2000/222

Rapport

Op 20 december 1999 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer F. Simons te Zwolle, met een klacht over een gedraging van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.

Naar deze gedraging, die wordt aangemerkt als een gedraging van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, werd een onderzoek ingesteld.

Op grond van de door verzoeker verstrekte gegevens werd de klacht als volgt geformuleerd:

Verzoeker klaagt over de lange duur van de behandeling van zijn bezwaarschrift van 18 september 1999 door het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.

Daarnaast klaagt verzoeker erover dat het Ministerie niet heeft gereageerd op zijn brieven van 16 november en 6 december 1999.

Achtergrond

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 7:10

"1. Het bestuursorgaan beslist binnen zes weken - of indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 is ingesteld - binnen tien weken na ontvangst van het bezwaarschrift.

(…)

3. Het bestuursorgaan kan de beslissing voor ten hoogste vier weken verdagen. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan.

4. Verder uitstel is mogelijk voor zover de indiener van het bezwaarschrift daarmee instemt en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad of ermee instemmen."

Onderzoek

In het kader van het onderzoek werd de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen.

De reactie van verzoeker gaf geen aanleiding het verslag te wijzigen.

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij deelde mee zich met de inhoud van het verslag te kunnen verenigen

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:

A. feiten

1. Bij brief van 27 juni 1999 wendde verzoeker zich tot het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij met de vraag of een dierenarts de behandeling van een hond mag weigeren op grond van het feit dat de hond staat ingeschreven bij een andere dierenarts. In de brief verzocht verzoeker tevens om een afschrift van de Code voor dierenarts. Bij brief van 1 juli 1999 beantwoordde het Ministerie verzoekers vraag en verwees verzoeker voor een afschrift van de Code voor dierenarts naar de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde.

2. Bij brief van 11 augustus 1999 verzocht verzoeker, met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur, bij het Ministerie nogmaals om een afschrift van de Code voor dierenarts. In antwoord hierop deelde het Ministerie verzoeker bij brief van 17 augustus 1999 mee dat verzoeker geen afschrift van de Code voor dierenarts kon worden verstrekt omdat voor de genoemde Code het Ministerie geen verantwoordelijkheid draagt.

3. Verzoeker maakte tegen de beslissing van 17 augustus 1999 bezwaar op 18 september 1999. Het bezwaarschrift werd op 22 september 1999 op het Ministerie ontvangen. Het Ministerie bevestigde de ontvangst van het bezwaarschrift schriftelijk op 1 oktober 1999. Daarbij werd onder meer het volgende meegedeeld:

"Ingevolge artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (zie achtergrond; N.o.) dient in principe binnen zes weken na ontvangst van het bezwaarschrift beslist te worden. Als advies wordt ingewonnen van een voltallige afdeling van de Commissie voor de Bezwaarschriften bedraagt de termijn 10 weken. Ik wijs u er echter nu reeds op, dat het in verband met het zeer grote aantal ingediende bezwaarschriften, en de voor de behandeling daarvan te volgen procedure veelal niet mogelijk is om binnen deze periode een beslissing te nemen. Als deze termijn ook in uw geval wordt overschreden, zult u daarover bericht ontvangen."

4. Bij brief van 4 oktober 1999 stuurde verzoeker het Ministerie een nadere toelichting op zijn bezwaarschrift. Op 5 november 1999 rappelleerde verzoeker schriftelijk. Hij wees er daarbij op dat de termijn waarbinnen op het bezwaarschrift had moet worden beslist, was verstreken.

5. Bij brief van 15 november 1999 deelde het Ministerie verzoeker het volgende mee:

"…Op dit moment is sprake van een zodanige werkvoorraad dat het, ondanks de inzet van extra personeel, niet mogelijk is binnen zes weken na ontvangst op uw bezwaarschrift te beslissen. Gelet hierop zie ik mij dan ook genoodzaakt de beslissing op uw bezwaarschrift te verdagen. Overeenkomstig artikel 7:10, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht geschiedt die verdaging met vier weken.

Ondanks het feit dat de inspanningen er - uiteraard - op zijn gericht de behandelingsduur zo beperkt mogelijk te houden, zal waarschijnlijk niet binnen de verdaagde termijn beslist kunnen worden. Gestreefd wordt thans naar afhandeling van bezwaren binnen - gemiddeld - 6 maanden. Ik hoop dat u begrip kunt opbrengen voor de momenteel bestaande afhandelingsduur en ga er vanuit dat u daarmee kunt instemmen. Indien u hier, om door u te motiveren redenen van spoedeisend belang, niet mee kunt instemmen verneem ik dat gaarne schriftelijk van u..."

6. Bij brief van 16 november 1999 liet verzoeker het Ministerie weten dat hij een spoedeisend belang had bij de afhandeling van zijn bezwaarschrift en verzocht hij er naar te streven de bezwaarschriftenprocedure in ieder geval in 1999 af te handelen. Voorts verzocht hij hem hierover te informeren. Bij brief van 6 december 1999 verzocht verzoeker het Ministerie hem mee te delen of zijn bezwaarschrift in december 1999 zou worden afgehandeld.

7. Op 5 april 2000 werd op het bezwaarschrift beslist.

B. Standpunt verzoeker

Voor het standpunt van verzoeker wordt verwezen naar de klachtomschrijving onder klacht.

C. Standpunt Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij

In reactie op de klacht deelde de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij het volgende mee:

"…De zaak is vanwege andere prioriteiten enige tijd blijven liggen, waartoe overigens ook heeft bijgedragen het feit dat verzoeker heeft meegedeeld geen gebruik te willen maken van het recht om te worden gehoord. Ten onrechte is daaraan de conclusie verbonden dat er geen spoedeisend belang zou zijn aan de zijde van verzoeker.

Op 15 november 1999 is aan verzoeker een behandelingsbericht gezonden. Daarmee is zijn brief van 5 november 1999 beantwoord. Vervolgens heeft verzoeker in reactie daarop zijn brief van 16 november 1999 gezonden. Omdat er al een verdagingsbericht was uitgegaan, is op die brief niet gereageerd. De brief van 6 december 1999 is eveneens voor kennisgeving aangenomen, omdat in die brief geen nieuwe gezichtspunten naar voren komen..."

Beoordeling

1. Verzoeker klaagt over de lange duur van de behandeling door het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van zijn bezwaarschrift van 17 augustus 1999 tegen de afwijzing op 17 augustus 1999 door het Ministerie van zijn verzoek om toezending van een afschrift van de zogenoemde Code voor dierenarts.

Daarnaast klaagt verzoeker erover dat het Ministerie niet heeft gereageerd op zijn brieven van 16 november en 6 december 1999.

2. In artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat het bestuursorgaan binnen zes weken - of indien sprake is van een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van voornoemde wet - tien weken na ontvangst van het bezwaarschrift moet beslissen. Indien het niet mogelijk is om binnen deze termijn een beslissing op het bezwaarschrift te nemen, dan kan het bestuursorgaan ingevolge artikel 7:10, derde lid, Awb de beslissing voor maximaal vier weken verdagen. Van de verdaging met vier weken moet vóór ommekomst van de beslistermijn aan de belanghebbende schriftelijk mededeling worden gedaan. Ingevolge het vierde lid van artikel 7:10 Awb is verder uitstel van de beslissing alleen mogelijk indien de belanghebbende hiermee instemt (zie achtergrond).

3. Termijnen in het bestuursrecht zijn voor de belanghebbende doorgaans fatale termijnen. Uit het oogpunt van een op dit punt na te streven gelijkheid tussen overheid en burger, en van de geloofwaardigheid van de overheid, behoren bestuursorganen zich evenzeer strikt gebonden te achten aan wettelijke voorschriften inzake voor hen geldende termijnen. Dat geldt temeer wanneer de desbetreffende wettelijke voorschriften ruimte bieden voor het verlengen van de beslistermijn.

4. Verzoekers bezwaarschrift was gedateerd 18 september 1999 en werd ontvangen op het Ministerie op 22 september 1999. Het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij bevestigde de ontvangst van het bezwaarschrift schriftelijk op 1 oktober 1999. Daarbij werd verzoeker erop gewezen dat het in verband met het zeer grote aantal te behandelen bezwaarschriften voor het Ministerie veelal niet mogelijk was binnen de in de Awb gestelde termijn te beslissen. Indien dit ook bij verzoeker het geval was, zou hij daarover bericht ontvangen. Bij brief van 15 november 1999 deelde het Ministerie verzoeker mee dat het niet mogelijk was binnen zes weken na ontvangst van het bezwaarschrift te beslissen en dat gebruik werd gemaakt van de in artikel 7:10 geboden mogelijkheid van verdaging van de beslissing met vier weken. Voorts werd aangegeven dat er naar werd gestreefd binnen zes maanden op het bezwaarschrift te beslissen, tenzij verzoeker daarmee om door hem te motiveren redenen van spoedeisend belang, niet zou instemmen. Verzoeker diende dit schriftelijk aan het Ministerie kenbaar te maken. Bij brief van 16 november 1999 liet verzoeker weten dat hij een spoedeisend belang had bij de afhandeling van zijn bezwaarschrift en verzocht hij er naar te streven de bezwaarschriftenprocedure in ieder geval in 1999 af te handelen. Tevens verzocht hij hem hierover te informeren. Bij brief van 6 december 1999 rappelleerde verzoeker. Op 5 april 2000 werd op het bezwaarschrift beslist.

5. Gelet op het hiervoor onder 2. gestelde kan het bestuursorgaan, indien reeds bij de ontvangst van een bezwaarschrift duidelijk is dat niet binnen de daarvoor gestelde termijn op het bezwaarschrift kan worden beslist, in de ontvangstbevestiging van het bezwaarschrift aangeven dat gebruik wordt gemaakt van de in het derde lid van artikel 7:10 Awb geboden mogelijkheid van verdaging van de beslissing met vier weken. In dat geval is niet nodig dat betrokkene vóór het verstrijken van de beslistermijn van zes of tien weken, hierover nog afzonderlijk schriftelijk wordt bericht. Wél is van belang dat in de ontvangstbevestiging wordt vermeld op welke datum uiterlijk op het bezwaarschrift dient te zijn beslist. In het onderhavige geval voldoet de ontvangstbevestiging van het bezwaarschrift niet aan de daaraan te stellen eisen.

6. Indien in de ontvangstbevestiging van het bezwaarschrift niet is aangegeven dat gebruik wordt gemaakt van de in het derde lid van artikel 7:10 Awb geboden mogelijkheid van een verdaging van de beslissing met vier weken en niet binnen de in de ontvangstbevestiging gestelde termijn kan worden beslist, dient belanghebbende hiervan wél afzonderlijk en vóór het verstrijken van de beslistermijn schriftelijk in kennis te worden gesteld. Uit de brief van het Ministerie van 15 november 1999 blijkt dat de beslistermijn op het bezwaarschrift zes weken bedroeg. Gelet hierop had verzoeker vóór het verstrijken van de beslistermijn, dat wil zeggen vóór 3 november 1999, schriftelijk moeten worden bericht dat de beslissing op bezwaar met vier weken werd verdaagd. Dat dit pas gebeurde bij brief van 15 november 1999 is dan ook niet juist.

7. Voorts is niet juist dat in de brief van 15 november 1999 aan verzoeker de eis werd gesteld dat hij, indien hij niet instemde met verder uitstel, met redenen omkleed diende aan te geven waarom zijn zaak een spoedeisend karakter had. Weliswaar biedt het vierde lid van artikel 7:10 Awb de mogelijkheid van een verder uitstel van de beslistermijn, maar voorwaarde daarvoor is dat de bezwaarde daarmee instemt. Door aan de bezwaarde de eis te stellen dat hij aangeeft waarom hij niet instemt met verder uitstel, wordt geen recht gedaan aan de strekking van het vierde lid.

8. Evenmin is juist dat pas op 5 april 2000 op het bezwaarschrift werd beslist. Aangezien verzoeker in zijn brief van 16 november 1999 aangaf niet in te stemmen met verder uitstel, had spoedig na ontvangst van deze brief op het bezwaarschrift moeten worden beslist. Nu dit niet is gebeurd had bovendien moeten worden gereageerd op verzoekers brief van 6 december 1999. De door de Minister opgegeven redenen vormen weliswaar een verklaring, maar zijn geen rechtvaardiging voor de vertraging in de afhandeling van het bezwaarschrift en het niet reageren op de brieven van 16 november 1999 en van 6 december 1999.

De onderzochte gedraging is niet behoorlijk.

De klacht over de onderzochte gedraging van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, die wordt aangemerkt als een gedraging van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, is gegrond.

Instantie: Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij

Klacht:

Lange duur behandeling van bezwaarschrift; reageert niet op brieven.

Oordeel:

Gegrond