasis Volkel.

2. Op 27 december 2000 werd verzoekster tegelijk met andere vredesactivisten op heterdaad aangehouden door ambtenaren van de Koninklijke Luchtmacht wegens vernieling van hekwerken van de vliegbasis Volkel. In afwachting van de overdracht aan de Koninklijke Marechaussee werd zij samen met andere activisten ondergebracht in gebouw 309 op de vliegbasis. Op het moment van aanhouding bevond verzoekster zich met een andere vredesactiviste even buiten het terrein van de vliegbasis. Beiden hadden een fiets bij zich. Na hun vrijlating waren beide fietsen verdwenen.

3. Verzoekster diende op 24 januari 2001 bij de minister voor Defensie de volgende klacht in:

“Sinds enige tijd verblijf ik regelmatig in de buurt van de vliegbasis Volkel. Vanaf een eigen stukje bosgrond (niet zichtbaar vanaf de openbare weg) demonstreer ik tegen de atoombommen op de vliegbasis.

Ik voel mij ernstig aangetast in mijn privacy doordat luchtmachtbewakers (LB'ers) met grote regelmaat, ongeveer om de 30 min. mij bespieden. Daarvoor moeten ze met hun jeeps over smalle bospaden rijden (waar ze niet mogen komen). Ze hebben mitrailleur en hond in hun jeep en begluren mij (ons) met nachtzichtapparatuur.”

4. Op 24 februari 2001 diende verzoekster via haar gemachtigde bij de minister van Defensie de volgende klacht in:

“Cliënte is op 27 december 2000 tezamen met een medevredesactiviste aangehouden aan de buitenkant van de Vliegbasis Volkel door de Luchtmachtbewaking (LB'ers). Cliënte werd van de fiets afgetrokken en de basis opgesleurd. Zij kreeg geen gelegenheid haar fiets op slot te zetten. De genoemde medevredesactiviste had een fiets van cliënte geleend en werd ook onverwachts gearresteerd. Cliënte heeft meteen gevraagd om het veiligstellen van de twee fietsen, maar zij kreeg van een LB'er te horen dat zij haar mond moest houden en dat hij haar anders de mond zou dichtslaan.

Cliënte heeft ook aan de Koninklijke Marechaussee gevraagd of ze zorg wilden dragen voor de fietsen. Cliënte gaf daarbij te kennen dat ze vreesde dat de fietsen anders zouden worden vernield of zelfs zoek zouden raken (is nl. al enkele malen eerder gebeurd). De aangesproken leden van de Koninklijke Marechaussee zeiden dat ze voorlopig geen tijd hadden.

Cliënte heeft twee dagen vast gezeten en na die twee dagen waren de fietsen verdwenen. De Koninklijke Marechaussee heeft op verzoek van cliënte nog wel geïnformeerd bij de vliegbasis of de fietsen daar gestald stonden, maar daar werd gezegd dat niets bekend was over de betreffende fietsen.

Hierbij verzoekt cliënte u om de betreffende klacht te onderzoeken en uw oordeel terzake te geven.”

5. De minister van Defensie reageerde bij brief van 13 maart 2001 op de klacht van verzoekster als volgt:

“In uw brief van 24 januari jl. maakt u bezwaar tegen de wijze waarop het personeel van de luchtmachtbewaking van de vliegbasis Volkel haar taak uitvoert. Op grond van uw bezwaar deel ik u het volgende mede.

Ten behoeve van de beveiliging van de vliegbasis Volkel en de bijbehorende defensieobjecten is aan het bewakingspersoneel opgedragen om buiten de vliegbasis en tussen de defensieobjecten die bij de vliegbasis behoren, te patrouilleren. Tijdens het uitvoeren van deze patrouilles beschikt het bewakingspersoneel over een standaard uitrusting. De patrouilles worden uitgevoerd conform het gestelde in het besluit geweldgebruik defensiepersoneel in de uitoefening van de bewakings- en beveiligingstaak van 22 juli 2000 (Dit besluit is gepubliceerd in Staatsblad 2000, n 337). Voorts is recentelijk aan het bewakingspersoneel opdracht gegeven zich te houden aan de wegenverkeerswet en de verplaatsingen tussen de defensieonderdelen in de omgeving van de vliegbasis Volkel uit te voeren op de voor het militair verkeer toegankelijke wegen.”

6. Omdat naar de mening van verzoekster de minister in zijn reactie van 13 maart 2001 onvoldoende was ingegaan op haar klacht, stuurde ze hem op 18 maart 2001 een brief met de volgende inhoud:

“Naar aanleiding van Uw brief van 13 maart jl. V2001/000247 het volgende: U gaat in Uw antwoord in het geheel niet in op mijn klacht d.d. 24 jan. jl.

U stelt dat bewakingspersoneel tussen de vliegbasis en defensieobjecten patrouilleert. Dat lijkt me nogal logisch. Dat recentelijk aan bewakingspersoneel opdracht is gegeven zich te houden aan de wegenverkeerswet vind ik zeer vreemd. Waarom zouden ze zich niet daaraan hoeven te houden? Waar ik bij U over klaagde gaat U niet op in. Ik ben nl. géén defensieobject of defensieonderdeel. En het stukje bos waar ik verblijf is géén militair terrein en ligt niet tussen defensieobjecten in. Wel rijden militaire jeeps nog steeds over bospaden om te stoppen ter hoogte van mijn verblijf en met kijkers alles te observeren.

De bospaden zijn inmiddels (door die jeeps) onbegaanbaar geworden door de diepe voren.

Ik hoop dat U kunt bewerkstelligen dat dit stopt.”

7. Op 24 mei 2001 richtte verzoekster zich via haar gemachtigde tot de minister van Defensie wegens het uitblijven van een reactie op de klacht van verzoekster van 24 januari 2001 wat betreft de gedragingen van de ambtenaren van de Koninklijke Luchtmacht. Bij brief van 10 juli 2001 richtte de gemachtigde van verzoekster zich tot de Nationale ombudsman omdat een reactie van de minister van Defensie op de klacht van verzoekster uitbleef.

8. Bij brief van 13 juli 2001 reageerde de Bevelhebber der Luchtstrijdkrachten onder meer als volgt op de klacht:

“1. Dhr .E., Mw S., Mw M. (verzoekster; N.o.) en Mw NN hebben geklaagd over het optreden van het Klu (Koninklijke Luchtmacht; N.o.)-bewakingspersoneel (waaronder het rijden over bospaden en het loslaten van Klu-bewakingshonden).

2. (…)

3. Mw M. heeft geklaagd over de verdwijning van een tweetal fietsen.

Ten aanzien van het gedrag van het luchtmachtbewakingspersoneel kan ik u meedelen dat zij regelmatig worden geconfronteerd met dezelfde activisten en soortgelijke wijzen van actievoeren. Op grond van hun instructies en ter beveiliging van de eigendommen en belangen van de staat moeten zij voorkomen dat derden zich ongeoorloofd toegang verschaffen tot de vliegbasis en zich schuldig maken aan vernieling van rijkseigendommen, waaronder de omheining van de vliegbasis. Bij hun optreden - het aanhouden van plegers van strafbare feiten - kan dan ook geen onderscheid worden gemaakt tussen activisten met vredelievende bedoelingen of activisten die er (uiteindelijk) alleen op uit zijn vernielingen aan te richten. Dat dit optreden soms gepaard gaat met lichte vormen van (gepast) geweld, overeenkomstig de ter zake geldende instructies, hoeft u dan ook niet te verbazen. Uiteraard wordt het personeel erop getraind onderscheid te maken tussen gepast geweld en (in de gegeven omstandigheden) excessief geweld. Het vereiste van proportionaliteit vormt een vast onderdeel van de training van bewakingspersoneel. In enkele gevallen is dit principe onvoldoende in acht genomen of was de mogelijkheid aanwezig dat vredesactivisten onheus zijn bejegend. Het gaat hier met name om nodeloos intimiderende wijzen van communiceren en handelen door Klu-personeel t.o.v. uw cliënten Mw M., Mw S. en Mw NN.

Derhalve beoordeel ik dit klachtonderdeel als gedeeltelijk gegrond. De commandant is hierop aangesproken en vervolgens het betreffende personeel. In dit verband kan ik u meedelen dat op de Vliegbasis Volkel een extra trainingsprogramma is opgestart waarbij de Koninklijke Marechaussee t.b.v. het Koninklijke Luchtmachtpersoneel lessen verzorgt in het op een juiste wijze aanhouden en omgaan met civiele verdachten. Ten aanzien van het rijden over de bospaden kan ik meedelen dat slechts gebruik wordt gemaakt van de openbare paden en wegen die een verbinding vormen tussen militaire objecten. Tenslotte is gebleken dat de loslopende hond eigendom was van iemand die weliswaar in dienst is van Defensie maar die in vrije tijd (en in burger gekleed) zijn hond aan het uitlaten was. Ik kan derhalve geen oordeel over deze klacht geven.

(…)

Ad klacht 3: Uit onderzoek is gebleken dat de fietsen door medeactivisten zouden zijn opgehaald. Deze klacht wordt derhalve ongegrond beoordeeld.”

9. Vervolgens richtte verzoekster zich op 6 augustus 2001 via haar gemachtigde tot de Nationale ombudsman, omdat zij het niet eens was met de klachtafhandeling van de Bevelhebber van de Luchtstrijdkrachten. In zijn brief deelde verzoeksters gemachtigde onder meer het volgende mee:

“Cliënte kan zich met de afdoening door de Bevelhebber Klu niet verenigen.

Cliënte is het er niet mee eens dat de plek waar zij in het bos verblijft (De Atoom Vrijstaat) kennelijk wordt beschouwd als militair object met als gevolg dat militaire bewakers voortdurend bij haar plek door het bos scheurden. Er is geen sprake van dat het perceel van de Stichting Atoom Vrijstaat zou zijn gelegen tussen militaire objecten, tenzij men dit wel heel erg ruim neemt (per slot van rekening is het oosten Noord-Brabant nogal gemilitariseerd).

(…)

Uit serieus onderzoek kan helemaal niet zijn gebleken dat de fietsen door medeactivisten “zouden” zijn opgehaald. Ik verwijs naar bijgevoegd afschrift van de verklaring van mevr. B.”

In de bijgevoegde verklaring deelde B. onder meer mee dat verzoekster en zij niet in de gelegenheid waren gesteld hun fietsen op slot te doen. Beide fietsen behoorden toe aan verzoekster.

B. Standpunt verzoekster

Voor het standpunt van verzoekster wordt verwezen naar de klachtomschrijving onder Klacht.

C. Standpunt Minister van Defensie

1. De minister van Defensie gaf op 15 november 2001 onder meer de volgende reactie op de klacht:

"…Daarnaast stelde u de volgende vragen:

1. Op welke wijze vinden patrouilles plaats rond de vliegbasis Volkel en met name in de periode tussen november 2000 en juni 2001? Ik verzoek u tevens in te gaan op de door verzoekster aangegeven frequentie van 30 minuten. Tevens verzoek ik u hierbij in te gaan op de patrouilles op en om het bosperceel dat eigendom is van de Stichting Atoomvrijstaat, zoals door verzoekster in een bijlage bij haar brief gevoegde tekening is aangegeven.

2. Waaruit bestaat de uitrusting van patrouillerende functionarissen van de KLU op de vliegbasis Volkel?

3. Worden bij de patrouilles honden ingezet?

4. Is één en ander vastgelegd in een regeling of anderszins op schrift? Zo ja, dan verzoek ik u mij een afschrift daarvan toe te sturen.

5. Is het bekend dat verzoekster verblijft in het bos nabij de vliegbasis Volkel?

6. Zijn patrouilles (mede) specifiek gericht op het bos nabij de vliegbasis verblijvende activisten, zoals verzoekster?

7. Waarom werd verzoekster op 27 december 2000 aangehouden?

8. Is bij de aanhouding op voornoemde datum op enigerlei wijze geweld gebruikt?

9. Waarom werd verzoekster niet in de gelegenheid gesteld haar fietsen op slot te zetten?

In zijn brief van 13 juli 2001, kenmerk B2001.035780, heeft de Bevelhebber der Luchtstrijdkrachten zijn reactie gegeven op de ingediende klacht. De klacht van verzoekster is gedeeltelijk gegrond verklaard. Dit oordeel en de getroffen maatregelen hebben mijn instemming.

Ten aanzien van vraag 1

Patrouilles vinden te voet en mobiel plaats conform het Voorschrift Bewaking en lokale instructies (LBOA) (beide confidentieel). Patrouilles worden constant uitgevoerd; parallel hieraan zijn er reactieteams welke reageren op alarmeringen. Patrouilles worden ook buiten de vliegbasis uitgevoerd en zijn gericht op extern gelegen militaire objecten en aandachtsgebieden (zoals het gebied tussen het bedoelde bosperceel en de vliegbasis om diepte te krijgen in de bewaking).

Ten aanzien van vraag 2

De uitrusting bestaat uit een gevechtstenue, gevechtslaarzen, herkenningsplaatje, instructies en een patrouilleband. Dit eventueel aangevuld met wapen, wapenstok, scherfwerend vest, helm en eventuele hond.

Ten aanzien van vraag 3

Ja, op speciale routes en op speciale tijden wordt gebruik gemaakt van een diensthond tijdens de patrouilles.

Ten aanzien van vraag 4

Ja, het Voorschrift Bewaking en LBOA zijn evenwel beide confidentieel en zullen op eerste afroep uwerzijds worden aangeboden mits het vertrouwelijke karakter van deze documenten wordt gehandhaafd.

Ten aanzien van vraag 5

Ja, dit is bekend. Het gebied wordt gepasseerd tijdens de reguliere patrouillegang.

Ten aanzien van vraag 6

Nee, zoals reeds ten aanzien van vraag 1 is opgemerkt in het algemeen op meerdere locaties buiten de vliegbases.

Ten aanzien van vraag 7

Verzoekster is aangehouden vanwege het onbevoegd betreden van de Vliegbasis Volkel.

Ten aanzien van vraag 8

Enkel conform de Geweldsinstructie Klu.

Ten aanzien van vraag 9

Niet bekend of dit het geval was. Gelet op het feit van de grootte van de groep en dat de fietsen wellicht buiten de basis stonden was hier waarschijnlijk niet de tijd en/of ruimte voor. De bewaking van Vliegbasis Volkel is niet verantwoordelijk voor het al dan niet op slot zetten van fietsen van activisten. De instructies voorzien hier niet in.”

2. Bij de reactie van de minister bevond zich onder meer een proces-verbaal van de Koninklijke Marechaussee betreffende verzoekster, van 27 december 2000, opgemaakt door wachtmeester van K. Dit proces-verbaal houdt onder meer het volgende in:

“Op 27 december 2000, omstreeks 14.13 uur werd dezerzijds een telefonische melding ontvangen van de Officier van Wacht van de vliegbasis Volkel. Hij meldde dat er zich, voor zover bekend, ongeveer vijftien vredesactivisten onbevoegd op het terrein van de vliegbasis Volkel bevonden. Deze activisten hadden zich de toegang tot de vliegbasis verschaft door middel van het knippen van een gat in het buitenhekwerk van de vliegbasis Volkel, in de directe nabijheid van de “Duitse Poort” en de hangaar 1. De Duitse Poort is gelegen aan de Nieuwedijk, zijnde openbare weg te Odiliapeel, gemeente Uden. Het gat betrof een vertikale opening in het gaas van het hekwerk van ongeveer twee meter. Getuigen melden dat de vernieling plaats vond ten overstaan van op voornoemde openbare weg passerend publiek. Voorts werd verklaard dat er een filmploeg aanwezig was. Op 27 december 2000, omstreeks 14.20 uur zijn er door personeel van het 640 squadron van de vliegbasis Volkel tien actievoerders aangehouden op en direct buiten de vliegbasis Volkel in de directe nabijheid van de “Duitse Poort”. Daarna zijn zij overgebracht naar gebouw 309 op de vliegbasis Volkel in afwachting van de komst van de Koninklijke Marechaussee. De overige verdachten wisten zich aan de aanhouding te onttrekken door de vliegbasis Volkel te verlaten door het eerder voornoemde gat in het hekwerk.

(…)

Op 27 december 2000 te 16.50 uur is verdachte (verzoekster; N.o.) geleid voor eerste luitenant Sl, hulpofficier van Justitie. Hij stelde na verhoor (verzoekster; N.o.) op 27 december 2000 te 16.53 uur in verzekering aangezien verdachte openlijk in vereniging vernieling had gepleegd (kapotknippen van het hekwerk van de vliegbasis Volkel) zonder toestemming van de rechtmatige eigenaar op 27 december 2000, omstreeks 14.13 uur nabij de Duitse Poort van de vliegbasis Volkel aan de Nieuwe Dijk te Odiliapeel, gemeente Uden. Artikelen 141 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Proces-verbaal van verhoor voor inverzekeringstelling en Bevel tot inverzekeringstelling zijn als 1.6.4. bij dit proces-verbaal gevoegd.”

3. Bij brief van 13 december 2001 liet de Nationale ombudsman weten dat de klacht van verzoekster was uitgebreid. In reactie hierop liet de minister van Defensie bij brief van 8 februari 2002 weten:

“Het aanvullend klachtonderdeel is voorgelegd aan Sgt L., welke op de bewuste dag optrad als Commandant Initieel Reactie Team en ter plekke de leiding had.

Ten aanzien van het verzoek om de fietsen veilig te stellen

De bewering van verzoekster dat op haar verzoek om haar fietsen veilig te stellen werd gereageerd met de opmerking dat zij haar mond moest houden opdat hij hem anders dicht zou slaan is volgens de betrokken functionaris niet juist. Er heeft wel een woordenwisseling plaatsgevonden maar woorden van die strekking zijn door de betrokken functionaris niet gebruikt. In de brief van 15 november 2001 is reeds gereageerd op de vraag waarom verzoekster niet in de gelegenheid werd gesteld haar fietsen op slot te zetten.

Ten aanzien van de omstandigheden waaronder verzoekster is aangehouden

De omstandigheden waaronder de aanhouding plaatsvond waren hectisch, temeer omdat 10 personen tegelijkertijd werden aangehouden. Daarnaast verklaart de betrokken functionaris dat deze 10 personen zich zeer provocerend opstelden en gedroegen door onder meer de Iveco (de dienstauto van de Koninklijke Luchtmacht) heen en weer te wiebelen en “bijdehandte” opmerkingen te plaatsen.

Ten aanzien van de opgeheven vuist en wapenstok verklaart betrokkene dat dit inderdaad heeft plaatsgevonden maar niet zoals in de klacht omschreven. Betrokkene wilde zijn maning om stil te zijn kracht bijzetten door dit met opgeheven vuist te doen doch nimmer met de bedoeling te slaan.

Dat er gezegd zou zijn “Kom er maar uit dan sla ik je in elkaar” wordt door de betrokken functionaris weersproken. Dit geldt eveneens ten aanzien van de opmerking over het in de auto sturen van de hond. Deze opmerking is door betrokkene niet gemaakt noch heeft hij andere collega's een dergelijke opmerking horen maken.

Volgens de betrokken functionaris liepen de gemoederen tijdens de aanhouding hoog op en is er zeer hectisch gewerkt. De functionaris verklaart dat zowel door hem als ook de andere aanwezige bewakers geen onnodig geweld of dreigen met geweld is toegepast. Zoals evenwel reeds in de klachtafdoening van 13 juli 2001 is aangegeven was de mogelijkheid aanwezig dat enkele vredesactivisten onheus zijn bejegend. Dit onderdeel van de klacht is dan ook gegrond verklaard.”

D. REACTIE van de minister van Defensie

De Nationale ombudsman stelde op 15 februari 2002 de volgende nadere vragen aan de minister van Defensie:

“1. Werden in de periode tussen november 2000 en juni 2001 zowel 's nachts als overdag patrouilles uitgevoerd in de omgeving van het bosperceel waar verzoekster verblijft?

2. Zo ja, werden deze patrouilles met een regelmaat van ongeveer dertig minuten uitgevoerd?

3. Zo ja, is verzoekster bij deze patrouilles bespied? Zijn eventuele bevindingen op dit punt neergelegd in bijvoorbeeld een logboek?

4. De uitrusting van bewakingspersoneel bestaat uit gevechtstenue, gevechtslaarzen, herkenningsplaatje, instructies en patrouilleband. De uitrusting wordt eventueel aangevuld met onder meer honden en wapens. Honden worden blijkens de reactie ingezet op speciale routes en speciale tijden. Werden tijdens de patrouilles waarop de klacht betrekking heeft honden ingezet en was de uitrusting aangevuld met wapens?

5. Patrouilles werden zowel te voet als mobiel uitgevoerd. Van welke voertuigen werd tijdens voornoemde periode gebruik gemaakt tijdens mobiel uitgevoerde patrouilles? Waren met betrekking tot deze voertuigen nog bijzondere verkeer- of milieuregels van kracht? Ik verzoek u in dit verband aan te geven of over smalle bospaden werd gereden, terwijl dit niet was toegestaan.

6. Is verzoekster van haar fiets getrokken en de basis opgesleurd? Indien de betrokken ambtenaren hieromtrent een verklaring hebben afgelegd, dan verzoek ik u mij die toe te sturen.”

De minister van Defensie reageerde bij brief van 3 april 2002 op de door de Nationale ombudsman nader gestelde vragen als volgt:

Ten aanzien van vraag 1:

Patrouilles vinden te voet en mobiel plaats conform het Voorschrift Bewaking en lokale instructies. Patrouilles worden constant, dat wil zeggen dag en nacht, uitgevoerd. Ook buiten de vliegbasis worden patrouilles uitgevoerd. Deze zijn gericht op extern gelegen militaire objecten en andere aandachtsgebieden, zoals het betreffende bosperceel.

Ten aanzien van vraag 2:

Informatie met betrekking tot de frequentie van de patrouilles is confidentieel. Het geven van dergelijke informatie zou de toegevoegde waarde van de patrouilles tot een minimum beperken.

Ten aanzien van vraag 3:

De patrouilles waren niet expliciet gericht op het bespieden van verzoekster. Overigens wordt van elke patrouille een (dag)rapport opgesteld. Dit vormt een vast onderdeel van de procedure zoals deze is vastgelegd in de reeds genoemde werkinstructie.

Ten aanzien van vraag 4:

De uitrusting bestaat uit een gevechtstenue, gevechtslaarzen, herkenningsplaatje, instructies en een patrouilleband. Dit eventueel aangevuld met wapen(stok), helm en scherfwerend vest. In voorkomend geval worden patrouilles uitgevoerd met een hond, hetgeen ook in casu het geval is geweest. Tevens werd een wapen gedragen.

Ten aanzien van vraag 5:

Tijdens de patrouilles wordt gebruik gemaakt van een VW Combi, Mercedes Jeep of een IVECO-busje. Naast de 'Verkeersregeling Defensie' zijn de 'Verkeersvoorschriften voor het militaire verkeer in gewone omstandigheden' van toepassing. In deze regelgeving zijn ook verwijzingen naar o.m. de Wegenverkeerswet opgenomen. Op de vliegbasis is met name voor het kunnen uitvoeren van patrouilles met voertuigen een verharde weg langs het hek aangelegd. Indien buiten de vliegbasis een patrouille wordt uitgevoerd, maakt men in beginsel gebruik van de openbare en verharde weg, tenzij een incident of noodsituatie het noodzakelijk maakt dat hiervan wordt afgeweken. In dat geval wordt de patrouille meestal te voet voortgezet. Vanzelfsprekend wordt van een dergelijk incident en de genomen maatregelen melding gemaakt in het dagrapport. Navraag bij de functionarissen die de patrouilles hebben uitgevoerd heeft uitgewezen dat men zich niet kan herinneren of over bospaden is gereden. Indien dit in het onderhavige geval zou hebben plaatsgevonden, dan heeft dat in ieder geval niet onnodig (langdurig) plaatsgevonden.

Ten aanzien van vraag 6:

Van het feit dat verzoekster van haar fiets is getrokken en de vliegbasis is opgesleurd, is niets bekend. Dit betekent dat ter zake ook geen verklaring is opgesteld. Ook in het dagrapport c.q. logboek is in die zin niets vermeld. Indien in een voorkomend geval geweld dient te worden gebruikt, dan gebeurt dit conform de Geweldsinstructie Koninklijke Luchtmacht.”

E. Nadere reactie verzoekster

1. De gemachtigde van verzoekster reageerde bij brief van 21 februari 2002 op de bij brief van 15 februari 2002 door de Nationale ombudsman nader gestelde vragen aan de minister van Defensie als volgt:

“Hierbij zend ik u de (handgeschreven) reactie van cliënte d.d. 19 februari 2002 met een 27-tal foto's. In haar verklaring komen de verschillende foto's aan de orde. Voorts gaat zij in op vraag 6 zoals herhaald in de brief van de Minister van Defensie d.d. 15 november 2001, pagina 2.

Voor zoveel nodig verzoek ik u de verklaring van cliënte en de foto's te beschouwen als herhaald en ingelast in het onderhavige schrijven."

2. Tevens was het proces verbaal van aangifte van verzoekster op 2 januari 2001 van de bedreiging bij de aanhouding bijgevoegd.

“Ik doe aangifte van bedreiging met de dood.

Ik voelde mij door de dader bedreigd door diens volgende fysieke handelingen en/of verbale uitingen, te weten:

de dader kwam vlak voor mij staan met zijn gebalde vuist dicht bij mijn gezicht en deed uitspraken als: “nog een woord en ik sla je bek dicht en ik heb genoeg van jullie soort”. Tevens ben ik diverse malen telefonisch bedreigd door mij onbekende personen. Er werden telefonisch uitspraken gedaan als: “Ik maak je kapot, door jou moeten we met kerstmis werken, kutwijf”. Ik voelde mij door deze woorden zeer bedreigd.

Op woensdag 27 december 2000, omstreeks 14.30 uur bevond ik mij op de Vliegbasis Volkel. Ik ben daar naar binnen gebracht door personeel van de Luchtmachtbeveiliging. Ik fietste in de nabijheid van “de Duitse Poort” aan de buitenzijde van de vliegbasis Volkel. Ik zag een personeelslid van de luchtmachtbeveiliging achter mij aanrennen. Deze persoon greep mijn fiets vast en ik viel met mijn fiets op de grond. Ik voelde pijn bij mijn rechterbeen.

Vervolgens kwam er nog een personeelslid door het ter plaatse aanwezige gat in het hekwerk gekropen en deze deelde mij mede dat ik was aangehouden. Deze persoon was een kalende man, brildragend en hij had een snor en een baardje.

Door deze twee personen werd ik door het gat in het hekwerk de vliegbasis Volkel opgebracht. Op dat moment bedreigde de tweede persoon mij door zijn gebalde vuist vlak voor mijn gezicht te brengen en hij uitte de woorden “kop dicht, of ik sla hem dicht” tegen mij. Tevens riep hij tegen mij: “Ik heb genoeg van jullie soort”. Ik voelde mij echt bedreigd door zijn uitingen en zijn dreigende lichaamshouding. Ik voelde angst.

Ik ben vervolgens overgebracht naar gebouw 309, op de vliegbasis Volkel alwaar ik werd opgehouden tot de Koninklijke marechaussee arriveerde. Ik heb toen tegen het personeelslid van de Koninklijke marechaussee gezegd dat ik van de fiets was afgetrokken door een personeelslid van de luchtmachtbeweging, dat ik niet de tijd had om mijn fiets op slot te zetten en ik hem verzocht om zorg te dragen voor mijn fiets. Ik hoorde dat hij zei dat hij hier geen tijd voor had, maar na wat aandringen wilde hij toch wel gaan kijken. Tegen S. zei deze persoon nadien dat de fiets door de Luchtmacht veiliggesteld was.

Tot op heden heb ik de fiets nog niet teruggezien...”

3. Ook was het proces verbaal van verhoor van ambtenaar L. op 23 februari 2001 naar aanleiding van de aangifte van verzoekster van mishandeling door hem was bijgevoegd.

“Ik ben naar het hekwerk gelopen en zag dat (verzoekster; N.o.) wegliep. Ik heb de achtervolging ingezet en ik zag dat (verzoekster; N.o.) in eerste instantie wegliep en daarna wegfietste. Ik zag dat zij met haar fiets op de grond viel.

Waarschijnlijk gleed zij met haar fiets uit op de aanwezige sneeuw op het fietspad. Hierna heb ik haar vastgepakt en haar met luide zeer luide stem medegedeeld dat zij was aangehouden. Tevens heb ik de voor mij onbekende vrouw medegedeeld dat zij was aangehouden. (Verzoekster; N.o.) deelde mij mede dat zij vrijwillig mee wilde gaan en ik heb haar verder niet vastgehouden. Ik heb beide vrouwen weer op de vliegbasis Volkel gebracht, door voornoemd gat in het hekwerk.

Tijdens het wachten op transport naar gebouw 309 op de vliegbasis Volkel bleef (verzoekster; N.o.) zeuren en zij zei op een gegeven moment tegen mij: “Jij bent net zo'n persoon die de Joden uitroeide”, althans woorden van gelijke strekking.

Ik heb hierop (verzoekster; N.o.) en die andere vrouw vermanend toegesproken en zei: “Jij daar en jij daar, en nou je bek houden”, althans woorden van gelijke strekking.

Tijdens deze vermaning heb ik met mijn rechter wijsvinger duidelijke aanwijzingen gegeven. Ik heb middels deze aanwijzing met mijn rechter wijsvinger aangegeven waar (verzoekster; N.o.) en waar de andere vrouw moesten gaan staan.

Ik heb niet met een gebalde vuist gedreigd en het was ook niet mijn bedoeling om dreigend over te komen. Na deze vermaning hield (verzoekster; N.o.) op met zeuren en bleef verder rustig. Ik kan me voorstellen dat deze aanwijzing met mijn rechterwijsvinger in combinatie met mijn luide stem enigszins bedreigend overkwam.

Kort hierna zijn beide personen op transport gegaan richting gebouw 309 op de vliegbasis Volkel.

Voornoemde reservist zou getuigen kunnen zijn geweest van deze aanhouding.

Verder heb ik niets terzake dienende meer te verklaren.

Ik ben van mening dat ik tijdens voornoemde aanhouding van (verzoekster; N.o.) en de andere vrouw correct heb gehandeld.”

4. Bij brief van 29 juni 2002 reageerde verzoekster gemachtigde op de brief van de minister van Defensie van 3 april 2002.

“Ad: Ten aanzien van vraag 1

Hier wordt dus toegegeven dat het betreffende bosperceel voorwerp was van patrouillering. In een eerdere brief werd daar vager over gedaan, zie pagina 2 van de brief van de Minister van Defensie d.d. 15 november 2001.

Ad: Ten aanzien van vraag 2

Hier weigert de Minister van Defensie met gebruikmaking van een kennelijk binnen de eigen organisatie geldend geheimhoudingsclassificatiesysteem om aan u de gevraagde inlichtingen te verstrekken. De informatie zou binnen dat systeem confidentiëel zijn. Daarmee is in ieder geval al gezegd dat de betreffende informatie geen geheim, staatsgeheim of cosmic secret betreft. De Minister dient derhalve de gevraagde informatie aan de Nationale Ombudsman te verstrekken. Vide artikel 19 Wet Nationale ombudsman. Cliënte verzoekt u om er op te staan dat door dit bestuursorgaan aan u, overeenkomstig de Wet, de gevraagde informatie wordt verstrekt. Voorts kun u thans alleen reeds uit de weigerachtige houding van de Minister van Defensie de conclusies te trekken die u geraden acht.

Ad: Ten aanzien van vraag 3

“De patrouilles waren niet expliciet gericht op het bespieden van verzoekster”, zo stelt de Minister. Waarop dan wel? Op de konijnen en de vosjes? De jeeps crosten enkel dwars door het betreffende bosperceel om cliënte c.s. te kunnen volgen. De betreffende beantwoording mist iedere geloofwaardigheid.

Ad: Ten aanzien van vraag 4

Akkoord.

Ad: Ten aanzien van vraag 5

Er is ook in het betreffende bosperceel gereden, namelijk op een smal wandelpaadje waarbij links en rechts de struiken werden kapotgereden. Door het veelvuldig inrijden werd een spoor getrokken. Het is frappant dat de Luchtmachtbewaking zich niet meer kan herinneren dat ze dwars door het bos hebben gereden en dat nog wel meerdere malen. Zie de overgelegde foto's.

Cliënte heeft bij gelegenheid van zo'n rit op het bedoelde wandelpaadje dwars door het betreffende bosperceel tweemaal de betrokken chauffeur op de hierna beschreven wijze aangesproken. De eerste keer was het een mannelijke chauffeur, de tweede keer was het een vrouwelijke chauffeur. Ze is toen recht voor de jeep van de Luchtmachtbewaking gaan staan en heeft de militairen gesommeerd om achteruit het betreffende bosperceel (van de Stichting Atoomvrijstaat) weer uit te rijden of anders de Koninklijke Marechaussee er bij te roepen. Beide keren kozen de militairen ervoor om maar te doen wat cliënte zei en reden zij dus achteruit het bos weer uit.

Cliënte heeft bij een latere gelegenheid dat er wederom dwars door het betreffende bosperceel werd gereden ook nog de waarschuwing gegeven dat ze de volgende keer een spijkerplank zou neerleggen. Toen het zich bleef herhalen heeft ze inderdaad een spijkerplank, op de vermoedelijke route midden door het bos, neergelegd. De militairen van de Luchtmachtbewaking zijn toen naar cliënte toe gekomen met de vraag: “Waarom heb je dat dan gedaan? We hebben nu een lekke band gekregen”. Cliënte heeft toen tegen hen gezegd: “Haal de Koninklijke Marechaussee er maar bij”. Die hebben ze er niet bijgehaald.

De betreffende (jonge) militairen van de Luchtmachtbewaking zeiden telkens dat ze zo mochten handelen van hun eigen commandant. Nu wordt dan beweerd dat men zich niets meer kan herinneren.

Cliënte verzoekt u de betrokken Luchtmachtbewakingsmilitairen als getuigen te horen, inclusief hun directe commandanten. Voorts verzoekt cliënte u te bewerkstelligen dat u openlegging en inzage verkrijgt van alle dagrapporten.

Ad: Ten aanzien van vraag 6

De klacht wegens onbehoorlijk optreden van defensiepersoneel jegens cliënte op 27 december 2000 te Volkel. Er zou niets van bekend zijn bij de Minister van Defensie. En als er wel wat zou zijn gebeurd dan is er, kort gezegd, niks aan de hand, want dan is dat conform de Geweldsinstructie Koninklijke Luchtmacht gebeurd. “Indien in een voorkomend geval geweld dient te worden gebruikt, dan gebeurt dit conform de Geweldsinstructie Koninklijke Luchtmacht”.

Cliënte verwijst in deze naar de brief van ondergetekende aan u d.d. 6 augustus 2002 inzake uw kenmerk (…), met bijlagen. Gemakshalve gaat hierbij kopie van die brief met bijlagen. Zie onder andere de getuigenverklaring van B. d.d. 24 juli 2001.

Zowel cliënte als B. zijn op 27 december 2000 door de Luchtmachtbewaking door het hek van de nucleaire basis Volkel van buiten naar binnen de basis op getrokken.

Tevens wordt hierbij voorgelegd de verklaring van L. d.d. 28 december 2000 afgelegd tegenover de Koninklijke Marechaussee.

Voorts wordt overgelegd de dagvaarding terzake (…) alsmede het inmiddels onherroepelijk geworden vonnis van de Politierechter Rechtbank 's-Hertogenbosch waarbij cliënte werd vrijgesproken voor de betreffende zaak met het parketnummer (…).

Verder wordt overgelegd afschrift van het proces-verbaal van de Koninklijke Marechaussee d.d. 26 februari 2001, dossiernummer (…) met verklaringen van cliënte en eerdergenoemde L., en voorts wordt nog afschrift overgelegd van verklaringen van respectievelijk de eerdergenoemde mevrouw B., de heer M., mevrouw S. (tegenover de Kmar) en mevrouw Sm.

Cliënte is geheel ten onrechte van haar fiets afgetrokken en door het hek de basis opgesleurd en bedreigd. Het is niet geloofwaardig dat van het betreffende incident niets bekend zou zijn. Het toegepaste geweld was niet conform de instructies. Om misverstanden te voorkomen: het probleem van het verlies van de fietsen is inmiddels naar genoegen van cliënten geregeld.

Cliënte handhaaft al haar klachten en verzoekt u de hierboven verzochte onderzoekshandelingen te verrichten.”

F. Nadere informatie met betrekking tot het bosperceel van de Atoomvrijstaat

Bij besluit van 27 juli 1999 hebben burgemeester en wethouders van Landerd besloten tot bestuursdwang en Stichting Atoom Vrijstaat gelast het kamperen op het bosperceel nabij vliegbasis Volkel te verbieden en alle aanwezige onderkomens en andere materialen van het terrein te verwijderen. Burgemeester en wethouders achten het gebruik van het terrein voor kamperen in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Het door verzoekster tegen dit besluit ingediende bezwaar werd ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing ging verzoekster in beroep bij de rechtbank in Den Bosch. Bij uitspraak van 10 juli 2000 verklaarde de rechtbank dit beroep ongegrond. Vervolgens stelde verzoekster hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling bevestigde op 8 mei 2002 de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft daarbij overwogen dat het gebruik waarop de last ziet in strijd was met de bestemming van het perceel als bosgebied, waarop onder andere dagrecreatie is toegestaan. Het betoog van verzoekster dat de rechtbank had miskend, dat het gebruik van het perceel als vredeskamp een zelfstandig middel van vrijheid van meningsuiting is dat beschermd wordt door artikel 7 van de Grondwet, nam de Afdeling niet over. Het feit dat een bepaalde gedraging publieke belangstelling wekt, maakt haar nog niet tot een beschermde meningsuiting. Bovendien kan verzoekster wel overdag op het perceel verblijven om gedachten en gevoelens te openbaren dan wel andere mogelijkheden aanwenden om haar acties bekend te maken.

Achtergrond

1. Wetboek van Strafvordering

Artikel 53

"1. In geval van ontdekking op heeter daad is ieder bevoegd den verdachte aan te houden.

2. In zoodanig geval is de officier van justitie of de hulpofficier bevoegd den verdachte, na aanhouding, naar eene plaats van verhoor te geleiden; hij kan ook diens aanhouding of voorgeleiding bevelen.

3. Geschiedt de aanhouding door een anderen opsporingsambtenaar, dan draagt deze zorg dat de aangehoudene ten spoedigste voor den officier van justitie of een van diens hulpofficieren wordt geleid.

4. Geschiedt de aanhouding door een ander, dan levert deze den aangehoudene onverwijld aan een opsporingsambtenaar over, onder afgifte aan deze van mogelijk in beslag genomen voorwerpen, die dan handelt overeenkomstig de bepalingen van het voorgaande lid en, zo nodig, de artikelen 156 en 157."

Artikel 57

"1. De officier van justitie of de hulpofficier voor wie de verdachte wordt geleid, of die zelf de verdachte heeft aangehouden, kan, na hem verhoord te hebben, in het belang van het onderzoek bevelen dat hij tijdens het onderzoek ter beschikking van de justitie zal blijven en daarvoor op een in het bevel aangeduide plaats in verzekering zal worden gesteld.

2. De verdachte is bevoegd zich bij het verhoor door een raadsman te doen bijstaan. De raadsman wordt bij het verhoor in de gelegenheid gesteld de nodige opmerkingen te maken.

3. Van het verhoor wordt proces-verbaal opgemaakt door de officier of de hulpofficier die het bevel verleent. Dit proces-verbaal wordt bij de processtukken gevoegd.

4. De hulpofficier geeft van zijn bevel onverwijld kennis aan de officier van justitie.

5. Zodra het belang van het onderzoek dit toelaat, gelast de officier van justitie de invrijheidstelling van de verdachte."

2. Wetboek van Strafrecht

Artikel 141

"1. Zij die openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen of goederen, worden gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en zes maanden of geldboete van de vierde categorie.

2. De schuldige wordt gestraft:

1°. met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie, indien hij opzettelijk goederen vernielt of indien het door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft;

2°. met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien dat geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;

3°. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien dat geweld de dood ten gevolge heeft.

3. Artikel 81 blijft buiten toepassing."

Artikel 350

"1. Hij die opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielt, beschadigt, onbruikbaar maakt of wegmaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.

2. Gelijke straf wordt toegepast op hem die opzettelijk en wederrechtelijk een dier dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, doodt, beschadigt, onbruikbaar maakt of wegmaakt."

3. Besluit geweldgebruik defensiepersoneel in de uitoefening van de bewakings- en beveiligingstaak

1. Artikel 1

"1. In dit besluit wordt verstaan onder:

a. bewaker: de met het uitvoeren van de bewakings- en beveiligingstaak belaste:

1°. militair;

2°. burgerambtenaar in dienst van het Ministerie van Defensie."

Artikel 3

"Het gebruik van een geweldmiddel ter uitvoering van de bewakings- en beveiligingstaak is uitsluitend toegestaan aan een bewaker:

a. aan wie dat geweldmiddel rechtens is toegekend, en

b. die in het gebruik van dat geweldmiddel is geoefend."

Artikel 5

"1. Tenzij de omstandigheden dit niet toelaten, gaat aan het gebruik van geweld een duidelijke waarschuwing vooraf.

2. Indien het gebruik van geweld bestaat in het gericht schieten met een vuurwapen, kan de waarschuwing zo nodig worden vervangen door een waarschuwingsschot.

3. Een waarschuwingsschot wordt op een zodanige wijze gegeven dat gevaar voor personen of zaken zoveel mogelijk wordt vermeden."

Artikel 6

"1. De bewaker mag naast het gebruik van fysiek geweld uitsluitend gebruik maken van de volgende geweldmiddelen:

a. een vuurwapen;

b. een vuurwapen als slag- of stootwapen;

c. een wapenstok;

d. een diensthond;

e. een waterwerper;

f. handboeien.

2. Het inzetten van een diensthond is uitsluitend geoorloofd onder toezicht van een hondengeleider.

3. Het gebruik van een waterwerper is uitsluitend geoorloofd na uitdrukkelijke last van de meerdere."

Artikel 7

"Bij gebruik van fysiek geweld dan wel een geweldmiddel wordt in verhouding tot het beoogde doel de meest lichte vorm van geweld gebruikt en worden de daaraan verbonden risico's zo veel mogelijk beperkt."

Artikel 8

"1. Van het gebruik van geweld, waaronder begrepen het geven van een waarschuwingsschot als bedoeld in artikel 5, de redenen die tot dat geweldgebruik hebben geleid en de daaruit voortvloeiende gevolgen wordt door de bewaker die geweld heeft gebruikt, dan wel, indien die bewaker onder leiding van een ter plaatse aanwezige meerdere optrad, door de meerdere, onverwijld een schriftelijk rapport opgemaakt.

2. De bewaker dan wel de meerdere doet het rapport onverwijld toekomen aan de commandant of een voor de toepassing van dit artikel daarmee gelijk te stellen functionaris.

3. Deze brengt het rapport, zo nodig vergezeld van zijn kanttekeningen, onverwijld ter kennis van een brigadecommandant van de Koninklijke marechaussee."

4. Wegenverkeerswet

Op grond van artikel 4 van de Wegenverkeerswet zijn de bepalingen van deze wet ook van toepassing op voertuigen van de strijdkrachten en op militairen te voet in uitoefening van hun functie voor zover dit bij algemene maatregel van bestuur is bepaald. Het Besluit van 15 december 1994 inzake verkeersvoorschriften voor het militaire verkeer in gewone omstandigheden geeft aan welke artikelen van de wegenverkeerswet van toepassing zijn. Het komt er op neer dat in vredestijd militairen met hun voertuigen of te voet in het algemeen gebonden zijn aan alle gebruikelijke voorschriften op basis van de Wegenverkeerswet, de provinciale en plaatselijke verkeersvoorschriften tenzij bij algemeen besluit hiervan is afgeweken.

5. Bestemmingsplan Buitengebied Zeeland

Ingevolge artikel 2 lid a van de planvoorschriften mogen gronden met bestemming "Bosgebied" gebruikt worden:

"1. Het behoud of herstel van de aldaar voorkomende dan wel de daaraan eigen zijnde natuurwetenschappelijke en landschappelijke waarden;

2. De extensieve dagrecreatie;

3. Bosbouwkundige doeleinden

Ingevolge artikel 2,lid c onder 1, van de planvoorschriften is het verboden om gronden met deze bestemming te gebruiken op een wijze of voor een doel strijdig met de bestemming.

Ingevolgde artikel 1, onder 26 van de planvoorschriften wordt onder dagrecreatie verstaan: recreatief buitenverblijf tussen zonsopgang en zonsondergang al dan niet doorgebracht in onderkomens welke na afloop van het verblijf tezamen met andere meegebrachte voorwerpen worden verwijderd."

Instantie: Koninklijke Luchtmacht

Klacht:

Gedrag functionarissen op het bosperceel waar verzoekster verbleef: wijze van patrouilleren, met (nacht)kijkers bespied, meevoeren van wapens en een hond;.

Oordeel:

Niet gegrond

Instantie: Koninklijke Luchtmacht

Klacht:

Met legervoertuigen over smalle bospaden gereden, terwijl dat niet was toegestaan; bij aanhouding geen gelegenheid om fiets, die buiten het terrein stond, op slot te zetten en met woorden gedreigd;.

Oordeel:

Gegrond

Instantie: Koninklijke Luchtmacht

Klacht:

Bij aanhouding van de fiets getrokken.

Oordeel:

Geen oordeel