2000/338

Rapport

Op 17 april 2000 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer H. te Hoofddorp, met een klacht over de gemeente Haarlemmermeer. Naar deze gedraging, die wordt aangemerkt als een gedraging van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer, werd een onderzoek ingesteld.

Op grond van de door verzoeker verstrekte gegevens werd de klacht als volgt geformuleerd:

Verzoeker klaagt over de wijze waarop de gemeente Haarlemmermeer zijn klacht over belangenverstrengeling heeft behandeld. Ook na afhandeling van verzoekers klacht bleef een bepaalde ambtenaar, werkzaam bij de dienst Openbare Werken van de gemeente, verzoekers buurman bij wijze van vriendendienst van adviezen voorzien betreffende diens aanvraag van een verzoeker onwelgevallige bouwvergunning.

Onderzoek

In het kader van het onderzoek werd het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer deelde mee zich met de inhoud van het verslag te kunnen verenigen. De reactie van verzoeker gaf geen aanleiding het verslag te wijzigen.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:

A. feiten

1. Bij brief van 8 april 1999 wendde verzoeker zich tot het klachtenmeldpunt van de gemeente Haarlemmermeer (hierna: de gemeente) met een klacht over onder meer belangenverstrengeling inzake een aanvraag van een bouwvergunning door zijn buurman (de heer F.):

"…Betreft: behandeling aanvraag bouwvergunning F. (…)

(…)

Hierbij wil ik mijn ongenoegen uiten over de gevalsbehandeling van bovengenoemde aanvraag.

Op 11 maart 1999 heb ik in verband met bovenstaande aanvraag om een bouwvergunning van mijn buurman dhr. F., een aangetekende brief verzonden aan de afdeling bouwvergunningen Gemeente Haarlemmermeer.

Aangezien ik geen antwoord kreeg op mijn brief, zelfs geen ontvangstbevestiging, en ik reden had voor wantrouwen voor wat betreft de ingediende plannen, ben ik op 24 maart 1999 de bouwplannen gaan bekijken op de betreffende afdeling.

Het bleek dat mijn aangetekende brief in het dossier terecht was gekomen van een andere buurman, die wel met deze zaak te maken heeft, maar niet met de betreffende brief.

Tevens bleek mijn wantrouwen juist te zijn aangezien de bouwplannen niet overeen kwamen met de bestaande situatie. De vergunning, die op het punt stond verstrekt te worden, werd door mijn bezoek terstond ingetrokken en besloten werd de normale procedure te volgen zoals publicatie etc etc.

Wat mij ontzettend irriteert in deze kwestie is, wat blijkt uit bovenstaande, dat mijn aangetekende brief van 11 maart 1999 gewoon in het dossier gestopt is van een ander, en wat nog erger is, gewoon niet gelezen is. Dit blijkt namelijk uit het feit dat ik in deze brief al verwees naar het punt waarop op mijn persoonlijke bezoek aan de afdeling de bijna verleende vergunning weer werd ingetrokken.

Als ik dus niet persoonlijk langs was gekomen was de vergunning verleend op grond van onjuiste bouwplannen, hoewel ik daar in een brief op gewezen heb.

Ik ben door deze gang van zaken zeer ongerust geworden, want als er zo wordt omgesprongen met informatie, waarop notabene een vergunning afhangt en mogelijk de ellende van een ander, mag ik toch minimaal verwachten dat een procedure als deze toch uiterst zorgvuldig wordt afgehandeld?

Tevens wil ik graag van u vernemen in hoeverre medewerkers van uw instantie zich mogen mengen in procedures als deze, en dan bedoel ik het maken van bouwtekeningen voor mijn buurman en het verstrekken van informatie ten nadele van mijzelf. Dit doet mij namelijk erg aan belangenverstrengeling denken.

Ik vertrouw er op (toch nog wel) dat u mij antwoord geeft op bovenstaande vragen…"

2. In reactie op de klacht berichtte de gemeentesecretaris verzoeker op 19 mei 1999 als volgt:

"…Op 12 april 1999 heb ik u de ontvangst bericht van uw brief van 8 april 1999 bij het centrale klachtenmeldpunt van de gemeente. Uw klacht is als volgt samen te vatten: "Uw aangetekende brief van 11 maart 1999 is onbeantwoord in het verkeerde dossier terecht gekomen. Verder vraagt u zich af in hoeverre medewerkers van de gemeente zich mogen mengen in procedures zoals de procedure voor de afhandeling van bouwaanvragen in casu het maken van bouwtekeningen en het verstrekken van informatie".

Ik heb uw klacht aan de klachtencoördinator van de dienst Openbare Werken, (…) voorgelegd. Deze heeft naar de door u geuite klacht een onderzoek ingesteld. Hij heeft gesproken met de betrokkenen van de afdeling Bouwvergunningen en met de ontwerper de heer X, werkzaam bij de sector Realisatie. Het volgende is hem gebleken.

De gemeente hanteert bij aanvragen voor vergunning voor niet te grote bouwwerken die niet volledig passen binnen het bestemmingsplan en waarbij de buren schriftelijk te kennen hebben gegeven geen bezwaar te hebben tegen realisering ervan, de regel deze verlenen. In beginsel wordt binnen dertien weken een beslissing genomen. Het is om efficiency redenen gebruikelijk, dat reeds vroegtijdig een concept bouwvergunning wordt opgesteld en in het dossier wordt gevoegd om binnen de termijn het dossier te kunnen afsluiten. Indien binnen de genoemde dertien weken daartoe aanleiding bestaat wordt de concept vergunning ingetrokken en alsnog de formele procedure gevolgd. In vele gevallen betekent dat het volgen van de zogenaamde vrijstellingsprocedure. Nu u binnen de genoemde termijn heeft laten weten alsnog bezwaar te maken tegen het plan, is de concept vergunning ingetrokken.

Op 12 maart 1999 is uw aangetekende brief bij onze gemeente binnengekomen.

Het is bij de afdoening van bouwaanvragen gebruikelijk dat na het nemen van de definitieve beslissing ook tegelijkertijd de van belang zijnde brieven worden afgedaan. Zover was het in het stadium dat u een bezoek bracht aan de afdeling bouwverenigingen nog niet. Uw brief van 12 maart gaf vooralsnog geen aanleiding om van onze kant actie te ondernemen. In uw brief stelde u dat uw schrijven niet als bezwaarschrift beschouwd moest worden, maar als aandachtspunt voor het verlenen van toestemming op grond van de ingeleverde plannen. Op de ingediende tekeningen heeft u expliciet uw voorwaarden ("mits voor en niet tegen de kast wordt gebouwd") vermeld. Voor ons voldoende bewijs dat u met uw buurman een afspraak had gemaakt over de door u gewenste uitvoering van de bouw. Na inzage van het dossier gaf u aan dat het plan niet expliciet was aangepast aan de door u gestelde voorwaarden, hetgeen voor ons toen aanleiding was de formele procedure alsnog te volgen.

Voor wat betreft uw opmerkingen over de betrokkenheid van een ambtenaar van de gemeente bij het ontwerpen van het onderhavige plan het volgende. Binnen de dienst Openbare Werken is met de medewerkers de afspraak gemaakt dat zij in beginsel in eigen tijd geen medewerking verlenen aan de totstandkoming van bouwwerken binnen de gemeente. De betrokken ambtenaar de heer X houdt zich naar zijn zeggen aan deze afspraak, maar heeft in dit geval voor zijn vriend een uitzondering gemaakt. Hij heeft het ontwerp gemaakt en daarover niet geheimzinnig willen doen. Hij heeft daarom zijn naam op de tekening vermeld.

Bewust heeft hij zich daarom ook van de verdere realisatie en het overleg met de buren onthouden. De heer X heeft naar aanleiding van uw opmerkingen met de bouwkundige afgesproken de tuinkast niet te integreren in het bouwwerk, maar een afstand van 3 cm in acht te nemen. Volgens de heer X is de verwarring vermoedelijk ontstaan, doordat hij de tekening vervolgens niet heeft aangepast.

Daar op de officiële tekening uw handtekening en voorwaarden waren opgenomen, was hij van mening dat een aanpassing van de officiële tekening niet meer nodig zou zijn. Hij betreurt de daardoor ontstane situatie.

Al met al ben ik van mening dat de heer X geen onoorbare zaken te verwijten valt en dat de procedure op een correcte wijze doorlopen is. Helaas hebben de gevolgde werkwijze en het feit dat uw brief in een ander dossier geborgen was u een verkeerde indruk gegeven. Ik betreur dat. (…)"

3. Op 1 november 1999 diende verzoeker bij het college van burgemeester en wethouders een bezwaarschrift in tegen de aan de heer F. verleende bouwvergunning. Verzoeker voerde onder meer aan dat er sprake was van belangenverstrengeling:

"…Van begin aanvraag vergunning tot en met de huidige procedure heeft een ambtenaar van uw instantie, dhr. X, notabene werkzaam op de afdeling Openbare Werken, mijn buurman kunnen informeren en adviseren over te nemen stappen. Hierdoor heeft mijn buurman van begin af aan een voordeelpositie genoten met betrekking tot deze gehele procedure. Dit is in mijn ogen pure belangenverstrengeling en ik beraad me dan ook op verdere stappen in deze kwestie.

Vooral het feit dat mijn buurman in eerste instantie een verklaring wilde opstellen waarin hij zich verantwoordelijk stelde voor eventuele gevolgschade, maar daar na een telefoongesprek met dhr X van afzag, neem ik dhr X zeer kwalijk…"

4. Op 25 november 1999 stelde de ambtenaar van de gemeente die was belast met de behandeling van verzoekers bezwaarschrift aan verzoeker voor om in een overleg tussen deze ambtenaar en enerzijds verzoeker en anderzijds de heer F., vergezeld door de heer X, grenzen te trekken tot waar gebouwd mocht worden.

5. In reactie op dit voorstel liet verzoeker de hierboven bedoelde behandelaar van zijn bezwaarschrift op 25 november 1999 het volgende weten:

"…Hierbij reageer ik op ons telefoongesprek van vanochtend waarbij u mij een voor mij onvoorstelbaar voorstel heeft gedaan.

U heeft in ons gesprek voorgesteld een ontmoeting te regelen met de heren X, F. en u zelf om duidelijk de grenzen te trekken tot waar er gebouwd mag worden.

Ik begin nu echt te twijfelen of al mijn brieven die ik tot en met heden heb verstuurd wel gelezen zijn.

Alle problemen die zijn ontstaan met betrekking tot deze kwestie zijn hoofdzakelijk te danken aan uw medewerker, de welbekende heer X. Die heeft ten slotte mijn buurman geadviseerd geen verklaring op te stellen waarin hij zich aansprakelijk stelt voor eventuele schade aan mijn tuin en/of huis.

Op het moment dat mijn buurman op advies van dhr. X hier van af zag, heb ik alle medewerking van mijn kant opgeschort cq gestaakt.

Ik heb in diverse brieven aangegeven dat er sprake is van pure belangenverstrengeling en heb naar aanleiding van het antwoord van uw klachtenmeldpunt (…), zelfs een brief voor verzending klaar liggen naar de ombudsman.

Het is derhalve toch onvoorstelbaar dat u mij nu een voorstel doet om met deze mijnheer om de tafel te gaan zitten?

Ik wil hierover slechts het volgende zeggen: ik heb hier, gezien de voorgeschiedenis totaal geen behoefte aan, en vind uw voorstel zeer kortzichtig.

Naar mijn mening had u, als instantie, een stuk geloofwaardiger over gekomen indien u dhr. X met onmiddellijke ingang had verboden zich nog met deze kwestie bezig te houden!

Tevens verklaarde u mij in het telefoongesprek dat dhr. X heeft voorgesteld een nieuwe tekening te maken waaruit duidelijk moet blijken wat de afstand tussen tuinkast en de te realiseren aanbouw is.

Ik concludeer uit dit voorstel dat u ten onrechte een bouwvergunning heeft verleend.

Indien namelijk uit de bestaande tekening zou blijken of, en zoja hoeveel afstand er tussen de kast en het bouwwerk zou zitten, zou dit uiteraard niet nodig zijn.

Ik heb in mijn bezwaarschrift al aangegeven dat uit de bouwtekening nergens een duidelijke afscheiding met een precies aangegeven afstand te zien is. (…)"

6. In het verslag van de in het kader van de behandeling van verzoekers bezwaarschrift gehouden hoorzitting op 14 december 1999 is het volgende opgenomen:

"…Ten aanzien van de schaderegeling merkt (verzoeker; N.o.) op dat de heer F. in eerste instantie bereid was om een verklaring vooraf op te stellen, waarin hij zich garant stelt voor eventuele schade ten gevolge van de verbouwing. Na overleg tussen de heer F. en de heer X (die werkzaam is op de dienst Openbare Werken) is de heer F. op zijn eerdere toezegging teruggekomen. (Verzoeker; N.o.) heeft hierover een klacht ingediend bij het klachtenmeldpunt van de gemeente, omdat hij van mening is dat de heer X zich in zijn functie onpartijdig moet opstellen. Hierop heeft hij van de heer X een brief ontvangen, waarin staat aangegeven dat de heer X ervan op de hoogte is dat er binnen de gemeente geen medewerking verleend mag worden aan de totstandkoming van bouwwerken. Tevens staat hierin aangegeven dat hij een uitzondering heeft gemaakt voor de heer F., omdat dit een persoonlijke vriend van hem is. De heer X heeft ook aangegeven dat hij heeft meegewerkt aan het ontwerp van de uitbouw, zoals op de tekening staat aangegeven. De voorzitter vraagt wat met de klacht van (verzoeker; N.o.) is gebeurd. Deze antwoordt dat de klacht ongegrond is verklaard. Hij vindt dit antwoord onbevredigend en blijft van mening dat het geen goede zaak is dat ambtenaren zich met dergelijke zaken bemoeien. Ook vindt hij dat de heer X geen uitzonderingen kan maken op gangbare procedures bij de gemeente.(…)

Voorts gaat mevrouw D. (namens de gemeente verschenen; N.o.) in op de betrokkenheid van de heer X bij deze zaak. Deze heeft inderdaad het ontwerp opgesteld, maar hij is niet vanuit zijn functie bij de gemeente betrokken bij de zaak. Hij werkt namelijk op een andere afdeling (afdeling realisatie) dan de afdeling waar bouw procedures en -vergunningen worden beoordeeld (afdeling bouwvergunningen). De bouwaanvraag is dus wel degelijk onafhankelijk beoordeeld. De voorzitter informeert hoe het zit met de adviezen van de heer X inzake de verklaring van de heer F. Mevrouw D. kan hierop geen antwoord geven. Zij benadrukt dat de heer X geen rol heeft gespeeld bij de beoordeling van het bouwplan. Dit plan is getoetst aan de vereisten die de Woningwet stelt. (Verzoeker; N.o.) geeft aan dat hij nog steeds van mening is dat de rol van de heer X in deze zaak niet aan de geldende regels voldoet. Het verbaast hem dan ook dat de gemeente voorstelt om - onder meer - met de heer X om de tafel te gaan zitten. Hij pleit ervoor om zijn belang in deze zaak serieus te nemen. (…)"

7. Bij besluit van 7 februari 2000 verklaarde het college van burgemeester en wethouders verzoekers bezwaren ongegrond:

"(...) Wij stemmen in met het advies van de vaste commissie voor de bezwaar- en beroepschriften. Wij verklaren uw bezwaarschrift ongegrond. Het advies van de commissie bevat de motivering van dit besluit.

Advies van de commissie

"Inleiding

Op 22 oktober 1999 hebt u bouwvergunning verleend aan de heer F. voor het uitbreiden van de woning (aan de achterzijde) (...). Hiertegen heeft (verzoeker; N.o) (hierna: bezwaarde) op 1 november 1999 een bezwaarschrift ingediend. Het bezwaar wordt geacht mede te zijn gericht tegen de ten behoeve van dit bouwplan verleende vrijstelling van 17 oktober 1999.

Op 14 december 1999 vond een hoorzitting plaats, waarbij bezwaarde in de gelegenheid is gesteld zijn bezwaren mondeling toe te lichten. Een verslag van de hoorzitting gaat hierbij. Bezwaarde stelt dat er een vermindering van uitzicht ontstaat en vreest voor wildgroei van uitbouwen. Voorts voert bezwaarde aan dat er geen adequate schaderegeling is en dat er een ruimte van 3 centimeter tussen zijn tuinkast en de te bouwen muur ontbreekt. Volgens bezwaarde is er verder sprake van een belangenverstrengeling.

(…)

Overwegingen

(…)

Kort gezegd stelt bezwaarde zich voorts op het standpunt dat er een overeenkomst dient te zijn gesloten over eventuele gevolgschade met betrekking tot de uitvoering van het bouwplan, alvorens vergunning kan worden verleend. Volgens bezwaarde is uw college als vergunningverlenende instantie verantwoordelijk voor eventuele schade bij het ontbreken van een dergelijke overeenkomst. Dit standpunt is volgens de commissie onjuist. Uw college heeft slechts te beoordelen of het bouwplan voldoet aan de bij of krachtens de Woningwet en de Wet op de Ruimtelijke Ordening gestelde eisen. Vrees voor het ontstaan van schade bij de uitvoering van het bouwplan is geen criterium op grond waarvan een bouwvergunning wel of niet verleend mag worden. Uw college heeft dan ook terecht gesteld dat vergoeding van schade tijdens de bouw een privaatrechtelijke aangelegenheid is. Dit houdt in dat dit een geschil tussen burgers onderling betreft, waarbij de overheid niet betrokken is. Het feit dat vergunninghouder in eerste instantie bereid was een schaderegeling op te stellen doet aan het voorgaande niets af.

Volledigheidshalve merkt de commissie op dat bezwaarde ook zonder een door hem bedoelde overeenkomst de vergunninghouder rechtens aansprakelijk kan stellen voor eventuele schade, eventueel door het laten opstellen van een bouwexploot.

Bezwaarde heeft verder aangevoerd dat in tegenstelling tot hetgeen uit de bouwtekeningen blijkt, geen ruimte van 3 centimeter tussen zijn tuinkast en de muur van het bouwwerk is gelaten. Ter zitting is gebleken dat bezwaarde niet de juiste bouwtekeningen in zijn bezit had. Aan de hand van de juiste tekeningen, die na zitting tevens naar bezwaarde zijn verzonden, is ter zitting aangetoond dat ertussen de bouwmuur en de tuinkast van bezwaarde een ruimte van 3 centimeter is gepland. De commissie neemt aan dat hiermee aan dit bezwaar tegemoet is gekomen. Overigens merkt de commissie op dat niet uit de toepasselijke bestemmingsplanvoorschriften is gebleken dat bij bebouwing enige afstand van de erfgrens in acht moet worden genomen.

Tot slot heeft bezwaarde aangevoerd dat van een belangenverstrengeling sprake is, omdat een ambtenaar van de gemeente als ontwerper bij het bouwplan betrokken is geweest. Wat hier verder van zij, vaststaat dat deze ambtenaar in ieder geval niet betrokken is geweest bij de besluitvorming omtrent de vrijstelling en de verlening van de bouwvergunning. De commissie laat dit bezwaar daarom verder buiten beschouwing.

Resumerend ziet de commissie geen reden op grond waarvan u de vrijstelling niet hebt kunnen verlenen. Van enige weigeringsgrond als genoemd in artikel 44-WW is de commissie niet gebleken. De commissie is daarom van mening dat u de vergunning terecht hebt verleend.

Advies

Gelet op het hiervoor gestelde wordt geadviseerd het bezwaarschrift ongegrond te verklaren.(...)"

B. Standpunt verzoeker

Voor het standpunt van verzoeker wordt verwezen naar de klachtomschrijving onder klacht.

C. Standpunt gemeente haarlemmermeer

In reactie op de klacht en op de door de Nationale ombudsman in het kader van het onderzoek gestelde vragen, deelde de gemeente het volgende mee:

"(...) Centraal in de klacht van (verzoeker; N.o.) en in uw brief staat de kwestie van de indruk van belangenverstrengeling.

In de reactie van de gemeentesecretaris richting (verzoeker; N.o.) (...) hebben wij aangegeven dat "binnen de dienst Openbare Werken met de medewerkers de afspraak is gemaakt dat zij in beginsel in eigen tijd geen medewerking verlenen aan de totstandkoming van bouwwerken binnen de gemeente" en "de betrokken ambtenaar dhr. X houdt zich naar zijn zeggen aan deze afspraak, maar heeft in dit geval voor zijn vriend een uitzondering gemaakt".

Wij kunnen ons voorstellen dat door deze formulering en door acties van ambtenaren een verkeerde indruk is ontstaan. Ambtenaren mogen zich niet als partij mengen in dit soort kwesties, en doordat de ambtenaar die het bezwaarschrift van (verzoeker; N.o.) behandelde voorstelde een overleg te voeren met alle betrokkenen partijen en daarbij ook dhr. X uitnodigde is het beeld van belangenverstrengeling juist wel ontstaan. Ons inziens is dit ook inderdaad een onverstandige actie geweest die voorkomen had moeten worden.

Onze mening is echter dat dhr. X geen misbruik heeftgemaakt van zijn positie als ambtenaar. Hij heeft weliswaar een bouwtekening gemaakt, maar zich niet persoonlijk gemengd in de formele procedure voor afhandeling van de bouwvergunning. De toetsing aan artikel 44 van de Woningwet geschiedt feitelijk door de afdeling Bouwvergunningen, sector Vergunningen en Handhaving. Activiteiten van dhr. X (sector Realisatie) hebben deze toetsing niet beïnvloed. De beoordeling is met andere woorden volstrekt onafhankelijk geschied.

Wat betreft advisering rondom de bouwaanvraag: dit betreft openbare informatie die ook aan het bouwvergunningen-loket bij de gemeente of andere instanties verkregen kan worden. Er is geen sprake van vertrouwelijke informatie waar dhr. X alleen uit hoofde van zijn functie over kon of kan beschikken.

Wij delen uw mening dat de schijn van belangenverstrengeling voorkomen moet worden, en dat deze schijn rondom de bouwaanvraag van (verzoeker; N.o.) helaas wel gewekt is.

Wij zullen daarom directeur van de dienst Openbare Werken verzoeken de medewerkers van zijn dienst, waaronder dhr. X en de ambtenaar die het bezwaarschrift behandelde, er nogmaals op te wijzen dat deze zich niet als partij mogen mengen bij de totstandkoming van bouwwerken en dat zij alert moeten zijn op het voorkomen van de schijn van belangenverstrengeling..."

Beoordeling

1. Verzoeker klaagt over de wijze waarop de gemeente Haarlemmermeer zijn klacht over belangenverstrengeling heeft behandeld. Verzoeker had in deze klacht aangevoerd dat een ambtenaar (de heer X), werkzaam bij de dienst Openbare Werken van de gemeente, bij wijze van vriendendienst verzoekers buurman adviezen verstrekte met betrekking tot diens aanvraag van een verzoeker onwelgevallige bouwvergunning. Ook na afhandeling van verzoekers klacht door de gemeente bleef bedoelde ambtenaar, die een bouwtekening voor verzoekers buurman had ontworpen, als diens adviseur betrokken bij de procedure rond (het bezwaar tegen de) afgifte van de bouwvergunning.

2. In reactie op de door verzoeker bij de gemeente ingediende klacht gaf de gemeentesecretaris aan dat binnen de dienst Openbare Werken de afspraak bestaat dat medewerkers in beginsel in eigen tijd geen medewerking verlenen aan de totstandkoming van bouwwerken binnen de gemeente. Verder stelde de gemeente dat de heer X zich naar eigen zeggen aan deze afspraak hield, maar dat hij in dit geval voor zijn vriend een uitzondering had gemaakt. Volgens de gemeente waren de heer X al met al geen onoorbare zaken te verwijten.

3. Door enerzijds te verwijzen naar een binnen de dienst Openbare Werken geldende gedragscode, waarmee de heer X in strijd had gehandeld door verzoekers buurman te adviseren, en door er anderzijds op te wijzen dat het hier een vriendendienst betrof en dat de heer X niets onoorbaars te verwijten viel, heeft de gemeente niet een voldoende (begrijpelijke) reactie op verzoekers klacht over belangenverstrengeling gegeven. De toevoeging door de gemeente dat het hier (slechts) een eenmalige vriendendienst betrof en dat de heer X zich van de verdere realisatie heeft onthouden, kan op zich niet afdoen aan de door de gemeente geconstateerde strijdigheid van het handelen door de heer X met de gedragscode.

De motivering van de brief waarmee de gemeente reageerde op verzoekers klacht is, gelet op het voorgaande, onjuist, althans onvoldoende duidelijk.

4. Dat de gemeente verzoeker, na afhandeling van diens klacht over de betrokkenheid van de heer X bij de bouwaanvraag van verzoekers buurman, heeft voorgesteld om dezelfde heer X - in diens hoedanigheid van adviseur van verzoekers buurman - uit te nodigen voor een gesprek naar aanleiding van het door verzoeker tegen de verleende bouwvergunning ingediende bezwaarschrift, is onbegrijpelijk en niet juist. Met de gemeente is de Nationale ombudsman van oordeel dat hierdoor de schijn van belangenverstrengeling is gewekt en dat dit voorkomen had dienen te worden.

5. Het bovenstaande onder 2, 3 en 4 geeft aan dat verzoekers klacht over belangenverstrengeling door de gemeente niet voldoende serieus is genomen.

De onderzochte gedraging is niet behoorlijk.

6. Verder dient het volgende te worden opgemerkt. De heer X was binnen de dienst Openbare Werken niet werkzaam binnen de sector die toetst of een bouwvergunning moet worden afgegeven (de sector Vergunningen en Handhaving). Betrokkene was uit hoofde van zijn functie (hij is werkzaam bij de sector Realisatie) niet betrokken in de formele procedure van afhandeling van de aanvraag tot de bouwvergunning en zijn activiteiten hebben volgens de gemeente de toetsing van de bouwaanvraag niet beïnvloed.

7. Ook al heeft betrokken ambtenaar geen aantoonbare invloed gehad op de gemeentelijke toetsing van de bouwaanvraag van de heer F., in dit geval is de schijn van belangenverstrengeling in ieder geval niet voorkomen.

Elke schijn van ongeoorloofde belangenverstrengeling dient zoveel mogelijk te worden vermeden. Het is niet voor niets dat binnen de dienst Openbare Werken van de gemeente een gedragscode geldt.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van de gemeente Haarlemmermeer, die wordt aangemerkt als een gedraging het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer, is gegrond.

Met instemming heeft de Nationale ombudsman kennis genomen van de mededeling van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer dat de directeur van de dienst Openbare Werken zal worden verzocht om de medewerkers van zijn dienst (onder wie de heer X en de medewerker die verzoekers bezwaarschrift tegen de bouwvergunning heeft behandeld) er nogmaals op te wijzen dat deze zich niet als partij mogen mengen bij de totstandkoming van bouwwerken en dat zij alert moeten zijn op het voorkomen van belangenverstrengeling.

Instantie: Gemeente Haarlemmermeer

Klacht:

Wijze waarop klacht over belangenverstrengeling is behandeld.

Oordeel:

Gegrond