2001/176

Rapport

Verzoeker klaagt erover dat het arrondissementsparket te Zwolle, nevenvestiging Lelystad, zich onvoldoende heeft ingespannen om een schaderegeling te treffen met de verdachten van vernieling van zijn auto's, gepleegd te Almere in de periode van 1 januari 1997 tot 20 maart 1997.

Beoordeling

1. Op 19 en 20 maart 1997 deed verzoeker, leraar op een basisschool te Almere, bij het regionale politiekorps Flevoland aangifte van vernieling van drie van zijn auto's, gepleegd in de periode van 11 januari 1997 tot 20 maart 1997. Verzoeker deelde mee dat de vernielingen bestonden uit krassen op de betreffende auto's, en plaatsvonden gedurende schooltijden, wanneer de auto's bij de school stonden geparkeerd. Deze vernielingen vielen samen met vernielingen aan het schoolgebouw, waarbij ook beledigende teksten over verzoeker zijn geschreven, onder meer ondertekend door S. Deze S. was een leerling van verzoeker, met wie hij regelmatig confrontaties had, aldus verzoeker.

Verzoeker deelde bij de aangifte ook mee dat hij de schade op de dader wilde verhalen.

2. In de periode van 26 maart 1997 tot 14 april 1997 verhoorde politieambtenaar L. van het regionale politiekorps Utrecht vijf verdachten van de hiervoor genoemde vernielingen, S., So., B., Je., en K.

S. verklaarde dat hij een sleutel over de motorkap van verzoekers auto had gehaald. Hij deed dat niet echt hard, maar ook niet zacht. S. wist niet of er daardoor krassen ontstonden. S. verklaarde tevens dat hij toen samen met Je. was, en dat deze met een muntstuk een kras had gemaakt op de motorkap van verzoekers auto.

So. verklaarde dat S. hem had meegedeeld dat hij verzoekers auto had vernield met een muntje of een sleutel.

Ook B. verklaarde dat S. hem had meegedeeld dat hij verzoekers auto had bekrast.

Je. verklaarde dat hij erbij was toen S. verzoekers rode auto bekraste met een dubbeltje, en even later met een sleutel. Je. had tevens gezien dat S. verzoekers groene auto had bekrast met een sleutel. Je. ontkende dat hij verzoekers auto had bekrast.

K. verklaarde dat S. hem, So. en Je. had meegedeeld dat hij verzoekers auto had bekrast met een sleutel.

3.1. Bij brief van 21 oktober 1997 vroeg de officier van justitie te Zwolle verzoeker of hij op de hoogte wilde worden gehouden over de voortgang en de afloop van de strafzaak. Tevens verzocht de officier verzoeker eventuele schade te specificeren. De officier deelde in dit verband mee dat hij bij de beoordeling van de strafzaak rekening zou houden met de geleden schade. Ten slotte verwees de officier verzoeker voor meer informatie naar de folder "Slachtofferhulp en schaderegeling", en voor rechtsbijstand naar het Buro Slachtofferhulp, of een Buro voor Rechtshulp.

Hierop deelde verzoeker bij brief van 27 oktober 1999 mee dat hij op de hoogte wilde worden gehouden over het verloop van de strafzaak. Verzoeker deelde verder mee dat het totaal aan schade aan de betreffende auto's op ƒ 1.900,- was getaxeerd.

Op 9 december 1997 bevestigde de officier van justitie de ontvangst van deze brief.

3.2. Vervolgens informeerde verzoeker op 10 maart 1999 naar de stand van zaken, omdat hij sinds de brief van 9 december 1997 niets meer had vernomen.

In reactie hierop deelde de officier van justitie te Zwolle verzoeker bij brief van 15 maart 1999 mee dat hij de zaak had geseponeerd, vanwege de oudheid van de zaak, alsmede vanwege de omstandigheid dat het hier een conflict betrof dat zich in beperkte kring had afgespeeld.

De officier van justitie deelde verder mee dat hij geen schaderegeling had getroffen om reden dat uit het politieonderzoek niet duidelijk is geworden wie de schade daadwerkelijk had veroorzaakt.

3.3.1. Verzoeker diende, ingevolge artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering (zie Achtergrond, onder 2.), op 5 april 1999 een klacht in bij het gerechtshof te Arnhem over de beslissing van de officier van justitie om geen vervolging in te stellen.

3.3.2. Bij brief van 24 juni 1999 verstrekte de hoofdofficier van justitie te Zwolle de procureur-generaal bij het gerechtshof te Arnhem het ambtsbericht van 19 juni 1999 van de heer P., beleidsmedewerker bij het arrondissementsparket te Zwolle, dat deze had opgesteld ten behoeve van verzoekers beklag bij het gerechtshof. De hoofdofficier van justitie deelde mee dat hij kon instemmen met het betreffende ambtsbericht.

In dit ambtsbericht staat dat het valt te betreuren dat de behandeling van deze zaak bij het parket zo traag is verlopen, temeer omdat juist in strafzaken tegen jeugdigen een snelle reactie is gewenst. Ook valt het te betreuren dat de politie niet, althans niet aantoonbaar, heeft getracht de door verzoeker geleden schade te verhalen op een of meer van de leerlingen. Gelet op de vertraging in deze zaak restte in redelijkheid geen andere keuze dan een sepot. De vermeende beperkte kring kon geen motief voor de sepotbeslissing zijn. De hele school heeft immers mee kunnen genieten. Verzoeker voelde zich terecht aan het lijntje gehouden, aldus het betreffende ambtsbericht.

3.3.3. Bij beschikking van 12 november 1999 wees het gerechtshof te Arnhem verzoekers beklag af. Het hof overwoog dat daargelaten of bewezen kon worden dat beklaagden dan wel een van hen zich schuldig had gemaakt aan vernieling van (een van) verzoekers auto's, het instellen van strafvervolging niet opportuun meer was, gelet op het tijdsverloop.

4. Verzoeker klaagt erover dat het arrondissementsparket te Zwolle, nevenvestiging Lelystad, zich onvoldoende heeft ingespannen om een schaderegeling te treffen met de verdachte(n) van vernieling van zijn auto's.

5. De Minister van Justitie deelde in reactie op de klacht mee dat hij deze niet gegrond achtte. De Minister stelde dat de officier van justitie verzoeker had gewezen op de op het politiebureau, bibliotheek, postkantoor en Buro Slachtofferhulp verkrijgbare folder, en op de mogelijkheid dat hij zich voor (juridische) hulp, advies en informatie met betrekking tot de verschillende schadevergoedingsmogelijkheden kon wenden tot het Buro Slachtofferhulp of het Buro voor Rechtshulp.

De Minister wees er verder op dat de officier van justitie verzoeker had meegedeeld dat er geen schaderegeling was getroffen met de verdachten, om reden dat naar aanleiding van politieonderzoek niet duidelijk was geworden wie de schade daadwerkelijk had veroorzaakt.

De Minister deelde ten slotte mee dat zelfs indien bewezen zou zijn dat de minderjarige verdachten de schade hadden veroorzaakt, zij gezien hun leeftijd hoogst waarschijnlijk niet in aanmerking gekomen waren voor een strafrechtelijke schaderegeling.

6. In de Richtlijn Slachtofferzorg is onder punt 12. bepaald dat het openbaar ministerie zoveel mogelijk een schaderegeling tussen verdachte(n) en slachtoffer(s) tot stand tracht te brengen, bij voorkeur in een zo vroeg mogelijk stadium van het strafproces in ruime zin (zie Achtergrond, onder 3.). De Richtlijn bepaalt verder dat het openbaar ministerie bevordert dat de politie in een zo vroeg mogelijk stadium de mogelijkheden tot schadebemiddeling tussen slachtoffer en dader onderzoekt.

7. De Nationale ombudsman is van oordeel dat de Minister van Justitie terecht wijst op de omstandigheid dat de verdachten de leeftijd van veertien jaren nog niet hadden bereikt. Ingevolge artikel 6:164 van het Burgerlijk Wetboek (BW; zie Achtergrond, onder 1.) kan een kind dat de leeftijd van veertien jaren nog niet heeft bereikt niet aansprakelijk worden gesteld voor de door hem toegebrachte schade. Van het treffen van een schaderegeling tussen verdachten en slachtoffer kon in deze zaak dan ook geen sprake zijn. Daarmee valt deze situatie ook buiten de tekst van de Richtlijn Slachtofferzorg, zoals die hiervoor onder 6. is vermeld.

Afgezien van het voorgaande memoreert de Minister verder terecht dat naar aanleiding van het politieonderzoek niet duidelijk is geworden wie de schade daadwerkelijk heeft veroorzaakt. Op grond van dit onderzoek, dat op 20 augustus 1997 is afgesloten, kan inderdaad niet worden bewezen wie, welke schade heeft toegebracht.

De onderzochte gedraging is dan ook behoorlijk.

8. Ten overvloede wordt nog het volgende overwogen.

Het voorgaande laat onverlet dat het het arrondissementsparket niet zou hebben misstaan indien het, vanuit het oogpunt van dienstbetoon, alsmede naar analogie van het bepaalde onder punt 12. van de Richtlijn Slachtofferzorg, enige inspanning had verricht om te bezien of een schaderegeling met ouders van de verdachten haalbaar zou kunnen zijn. Op grond van artikel 6:169, eerste lid BW (zie Achtergrond, onder 1.) kunnen ouders worden aangesproken voor de schade die is toegebracht door kinderen die de leeftijd van veertien jaren nog niet hebben bereikt. Met name ten aanzien van verdachte S., die heeft bekend een sleutel over verzoekers auto te hebben gehaald, en tegen wie enkele belastende verklaringen zijn afgelegd, acht de Nationale ombudsman het niet uitgesloten dat een schaderegeling tot stand had kunnen worden gebracht. In dit verband had het parket de politie kunnen verzoeken enig nader te onderzoek te verrichten naar de vraag of, en, zo ja welke schade S. precies heeft toegebracht, en, of er bij de ouders van S. enige bereidheid bestond tot het vergoeden van schade. Echter, door de vertraging bij de behandeling van deze zaak op het arrondissementsparket is deze mogelijkheid gepasseerd.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van het arrondissementsparket te Zwolle, die wordt aangemerkt als een gedraging van de Minister van Justitie, is niet gegrond.

Onderzoek

Op 29 december 1999 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer J. te Almere, met een klacht over een gedraging van het arrondissementsparket te Zwolle, nevenvestiging Lelystad.

Naar deze gedraging, die wordt aangemerkt als een gedraging van de Minister van Justitie, werd een onderzoek ingesteld.

In het kader van het onderzoek werd de Minister verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben. Daarnaast werd een betrokken ambtenaar de gelegenheid geboden om commentaar op de klacht te geven. Hij maakte van deze gelegenheid geen gebruik.

Tijdens het onderzoek kregen betrokkenen de gelegenheid op de door ieder van hen verstrekte inlichtingen te reageren.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. Verzoeker berichtte dat het verslag hem geen aanleiding gaf tot het maken van opmerkingen. De Minister van Justitie deelde mee zich met de inhoud van het verslag te kunnen verenigen.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:

A. feiten

1.1. In het proces-verbaal van aangifte van verzoeker, opgemaakt op 19 maart 1997 door politieambtenaar L. van het regionale politiekorps Flevoland, staat onder meer het volgende vermeld:

"In de periode van begin januari 1997 tot en met 14 februari 1997 zijn er auto's van mij vernield terwijl dezen stonden geparkeerd op de openbare weg, W.-weg in Almere (...).

Ik ben leerkracht op de school X. in Almere (...) en de auto's staan gedurende de schooltijden bij school geparkeerd.

Mijn eerste auto werd zo rond 11/12 januari 1997 vernield op die plaats. De vernieling bestond uit een kras op de linker achterdeur van een bestelbus van het merk Renault. Het kenteken van deze auto is XX.

De tweede auto was een Autobianchi, kleur groen, kenteken XY. De vernielingen bestonden uit een kras op de achterklep over de breedte en een ondiepe kras op de voorklep ook over de breedte. Deze vernieling was ongeveer 2 weken na de eerste vernieling.

Mijn derde auto, een Simca Aronde, kleur rood met het kenteken XZ, werd eveneens vernield op de W.-weg. De vernieling bestond uit een kras op de voorklep. Deze vernieling was weer ongeveer 2 weken later op 14 februari 1997. Ik ontdekte dit op 15 februari 1997.

Al deze vernielingen vielen samen met vernielingen aan ons schoolgebouw en aan de dependance van X. Op school waren ook teksten over mij persoonlijk geschreven. Die teksten bestonden uit woorden als: Sj. (verzoekers voornaam; N.o.) IS EEN KANKERHOMO, Sj. IS EEN HOMO en Sj. IS EEN KANKERHOMO S.

Deze laatste naam, S., is van een jongen die in groep 8 zit. Op woensdag sta ik voor de klas bij deze jongen. Met hem heb ik regelmatig confrontaties gehad. Ik weet van de directrice dat ze contact met de Politie heeft gehad en daarbij namen heeft doorgegeven van andere leerlingen waaronder So. en B. en K. Het is goed mogelijk dat een of meerdere van deze jongens zich schuldig hebben gemaakt aan de vernielingen.

Ik doe aangifte van vernieling cq. beschadiging van auto's die mij in eigendom toebehoren. Ik had daartoe geen toestemming gegeven."

1.2. In het proces-verbaal van aangifte van verzoeker, opgemaakt op 20 maart 1997 door politieambtenaar L., staat onder meer het volgende vermeld:

"Op 19 maart 1997 deed ik reeds bij u aan het buro aangifte van vernieling van mijn auto. Nu is een van deze auto's al weer vernield. Dat is gisteren, 19 maart 1997 tussen 08.00 en 16.00 uur gebeurd. Het betreft hier een personenauto van het merk Simca Aronde, kenteken XZ. de vernieling bestaat uit een kras over de motorkap en de beide voorspatborden.

Ik sprak gisteren mijn vermoedens al uit over eventuele daders. Dat vermoeden wordt bij deze versterkt.

Ik doe aangifte van vernieling van mijn auto. Ik heb daartoe geen toestemming gegeven. Ik wil de schade op de dader verhalen."

2.1.1. In het proces-verbaal van verhoor van S. (geboren december 1983), opgemaakt op 26 maart 1997 door politieambtenaar L., staat onder meer het volgende vermeld:

“U vraagt me naar het bekrassen van de auto van meester J. Ik heb dat niet gedaan. Ik was die dag met Je. samen. Je. had iets over de auto. Ik had een sleutel in mijn hand en zette die zacht op de motorkap. Hij zei tegen mij dat doe je niet zo, maar zo! Daarbij haalde hij een dubbeltje over de motorkap. Ik zag dat er een witte kras op kwam. Hij zei nog tegen me dat ik hem niet mocht verlullen. Hij zei het niet met die woorden maar bedoelde het wel zo. Hij zei tegen me dat hij niet de rode maar een blauwe auto had gedaan.”

2.1.2. In het proces-verbaal van verhoor van S., opgemaakt op 7 april 1997 door politieambtenaar L., staat onder meer het volgende vermeld:

"Op de auto van meester J. heb ik mijn sleutel gezet en die over de motorkap gehaald. Ik deed dat niet echt hard maar ook niet zacht. Door mij kwamen er misschien wel krassen op dat weet ik niet. Ik was met Je. samen. Je. maakte er ook een kras op met een munt, een gulden, want we gingen chips halen. Ik weet niet zeker of er toen een kras op kwam. We liepen daarna lachend weg.”

2.2.1. In het proces-verbaal van verhoor van So. (geboren augustus 1984), opgemaakt op 1 april 1997 door politieambtenaar L., staat onder meer het volgende vermeld:

"U vraagt me naar het vernielen van de auto van meester J. Ik heb dat niet gedaan. S. heeft gezegd dat hij dat heeft gedaan. Net als dat schrijven over meester J. Hij vertelde dat hij het met een muntje of een sleutel had gedaan.”

2.2.2. In het proces-verbaal van verhoor van So., opgemaakt op 10 april 1997 door politieambtenaar L., staat onder meer het volgende vermeld:

"Ik weet ook dat er op de auto van J. is gekrast. Ik heb S. horen zeggen dat hij dat had gedaan."

2.3. In het proces-verbaal van verhoor van B. (geboren juli 1984), opgemaakt op 1 april 1997 door politieambtenaar L., staat onder meer het volgende vermeld:

"Van S. kan ik ook nog zeggen dat hij de auto's van J. heeft bekrast. Ik denk dat omdat hij dat zelf vertelde tegen mij."

2.4. In het proces-verbaal van verhoor van Je. (geboren februari 1984), opgemaakt op 8 april 1997 door politieambtenaar L., staat onder meer het volgende vermeld:

"Ik heb verder gezien dat S. de auto van meester J. heeft bekrast. Ik zag dat hij de rode auto van J. eerst met een dubbeltje bekraste en even later met zijn sleutel omdat het met het dubbeltje niet goed ging. Ik was erbij en ik had een gulden. We gingen samen wat kopen. Ik heb niet op de auto gekrast.

Ik heb ook gezien dat S. ongeveer 3 weken geleden een groene auto van meester J. heeft bekrast. Hij deed dat met sleutels. Hij liep er 2 keer met de sleutels bij langs. Beide keren zag ik dat er krassen op de auto's kwamen. Het waren volgens mij geen diepe krassen."

2.5. In het proces-verbaal van verhoor van K. (geboren mei 1984), opgemaakt op 14 april 1997 door politieambtenaar L., staat onder meer het volgende vermeld:

"Ik heb op school gehoord dat S. zei dat hij de auto van meester J. ook heeft bekrast. Hij zei dat toen we met z'n vieren bij elkaar waren. Dat waren So., Je., S. en ik. Hij zei dat hij het met een sleutel had gedaan. Je. vertelde dat hij een andere auto had bekrast."

3. Bij brief van 21 oktober 1997 deelde de officier van justitie te Zwolle verzoeker onder meer het volgende mee:

"Als officier van justitie ben ik belast met de strafrechtelijke beoordeling en afhandeling van deze zaak.

Indien u op de hoogte gehouden wilt worden van de voortgang en de afloop van deze strafzaak, dan kunt u dit uitsluitend schriftelijk binnen 10 dagen na dagtekening van deze brief, mij laten weten, onder vermelding van het parketnummer. Bij latere ontvangst kan ik u niet garanderen dat aan uw verzoek zal worden voldaan. Ook wanneer u een dergelijk verzoek hebt gedaan bij de politiefunctionaris op moment van uw aangifte, dient u dit mij nogmaals schriftelijk kenbaar te maken.

Wilt u indien er sprake is van schade de aard van deze schade en de hoogte van het schadebedrag eveneens vermelden in uw brief?

Wilt u daarbij tevens aangeven of u inmiddels schadeloos bent gesteld door bijvoorbeeld de verdachte, uw verzekeringsmaatschappij of op andere wijze? Indien nodig zal ik u op een later moment verzoeken mij de originele rekeningen, nota's, prijsopgaven o.i.d. toe te zenden, indien u deze niet hebt afgegeven aan de politie.

Ik zal bij de beoordeling van de strafzaak rekening houden met de geleden schade. Ik kan u echter niet garanderen dat u via deze strafzaak de schade op de verdachte(n) kunt verhalen en vergoed krijgt. U dient er ook rekening mee te houden dat op een aantal verdachten geen schade te verhalen is.

Uw brief kunt u zenden, onder vermelding van het parketnummer, naar:

Arrondisssementsparket Zwolle

aan de Officier van Justitie,

afdeling slachtofferzorg (...)

In de folder "Slachtofferhulp en schaderegeling" staat voor u wellicht nuttige informatie vermeld over de verschillende schadevergoedingsmogelijkheden die er zijn. Deze folder is te verkrijgen op het politiebureau, bibliotheek, postkantoor en buro slachtofferhulp.

Voor (juridische) hulp, advies en informatie bijvoorbeeld met betrekking tot verschillende schadevergoedingsmogelijkheden kunt u zich wenden tot het Buro Slachtofferhulp of Buro voor Rechtshulp."

4. Op 27 oktober 1997 reageerde verzoeker hierop onder meer als volgt:

"Als benadeelde partij zou ik graag op de hoogte van deze strafzaak gehouden willen worden om de ontstane schade te kunnen verhalen, aangezien deze nog niet geregeld is en omdat na de aangifte bij de politie 'de affaire' gewoon doorging, hetgeen resulteerde in de schorsing en verwijdering van twee leerlingen van mijn school. De schade bestond uit teksten op diverse muren en dergelijke, uit krassen op mijn auto's, en als derde ruim een half jaar spanning en stress mijnerzijds.

De schade aan de auto's is (...) als volgt getaxeerd:

XX f 300,- excl. btw.

XY f 800,- excl. btw.

XZ f 800,- excl. btw."

5. Vervolgens deelde de officier van justitie verzoeker bij brief van 9 december 1997 het volgende mee:

"…Hierbij deel ik u mede dat ik uw reactie in goede orde heb ontvangen.

Uw verzoek om op de hoogte gesteld te worden van de afloop van de strafzaak, is bij de strafzaak gevoegd.

Indien ik een voor u van belang zijnde beslissing heb genomen, dan ontvangt u hiervan bericht.

U dient er echter rekening mee te houden dat een en ander een aantal maanden in beslag kan nemen.

Mocht u vragen hebben omtrent de strafzaak en/of de daarin genomen beslissingen dan kunt U hiervoor telefonisch of schriftelijk contact opnemen met de afdeling slachtofferinformatie, onder vermelding van het parketnummer.

Ik wil u er op attenderen dat het parket te Lelystad een nevenvestiging is van het Arrondissementsparket te Zwolle. Het is niet uitgesloten dat de informatie-verstrekking wordt overgenomen door de hoofdvestiging Zwolle. In dat geval treft u een ander adres en telefoonnummer in de vervolg-brieven aan."

Voor (juridische) hulp, advies en informatie, bijvoorbeeld t.a.v. verschillende schadevergoedingsmogelijkheden kunt u zich wenden tot het bureau Slachtofferhulp of Bureau voor Rechtshulp…"

6. Bij brief van 10 maart 1999 deelde verzoeker de officier van justitie te Zwolle het volgende mee:

"…In bovenstaande strafzaken heb ik mij in het proces-verbaal van aangifte d.d. 19 maart 1997 en in mijn brief d.d. 27 oktober 1997 als benadeelde partij gemeld. In mijn brief d.d. 27 oktober 1997 heb ik tevens mijn vordering tot schadevergoeding gespecificeerd bij u ingediend. U hebt zulks aan mij bevestigd bij brief d.d. 9 december 1997. Sedertdien heb ik niets meer vernomen.

Ik verzoek u thans de dossiers, waaronder de processen-verbaal, die op de strafzaken betrekking hebben in afschrift aan mij te doen toekomen.

Voorts verzoek ik u mij te berichten wat de stand van zaken is met betrekking tot de afdoening van deze strafzaken. Indien de verdachten gedagvaard worden, wil ik mij zo mogelijk als benadeelde partij in de strafprocedure voegen.

Bij geruchte vernam ik dat een of meer van de strafzaken wellicht geseponeerd zouden gaan worden. Indien dat het geval is wil ik u er dringend op wijzen dat het zeer in mijn belang is dat een sepot niet plaatsvindt zonder dat daaraan de voorwaarde wordt verbonden dat de daders aan mij de door mij geleden schade volledig vergoeden. Ik verzoek u om bij een eventueel sepot daaraan invulling te geven…"

7. Hierop deelde de officier van justitie verzoeker op 15 maart 1999 onder meer het volgende mee:

"Naar aanleiding van uw verzoek om op de hoogte gesteld te worden van de afloop van de strafzaak waarin u aangifte hebt gedaan van vernieling en openlijke geweldpleging, kan ik u het volgende berichten.

Inmiddels heb ik besloten tegen de verdachten S., So., K., Je. en B. geen verdere strafvervolging in te stellen, vanwege de oudheid van deze zaak.

De strafrechtelijke afhandeling van deze strafzaak heeft meer tijd in beslag genomen dan wenselijk is. Inmiddels is het tijdsverloop zo groot geworden dat de rechter mij naar verwachting niet meer ontvankelijk zal verklaren in de vervolging van de verdachten. Tevens betreft het hier een conflict wat zich in beperkte kring heeft afgespeeld en ik acht in dit geval onvoldoende gemeenschapszin aanwezig om tot strafvervolging over te gaan.

De verdachten heb ik ernstig gewaarschuwd en ik heb hen er op gewezen dat het voorval wel wordt aangetekend in het algemeen documentatieregister zodat bij eventuele herhaling met deze beslissing rekening kan worden gehouden.

Hiermee is de strafzaak afgedaan.

U heeft mij bericht dat u ten gevolge van het misdrijf schade heeft geleden. Ik heb geen schaderegeling met de verdachten getroffen om reden dat de schade die u heeft opgegeven niet te bewijzen valt. Naar aanleiding van het politie-onderzoek is niet duidelijk geworden wie de schade daadwerkelijk heeft veroorzaakt.

Mijn beslissing brengt met zich mee dat het voor u niet mogelijk is eventuele schade via strafrechtelijke weg op de verdachten te verhalen.

Voor inlichtingen of advies omtrent de mogelijkheden om uw schade bijvoorbeeld via civielrechtelijke weg op de verdachten te verhalen kunt u zich wenden tot een advocaat of het Bureau voor Rechtshulp.

Wanneer u het met mijn beslissing om geen strafvervolging in te stellen niet eens bent, dan kunt u bezwaar maken door een schriftelijke beklag daarover in te dienen bij het gerechtshof te Arnhem (...). Het gerechtshof zal dan mijn beslissing om geen strafvervolging in te stellen op zijn juistheid beoordelen.

Het hof kan eventueel, naar aanleiding van uw klacht, alsnog de vervolging bevelen."

8. Verzoeker diende, ingevolge artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering (zie Achtergrond, onder 2.), op 5 april 1999 een klacht in bij het gerechtshof te Arnhem over de beslissing van de officier van justitie om geen vervolging in te stellen.

Verder schreef verzoeker de officier van justitie, eveneens op 5 april 1999, onder meer het volgende:

"In uw brief d.d. 15 maart 1999 hebt u mij op de hoogte gesteld van uw besluit om tegen de verdachten in de strafzaak waarin ik slachtoffer ben geworden van vernieling en openlijke geweldpleging geen strafvervolging in te stellen, omdat u de zaak te lang hebt laten liggen. Vanzelfsprekend kan ik daarmee geen genoegen nemen en ik heb inmiddels een klacht ingediend bij het Gerechtshof te Arnhem op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering. Daarnaast wil ik echter nog het volgende onder uw aandacht brengen.

In mijn brief d.d. 10 maart 1999 heb ik de dossiers die op de strafzaken betrekking hebben bij u opgevraagd. Ik heb deze nog niet van u ontvangen. Ik verzoek u deze thans per omgaande aan mij te doen toekomen.

U schrijft dat de strafzaak betrekking heeft op een conflict wat ( sic! ) zich in beperkte kring heeft afgespeeld en dat u in dit geval onvoldoende gemeenschapszin aanwezig acht om tot strafvervolging over te gaan. U gaat er daarmee ten onrechte aan voorbij dat, zoals in ieder geval uit het proces-verbaal van aangifte blijkt, aan de gepleegde delicten ernstige discriminatoire motieven ten grondslag lagen. Alle reden, dunkt mij, om strafrechtelijke vervolging juist van groot maatschappelijk belang te achten. Ik kan u voorts verzekeren dat de delicten grote onrust hebben veroorzaakt binnen de school waar ik werkzaam ben en dat er derhalve niet van een conflict in beperkte kring gesproken kan worden.

Op dezelfde datum waarop uw brief is gedateerd, 15 maart 1999, zijn mijn auto's opnieuw beschadigd, waarvan ik opnieuw aangifte heb gedaan. De verdachten voelen zich in hun criminele gedrag kennelijk gesterkt door het uitblijven van enige strafrechtelijke reactie op de door hen gepleegde delicten.

In mijn brief d.d. 10 maart 1999 heb ik u verzocht om, indien het al tot een sepot zou komen, slechts voorwaardelijk te seponeren, gelet op mijn belangen als slachtoffer daarbij in verband met het verhalen van de schade op de verdachten. In uw brief d.d. 15 maart 1999 wordt zulks geheel genegeerd.

In de Richtlijnen Slachtofferzorg is voorgeschreven dat bij de beslissing over de vervolging rekening wordt gehouden met de belangen van het slachtoffer dat schadevergoeding wenst. Bovendien is het de taak van het Openbaar Ministerie om te trachten een schaderegeling tussen de verdachten en het slachtoffer tot stand te brengen. Mijn sterke indruk is dat u daaraan niets hebt gedaan. Er is immers niets anders gebeurd dan dat de zaak zolang is blijven liggen totdat de zaak 'te oud' was om er nog iets aan te doen.

Voor de schade die ik lijd als gevolg van uw nalatigheid om op adequate wijze mijn belangen als slachtoffer te behartigen stel ik u hierbij aansprakelijk. Wat mij betreft zijn er twee manieren waarop u mij de schade kunt vergoeden:

1) U vergoedt aan mij het schadebedrag van f 2.232,50 inclusief BTW, vermeerderd met de wettelijke vertragingsrente daarover met ingang van 14 februari 1997.

2) U vergoed aan mij alle proces- en executiekosten en kosten van juridische bijstand die ik moet maken om tot verhaal van de door mij geleden schade op de verdachten te komen, te vermeerderen met het schadebedrag dat uiteindelijk niet verhaalbaar zal blijken te zijn.

Het zou mijn vertrouwen in justitie ten goede komen indien u op korte termijn voor optie 1) kiest en het schadebedrag overmaakt op mijn girorekeningnummer (...).

9. Bij brief van 24 juni 1999 verstrekte de hoofdofficier van justitie te Zwolle de procureur-generaal bij het gerechtshof te Arnhem het ambtsbericht van 19 juni 1999 van de heer P. beleidsmedewerker bij het arrondissementsparket te Zwolle, dat deze heeft opgesteld ten behoeve van verzoekers beklag bij het gerechtshof. De hoofdofficier van justitie deelde mee dat hij kon instemmen met het betreffende ambtsbericht, waarin het volgende staat vermeld:

"De ontvankelijkheid

Klager kan worden aangemerkt als rechtstreeks belanghebbende bij vervolging van het strafbare feit, daar dit feit tegen hem dan wel tegen zijn goederen was gericht.

Naar de eis der wet is het beklag schriftelijk gedaan bij het Gerechtshof binnen welks rechtsgebied de beslissing tot niet (verdere) vervolging is genomen, te weten het arrondissementsparket Zwolle.

Het beklag is ook voldoende tijdig gedaan daar geen het beklag verhinderende wettelijke bepalingen van toepassing zijn.

De feiten

Klager is onderwijzer. Hij parkeert zijn auto bij de school. Hij merkt dat zijn auto's (klager beschikt over meer dan een auto) worden bekrast. Op 19 maart 1997 doet klager aangifte van vernieling. De vernielingen vielen in de tijd samen met graffity aan en om de school aangebracht Met viltstiften waren teksten aangebracht als 'Sj. is een (kanker) homo'. De voornaam van klager luidt 'Sj.', geen wonder dat klager zich door deze teksten in negatieve zin aangesproken voelt. Klager heeft zijn aangifte echter beperkt tot vernieling van de auto's.

Klager heeft aangegeven de door hem geleden schade, begroot op f. 1900,-, via voeging te willen verhalen op de daders.

De directeur van de school heeft naar aanleiding van de graffity op 20 februari 1997 aangifte gedaan van vernieling. De directeur heeft aangegeven welke leerlingen (uit groep acht) van haar school de vermoedelijke daders zijn.

De politie heeft hierop de vermoedelijke daders en hun ouders uitgenodigd op het politiebureau, waarbij uitleg is gegeven over het optreden van de politie bij de afhandeling van de zaak. Later zijn de leerlingen afzonderlijk gehoord. Tenminste een van de leerlingen bekent bekrassing van de auto van klager. Samen met een andere leerling bekent hij de beledigende leuzen te hebben aangebracht. Op 20 augustus 1997 is het onderzoek afgesloten.

Door de Raad voor de Kinderbescherming is over de leerlingen rapport uitgebracht op 12 maart 1998 (bedoeld wordt 1999; N.o.). De Raad ziet in geen van de gevallen een contra-indicatie voor het opleggen van een (taak)straf.

In het dossier bevindt zich een voorbereidingsformulier van de parketsecretaris gedateerd 13 juli 1998.

Eerst op 15 maart 1999, toevalligerwijze de dag waarop op het parket de brief van klager van 10 maart 1998 ontvangt, volgt een beslissing tot sepot.

De genomen beslissing

De officier van justitie heeft besloten geen vervolging in te stellen wegens de ouderdom van de zaak en voorts omdat het een conflict betreft dat zich in beperkte kring heeft afgespeeld. Overigens is de zaak niet geheel zonder strafrechtelijk gevolg gebleven want de jongens zijn schriftelijk gewaarschuwd.

Aard en inhoud beklag

Klager kan zich blijkens het beklagschrift niet verenigen met de beslissing van de officier van justitie en verzoekt om vervolging.

Beoordeling

Zo voortvarend als het politie-onderzoek ondanks de vakantieperiode is gelopen, zo traag is de behandeling door het openbaar ministerie geschied. Jammer, want juist in strafzaken tegen (zeer) jeugdigen is, om enig effect te bereiken, een snelle reactie gewenst. Jammer ook dat de politie niet, althans niet aantoonbaar, heeft getracht de door klager geleden schade in een vroeg stadium op (een of meer van) de leerlingen te verhalen. Uit het politiedossier komen twee bekennende dadertjes naar voren. Het ware te wensen geweest dat in ieder geval deze jongens direct richting HALT waren bewogen.

Gelet op de betreurenswaardige vertraging ben ik van mening dat de officier van justitie op 15 maart van dit jaar (ruim twee jaar nadat de delicten zijn gepleegd) in redelijkheid geen andere keuze meer restte dan sepot Aan het nut van een schriftelijke waarschuwing na twee jaren kan worden getwijfeld, maar het is tenminste iets. In de vermeende beperkte kring kan ik geen motief voor een sepotbeslissing vinden. Immers de hele school heeft van het gebeuren kunnen meegenieten.

Klager schiet hier echter niets mee op. Hij voelt zich terecht aan het lijntje gehouden. Waar hij aanvankelijk veelbelovende brieven ontving krijgt hij na lange tijd uiteindelijk nul op het rekest. Een verontschuldiging voor de trage gang van zaken was tenminste op zijn plaats geweest. Ik zal daarvoor alsnog zorgdragen.

Conclusie

Gelet op het bovenvermelde acht ik het beklag ongegrond."

10. In reactie op verzoekers brief van 5 april 1999 (zie hiervoor, onder A.8.) deelde de hoofofficier van justitie bij brief van 25 juni 1999 onder meer het volgende mee:

"Bestudering van het dossier, dat naar aanleiding van uw aangifte is opgemaakt, maakt wel duidelijk dat niet op alle momenten met de gewenste voortvarendheid is opgetreden. Van het Gerechtshof zult u hieromtrent meer uitgebreide informatie ontvangen. Maar ik wil u daaraan voorafgaand al mijn welgemeende verontschuldigingen aanbieden voor de vertraging in de behandeling.

Hoewel ik begrijp dat u mij aansprakelijk wenst te stellen voor de door u geleden schade als gevolg van het delict, kan ik deze aansprakelijkheid niet aanvaarden. Voor de door u geleden schade zijn wel aansprakelijk degenen die de schade hebben aangericht. Onder omstandigheden kan schade worden verhaald in het kader van een strafrechtelijke procedure. Deze voor slachtoffers conveniërende maatregel omvat uiteraard niet dat wanneer, zoals in casu, geen strafrechtelijke procedure plaatsvindt, de aansprakelijkheid over zou gaan op het openbaar ministerie."

11. In de beschikking van het gerechtshof te Arnhem van 12 november 1999, inzake verzoekers beklag, staat onder meer het volgende vermeld:

"1. Procedure

Klager heeft bij klaagschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 13 april 1999, beklag gedaan over de beslissing van de officier van justitie te Zwolle tot het niet vervolgen van beklaagden ter zake van vernieling van zijn auto's, gepleegd te Almere in de periode van 1 januari 1997 tot 20 maart 1997.

Ingevolge opdracht van het hof heeft de advocaat-generaal schriftelijk verslag gedaan, ingekomen ter griffie van het hof op 21 september 1999. In dat stuk komt de advocaat-generaal tot het advies het beklag kennelijk ongegrond te verklaren en het gevraagde bevel niet te verlenen.

(…)

3. De feiten

Uit de stukken is het volgende gebleken.

3.1. Klager is als onderwijzer werkzaam op lagere school "X." te Almere. In de periode van 1 januari tot 20 maart 1997 zijn vernielingen aangebracht aan drie klager in eigendom toebehorende auto's, die ten tijde van de vernielingen in de omgeving van de school geparkeerd stonden.

3.2. De directeur van de school heeft in haar aangifte van vernieling d.d. 20 februari 1997 aangegeven welke leerlingen uit groep 8, die allen ouder zijn dan 12 jaar, zij verdenkt van de vernielingen. De vermoedelijke daders en hun ouders zijn hierop uitgenodigd op het politiebureau. Beklaagde S. heeft bekend een auto van klager te hebben bekrast. De overige beklaagden hebben ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan vernielingen. Tegen Je. liggen twee verklaringen. In het algemeen zijn de afgelegde verklaringen enigszins vaag.

3.3. Op 28 augustus 1997 is het op 20 augustus 1997 afgeronde proces-verbaal ten parkette ingekomen. De Raad voor de Kinderbescherming heeft vervolgens op 12 maart 1998 voorlichtingsrapporten met betrekking tot beklaagden uitgebracht. Bij brief van 25 augustus 1998 hebben beklaagden het bericht ontvangen van de officier van justitie te Zwolle dat deze heeft besloten te volstaan met een schriftelijke waarschuwing en dat wordt afgezien van strafvervolging.

Aan deze beslissing lag ten grondslag dat de delicten zouden zijn gepleegd binnen een beperkte kring alsmede dat het oude feiten zouden betreffen.

3.4. Eerst bij brief van 15 maart 1999 is klager op de hoogte gebracht van de beslissing van de officier van justitie te Zwolle om geen verdere strafvervolging tegen beklaagden in te stellen.

4. Beoordeling

4.1. Het hof stelt voorop dat betreurenswaardig moet worden geacht dat klager niet tijdig op de hoogte is gebracht van de sepotbeslissing van de officier van justitie. Wat daar ook van zij en daargelaten of bewezen zal kunnen worden dat beklaagden dan wel een van hen zich schuldig heeft gemaakt aan vernieling van (een van) klagers auto's, strafvervolging instellen tegen beklaagden acht het hof gelet op het aanzienlijk tijdsverloop niet meer opportuun. Naar alle waarschijnlijkheid zou een strafvervolging uitmonden in een rechterlijke beslissing waarbij het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zou worden verklaard vanwege overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen berechting dient plaats te vinden. Een zodanige beslissing ligt temeer voor de hand nu beklaagden ten tijde van het plegen van de vernielingen minderjarig waren.

4.2. Tenslotte overweegt het hof dat, indien en voorzover klager schadevergoeding beoogt, dit op zichzelf geen reden is om een strafvervolging in te stellen, behoudens bijzondere omstandigheden, waarvan in deze zaak niet blijkt.

5. Slotsom

Uit het voorgaande volgt dat het beklag kennelijk ongegrond is. Een verhoor van de bij het beklag betrokkenen kan daarom achterwege blijven.

Beslist dient te worden als volgt.

6. Beslissing

Het hof:

Wijst het beklag af."

B. Standpunt verzoeker

Verzoekers standpunt staat samengevat weergegeven onder Klacht.

C. Standpunt Minister van Justitie

1. De Minister van Justitie deelde in reactie op de klacht onder meer het volgende mee:

"De heer J. klaagt er over dat het openbaar ministerie te Zwolle, nevenzittingsplaats Lelystad, zich onvoldoende heeft ingespannen om een schaderegeling te treffen met de verdachten van vernieling van zijn auto's, gepleegd te Almere in de periode van 1 januari 1997 tot 20 maart 1997. Naar aanleiding daarvan heb ik het College van procureurs-generaal om inlichtingen gevraagd. In reactie op de klacht bericht ik u thans het volgende. Voor de feitelijke toedracht verwijs ik naar bijgevoegde kopie van het ambtsbericht van de plaatsvervangend hoofdofficier van justitie te Zwolle, nevenzittingsplaats Lelystad, van 20 april 2000 (zie hierna onder C.2.; N.o.). Ter verduidelijking voeg ik daar het volgende aan toe.

De heer J. heeft op 19 maart 1997 aangifte gedaan van vernieling van zijn auto's, gepleegd te Almere in de periode van 1 januari 1997 tot 20 maart 1997. De officier van justitie te Zwolle, nevenzittingsplaats Lelystad, heeft op 21 oktober 1997 aan de heer J. een brief gezonden, waarin hem is meegedeeld dat de politie een onderzoek heeft ingesteld naar aanleiding van zijn aangifte en dat de verdachten zijn opgespoord en gehoord. Tevens is in deze brief aan de heer J. meegedeeld dat de officier van justitie hem niet kan garanderen dat hij via de strafzaak de schade op de verdachten kan verhalen en vergoed krijgt en dat hij er rekening mee dient te houden dat op een aantal verdachten geen schade is te verhalen. De officier van justitie te Zwolle, nevenzittingsplaats Lelystad, heeft voorts uiteengezet welke (andere) mogelijkheden er voor de heer J. open staan om de schade op de verdachten te verhalen. Daarbij heeft de officier van justitie te Zwolle, nevenzittingsplaats Lelystad, in zijn brief van 21 oktober 1997 de heer J. gewezen op de op het politiebureau, bibliotheek, postkantoor en Buro Slachtofferhulp verkrijgbare folder "Slachtofferhulp en schaderegeling", waar nuttige informatie vermeld staat over de verschillende schadevergoedings-mogelijkheden. Tevens is de heer J. in de brief van 21 oktober 1997 er op gewezen dat hij zich voor (juridische) hulp, advies en informatie met betrekking tot verschillende schadevergoedings-mogelijkheden kan wenden tot het Buro Slachtofferhulp of het Buro voor Rechtshulp.

Bij brief van 15 maart 1999 is de heer J. meegedeeld dat de officier van justitie te Zwolle, nevenzittingsplaats Lelystad, heeft besloten geen verdere strafvervolging in te stellen tegen de verdachten. Eveneens is de heer J. meegedeeld dat geen schaderegeling met de verdachten is getroffen. De reden daarvan is dat naar aanleiding van het politie-onderzoek niet duidelijk is geworden wie de schade daadwerkelijk heeft veroorzaakt.

Gelet op de hierboven geschetste gang van zaken is het College van oordeel dat de klacht dat het arrondissementsparket Zwolle, nevenzittingsplaats Lelystad, zich onvoldoende heeft ingespannen om een schaderegeling te treffen met de verdachten van vernieling van de auto's van de heer J., ongegrond is.

Ik kan mij met bovenstaand standpunt verenigen.

Ten overvloede merk ik nog op dat zelfs indien bewezen zou zijn dat de minderjarige verdachten de schade hadden veroorzaakt, zij gezien hun leeftijd hoogst waarschijnlijk niet in aanmerking gekomen waren voor een strafrechtelijke schaderegeling. Dit heeft te maken met de civielrechtelijke aansprakelijkheid welke pas aangenomen kan worden bij de leeftijd van 14 jaar (artikel 6:164 BW (zie Achtergrond, onder 1.; N.o.))."

2. In zijn ambtsbericht van 20 april 2000, waarnaar de Minister van Justitie in zijn standpunt verwees, stelde de hoofdofficier van justitie te Zwolle onder meer het volgende:

"De klacht richt zich tegen het onvoldoende optreden door het Arrondissementsparket te Lelystad waardoor geen vervolging plaats heeft gevonden van een aantal minderjarige verdachten van beschadiging van een drietal auto's van de heer J. De strafzaak is inmiddels geseponeerd en het Gerechtshof te Arnhem heeft naar aanleiding van het bezwaarschrift van de heer J. beslist dat het sepot terecht heeft plaatsgevonden. De heer J. stelt dat hij nu met de schade blijft zitten en heeft om die reden een klacht ingediend.

Ten eerste wil ik nogmaals benadrukken dat mijn organisatie er niet in geslaagd is om op alle momenten even voortvarend op te treden in deze strafzaak. Daarvoor heb ik reeds mijn welgemeende excuses aangeboden aan de heer J.

Ten aanzien van de eventuele mogelijkheid om de schade te verhalen op de plegers van het delict heeft de Officier van Justitie in zijn brief de dato 21 oktober 1997 duidelijk kenbaar gemaakt dat niet gegarandeerd kan worden dat dit ook daadwerkelijk gedaan kon worden via de strafzaak. In dezelfde brief is aan de heer J. uiteen gezet welke (andere) mogelijkheden er voor hem openstonden. De uiteindelijke reden dat de schade niet verhaald is op de verdachten is gelegen in het feit dat niet bewezen kon worden wie daar voor verantwoordelijk was.

Nu aan de heer J. al in een vroeg stadium bekend is gemaakt dat een strafrechtelijke procedure geen garanties biedt voor de vergoeding van de schade ben ik van mening dat het Openbaar Ministerie daarin niet te kort is geschoten. Bovendien stond het de heer J. uiteraard vrij om middels een civiele procedure de ouders van de betrokken verdachten aansprakelijk te stellen voor de schade.

Ten overvloede wil ik hier nog aan toe voegen dat zelfs indien bewezen zou zijn dat de verdachte minderjarigen de schade hadden veroorzaakt, zij gezien hun leeftijd hoogst waarschijnlijk niet in aanmerking gekomen waren voor een strafrechtelijke schaderegeling. Dit heeft te maken met de civielrechtelijke aansprakelijkheid welke pas aangenomen kan worden bij de leeftijd van 14 jaar".

Achtergrond

1. Burgerlijk Wetboek

Artikel 6:164:

"Een gedraging van een kind dat de leeftijd van veertien jaren nog niet heeft bereikt, kan aan hem niet als een onrechtmatige daad worden toegerekend."

Artikel 6: 169, eerste lid:

"Voor de schade aan een derde toegebracht door een als een doen te beschouwen gedraging van een kind dat nog niet de leeftijd van veertien jaren heeft bereikt en aan wie deze gedraging als onrechtmatige daad zou kunnen worden toegerekend als zijn leeftijd daaraan niet in de weg zou staan, is degene die het ouderlijk gezag of de voogdij over het kind uitoefent, aansprakelijk."

2. Wetboek van Strafvordering

Artikel 12, eerste lid:

"Wordt een strafbaar feit niet vervolgd of de vervolging niet voortgezet, dan kan de rechtstreeks belanghebbende daarover schriftelijk beklag doen bij het gerechtshof (…)."

3. In de Richtlijn Slachtofferzorg (Stcrt. 1995, 65) staat onder meer het volgende vermeld:

"11. Indien het slachtoffer heeft aangegeven schadevergoeding te wensen en/of op de hoogte te willen blijven van de gehele gang van zaken volgend op de aangifte, houdt het openbaar ministerie hem van voor hem relevante beslissingen in strafzaak op de hoogte.

12. Het openbaar ministerie tracht zoveel mogelijk een schaderegeling tussen verdachte(n) en slachtoffer(s) tot stand te bregen, bij voorkeur in een zo vroeg mogelijk stadium van het strafproces in ruime zin. Het openbaar ministerie bevordert voorts dat de politie in een zo vroeg mogelijk stadium de mogelijkheden tot schadebemiddeling tussen slachtoffer en dader onderzoekt, en dat zij in de gevallen overeenkomstig de afspraken tussen openbaar ministerie en politie bemiddelt in de totstandkoming van een schaderegeling.

13. Indien het slachtoffer te kennen heeft gegeven schadevergoeding te wensen, houdt het openbaar ministerie daarmee rekening bij de vervolgings- en afdoeningsbeslissing.

14. Als de verdachte met een aanbod van politie of openbaar ministerie tot schaderegeling instemt en de daarbij gemaakte afspraak nakomt, houdt het openbaar ministerie daarmee rekening bij de verdere afdoening van de strafzaak.

15. Het openbaar ministerie draagt de eindverantwoordelijkheid voor een goede informatieverzameling over de schade en over de mogelijkheid en bereidheid van de verdachte de schade te vergoeden.

16. Indien het slachtoffer heeft aangegeven schadevergoeding te wensen en het openbaar ministerie desondanks niet tot vervolging van het feit waardoor het slachtoffer schade heeft geleden, overgaat dan wel het feit ad informandum wordt gevoegd, deelt het openbaar ministerie dit met opgave van redenen mee aan het slachtoffer en wijst hem op artikel 12 Sv."

Instantie: arrondissementsparket Zwolle, nevenvestiging Lelystad

Klacht:

Onvoldoende ingespannen om schaderegeling te treffen met de verdachten van vernieling van auto's verzoeker.

Oordeel:

Niet gegrond