1999/395

Rapport
Op 27 november 1998 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer J. te Houten, ingediend door mevrouw mr. drs. J. te Utrecht, met een klacht over een gedraging van de afdeling sociale recherche van de Sociale Verzekeringsbank, district Utrecht. Nadat verzoekers gemachtigde de klacht nader had toegelicht, werd naar deze gedraging, die wordt aangemerkt als een gedraging van de Sociale Verzekeringsbank te Amstelveen, werd een onderzoek ingesteld. Op grond van de namens verzoeker verstrekte gegevens werd de klacht als volgt geformuleerd:Verzoeker klaagt over de opstelling van sociaal rechercheurs van de Sociale Verzekeringsbank tijdens een strafrechtelijk onderzoek tegen hem. Hij klaagt er met name over dat de betrokken rechercheurs:1.       het strafrechtelijk onderzoek onnodig lang hebben laten duren door niet overeenkomstig zijn verzoek contact op te nemen met zijn accountant; 2.       opzettelijk vaag hebben gehouden om welke reden zij hem wilden verhoren; 3.       hem hebben ge ntimideerd door hem agressief te bejegenen en door op de stoep voor zijn woning tegen hem te schreeuwen; 4.       disproportioneel hebben gehandeld door hem door de politie van huis te laten halen om hem te verhoren; 5.       op het politiebureau tegen hem hebben gezegd "daar zit u dan met uw 69 jaar op het politiebureau zonder veters in uw schoenen"; 6.       bij het verhoor tegen hem hebben gezegd dat niet op de komst van zijn advocaat kon worden gewacht.

Achtergrond

1. WETBOEK VAN STRAFVORDERING Artikel 50, eerste lid:"De raadsman heeft vrijen toegang tot den verdachte die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, kan hem alleen spreken en met hem brieven wisselen zonder dat van den inhoud door anderen wordt kennis genomen, een en ander onder het vereischte toezicht, met inachtneming van de huishoudelijke reglementen, en zonder dat het onderzoek daardoor mag worden opgehouden."2. Richtlijn uitkeringsfraude("Richtlijn voor het doen van aangifte of het opmaken van proces-verbaal ter zake van fraude met sociale uitkeringen, zoals deze op 27 januari 1993 is vastgesteld door de procureurs-generaal en op 1 april 1993 in werking is getreden; Stcrt. 1993, 31). In de zogenoemde Richtlijn uitkeringsfraude is onder meer aangegeven in welke gevallen door de uitvoeringsorganen op het terrein van de sociale zekerheid aangifte moet worden gedaan bij het openbaar ministerie danwel proces-verbaal moet worden opgemaakt en ingezonden naar de officier van justitie. In de richtlijn worden drie categorie n genoemd. Categorie III heeft betrekking op gevallen waarin het bedrag van ten onrechte verstrekte uitkering boven de f 12.000 ligt. Voor deze categorie geldt blijkens de richtlijn dat in beginsel een strafrechtelijke reactie plaatsvindt. Dit betekent dat in de gevallen waarin meer dan f 12.000 teveel aan uitkering is ontvangen, in beginsel aangifte bij het openbaar ministerie moet worden gedaan danwel proces-verbaal moet worden opgemaakt en ingezonden.

Onderzoek

In het kader van het onderzoek werd aan de Sociale Verzekeringsbank (SVB) te Amstelveen verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben. Vervolgens werd verzoeker in de gelegenheid gesteld op de verstrekte inlichtingen te reageren. Twee betrokken sociaal rechercheurs van district Utrecht van de Sociale Verzekeringsbank legden in het kader van het onderzoek van de Nationale ombudsman een verklaring af. Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. Zowel de SVB als de twee betrokken sociaal rechercheurs lieten weten zich met de inhoud van het verslag te kunnen verenigen. Verzoeker gaf binnen de gestelde termijn geen reactie. BEVINDINGEN De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:A.       FEITEN1. Gedurende de periode van 1 maart 1993 tot 1 juni 1995 is door de Sociale Verzekeringsbank (SVB) ten behoeve van de echtgenote van verzoeker een maximale toeslag op verzoekers ouderdomspensioen krachtens de AOW toegekend ten bedrage van f 13.206. Daarbij werd ervan uitgegaan dat verzoekers echtgenote geen eigen inkomsten had en evenmin werkzaam was.2. Bij besluit van 7 juni 1995 deelde de SVB het volgende mee aan verzoeker:"...Om vast te kunnen stellen of u nog recht hebt op een toeslag op uw AOW-pensioen hebben wij u verzocht het inkomen van uw (huwelijks)partner opnieuw op te geven. Aan ons verzoek hebt u tot nu toe niet voldaan. Mogelijk hebt u niet langer recht op een toeslag op uw pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). In verband hiermee sturen wij u deze beslissing. BESLISSING Met ingang van 1 juni 1995 wordt de uitbetaling van de aan u toegekende toeslag op het AOW-pensioen en de daarbij behorende vakantie-uitkering geschorst..." In dit besluit was voorts aangegeven dat verzoeker tot drie keer toe niet had voldaan aan het verzoek van de SVB om het inkomen van zijn echtgenote opnieuw op te geven. Verzoeker maakte geen bezwaar tegen dit besluit.3. Bij besluit van 1 maart 1996 trok de SVB de verzoeker per 1 maart 1993 toegekende toeslag in. In dit besluit is onder meer het volgende gesteld:"Jaarlijks voert de Sociale Verzekeringsbank een herhalingsonderzoek uit in verband met de vaststelling van het recht op de toeslag op het ouderdomspensioen krachtens de Algemene Ouderdomswet (AOW). Ook u bent in het eerste kwartaal van 1995 benaderd met het verzoek om een opgave te doen van het inkomen van uw (huwelijks)partner. Aan dit verzoek hebt u niet voldaan, ook niet nadat wij u hiertoe herhaaldelijk hebben aangemaand. In verband daarmee hebben wij de betaling van de toeslag met ingang van 1 juni 1995 geschorst. Toen u daarna nog niet gereageerd hebt, hebben wij een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de reeds betaalde toeslag vanaf maart 1993, zijnde de datum van de toekenning van het AOW-pensioen en de toeslag. Uit onderzoek bij de belastingdienst is gebleken dat uw (huwelijks)partner meewerkt in uw eigen bedrijf. Met ingang van 1 maart 1993 wordt de toeslag ten behoeve van uw (huwelijks)partner derhalve ingetrokken omdat wij niet in kunnen staan voor de rechtmatigheid van de aan u uitbetaalde toeslag. (...) Als gevolg van de intrekking van de toeslag is over de periode maart 1993 t/m mei 1995 een totaal van f 13206,65 aan toeslag ten onrechte uitbetaald. (...) Wij vorderen dit bedrag van u terug omdat de ons thans ter beschikking staande gegevens uitgewezen hebben dat u ten tijde van de aanvraag AOW en bij het herhalingsonderzoek 1994 onjuiste inlichtingen hebt verstrekt, dan wel niet hebt voldaan aan de verplichting om wijziging in het inkomen binnen 14 dagen schriftelijk aan de Sociale Verzekeringsbank te melden." Ook tegen dit besluit maakte verzoeker geen bezwaar. Eind maart 1996 werd het totale bedrag door verzoeker terugbetaald aan de SVB.4. Vervolgens werd door de SVB een strafrechtelijk onderzoek ingesteld tegen verzoeker.5. Op 26 juli 1996 bracht de betrokken sociaal rechercheur van de SVB een bezoek aan verzoekers woning, teneinde hem en zijn echtgenote zogenoemde "ontbiedingsbrieven" voor verhoren op 29 juli 1996 te overhandigen. De inhoud van deze brieven luidde als volgt:"...Hierbij verzoek ik u om op maandag 29 juli 1996 (...) te verschijnen op het kantoor van de Sociale Verzekeringsbank (...) te Utrecht, teneinde te kunnen worden gehoord inzake een onderzoek op grond van de bepalingen van de Algemene Ouderdomswet en het Wetboek van Strafrecht. U zult te woord worden gestaan door een sociaal rechercheur van de Sociale Verzekeringsbank district Utrecht. Bij uw verzoek dient u deze ontbiedingsbrief mee te nemen. Indien u op genoemde datum en tijd niet kunt komen, verzoek ik u telefonisch contact met mij op te nemen..." In verband met de afwezigheid van verzoeker overhandigde de sociaal rechercheur beide ontbiedingsbrieven aan verzoekers echtgenote. Bij deze gelegenheid werd de afspraak voor het verhoor van verzoeker in overleg met verzoekers echtgenote verschoven naar 2 augustus 1996. Het geplande verhoor van verzoeker ging niet door.6. Op 5 augustus 1996 bezocht de betrokken sociaal rechercheur verzoeker opnieuw om hem een nieuwe ontbiedingsbrief, voor een verhoor op 6 augustus 1996, te overhandigen. Verzoeker weigerde deze brief in ontvangst te nemen, en het geplande verhoor vond niet plaats7. Op 6 augustus 1996 ontving de betrokken sociaal rechercheur een brief van verzoeker, gedateerd 2 augustus 1996, met de volgende inhoud:"...In antwoord op uw beide brieven van 26 juli 1996, gericht aan mij en mijn echtgenote, deel ik u mee gaarne medewerking te geven aan uw onderzoek. Teneinde u zo correct en zorgvuldig mogelijk van dienst te zijn verzoek ik u mij uw vragen schriftelijk voor te leggen. Ik zal ze daarna naar beste vermogen beantwoorden. Vanochtend (vrijdag 2 augustus 1996) heb ik vergeefs geprobeerd u telefonisch te bereiken..."8. Bij brief van 6 augustus 1996 beantwoordde de betrokken sociaal rechercheur van de SVB verzoekers brief als volgt:"…Gedurende de periode maart 1993 tot en met mei 1995 heeft u als aanvulling op uw pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet, een toeslag ontvangen voor uw jongere echtgenote. Achteraf is gebleken dat uw echtgenote meewerkt in uw eigen bedrijf. Middels onze beschikking van 1 maart 1996 is aan u meegedeeld dat de SVB niet kan instaan voor de rechtmatigheid van de aan u uitgekeerde toeslag. In verband hiermee is in totaal een bedrag van ƒ 13206,65 van u teruggevorderd, welk bedrag u inmiddels aan ons heeft terugbetaald. Administratief gezien is de kwestie afgehandeld. Zoals gebruikelijk is in deze situaties, heeft de reguliere afdeling het dossier overgedragen aan de afdeling Sociale Recherche in verband met het instellen van een strafrechtelijk onderzoek. Dit betreft een onderzoek dat raakvlakken heeft met het reeds ingestelde en afgeronde administratieve onderzoek, doch het bevindt zich op een totaal ander terrein. In verband hiermee is aan zowel u als uw echtgenote tweemaal verzocht om op kantoor te verschijnen om gehoord te worden over deze kwestie. Op deze wijze wordt u in de gelegenheid gesteld de kwestie van uw kant toe te lichten, hetgeen voor ons onderzoek van belang kan zijn. Bij een strafrechtelijk onderzoek is het absoluut ongebruikelijk danwel onmogelijk dat vragen schriftelijk aan de betrokkenen worden voorgelegd. Aan uw verzoek kan dan ook geen gevolg worden gegeven. Zowel u als uw echtgenote worden bij deze nogmaals in de gelegenheid gesteld om op kantoor te verschijnen om een toelichting te geven op de onderhavige kwestie. Ik verzoek u om v r vrijdag 16 augustus 1996 daartoe telefonisch een afspraak te maken…"9. Op 11 november 1996 bracht de betrokken sociaal rechercheur andermaal een bezoek aan verzoeker, ten einde hem een ontbiedingsbrief te overhandigen voor een verhoor op 15 november 1996. Ook dit verhoor vond geen doorgang.10. Op dinsdag 28 januari 1997 werd verzoeker 's morgens door politieambtenaren van de regiopolitie Utrecht in zijn woning te Houten aangehouden, en vervolgens overgebracht naar het politiebureau te Nieuwegein. Aldaar werd hij verhoord door twee sociaal rechercheurs van de SVB. Bij een deel van het verhoor was verzoekers advocaat aanwezig.11. De officier van justitie te Utrecht liet op 12 juni 1997 aan verzoeker weten dat hij had besloten verzoeker niet (verder) te vervolgen omdat de benadeelde (de SVB) naar zijn oordeel voldoende schadeloos was gesteld en een niet-strafrechtelijk ingrijpen de voorkeur verdiende.12. Op 23 december 1997 diende verzoekers gemachtigde namens verzoeker een verzoek om schadeloosstelling in bij de SVB te Utrecht. Zij wees er in haar brief op dat verzoeker, nog afgezien van het langdurige tijdbeslag en de ergernis, ernstige materi le en immateri le schade had opgelopen door de handelwijze van de afdeling sociale recherche van de SVB.13. De SVB te Utrecht liet in haar antwoord van 29 januari 1998 onder meer het volgende weten:"Tijdens een strafrechtelijk onderzoek is het gebruikelijk dat betrokkenen worden gehoord. (Verzoeker; N.o.) werd gedurende de periode 26/07/96 tot 12/11/96 diverse malen benaderd, zowel schriftelijk als mondeling, met het verzoek op een afgesproken datum en tijdstip te verschijnen aan het kantoor van de SVB teneinde te worden gehoord. (Verzoeker; N.o.) gaf te kennen hieraan niet zijn medewerking te willen verlenen. Over de verdere procedure is daarna overleg gevoerd met de Officier van Justitie. Tijdens dit overleg werd besloten (verzoeker; N.o.) aan te houden, teneinde hem te kunnen horen. Na de aanhouding en het verhoor, welke op 28/01/97 plaatsvonden, werd een proces-verbaal opgemaakt van het totaal van bevindingen opgedaan tijdens het strafrechtelijk onderzoek. Het proces-verbaal werd daarna aan de Officier van Justitie toegezonden. De Officier van Justitie heeft besloten de zaak te seponeren omdat uit het algeheel strafrechtelijk onderzoek was gebleken dat er geen bewuste frauduleuze handelingen waren verricht. Alles overwegende ben ik van mening dat de procedure die door de afdeling sociale recherche is gevolgd, juist was. Ik acht de SVB dan ook niet verantwoordelijk voor de eventueel geleden schade. Tot slot deel ik u mee dat de persoonsgegevens van (verzoeker; N.o.) uit de frauderegistratie worden verwijderd."14. Verzoekers gemachtigde liet op 12 maart 1998 aan de SVB weten dat geen genoegen werd genomen met het antwoord van 29 januari 1998. Zij schreef in dat verband het volgende:"...Met uw lange antwoord (...) gaat u helaas voorbij aan mijn bezwaren. Mijn cli nt wenst niet de dupe te zijn van discutabel recherchewerk. De zaak had binnen een uur afgedaan kunnen zijn; uw werkwijze heeft echter tot grote emotionele belasting en aanzienlijke materi le schade geleid. Daarom is het terecht dat daar vergoeding en genoegdoening voor wordt verlangd..."15. Op 28 mei 1998 vond vervolgens een bespreking plaats tussen verzoekers gemachtigde en twee medewerkers van de SVB. In vervolg op deze bespreking liet de directeur van district Utrecht van de SVB bij brief van 11 juni 1998 het volgende weten aan verzoekers gemachtigde:'…I. Met betrekking tot de gevolgde procedure: Ingevolge de "Richtlijn voor het doen van aangifte, het opmaken van proces-verbaal de vervolging en het strafvorderingsbeleid inzake fraude met sociale uitkeringen" van het College van Procureurs-Generaal zijn wij gehouden ter zake van vermoedelijk gepleegde valsheid in geschrift als bedoeld in artikel 225 c.q. oplichting als bedoeld in artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht tot een bedrag van meer dan f 6000,- aangifte te doen. Deze richtlijn bepaalt voorts, dat in zaken met een benadelingshandeling van f 12.000,- of hoger het openbaar ministerie in beginsel steeds vervolging instelt, waarna in beginsel eveneens steeds een strafrechtelijke reactie dient plaats te vinden. Omdat in dit geval het vermoeden was gerezen, dat fraude was gepleegd met een benadelingsbedrag van omstreeks f 13.000,- waren wij derhalve verplicht tot het doen van aangifte, waarna vervolging diende plaats te vinden. Dit impliceert, dat het strafrechtelijk onderzoek, dat op deze aangifte is gevolgd, ook voorzover dit is verricht door onze sociale rechercheurs, niettemin heeft plaatsgevonden onder de verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie. De omstandigheid, dat het openbaar ministerie na het instellen van een strafrechtelijk onderzoek heeft besloten deze zaak te seponeren, brengt derhalve geen schadeplichtigheid van de Sociale Verzekeringsbank jegens degene, tegen wie de strafvervolging gericht is geweest, met zich mee. De beslissing van de officier van justitie deze zaak te seponeren vloeit immers voort uit een uitsluitend aan het openbaar ministerie toekomende bevoegdheid. Hoewel het strafrechtelijk onderzoek ten dele is verricht door onze sociale rechercheurs - die ingevolge het besluit van de Minister van Justitie van 11 december 1995, nr. 529230/595/NE houdende aanwijzing van de werknemers bij de Sociale Verzekeringsbank tot buitengewoon opsporingsambtenaar" (Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar SVB 1995) - met controle en opsporingswerkzaamheden zijn belast en als zodanig als buitengewoon opsporingsambtenaar zijn aangewezen, kan deze beslissing derhalve niet aan de Sociale Verzekeringsbank worden toegerekend. Wij wijzen u er in dit verband vervolgens nog op, dat bij het doen van aangifte op grond van het vermoeden, dat een strafbaar feit is begaan en bij het instellen van een strafrechtelijk onderzoek in vervolg daarop de vraag, of sprake is van opzet, geen rol speelt. Uitgangspunt voor het doen van aangifte of het opmaken van een proces-verbaal is namelijk slechts de ernst van de zaak, voorzover deze primair tot uitdrukking komt in de omvang van de benadeling. II Met betrekking tot uw klacht: Tijdens het gesprek hebt u onder andere naar voren gebracht, dat:- door de sociale rechercheurs intimiderend zou zijn opgetreden; er stonden twee personen bij (verzoeker; N.o.) op de stoep, die hem agressief bejegenden, terwijl voorts buiten op de stoep werd geschreeuwd; - opzettelijk vaag is gehouden, waarom het eigenlijk ging, terwijl (verzoeker; N.o.) ervan uit was gegaan, dat de zaak door prompte terugbetaling van het ten onrechte aan toeslag aan hem uitbetaalde bedrag was afgedaan, zodat de bedoeling van nadere actie door hem niet werd begrepen; - als disproportioneel is ervaren, dat (verzoeker; N.o.) teneinde door de sociale rechercheurs te worden gehoord door de politie thuis is opgehaald; - door een van de sociale rechercheurs op het politiebureau tegen (verzoeker; N.o.) zou zijn gezegd: Daar zit u dan met uw 69 jaar op het politiebureau zonder veters in uw schoenen; - dat bij die gelegenheid door een sociale rechercheur aan (verzoeker; N.o.) op zijn verzoek het verhoor door zijn advocaat te doen bijwonen zou zijn gereageerd met de mededeling, dat op diens komst niet kon worden gewacht; - de wijze van optreden door (verzoeker; N.o.) als een treitercampagne is ervaren. Wij merken dienaangaande het volgende op. (Verzoeker; N.o.) heeft blijkens zijn brief van 2 augustus 1996 slechts zijn medewerking aan een onderzoek willen verlenen onder de voorwaarde dat vragen uitsluitend schriftelijk aan hem zouden worden gesteld. Daarbij ging hij er kennelijk van uit, dat hij kon volstaan met verwijzing naar zijn accountant ter verkrijging van administratieve gegevens. Wij hebben u echter duidelijk gemaakt, dat in het kader van een strafrechtelijk onderzoek niet door de verdachte maar door de desbetreffende opsporingsambtenaren - i.c. de sociale rechercheurs - wordt bepaald op welke wijze het opsporingsonderzoek dient plaats te vinden. Nadat meermalen was beproefd (verzoeker; N.o.) tot vrijwillige medewerking aan een opsporingsonderzoek te bewegen, moest uiteindelijk op grond van zijn weigering de oproeping voor een verhoor in ontvangst te nemen worden geconcludeerd, dat op vrijwillige medewerking aan een onderzoek niet kon worden gerekend. Dit betekende, dat het verhoor nog slechts kon worden gerealiseerd, nadat hij daartoe door de politie zou zijn aangehouden. Omdat sprake zou zijn van een verhoor in verband met een opsporingsonderzoek konden daarover vooraf geen inhoudelijke mededelingen aan (verzoeker; N.o.) worden gedaan. Van "opzettelijk vaag houden" was echter geen sprake. In dit verband wijzen wij er volledigheidshalve nog op, dat (verzoeker; N.o.) had kunnen inzien, dat het onderzoek met de kort voordien gerealiseerde terugvordering en restitutie verband hield. Voorzover door (verzoeker; N.o.) de aanhouding en overbrenging naar het politiebureau als disproportioneel is ervaren, merken wij op, dat ons na zijn duidelijke weigering tot medewerking geen andere weg dan toepassing van dit dwangmiddel meer ten dienste stond. Wij begrijpen weliswaar, dat het strafrechtelijk onderzoek door (verzoeker; N.o.) als onaangenaam is ervaren, maar zijn er voorts van overtuigd, dat veel problemen hadden kunnen worden voorkomen, indien (verzoeker; N.o.) zich direct bereid had verklaard aan een strafrechtelijk onderzoek mee te werken. Een weigering hiertoe als in casu aan de orde kon vanzelfsprekend niet tot gevolg hebben, dat van verder onderzoek zou worden afgezien, maar moest tot toepassing van het dwangmiddel van aanhouding door de politie als ultimum remedium leiden. Het toepassen van dit dwangmiddel is bezien in het licht van de weigering tot medewerking aan een strafrechtelijk onderzoek naar ons oordeel geenszins disproportioneel maar procedureel onafwendbaar. Naar aanleiding van uw mededeling, dat tegen (verzoeker; N.o.) bij de aanvang van zijn verhoor op het politiebureau zou zijn gezegd, dat op komst van zijn advocaat niet kon worden gewacht, merken wij op, dat ingevolge het bepaalde in artikel 50 van het Wetboek van Strafvordering de raadsman vrije toegang heeft tot verdachte, die rechtens van zijn vrijheid is beroofd zonder dat het onderzoek daardoor mag worden opgehouden. Omdat (verzoeker; N.o.) blijkens het proces-verbaal van verhoor op dinsdag 28 januari 1997 te 9.00 uur bij die gelegenheid enerzijds heeft verklaard; "Voor we verder gaan kunt u eerst mijn advocaat waarschuwen" en daaraan nog heeft toegevoegd: "Ik zeg niets zonder mijn advocaat. De naam van de advocaat noem ik niet." kon redelijkerwijs worden verwacht, dat het onderzoek zou worden opgehouden. Om die reden heeft de sociale rechercheur toen naar ons oordeel terecht en in overeenstemming met het bepaalde in artikel 50 van het Wetboek van Strafvordering te kennen gegeven, dat niet op de komst van een advocaat kon worden gewacht. Dit laat onverlet, dat het verhoor vanaf 11.35 uur niettemin in aanwezigheid van de advocaat van (verzoeker; N.o.) is voortgezet, nadat deze daartoe op eigen initiatief contact met het politiebureau had opgenomen. Wij hebben in dit verband weliswaar vastgesteld, dat tijdens het onderzoek van beide kanten irritaties zijn gewekt, maar niettemin geconcludeerd, dat de sociale rechercheurs zich overigens correct hebben gekweten van hun taak. Dit blijkt met name uit het feit, dat bij herhaling is getracht een afspraak met (verzoeker; N.o.) te maken voor een verhoor in plaats van reeds na de eerste weigering tot medewerking aan de officier van justitie om zijn aanhouding te verzoeken. Wij blijven van mening, dat (verzoeker; N.o.) door zijn weigering aan het onderzoek mee te werken de aanhouding door de politie gevolgd door overbrenging naar het politiebureau, alwaar hij enige uren is opgehouden, zelf teweeg heeft gebracht. Voorzover dit heeft geleid tot extra kosten voor (verzoeker; N.o.), omdat hij een advocaat moest consulteren, kunnen wij dan ook slechts vaststellen, dat deze kosten in geval van medewerking aan het onderzoek niet hadden behoeven te worden gemaakt. Wij handhaven derhalve ons standpunt, dat voor zover door (verzoeker; N.o.) schade is geleden, deze schade niet aan ons kan worden toegerekend, zodat wij ons niet tot schadevergoeding in welke vorm ook gehouden achten…"B.       STANDPUNT VERZOEKERHet standpunt van verzoeker is weergegeven onder klacht. Met betrekking tot de verschillende klachtonderdelen stelde zijn gemachtigde in het aanvullend verzoekschrift het volgende:"…Kort samengevat is de SVB van mening dat (verzoeker; N.o.) de manier waarop de zaak is afgehandeld aan zichzelf te wijten heeft door, naar hun mening, te weigeren mee te werken aan het onderzoek. De SVB concludeert dat de sociale rechercheurs zich correct hebben gekweten van hun taak. De SVB gaat hier echter voorbij aan het intimiderende en overrompelende optreden van de rechercheurs. Op vrijdagmiddag verscheen een rechercheur bij (verzoeker; N.o.) op de stoep en sommeerde hem maandagochtend op het kantoor van de SVB te verschijnen zonder duidelijk te maken waar het precies over ging. Noch, (verzoeker; N.o.), noch zijn accountant kenden deze recherchedienst die amper een jaar bestond. Bovendien werd niet duidelijk gemaakt wat de aard van het onderzoek was. Indien het een strafrechtelijk onderzoek was zou (verzoeker; N.o.) het recht hebben gehad om te zwijgen. Tijd om een advocaat te raadplegen werd door deze overrompelingstaktiek niet gegeven. In dit stadium was het volslagen onduidelijk voor (verzoeker; N.o.) welke beschuldigingen ter tafel zouden komen. Het was wel duidelijk dat het ging om een toeslag op de AOW dus diende uitleg te worden verschaft over een -legale- fiscale constructie. Om dat correct te kunnen doen wilde (verzoeker; N.o.) de accountant inschakelen. Hij verzocht de SVB daarom de vragen op papier om ze te kunnen voorleggen aan zijn accountant. (Verzoeker; N.o.) mocht aannemen dat hij voor goed gedocumenteerde antwoorden in elk geval de accountant zou moeten raadplegen. De voorstelling van de SVB dat (verzoeker; N.o.) weigerde mee te werken is in strijd met de werkelijkheid. (Verzoeker; N.o.) heeft aanzienlijk veel tijd en geld besteed aan contact met de accountant over deze zaak. Pogingen van het (gerenommeerde) accountantskantoor de SVB te informeren stuitte op de weigering om zelfs maar te luisteren. Het is duidelijk dat opsporingsambtenaren bepalen op welke wijze het onderzoek dient plaats te vinden. Dit mag echter niet leiden tot het weigeren van aangeboden medewerking hetgeen in dit geval resulteerd heeft in een kostbaar onderzoek van negen maanden. Een onderzoek dat in n dag had kunnen worden opgelost. Tenslotte worden (in de brief van de Sociale Verzekeringsbank van 11 juni 1998; N.o.) de feiten verdraaid. In de processen-verbaal staan de details niet helemaal correct weergegeven. Op de mededeling van (verzoeker; N.o.) dat hij niets wilde zeggen buiten de aanwezigheid van de advocaat werd onmiddellijk gereageerd met 'daar kunnen wij niet op wachten. U heeft de zaak lang genoeg opgehouden'. Pas daarna werd de vraag gesteld wie de advocaat dan wel mocht zijn. In de emotie van het moment is (verzoeker; N.o.) de naam van zijn advocaat ontschoten. De advocaat kwam uiteindelijk omdat (verzoeker; N.o.) voor zijn vroege vertrek zijn echtgenote had verzocht hem te bellen…"C.       STANDPUNT SOCIALE VERZEKERINGSBANK1. De SVB verwees in haar reactie naar een notitie die door een van de betrokken sociaal rechercheurs was opgesteld. In dat verband stelde de SVB het volgende:"...Gezien de beschrijving van de gebeurtenissen door (de betrokken sociaal rechercheur; N.o.) en de diverse rapportages bij haar notitie, kunnen wij niet concluderen dat de opstelling van de sociaal rechercheurs in casu onzorgvuldig of laakbaar is geweest..."2.1. De bedoelde notitie van een van de betrokken sociaal rechercheurs is gedateerd 4 maart 1999. Ten aanzien van het eerste klachtonderdeel is in deze notitie het volgende gesteld:" Het strafrechtelijk onderzoek onnodig lang hebben laten duren door niet overeenkomstig zijn verzoek contact op te nemen met zijn accountant. Hierbij wordt totaal voorbij gegaan aan het onderzoek dat reeds werd ingesteld gedurende de administratieve procedure. (…) Tijdens de administratieve procedure moest worden vastgesteld welke werkzaamheden de echtgenote van (verzoeker; N.o.) verrichtte in het eigen bedrijf van haar man en wat haar inkomsten bedroegen. Aan de hand daarvan moest worden beoordeeld of er al dan niet recht bestond op een toeslag voor de jongere partner. Op 07/06/95 werd de toeslag geschorst, in afwachting van de stukken die zouden worden toegezonden. Uiteindelijk werd op 01/03/96 een herziening- en terugvorderingbeslissing genomen. (…) Uit deze brief (de beslissing van 1 maart 1996; N.o.) blijkt dat (verzoeker; N.o.) niet aan het verzoek had voldaan, ook niet na herhaaldelijke verzoeken, een opgave te doen van het inkomen van de jongere partner. Betrokkene heeft geen bezwaar aangetekend tegen de beslissingen en betaalde de ten onrechte verstrekte toeslag in n keer terug. Vervolgens werd het dossier overgedragen aan de afdeling sociale recherche voor het instellen van een strafrechtelijk onderzoek, gezien de hoogte van het terugvorderingbedrag. Vanaf dat moment gelden er andere regels. Het onderzoek richtte zich op het vermoeden dat het werken van de jongere echtgenote in het bedrijf niet op de voorgeschreven wijze aan de SVB werd meegedeeld. (…) Er is zowel schriftelijk als telefonisch overleg geweest met de accountant. Ook is gevraagd of hij als getuige kon worden gehoord. Dat wilde hij niet. Een belangrijk onderdeel van het strafrechtelijk onderzoek is het horen van de verdachte(n). Dienaangaande zijn de problemen ontstaan…" 2.2.1. Ten aanzien van het tweede en het derde klachtonderdeel is in de bedoelde notitie van 4 maart 1999 het volgende gesteld:"Opzettelijk vaag hebben gehouden om welke reden zij hem wilden verhoren. Hem hebben ge ntimideerd door hem agressief te bejegenen en door op de stoep voor zijn woning tegen hem te schreeuwen Op 26/07/96 ben ik alleen naar het adres van (verzoeker; N.o.) gereden om zowel hem als zijn echtgenote (ogv artikel 49 AOW) uit te nodigen voor een verhoor op maandag 29/07/96. (Verzoeker; N.o.) was op dat moment niet aanwezig. Aan zijn echtgenote deelde ik mee waarom ze werden uitgenodigd, zonder al teveel in te gaan op de materie. In overleg met (verzoekers echtgenote; N.o.) werd de afspraak verzet naar vrijdag 02/08/96. Op maandag 29/07/96 belde (verzoeker; N.o.) op. Van het gesprek heb ik toen een telefoonrapport opgemaakt. Hieruit blijkt dat ik betrokkene wel degelijk heb ingelicht. Tevens staan daar andere aantekeningen bij vermeld over de verder te volgen procedure, namelijk het opnieuw ontbieden. (…) Vervolgens reed ik op 05/08/96 opnieuw alleen naar het adres van betrokkenen voor een nieuwe ontbieding. Ook van dit gesprek heb ik destijds een rapport opgemaakt. (…). (Verzoeker; N.o.) heeft de uitnodigingsbrieven niet in ontvangst genomen omdat hij niet van plan was om te komen op 06/08/96. Ik heb hem gevraagd of hij begreep dat de administratieve procedure was afgerond en dat nu sprake was van een strafrechtelijk onderzoek naar mogelijk gepleegde fraude. Hij begreep dat. (…) Ik deelde (verzoeker; N.o.) mee dat indien hij niet zou verschijnen, hij mogelijk zou kunnen worden aangehouden op last van de Officier van Justitie. Tijdens het gesprek verwees (verzoeker; N.o.) naar een brief die hij mij had toegezonden. In deze brief van 02/08/96, (…), geeft hij aan dat hij, in antwoord op de uitnodigingsbrieven van 26/07/96, zijn medewerking aan het onderzoek wil verlenen. Hij geeft aan dat ik de vragen schriftelijk aan hem kan voorleggen en dat hij ze naar beste vermogen zal beantwoorden. Op 06/08/96 heb ik hem een brief geschreven waarin ik aangeef dat de administratieve procedure is afgerond en dat dit uiteindelijk heeft geresulteerd in een terugvorderingbeslissing van 01/03/96. Ik heb aangegeven dat thans een strafrechtelijk onderzoek gaande is en dat in verband hiermee hij en zijn echtgenote tot tweemaal toe zijn verzocht om op het kantoor van de SVB te verschijnen teneinde te kunnen worden gehoord, waarbij zij in de gelegenheid zouden worden gesteld de zaak toe te lichten. Tevens is aangegeven dat het tijdens het strafrechtelijk onderzoek ongebruikelijk danwel onmogelijk is om vragen schriftelijk voor te leggen. Opnieuw wordt in deze brief de mogelijkheid geboden om op kantoor te verschijnen. Verzocht wordt om alsnog daartoe een telefonische afspraak te maken. (…) Op 21/08/96 en 06/09/96 wordt door de accountant een brief gestuurd waarin wordt aangegeven welke werkzaamheden werden verricht door de echtgenote en wat haar inkomsten waren. (…) De zaak werd vervolgens door mij opnieuw besproken met de productieafdeling (administratieve procedure) en de leden van het Handhavingteam (strafrechtelijke procedure). (…) Tijdens het overleg wordt besloten om het strafrechtelijk onderzoek voort te zetten en betrokkenen nogmaals te ontbieden. Betrokkenen hebben immers niet voldaan aan de mededelingverplichting. Op 11/11/96 ben ik opnieuw naar het adres gegaan om betrokkenen te ontbieden voor 15/11/96. Van deze ontmoeting heb ik destijds ook een rapport opgemaakt. (…). Op 12/11/96 heb ik contact opgenomen met de accountant om een afspraak met hem te maken om hem te horen als getuige…" 2.2.2. In het bedoelde telefoonrapport van 29 juli 1996 is het volgende gesteld:"...Betrokkene (verzoeker; N.o.) belde op om te vragen wat precies de bedoeling was van de uitnodiging om te verschijnen. Uitgelegd dat het administratieve onderzoek is afgerond doch dat er ook een strafrechtelijke kant aan de zaak zit en dat wij beiden daarover wensen te horen. Hij vindt de wijze van uitnodigen onbehoorlijk. Had het netter gevonden indien ik eerst telefonisch contact met hem had opgenomen over de zaak, hem e.e.a. had uitgelegd en hem daarna uitgenodigd. Meegedeeld dat ik persoonlijk de uitnodigingen voor zowel zijn vrouw als voor hem heb afgeleverd. Dat hij weliswaar niet thuis was, maar dat ik zijn (Britse) vrouw heb ingelicht over de bedoeling van de uitnodiging. Op verzoek van zijn vrouw, heb ik ter plekke de afspraak van maandag 29 juni 1996 omgezet naar vrijdag 2 augustus 1996. Ik heb hem verteld dat eea het gevolg was van het niet opgeven van de inkomsten van zijn echtgenote. Volgens hem had ik mijn werk niet goed gedaan. Door de informatie die hij had verstrekt, had de terugvordering danwel de verrekening kunnen plaatsvinden (?). Daarnaast vertelde hij dat hij op aanraden van zijn accountant in 1995 met terugwerkende kracht inkomsten van zijn echtgenote over 1993 had opgevoerd. Dit om belastingtechnische redenen. Ik ben verder niet op de zaak ingegaan. Nogmaals verzocht om op het afgesproken tijdstip te verschijnen om de zaak van zijn kant toe te lichten. Hij zou contact opnemen met de juristen van zijn accountant om advies in te winnen en daarna terugbellen..." Onder deze tekst zijn door de betrokken sociaal rechercheur de volgende aantekeningen gemaakt:"...* Op 1/8/96 ('s ochtends) bandje (van verzoekers telefoon; N.o.) ingesproken met verzoek zo spoedig mogelijk terug te bellen ivm afspraak op 2/8/96 om 10.00 uur. * Op 1/8/96 's middags om + 16.00 opnieuw gebeld. Dochter gesproken. Kwam net binnen. Aan haar doorgegeven dat ik in afwachting was van bericht van (verzoeker; N.o.) en dat ik vrijdagochtend 2/8/96 v r 8.30 wilde horen of hij zou verschijnen. Dochter deelde mee dat hij waarschijnlijk niet zou komen. * Op 2/8/96 is betrokkene niet op het afgesproken tijdstip van 10.00 verschenen. (...) Eea besproken met (de betrokken co rdinator bij de SVB; N.o.). Nogmaals ontbieden. Indien nogmaals geen reaktie, eea bespreken met (bedoelde co rdinator; N.o.)/OVJ. Evt. aanhouden indien mogelijk..." 2.2.3. In het bedoelde rapport van het gesprek van de betrokken rechercheur met verzoeker op 5 augustus 1996 is het volgende gesteld:"… Op maandag 05/08/96 heb ik opnieuw 2 uitnodigingen bezorgd aan het adres van betrokkene met het verzoek om dinsdag 06/08/96 te verschijnen. (Verzoeker; N.o.) stond met een jongere man in de tuin te praten die verder bij het gesprek aanwezig bleef met het goedvinden van (verzoeker; N.o.). Ik heb verteld dat ik van de SVB kwam. Ik had hem nog niet persoonlijk ontmoet. Hem meegedeeld waarvoor ik kwam. Opnieuw vond hij de werkwijze onbehoorlijk. Zo ga je niet met personen om. Een telefonische benadering met uitleg vooraf zou gepaster zijn geweest. Dan had hij geweten wat de bedoeling was en was de vraagstelling vooraf duidelijk geweest. Hem meegedeeld dat het een strafrechtelijk onderzoek betreft en dat het de bedoeling is dat betrokkenen persoonlijk worden gehoord en dat zij daarvoor persoonlijk worden uitgenodigd. Dat dit de werkwijze is in deze situaties. Dat gelegenheid wordt geboden om een andere afspraak te maken, maar dat het gesprek in beginsel op kantoor plaatsvindt. Hij vond mijn opstelling intimiderend en het leek erop alsof ik hem wilde "bespringen". NB:      Ik kan met overtuiging zeggen dat ik mij rustig en correct heb gedragen en zeker niet dwangmatig heb gehandeld. Ik heb hem verschillende malen gevraagd wat erop tegen was om naar kantoor te komen en het verhaal van zijn kant te vertellen. Hij meent dat er niets te verbergen is en dat op kantoor bekend is wat er aan de hand is. Verteld dat ik dit graag in een verklaring wil opnemen. (…) De uitnodigingen heb ik mee terug genomen omdat hij niet van plan is te komen. Gevraagd of hij beseft met welk onderzoek ik bezig ben. Dat administratief gezien de zaak is afgehandeld doch dat er nu een onderzoek gaande is naar eventueel gepleegde fraude. Hij beseft dit. Meegedeeld dat ik eea zal rapporteren en dat de zaak intern zal worden bekeken waarna eventueel overleg zal plaatsvinden met de OVJ. Hem tevens meegedeeld - met de boodschap dat ik dit niet deed om hem te intimideren - dat indien de OVJ van mening is dat hij moet worden gehoord, hij kan worden aangehouden waarna hij op het politiebureau kan worden gehoord. Dat moesten we dan maar doen…" 2.2.4. In het genoemde rapport van het gesprek van de betrokken rechercheur met verzoeker en zijn echtgenote op 11 november 1996 is het volgende gesteld:"…Op maandag 11/11/96 ben ik om 14.15 naar het adres van betrokkenen gereden om aan (verzoeker en zijn echtgenote; N.o.) een ontbiedingsbrief te overhandigen. In deze brief worden beiden uitgenodigd om op vrijdag 15 november 1996 om 10.00 uur op ons kantoor te verschijnen. Ik heb zowel met (verzoeker; N.o.) als met (verzoekers echtgenote; N.o.) gesproken. (Verzoeker; N.o.): Kan vrijdag a.s. om 10.00 uur niet komen. Vindt onze werkwijze absurd. Waarom niet telefonisch contact opgenomen. Meegedeeld dat hierover intern afspraken zijn gemaakt. Gevraagd wanneer hij wel in de gelegenheid is te komen. Dat wist hij niet omdat hij diverse afspraken had lopen. Gevraagd of hij zijn agenda kon pakken om te kijken wanneer er dan een afspraak gemaakt kon worden. Dat kon hij niet. Gevraagd of hij enig idee had op welke termijn er een afspraak gemaakt kon worden. Dat wist hij niet. Hij begreep niet welke informatie hij ons zou kunnen verstrekken. Tenslotte had hij zijn zaken uit handen gegeven aan het accountantskantoor en daar konden wij onze informatie vandaan halen. Meegedeeld dat wij al informatie hadden opgevraagd bij het accountantskantoor en bij het belastingkantoor en dat wij nu van hem en zijn echtgenote informatie willen hebben. Hij zei dat ik de informatie die ik nog nodig had, schriftelijk bij hem kon opvragen. Meegedeeld dat ik hem al eens schriftelijk had laten weten dat dat niet op die manier kon. Hij vroeg mij welke informatie hij dan zou moeten verschaffen. Verteld dat het met name ging over de inkomsten van zijn echtgenote. Dat wij feitelijk ook nog administratiefrechtelijk de zaak zouden bekijken en daarnaast de strafrechtelijke kant van de zaak omdat bepaalde informatie niet tijdig door hem was doorgegeven. Dat ik daar verder niet op in wilde gaan omdat het daar niet de lokatie voor was en hij dan tevens eerst op zijn rechten gewezen moest worden. Hij zei dat het bij mij een kwestie was van scoren. Ik zei dat als ik wilde scoren ik wel andere zaken van de plank zou nemen. Dat dit voor mij een dossier was dat ik graag wenste af te handelen, zowel op administratiefrechtelijke basis als op strafrechtelijke basis. Hij vond dat ik erg moeilijk deed. Ik heb hem meegedeeld dat ik het vervelend vind dat het zo op hem over komt en dat het niet mijn bedoeling is om moeilijk tegen hem te doen. Dat ik de zaak wil afhandelen en dat ik hem en zijn echtgenote daarvoor wil uitnodigen om duidelijkheid te krijgen in de zaak. Hij vond dat mijn benadering onbehoorlijk was met daarbij de opmerking moet u nu kijken hoe u daar in de regen staat. In zijn werk werd aan mensen geleerd hoe om te gaan met andere mensen. Gezegd dat hij misschien gelijk had en dat het misschien een goed idee was om daar nog eens bij hem op het bedrijf een opleiding in te volgen. Gevraagd of het nu een kwestie was van niet kunnen komen of niet willen komen. Hij zei dat hij mij wilde helpen met de zaak. Ik zei dat dat alleen kon als hij zou komen. Gevraagd of hij wilde komen. Hij wil mij helpen met de zaak. Hij zou met iemand overleggen over de kwestie en daarna telefonisch contact met mij opnemen. Ik zei dat dat geen antwoord was op mijn vraag. Nogmaals meegedeeld dat ik gaarne met hem en zijn echtgenote een afspraak wens te maken. Daarover was geen overeenstemming te bereiken. Meegedeeld dat ik uiterlijk vrijdag a.s. een telefoontje van hem verwacht en dat ik woensdag niet aanwezig ben. Gevraagd of hij mijn rechtstreeks telefoonnummer had. Hem de brieven aangereikt omdat daar mijn telefoonnummer in staat. Hij weigerde de brieven aan te nemen. (Verzoekers echtgenote; N.o.): Zij was ontzettend boos over de manier waarop ik hen benaderde. Waarom zo in de regen staan om de brieven te overhandigen. Waarom niet gebeld enz. enz. Zij zou niet komen. Dat zij dan zeker in een aparte kamer zouden worden gehoord en dan boem boem boem (met handbewegingen).\par Meegedeeld dat ik in ieder geval op kantoor zou bespreken dat zij niet wenst te komen. Daarna zei ze dat ze alleen samen met haar man gehoord wilde worden en dat hij dan alleen antwoord zou geven. Verteld dat ik dit op kantoor zou bespreken…" 2.2.5. Ook van het contact op 12 november 1996 tussen de betrokken sociaal rechercheur van de SVB en de accountant van verzoeker is door de rechercheur een rapport opgemaakt. Dit rapport luidt als volgt:"…Op dinsdag 12/11/96 omstreeks 10.30 uur heb ik telefonisch contact opgenomen met de heer (…) van Accountantskantoor (…). Meegedeeld dat wij hem in de zaak (van verzoeker; N.o.) als getuige wensen te horen. Gevraagd wanneer hem dat gelegen komt. Dat gesprek hier op kantoor plaats kan vinden of desnoods in zijn kantoor. Hij vroeg zich af waarom hij als getuige gehoord zou moeten worden. Wij kunnen onze vragen schriftelijk aan hem stellen. Deelde ook nog mee dat hij niets meer had gehoord op zijn brief van 21/08/96. Dat het nu inmiddels al 3 maanden geleden was dat hij deze brief had verzonden. Meegedeeld dat wij op verschillende fronten met de zaak bezig zijn en dat wij nu graag hem als getuige wensen te horen. Dat het niet de bedoeling was dat wij over en weer telkens schriftelijk in contact zouden treden omdat dat de zaak vertraagt en bij mondeling overleg direct op de zaak kan worden ingesprongen. Hij was in de veronderstelling dat wij de zaak administratief aan het bekijken waren. Hij wist niet dat het een strafrechtelijk onderzoek betrof. Meegedeeld dat ook de administratieve kant bij het strafrechtelijk onderzoek is betrokken. Hij vroeg zich af of wij (verzoeker; N.o.) hierover hadden ingelicht en wij hem op zijn rechten hadden gewezen. Of dat wij hem al eens schriftelijk hadden meegedeeld waarvan hij werd verdacht. Meegedeeld dat in de ontbiedingsbrief aan (verzoeker; N.o.) staat vermeld dat hij wordt gehoord "inzake een onderzoek op grond van de bepalingen van de Algemene Ouderdomswet en het Wetboek van Strafrecht. Dat hij voor het horen zou plaatsvinden, gewezen zou worden op zijn rechten, maar dat het zover nog niet was gekomen. Overigens: (verzoekers accountant; N.o.) had de ontbiedingsbrief van (verzoeker; N.o.) dd 26/07/96 voor zich liggen en kon dus zelf zien dat (verzoeker; N.o.) gehoord zou worden op grond van ondermeer de bepalingen van het Wetboek van Strafrecht. Hij vroeg zich af of wij ons wel aan de vormvereisten hadden gehouden. Hij zou dit uitzoeken. Ik zei hem dat ik zijn gedrag vreemd vond. Tenslotte willen wij hem in dit geval horen als getuige. De kwestie aangaande de persoon (verzoeker; N.o.) is iets dat wij zelf met (verzoeker; N.o.) oplossen…" 2.3.1. Ten aanzien van het vierde klachtonderdeel is in de notitie van 4 maart 1999 het volgende opgemerkt:"…Disproportioneel hebben gehandeld door hem door de politie van huis te laten halen om hem te verhoren Op 09/01/97 heeft een gesprek plaatsgehad met de Officier van Justitie (…) en de parketsecretaris (…) van het Arrondissementsparket te Utrecht. De Officier was van mening dat (verzoeker; N.o.) over de kwestie moest worden gehoord en dat aanhouding in dit geval de enige oplossing was. (…) Vervolgens is er overleg geweest met de HOVJ (hulpofficier van justitie; N.o.) (…) waarbij de zaak uitvoerig is doorgesproken omdat dit een eerste aanhouding betrof van kantoor Utrecht. De aanhouding zou door de sociaal rechercheurs plaatsvinden met op de achtergrond een politiewagen. Het beleid binnen de SVB is/was echter dat de aanhouding door de politie werd gedaan, bleek naar aanleiding van een gesprek met (de betrokken co rdinator bij de SVB; N.o.). En aldus vond de aanhouding door de politie plaats, na overleg met de HOVJ (…) te Nieuwegein…" 2.3.2. In het van het gesprek van 9 januari 1997 opgemaakte verslag is door de betrokken rechercheur het volgende gesteld:"...Op aanraden van (eerderbedoelde co rdinator; N.o.) hebben (een collega-sociaal rechercheur; N.o.) en ik een afspraak gemaakt met (...) van het OM om deze kwestie op 09/01/97 met hem danwel met (...), fraude-officier, te bespreken. Nadat de zaak uitvoerig was besproken, is in overleg met (bedoelde fraude-officier; N.o.) besloten dat (verzoeker; N.o.) dient te worden aangehouden. Hij dient te worden gehoord over deze kwestie. Indien hij niet vrijwillig zijn medewerking wenst te verlenen, dan is aanhouding op subtiele wijze mbv een uniform de enige oplossing. (...) (De betrokken officier van justitie; N.o.) heeft de indruk dat er een belastingtruc is uitgehaald. Het zou er op neer kunnen komen dat (verzoekers echtgenote; N.o.) in het geheel geen inkomsten heeft genoten en dat de SVB zodoende geen zaak heeft. Hiermee rekening houden tijdens het verhoor. (De officier van justitie; N.o.) voelt er dan iets voor om persoonlijk contact op te nemen met de accountant..." 2.3.3. In het verslag van het gesprek van 14 januari 1997 van de betrokken sociaal rechercheur met de hulpofficier van justitie is het volgende gesteld:"...Met (de betrokken hulpofficier; N.o.) de zaak doorgesproken daar waar het de aanhouding betreft en de procedure eromheen. (Verzoeker; N.o.) woont in Houten. Valt onder district 6 (...) van de regio Utrecht. Het politiebureau van Houten is pas vanaf 10.00 uur geopend. Omdat de aanhouding op aanbeveling omstreeks 7.30 zal zijn, wordt hij in verband met de voorgeleiding aan de hovj (hulpofficier van justitie; N.o.) en het verhoor, overgebracht naar het bureau van de politie te Nieuwegein..." 2.3.4. In het verslag van het gesprek van 21 januari 1997 tussen de betrokken rechercheur en (bedoelde co rdinator; N.o.)is door bedoelde rechercheur het volgende opgemerkt:"...Zaak besproken met (bedoelde co rdinator; N.o.). Hij gaat er niet mee akkoord dat de aanhouding door (twee sociaal rechercheurs van de SVB; N.o.), met op de achtergrond een politiewagen, zal plaatsvinden. De Sociaal rechercheurs zijn hier niet voor opgeleid. Zij beschikken ook niet over een wapen en over handboeien. Het beleid van de SVB is dat de aanhouding wordt gedaan door de politie. Wij hebben aangegeven dat juist voor deze oplossing was gekozen omdat het dan waarschijnlijk iets milder zou overkomen. Desondanks heeft (bedoelde co rdinator; N.o.) aangegeven dat de aanhouding moet plaatsvinden door de politie..."2.4. Ten aanzien van het vijfde klachtonderdeel is in bedoelde notitie van 4 maart 1999 het volgende gesteld:"Op het politiebureau tegen hem hebben gezegd "daar zit u dan met uw 69 jaar op het politiebureau zonder veters in uw schoenen". Ik kan mij herinneren dat de hele kwestie een enorme indruk op mij maakte en dan niet in positieve zin. Ik vond het erg vervelend dat ik er niet in was geslaagd om betrokkene vrijwillig te laten verschijnen op het kantoor van de SVB. Het was de eerste aanhouding op kantoor Utrecht en alles was zorgvuldig overwogen. Het feit dat ik (verzoeker; N.o.) in een cel zag zitten met een spijkerbroek, een snel aangeschoten trui en schoenen zonder veters, gaf mij een zeer onbevredigend gevoel. Ik had (verzoeker; N.o.) immers in eerdere ontmoetingen in een geheel andere hoedanigheid meegemaakt. Had dit nu niet anders gekund. Had hij zijn medewerking maar verleend, dan had het niet zover hoeven te komen. Ik voelde mij in een nare positie want in zijn ogen, zo voelde ik dat, had ik hem dat aangedaan. Geen haar op mijn hoofd die er aan zou denken om op zo'n moment een denigrerende opmerking te plaatsen zoals aangegeven. Ik weet dat ik het verhoor ben begonnen met te stellen dat ik deze situatie niet voor ogen had gehad. Dat deze situatie voor mij zeker niet wenselijk was en dat ik diverse malen had getracht om hem vrijwillig naar kantoor te laten komen. Dat ik het gesprek veel liever met hem was aangegaan op het kantoor van de SVB. In deze context is het mogelijk dat bovenstaande opmerking is geplaatst maar dan zeker niet op de manier zoals nu wordt voorgesteld…" 2.5.1. Ten aanzien van het zesde klachtonderdeel is in de notitie van 4 maart 1999 het volgende gesteld:"…Bij het verhoor tegen verzoeker hebben gezegd dat niet op de komst van zijn advocaat kon worden gewacht. Het verhoor is aangevangen om 9.00 uur. (Verzoeker; N.o.) gaf gelijk aan dat wij zijn advocaat moesten waarschuwen. Wij hebben eerst getracht om op een normale manier het gesprek met (verzoeker; N.o.) aan te gaan. Tevens hebben wij aangegeven dat indien de advocaat zou worden toegelaten, hij zich niet zou mogen mengen in het gesprek, want het ging tenslotte om de verklaring van (verzoeker; N.o.). Om 10.15 belde de advocaat naar het Politiebureau. In overleg met de HOVJ (de hulpofficier van justitie; N.o.) is toen besloten om de advocaat bij het verhoor toe te laten…" 2.5.2. In een door de betrokken sociaal rechercheurs op 29 januari 1997 gesloten en ondertekend “proces-verbaal van sfeer” is in dit verband het volgende gesteld:"...(Verzoeker; N.o.) kwam om 09.00 uur de verhoorkamer binnen. Hij wenste geen koffie. Hij wilde geen antwoord geven op onze vragen. Wilde zijn advocaat bij het verhoor. Wij hebben hem uitgelegd dat de advocaat bij het verhoor aanwezig mag zijn maar dat hij niets mag zeggen. Omdat (verzoeker; N.o.) verder niets wenste te verklaren, is het verhoor om 9.50 be indigd. Om 10.15 heeft de advocaat gebeld naar het Politiebureau. Om 10.20 heeft verbalisant (een van de betrokken sociaal rechercheurs; N.o.) telefonisch contact opgenomen met de advocaat (...) en eea aan hem verteld. (De advocaat van verzoeker; N.o.) zou terugbellen. Om 10.50 kwam (verzoeker; N.o.) de verhoorkamer binnen. Wij hebben hem meegedeeld dat zijn advocaat telefonisch contact had opgenomen en dat hij zou terugbellen (...). Om 10.55 heeft de advocaat gebeld en deelde hij mee dat hij over ongeveer 20 minuten zou arriveren. (Verzoeker; N.o.) zei niets meer (...). Om 11.25 arriveerde de advocaat (...). Om 11.35 uur is het verhoor opnieuw aangevangen. (Verzoeker; N.o.) ging vanaf dat moment iets meer vertellen. Keek daarbij naar zijn advocaat die knikte. Om 12.30 uur zijn we gestopt met het verhoor ivm de lunch. (Verzoeker; N.o.) werd teruggebracht naar zijn cel. De advocaat vroeg aan hem of hij het op prijs stelde dat hij nog bleef. (Verzoeker; N.o.) gaf aan dat hij dat wilde..." D.       REACTIE VERZOEKER1. Ten aanzien van het eerste klachtonderdeel liet de gemachtigde van verzoeker in reactie op het standpunt van de zijde van de SVB weten dat de betrokken sociaal rechercheur in haar notitie van 4 maart 1999 uitvoerig is ingegaan op de administratieve fase van het onderzoek, terwijl zijn klacht betrekking heeft op het optreden van de sociaal rechercheurs in het kader van het strafrechtelijk onderzoek. Voorts liet de gemachtigde van verzoeker weten dat verzoeker tijdens de administratieve fase verschillende malen telefonisch aan de administratieve afdeling van de SVB heeft meegedeeld dat en waarom hij de gevraagde informatie over het inkomen van zijn echtgenote nog niet kon verstrekken.2. Naar aanleiding van de reactie van de betrokken sociaal rechercheur op het tweede en derde klachtonderdeel liet de gemachtigde van verzoeker het volgende weten:"…In tegenstelling tot de SVB beschikt (verzoeker; N.o.) natuurlijk niet over schriftelijke verslagen van elk onderdeel van deze zaak. Daarom zal een meer algemene reactie worden gegeven. In het algemeen wordt uit de verschillende bijlagen duidelijk dat (verzoeker; N.o.) van meet af aan het optreden van de sociale recherche onbehoorlijk heeft gevonden. De onbehoorlijkheid bestond uit verschillende elementen. Ten eerste de "overvaltechniek". De sociale recherche arriveerde totaal onverwacht, laat op de vrijdagmiddag (26 juli 1996; N.o.) met een "uitnodiging" om maandagochtend (29 juli 1996; N.o.) ten kantore van de SVB te verschijnen. Dit liet geen enkele ruimte om de accountant of eventueel een advocaat te raadplegen. De behoefte iemand te raadplegen ontstond met name door de bedreiging die uitging van de vaagheid van de reden om te verschijnen. (…) Gedurende deze hele zaak heeft de sociale rechercheur geen enkel inzicht willen geven waar het eventuele strafbare feit uit zou hebben bestaan. Gezien het inquisitoire karakter van een strafrechtelijk onderzoek, is het vanzelfsprekend niet aan (verzoeker; N.o.) om te bepalen hoever de informatieverstrekking door een rechercheur moet gaan. Echter, in dit geval werd zo schimmig gedaan over de reden van het onderzoek dat (verzoeker; N.o.) zich uitermate bedreigd en ge ntimideerd voelde. Die vaagheid bleek ook, zoals reeds genoemd in mijn brief aan u dd. 26/11/98, uit het feit dat de advocaat van (verzoeker; N.o.), in een vrij laat stadium van het onderzoek, nog immer moest gissen naar de strafbepalingen die van toepassing konden zijn in de zaak van (verzoeker; N.o.). Bovendien kan gediscussieerd worden over de vraag of (verzoeker; N.o.) wel voldoende duidelijk is gemaakt dat het hier om een strafrechtelijk onderzoek ging en de gevolgen die daaraan verbonden zijn. In een tijdsbestek van tien minuten werd hem enerzijds medegedeeld dat hij, indien hij niet meewerkte kon worden aangehouden, en anderzijds dat hij niet h efde mee te werken maar dat dat in zijn belang was. De juristen van accountantsbureau (…) deelden deze gevoelens van onduidelijkheid wat betreft de aard van het onderzoek. De houding van de sociale rechercheur(s) versterkte dit gevoel van bedreiging in niet geringe mate. (Verzoeker; N.o.) heeft dit gedrag als zeer intimiderend ervaren. Deze mening was de heer (…), de accountant van (verzoeker; N.o.), ook toegedaan nadat hij, op eigen initiatief, contact had opgenomen met de sociale rechercheurs. (De bedoelde accountant; N.o.) heeft meer dan een uur moeten praten voor de rechercheur bereid was naar hem te luisteren. Zoals blijkt uit het recherche-rapport dd. 12/11/96 werd zijn getuigenis naderhand weer w l gevraagd. Ook bij (de bedoelde accountant; N.o.) leidde dit tot een zeer onbevredigend gevoel, met name gezien het feit dat na drie maanden nog steeds niet was gereageerd op een door hem gestuurde brief van 21/8/98. Ondanks dat (de bedoelde sociaal rechercheur; N.o.) in haar rapport dd. 05/08/96 met overtuiging meent te kunnen zeggen dat zij zich rustig en correct heeft gedragen, strookt dit volgens (verzoeker; N.o.) niet met de werkelijkheid. In het algemeen kan over de houding van de sociaal recherche worden gezegd dat er sprake was van een absolute weigering om te luisteren niet alleen naar (verzoeker; N.o.) maar ook naar anderen…" 3. Naar aanleiding van het commentaar op het vierde klachtonderdeel liet de gemachtigde van verzoeker het volgende weten:"...De disproportionaliteit bestaat eruit dat het gebruikte middel niet werd gerechtvaardigd door het doel. Wanneer er twijfel bestaat over de vraag of de SVB wel een zaak heeft (...) dan zou het voor de hand hebben moeten liggen om te luisteren naar aangereikte, objectieve informatie. Er werd echter de voorkeur gegeven aan het afwerken van het onderzoek zoals het de SVB voor ogen stond hetgeen resulteerde in het ingrijpende middel van aanhouding om 5:30 uur..."4. Met betrekking tot de opmerking over zijn schoenveters liet de gemachtigde van verzoeker het volgende weten:"...(Verzoeker; N.o.) kan zich deze opmerking nog levendig herinneren. (De betrokken sociaal rechercheur; N.o.) ontkent in haar reactie niet dat zij deze geplaatst heeft. Gezien de situatie had (bedoelde rechercheur; N.o.) zich moeten realiseren dat een dergelijke opmerking als neerbuigend en beledigend zou worden ervaren..."5. Naar aanleiding van het commentaar op het zesde klachtonderdeel liet de gemachtigde van verzoeker het volgende weten:"...In haar reactie stelt (de betrokken sociaal rechercheur; N.o.) dat de rechercheurs na het verzoek om een advocaat door (verzoeker; N.o.) zij "eerst hebben getracht om op een normale manier het gesprek aan te gaan". Nadat (verzoeker; N.o.) van zijn bed gelicht was, naar het politiebureau was vervoerd, enkele uren ingesloten was geweest en zich vervolgens in een verhoorsituatie bevond, kon er moeilijk sprake zijn van en "normaal" gesprek. Normaal in dergelijke omstandigheden is dat (verzoeker; N.o.) de aanwezigheid van een advocaat verlangt. Het feit dat een advocaat zich niet zou mogen mengen in het gesprek is niet relevant. Op het verzoek om een advocaat reageerde (de betrokken rechercheur; N.o.) letterlijk met: "Daar kunnen we niet op wachten, u heeft de zaak al lang genoeg opgehouden". Uiteindelijk belde de advocaat, gewaarschuwd door (verzoekers echtgenote; N.o.), op eigen initiatief met het bureau. Het was inmiddels 10:15 geworden..."6. Aan het slot van haar commentaar deelde verzoekers gemachtigde het volgende mee:"...In het algemeen kan gesteld worden dat de rapporten van de sociale recherche een zeer gekleurd beeld geven. (Verzoeker; N.o.) wordt afgeschilderd als koppig en eigenwijs, op het weerspannige af. Dat beeld wordt weersproken door de hulp/informatie aangeboden door (verzoeker; N.o.), zijn accountant en zijn advocaat. (...) Concluderend kan worden gesteld dat, in plaats van te luisteren naar betrokkenen, de SVB heeft verkozen een zeer langdurig, formalistisch en ondoorzichtig pad te bewandelen dat gepaard ging met intimiderend en bedreigend gedrag van de sociale rechercheurs..."E.       VERKLARING BETROKKEN SOCIAAL RECHERCHEURDe betrokken sociaal rechercheur die ook de notitie van 4 maart 1999 had opgesteld (zie onder C.1.) verklaarde in het kader van het onderzoek van de Nationale ombudsman op 21 mei 1999 het volgende:"... Bij de SVB was het vermoeden gerezen, dat door verzoeker fraude was gepleegd met een benadelingsbedrag van omstreeks f 13.000. Wij waren derhalve verplicht tot het doen van aangifte overeenkomstig de "Richtlijn voor het doen van aangifte, het opmaken van proces-verbaal, de vervolging en het strafvorderingsbeleid inzake fraude met sociale uitkeringen" van het College van procureurs-generaal, waarna vervolging zou kunnen plaatsvinden. Dit impliceert, dat het strafrechtelijk onderzoek, dat op deze aangifte is gevolgd, ook voorzover dat door ons is verricht, niettemin heeft plaatsge-vonden onder de verantwoordelijkheid van het Arrondissementsparket te Utrecht. De uiteindelijke beslissing om deze zaak te seponeren vloeit voort uit een uitsluitend aan het arrondissementsparket toekomende bevoegdheid. De ondergrens van de bovengenoemde richtlijn is een benadelingsbedrag van f 12.000. Zaken tussen de f 6.000 en f 12.000 worden veelal voorbesproken met de parketsecretaris. Wij zijn verplicht om zo'n zaak te gaan onderzoeken. Aan de hand van onze bevindingen neemt de officier van justitie een beslissing. Hij kan dan bijvoorbeeld de zaak seponeren als het bedrag alsnog door de betrokkene wordt vergoed. Op de afdeling waar ik werkzaam ben - de afdeling sociale recherche - kreeg ik het dossier van verzoeker in behandeling. Het onderzoek richtte zich op het vermoeden dat het werken van de jongere echtgenote van verzoeker niet op de voorgeschreven wijze aan de SVB was meegedeeld. In feite moest ik het onderzoek - opnieuw - starten, aangezien de zaak ook nog administratief bekeken moest worden. Ik heb daarover meerdere malen contact opgenomen met de afdeling waar het dossier vandaan kwam. Ik deed dat onder meer met het doel de in het dossier aanwezige gegevens te controleren. Dan komt er een moment dat je de betrokkene moet gaan horen. De vraag was waarom verzoeker niet had aangegeven dat zijn echtgenote in het bedrijf meewerkte, terwijl daarnaar wel op de formulieren wordt gevraagd. Je gaat de betrokkene dan in de hoedanigheid van verdachte horen. Daarbij dienen de rechten van een verdachte gerespecteerd te worden. Ik liep met de vraag rond waarom verzoeker niet wilde aangeven dat zijn echtgenote in het bedrijf meewerkte. Ik wilde meer informatie van verzoeker over deze zaak hebben. Tijdens het gesprek met verzoeker wilde ik onder meer te weten komen of hij doelbewust informatie achterhield. Het beleid van de SVB is om de betrokkene voor een gesprek uit te nodigen. Dat hebben wij in deze zaak een aantal malen gedaan. Op vrijdag 26 juli 1996 heb ik de eerste ontbiedingsbrief aan verzoeker willen overhandigen. Het verhoor zou op maandag 29 juli 1996 plaatsvinden. Ik ben alleen naar de woning van verzoeker toegegaan. De echtgenote van verzoeker deed de deur open. Volgens mij is zij een Engelse, maar zij is de Nederlandse taal wel machtig. Zij deelde mee dat haar man niet aanwezig was. Tevens deelde zij mee dat het niet mogelijk was om op maandag 29 juli 1996 bij de SVB te komen, aangezien zij op die dag al een afspraak hadden. In overleg met haar werd de afspraak verzet naar vrijdag 2 augustus 1996. Verzoeker is die dag echter niet komen opdagen. Hij had ook niet laten weten dat hij niet zou komen. Het is bij de SVB gebruikelijk dat een ontbiedingsbrief pas een dag voordat het verhoor zal plaatsvinden aan de betrokkene wordt overhandigd. Het persoonlijk afgegeven van een ontbiedingsbrief heeft twee redenen. Ten eerste kan je een inschatting maken met wat voor persoon je van doen hebt. Ten tweede kan je aan de betrokkene een toelich-ting geven op de inhoud van de ontbiedingsbrief. Tijdens zo'n gesprek ga je natuurlijk niet te diep op de kwestie in. Op 5 augustus 1996 ben ik voor de tweede maal - wederom alleen - naar de woning van verzoeker gegaan, teneinde aan verzoeker een ontbiedingsbrief te kunnen overhandigen. Dit verhoor van verzoeker zou op 6 augustus 1996 plaatsvinden. Verzoeker heeft de brief niet in ontvangst genomen. Hij deelde mee dat hij niet van plan was op het kantoor van de SVB te verschijnen. De inhoud van de ontbiedingsbrief was hetzelfde als de eerste, behoudens dat het tijdstip van verhoor gewijzigd was. In de brief van 5 augustus 1996 stond niet vermeld dat verzoeker in de hoedanigheid van verdachte zou worden gehoord. Tegenwoordig is wel in de ontbiedingsbrieven van de SVB opgenomen dat de betrokkene als verdachte zal worden gehoord. Tevens staat in de brief vermeld dat het verhoor enige uren zal kunnen duren. Ik wil nog opmerken dat wij naar aanleiding van deze zaak de ontbiedingsbrieven in koppels naar de betrokkenen brengen. Dat doen wij om later discussies te voorkomen. Op 5 augustus 1996 was verzoeker dus wel thuis. Toen ik kwam aangereden zag ik dat hij zich buiten zijn woning bevond. Hij stond daar met een jongere man te praten. Ik vond het pijnlijk om tussen beiden te komen en de reden van mijn komst mee te delen. Ik ben naar verzoeker toegegaan en ik heb mij aan hem voorgesteld en hem meegedeeld dat ik hem graag zou willen spreken. Verzoeker deelde mee dat hij het geen probleem vond dat de andere persoon bij ons onderhoud aanwezig was. Ik weet overigens niet wie die andere persoon was. Ik heb verzoeker uitgelegd dat ik hem kwam uitnodigen om zijn verhaal te komen doen in het kader van een strafrechtelijk onderzoek. Ik weet niet meer of ik heb gezegd dat hij als verdachte gehoord zou worden, maar dat is wel gebruikelijk. Hij zei tegen mij dat het wel leek of ik lid was van een of andere kerkgenootschap. Hij vroeg ook aan mij of ik van plan was om hem te gaan bespringen. Ik weet van mijzelf dat mijn wijze van optreden niet intimiderend is. Mijn enige doel was om hem uit te nodigen voor een gesprek op kantoor. Ik wilde alleen mijn verhaal doen. Ik heb onder meer tegen verzoeker gezegd dat wij tijdens het verhoor naar de zaak zouden kijken. Wij zouden kijken of hij bewust informatie achterhield of dat hij nog recht op een uitkering zou hebben. Ik heb hem gezegd dat de zaak mogelijk administratief bekeken zou worden. Ik heb hem echter ook meegedeeld dat het strafrechtelijk onderzoek het hoofddoel was. Ik heb mij rustig gedragen. Ik ben geen type om te gaan schreeuwen. Ik heb wel tegen hem gezegd dat hij al eerder was uitgenodigd en als hij niet vrijwillig zou verschijnen, de officier van justitie tot zijn aanhouding zou kunnen besluiten. Ik heb dat niet gezegd om hem te intimideren. Verzoeker deelde mij mee dat het hem niets uitmaakte en dat ze hem mochten komen halen. Op 6 augustus 1996 heb ik verzoeker een brief gestuurd met het verzoek om contact met mij op te nemen, teneinde een afspraak voor het verhoor te kunnen maken. In deze brief heb ik aan verzoeker aangegeven dat er een verschil is tussen het administratief en het strafrechtelijk onderzoek. In die periode hadden wij iedere week of om de twee weken een zogenaamd "handhavingoverleg". Tijdens het overleg van het handhavingteam waren onder meer de directeur en de chef van de afdeling AOW aanwezig en is op een gegeven moment besloten om het strafrechtelijke onderzoek voort te zetten en verzoeker nogmaals te ontbieden. Op maandag 11 november 1996 ben ik - wederom alleen - naar het huis van verzoeker gegaan, teneinde aan hem een ontbiedingsbrief te overhandigen. In deze brief werd hij uitgenodigd om op vrijdag 15 november 1996 voor verhoor op ons kantoor te verschijnen. Ik heb verzoeker toen gesproken. Hij deelde mee dat hij die vrijdag niet kon komen. Over de besluitvorming bij het overgaan tot aanhouding van verzoeker wil ik het volgende zeggen. Verzoeker is in totaal vier maal ontboden bij de SVB te verschijnen. Volgens de officier van justitie had hij al na twee ontbiedingen aangehouden kunnen worden. De aanhouding van verzoeker was de eerste aanhouding van het district Utrecht van de SVB. Collega (...), tevens sociaal-rechercheur, en ik zijn naar het Arrondissementsparket te Utrecht gegaan om deze zaak te bespreken. Wij hebben aan de parketsecretaris (...) en de zaaksofficier van justitie (...) de zaak voorgelegd. (De officier van justitie; N.o.) deelde ons mee dat wanneer verzoeker niet vrijwillig wilde verschijnen, hij dan maar aangehouden moest worden. Hij moest namelijk wel gehoord worden. Ik vond het aanhouden van verzoeker nogal wat. Ik heb uitvoerig aan (bedoelde parketsecretaris en bedoelde officier van justitie; N.o.) uitgelegd hoe deze zaak in elkaar zat. Ik heb meerdere malen tegen hen gezegd dat de hoogte van het bedrag niet vaststond. Ik heb duidelijk kenbaar gemaakt dat er nog een administratieve kant aan deze zaak zat. Alle kanten van deze zaak zijn toen door mij uitvoerig belicht. Ik wilde alles uitsluiten. De officier van justitie was van oordeel dat verzoeker over deze kwestie gehoord diende te worden en dat aanhouding in dit geval de enige oplossing was. De aanhouding moest op subtiele wijze plaatsvinden. Met subtiele wijze is bedoeld dat de politie om de hoek van de straat zou staan om eventueel tijdens de aanhouding assistentie te kunnen verlenen. De bedoeling was dat rechercheurs van de SVB verzoeker zouden aanhouden. Wij zijn daartoe bevoegd. (De officier van justitie; N.o.) meende dat er misschien wel sprake was van een belastingtruc. Verzoeker diende dan ook verhoord te worden. (De officier; N.o.) hield er rekening mee dat het arrondissementsparket misschien geen zaak tegen verzoeker zou hebben. In het door mij opgemaakte rapport van 13/01/97 staat vermeld: "(De officier van justitie; N.o.) heeft de indruk dat er een belastingtruc is uitgehaald. Het zou er op neer kunnen komen dat (de echtgenote van verzoeker; N.o.) in het geheel geen inkomsten heeft genoten en dat de SVB zodoende geen zaak heeft. Hiermee rekening houden tijdens het verhoor". Uit het voorgaande blijkt dat nog geen zekerheid bestond over het begaan van een strafbaar feit door verzoeker. De zaak moest nog uitgezocht worden. Ik hoopte dat verzoeker zijn medewerking zou verlenen zodat wij op de hoogte zou worden gebracht van het inkomen van zijn echtgenote. In dat rapport staat ook: "(de officier van justitie; N.o.) voelt er dan iets voor om persoonlijk contact op te nemen met de accountant (...)." Daarmee bedoelde (de officier; N.o.) dat hij dan zelf het gesprek had willen aangaan met (de accountant; N.o.) omdat de aanpak van de accountant naar zijn mening niet correct was. Ik ben en was van mening dat bij de aanhouding van een verdachte uiterst zorgvuldig te werk moet worden gegaan. Het gebruik van het dwangmiddel aanhouden is naar mijn mening een zwaar machtsmiddel. Gelet op het feit dat de SVB Utrecht nog nooit een verdachte had aangehouden, heb ik met de heer (...) gesproken. Hij is een politieman, met de rang van hulpofficier van justitie, die bij de sociale recherche van de gemeente Utrecht werkzaam was. Ik heb hem gevraagd waarop je tijdens een aanhouding moest letten. Wij zouden de aanhouding van verzoeker zelf gaan verrichten. Ik zou niet bij de aanhouding van verzoeker aanwezig zijn. Mijn collega's zouden verzoeker aanhouden. De politie zou op de achtergrond aanwezig zijn. Toen volgde een gesprek met co rdinator (...). Hij is tevens bij de SVB werkzaam. Hij deelde mee dat het het beleid van de SVB is dat sociaal rechercheurs niet zelf verdachten aanhouden. De politie diende verzoeker aan te houden. Ik was daar niet van op de hoogte. Zoals gezegd was dit de eerste keer dat door de SVB Utrecht een verdachte zou worden aangehouden. Tegenwoordig is het beleid bij de SVB dat wij bij de aanhouding van een verdachte aanwezig zijn. De politie houdt de verdachte echter feitelijk aan. Wij zijn niet opgeleid om verdachten aan te houden. Wij hebben daar wel de bevoegdheid voor. Als een verdachte zou meewerken, zou er niets aan de hand zijn, maar als hij of zij zou tegenstribbelen zou er een probleem zijn. Tegenwoordig hebben wij een heel draaiboek wat er met betrekking tot een aanhouding van een verdachte dient te gebeuren. Bij de aanhouding van verzoeker ben ik niet aanwezig geweest. De politie heeft hem aangehouden. Ik kan dus over het verloop van de aanhouding niets vertellen. Over het tijdstip van de aanhouding hadden wij niets te zeggen, aangezien dat afhing van de personele bezetting bij de politie. Het verhoor op het politiebureau van Nieuwegein vond plaats onder mijn leiding, in aanwezigheid van mijn collega (...). Volgens mij zijn wij om 09.00 uur met het verhoor begonnen. Ik vond het verschrikkelijk om verzoeker in een cel te zien zitten. Het feit dat ik verzoeker in de cel zag zitten met een spijkerbroek, een snel aangeschoten trui en schoenen zonder veters, gaf mij een zeer onbevredigend gevoel. Ik had verzoeker bij eerdere ontmoetingen in een geheel andere hoedanigheid meegemaakt. Dit was niet de man zoals ik hem eerder gezien had. Hij kwam namelijk op mij over als een behoorlijk statige man. Ik vond het heel vervelend om hem zo te zien. Deze hele kwestie maakte op mij een enorme indruk. Ik vond het vervelend dat ik er niet in was geslaagd om verzoeker vrijwillig te laten verschijnen op het kantoor van SVB. Ik dacht hoe het zo gekomen was. Als verzoeker aan een uitnodiging van ons gehoor had gegeven, had dit niet hoeven te gebeuren. Tijdens het verhoor van verzoeker moest ik in mijn rol komen. Ik heb aan verzoeker de cautie gegeven. Ik kan mij niet meer herinneren dat ik iets over de veters in zijn schoenen heb gezegd. Ik weet echter wel dat verzoeker dat zo letterlijk heeft verklaard. Misschien heb ik dan wel zo iets tegen hem gezegd, maar dan in een geheel andere context dan nu wordt voorgesteld. De hele situatie maakte enorm veel indruk op mij en ik vond het zeer vernederend voor verzoeker. Dan ga ik niet nog eens zo'n opmerking er overheen plaatsen. Ik begon het verhoor met te zeggen dat ik deze situatie niet voor ogen had gehad. Als ik al iets heb gezegd over het feit dat hij zonder veters in zijn schoenen op het politiebureau zat, heb ik dat zeker niet gezegd om hem te intimideren. Ik hoor dat u vraagt of ik mij kan voorstellen of verzoeker de bovengenoemde woorden uit mijn inleiding verkeerd heeft ge nterpreteerd? Ik antwoord daarop dat ik dan in zijn gedachtenwereld moet kunnen kruipen. Van begin af aan sprak ik tegen een muur. Vanuit verzoekers denkwereld gezien was alles bezwarend. Ik vond de gerezen situatie heel vervelend. Verzoeker werkte in het geheel niet aan het verhoor mee. Hij zei dat hij niets wilde verklaren in afwezigheid van zijn advocaat. Ik heb geprobeerd toch een gesprek met hem aan te gaan. Het verhoor van verzoeker had ik goed voorbereid. Ik was op de hoogte van de inhoud van artikel 50 van het Wetboek van Strafvordering (zie achtergrond, onder 1; N.o.), onder meer inhoudende dat een advocaat de vrije toegang tot een verdachte heeft zonder dat het onderzoek daardoor mag worden opgehouden. Wij zijn om 09.00 uur met het verhoor van verzoeker begonnen. We moesten - gelet op de duur van de aanhouding van verzoeker - om 15.00 uur met het verhoor klaar zijn. In die tijd dienden wij verzoeker te horen en de door ons opgenomen verklaring op schrift te stellen. Die zes uur heb je wel nodig. In principe zeggen wij dat een advocaat niet bij een verhoor van een verdachte aanwezig hoeft te zijn. Om 9.00 uur begon het verhoor dus. Wij hebben eerst geprobeerd om het gesprek met verzoeker aan te gaan. Hij vroeg om een advocaat, maar wilde de naam niet noemen. Om 9.50 uur hebben wij overlegd met de hulpofficier of er al dan niet een advocaat kon worden toegelaten. Omdat verzoeker niets wilde zeggen zonder advocaat was dit wenselijk. Om 10.15 uur belde de advocaat naar het politiebureau. Wij waren dus nog niet zover om de naam van de advocaat aan de echtgenote van verzoeker te vragen. Het probleem loste zichzelf op. Het zou overigens kunnen zijn dat verzoeker de naam van zijn advocaat door de spanning niet meer wist. De naam van de advocaat is (...). Collega (...) heeft om 10.20 uur de advocaat teruggebeld. De advocaat deelde aan mijn collega mee dat hij zo spoedig mogelijk naar het politiebureau zou komen. Hij arriveerde om ongeveer 10.55 uur bij het politiebureau. Na de komst van de advocaat heeft verzoeker een verklaring afgelegd. Om 14.30 uur heb ik overleg gevoerd met de hulpofficier van justitie, aangezien het er naar uitzag dat wij niet om 15.00 uur met het verhoor van verzoeker klaar zouden zijn. De hulpofficier van justitie heeft vervolgens aan verzoeker gevraagd of hij - vrijwillig - na 15.00 uur op het politiebureau wilde blijven om de door ons op schrift gestelde verklaring door te lezen en te ondertekenen. Na overleg met zijn advocaat deelde verzoeker mee dat hij daar geen bezwaar tegen had. Verzoeker maakte overigens na de komst van zijn advocaat geen problemen meer. Wij waren toch voor 15.00 uur klaar, te weten om 14.50 uur. Via een politieagent kon verzoeker het politiebureau verlaten. Uiteindelijk is deze zaak geseponeerd. (...). Op grond van de eerdergenoemde richtlijn ben je verplicht om in een geval als dit een onderzoek in te stellen. De officier van justitie is leider van het strafrechtelijk onderzoek. Nadat het strafrechtelijk vooronderzoek is afgerond en er een proces-verbaal is opgemaakt, is dezelfde officier van justitie degene die bepaalt of hij de zaak al dan niet verder in behandeling neemt. Dat is afhankelijk van een aantal zaken. De officier van justitie was in dit geval van mening dat verdere vervolging niets aan de zaak zou toevoegen. Mede gezien het feit dat verzoeker de schade had vergoed aan de SVB, heeft hij besloten tot sepot. Hij heeft deze beslissing kunnen nemen omdat het vooronderzoek was afgerond en er een proces-verbaal was opgemaakt. De parketsecretaris heeft nog wel een gesprek gehad met verzoeker omdat zowel de officier van justitie als de parketsecretaris van mening was dat verzoeker het onderzoek behoorlijk heeft gefrustreerd. Als laatste zou ik nog het volgende willen opmerken. Naar aanleiding van deze zaak werken wij nu in koppels met betrekking tot het uitreiken van ontbiedingsbrieven. Ik weet van mijzelf dat ik in deze zaak zorgvuldig heb gehandeld. Ik heb niet intimiderend tegen verzoeker opgetreden..."F.       VERKLARING ANDERE BETROKKEN SOCIAAL RECHERCHEURDe eerder bedoelde collega-sociaal rechercheur verklaarde in het kader van het onderzoek van de Nationale ombudsman op 21 mei 1999 het volgende:"...Ik ben al vanaf vrij in het begin bij deze zaak betrokken ben geweest. In het begin heb ik in deze zaak mijn collega voorzichtig wat bijgestaan. Na de zoveelste ontbieding van verzoeker ben ik met collega (...) naar het Arrondissementsparket te Utrecht gegaan. Collega (...) had nog nooit een bezoek aan het arrondissementsparket gebracht. Ik was daar wel eerder geweest. Ik kende de officier van justitie en zijn parketsecretaris. Collega (...) heeft deze zaak heel uitvoerig aan de officier van justitie en de parketsecretaris voorgelegd. De officier van justitie was van mening dat verzoeker aangehouden diende te worden. Na het gesprek op het arrondissementsparket hebben collega (...) en ik gesproken met de heer (...). Hij was destijds hulpofficier van justitie en als zodanig werkzaam bij de sociale recherche van de GSD te Utrecht. De heer (...) heeft ons uitgelegd hoe een aanhouding in zijn werk zou gaan. Hij stelde voor dat wij de aanhouding zouden doen. Collega (...) gaf aan dat zij het niet verstandig vond dat zij bij de aanhouding van verzoeker aanwezig zou zijn. Vervolgens is besloten dat (een andere sociaal rechercheur van de SVB; N.o.) en ik verzoeker zouden aanhouden met een glazen wagen op de achtergrond. Hiermee bedoelde (bedoelde hulpofficier; N.o.) dat er in de buurt van het huis van verzoeker politieagenten aanwezig zouden zijn voor het geval er tijdens de aanhouding iets mis zou gaan. Later hoorden wij dat het niet het beleid van de SVB was om zelf personen aanhouden. Als redenen werden onder meer gegeven dat de SVB daar geen ervaring mee en geen middelen voor had. Aan middelen denk ik aan handboeien en een vervoermiddel. Wij beschikken niet over dienstauto's. Wij zijn wel bevoegd om verdachten aan te houden, maar wij hebben daarvoor geen opleiding genoten. De politie van Nieuwegein zou verzoeker gaan aanhouden. De gemeente waarin verzoeker woonachtig is - (…) - valt namelijk onder het district Nieuwegein. Wij hebben met de hulpofficier van justitie overlegd. Wij bepaalden de dag en de politie het tijdstip waarop verzoeker zou worden aangehouden. Collega (..) en ik zijn niet bij de aanhouding van verzoeker aanwezig geweest. Om 08.30 uur hebben wij ons gemeld bij het politiebureau van Nieuwegein. Ik kan niet uit eigen wetenschap meedelen op welk tijdstip verzoeker is aangehouden. Volgens mij staat in het proces-verbaal van aanhouding vermeld dat zijn aanhouding om 06.00 uur heeft plaatsgevonden. Ik heb verzoeker voor het eerst op het politiebureau ontmoet. Ik ben ervan overtuigd dat collega (...) zich niet zal laten verlagen tot het gaan schreeuwen voor de deur van verzoeker, zoals verzoeker heeft verklaard. De situatie was voor collega (...) wel erg nieuw. Zij kwam van de afdeling beroepszaken. Zij werkt heel zorgvuldig. Zij maakt overal notities van. Dat komt in deze zaak zeker van pas. Collega (...) had de leiding tijdens het verhoor van verzoeker. Het verhoor liep bijzonder stroef. Van het verhoor hebben wij ook een zogenaamd proces-verbaal van sfeer opgemaakt. Verzoeker deelde mee dat hij zonder advocaat geen verklaring wilde afleggen. Hij wilde echter de naam van zijn advocaat niet noemen. Ik hoor dat u mij voorhoudt dat verzoeker heeft verklaard dat hij door de schrik van zijn aanhouding de naam van zijn advocaat niet kon noemen. Ik antwoord daarop dat ik aan verzoeker heb gevraagd de naam van zijn advocaat te noemen. Volgens mij zei hij: "De naam van mijn advocaat noem ik niet", althans woorden van gelijke aard of strekking. In ieder geval bleek daaruit dat hij de naam van zijn advocaat niet wilde noemen. Hij wilde ook niet roken, eten of drinken. Collega (...) en ik hebben toen overleg gevoerd met de dienstdoende hulpofficier van justitie. De hulpofficier van justitie was overigens niet bij het verhoor van verzoeker aanwezig. Wij hebben hem de situatie voorgelegd. De hulpofficier van justitie deelde mee dat wij een keuze konden maken; f de advocaat wel toelaten f geen advocaat toelaten maar dan een verhoor met een verdachte die niets wil zeggen. Op een gegeven moment heeft een advocaat telefonisch contact opgenomen met het politiebureau van Nieuwegein. Ik heb die advocaat vijf minuten later teruggebeld. Ik heb hem uitgelegd waarom het niet gebruikelijk is een advocaat bij het verhoor aanwezig te laten zijn. Uiteindelijk arriveerde de advocaat om 11.25 uur op het politiebureau. Om 11.35 uur is het verhoor in aanwezigheid van de advocaat voortgezet. Ook na de lunch is het verhoor voortgezet in aanwezigheid van de advocaat. Om ongeveer 14.30 uur waren wij met het verhoor klaar. Wij hebben aan verzoeker gevraagd of hij - op basis van vrijwilligheid - na 15.00 uur op het politiebureau wilde blijven om het door ons opgemaakte proces-verbaal van verhoor door te lezen en te ondertekenen. Verzoeker stemde daarmee in. U houdt mij voor dat collega (...) een opmerking over de schoenveters van verzoeker zou hebben gemaakt. Ik weet waar u het over heeft. Ik heb de hele zaak vooraf, tijdens en n het strafrechtelijk onderzoek uitvoerig besproken met collega (...). Ik kan mij die opmerking niet herinneren. De opmerking is echter zo concreet dat ik er niet van overtuigd ben dat die opmerking niet is gemaakt. De opmerking zal waarschijnlijk wel geplaatst zijn. Verzoeker zal dat verhaal niet verzonnen hebben. Als die opmerking gemaakt is, is dat niet gedaan om verzoeker te krenken..."

Beoordeling

.        INLEIDING In deze zaak gaat het om een onderzoek van de Sociale Verzekeringsbank, district Utrecht (SVB) met betrekking tot een AOW-kwestie. In de administratieve fase werd aan de SVB duidelijk dat verzoeker in de periode maart 1993 – mei 1995 een bedrag van ruim f 13.000 teveel aan AOW-toeslag had ontvangen. Op grond van de Richtlijn uitkeringsfraude (zie achtergond, onder 2.) dient in een geval waarbij een uitkeringsbedrag van meer dan f 12.000 teveel is uitbetaald, in beginsel een strafrechtelijke reactie te volgen. In deze zaak is een strafrechtelijk onderzoek ingesteld tegen verzoeker. De beslissing daartoe vloeide rechtstreeks voort uit genoemde richtlijn, en zal als zodanig niet door de Nationale ombudsman worden beoordeeld. Hieronder zal worden ingegaan op de verschillende punten van kritiek die verzoeker heeft geuit op de wijze waarop de betrokken sociaal rechercheurs van district Utrecht van de SVB invulling hebben gegeven aan dit strafrechtelijk onderzoek. II.      DE DUUR VAN HET STRAFRECHTELIJK ONDERZOEK 1. Verzoeker heeft er in de eerste plaats over geklaagd dat de betrokken sociaal rechercheurs van de SVB het strafrechtelijk onderzoek tegen hem onnodig lang hebben laten duren door niet overeenkomstig zijn verzoek contact op te nemen met zijn accountant. In dat verband wees hij er tevens op dat hij, om een correcte uitleg te kunnen geven over de desbetreffende zaak, zijn accountant diende te raadplegen.2. Uit de stukken is gebleken dat de SVB op 7 juni 1995 heeft besloten om de uitbetaling van de aan verzoeker toegekende toeslag op zijn AOW-pensioen op te schorten omdat verzoeker niet had voldaan aan het herhaalde verzoek om het inkomen van zijn echtgenote op te geven. In vervolg daarop werd de verzoeker per 1 maart 1993 toegekende toeslag bij besluit van 1 maart 1996 ingetrokken, en werd de aan hem over de desbetreffende periode toegekende toeslag van ruim f 13.000 teruggevorderd. In vervolg hierop werd, overeenkomstig het gestelde in de Richtlijn uitkeringsfraude (zie achtergrond, onder 2.), door de SVB een strafrechtelijk onderzoek ingesteld.3. De SVB verwees in haar reactie op de klacht naar een notitie van 4 maart 1999 van een van de betrokken sociaal rechercheurs, waarin deze had aangegeven dat het dossier van verzoeker na de administratieve procedure was overgedragen aan de afdeling sociale recherche voor het instellen van een strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek richtte zich op het vermoeden dat het werken van verzoekers echtgenote in verzoekers bedrijf niet op de voorgeschreven wijze aan de SVB was meegedeeld. Deze sociaal rechercheur wees er in haar notitie voorts op dat verzoeker in de administratieve fase niet had voldaan aan het herhaalde verzoek om een opgave te doen van het inkomen van zijn echtgenote. Daarnaast wees zij erop dat in het strafrechtelijk onderzoek zowel schriftelijk als telefonisch contact heeft plaatsgevonden met de accountant van verzoeker (zie bevindingen, onder C.2.1.).4. Uit de stukken is voorts gebleken dat de betrokken sociaal rechercheur eerst twee keer, te weten op 26 juli en op 5 augustus 1996, bij verzoeker is langs geweest om hem te ontbieden voor een verhoor op het kantoor van de SVB. Blijkens de door de betrokken rechercheur van haar bezoeken aan verzoeker opgestelde verslagen heeft verzoeker geen gehoor gegeven aan het herhaalde verzoek om te verschijnen op het kantoor van de SVB. In plaats daarvan heeft hij aangedrongen op schriftelijke vragen van de zijde van de SVB. Het daarop gegeven antwoord van de betrokken sociaal rechercheur, gedateerd 6 augustus 1996, dat het bij een strafrechtelijk onderzoek absoluut ongebruikelijk danwel onmogelijk is vragen schriftelijk aan de betrokkene voor te leggen, heeft evenmin geleid tot de vrijwillige komst van verzoeker naar het kantoor van de SVB. Een daarop volgend bezoek aan verzoeker, op 11 november 1996, bracht verzoeker evenmin op andere gedachten; hij weigerde de ontbiedingsbrief in ontvangst te nemen. Uiteindelijk kwam het pas op 28 januari 1997 tot een verhoor van verzoeker, nadat hij was aangehouden door de politie. Het strafrechtelijk onderzoek werd op 12 juni 1997 be indigd met een sepotbeslissing van de officier van justitie.5. In de notitie van de betrokken sociaal rechercheur van 4 maart 1999 is onder meer verwezen naar een verslag van een telefoongesprek dat op 12 november 1996 heeft plaatsgevonden tussen deze rechercheur en de accountant van verzoeker. Blijkens dit verslag heeft ook de accountant van verzoeker, in reactie op de mededeling dat de SVB hem in de zaak van verzoeker als getuige zou willen horen, aangegeven dat vragen schriftelijk aan hem konden worden gesteld (zie bevindingen, onder C.2.2.5.).6. Op grond van de resultaten van zijn onderzoek komt de Nationale ombudsman tot de slotsom dat de lange duur van het strafrechtelijk onderzoek voornamelijk is veroorzaakt door de opstelling van verzoeker. Hij heeft de voortgang van het strafrechtelijk onderzoek van de afdeling sociale recherche van de SVB gefrustreerd door niet te reageren op de oproepen voor een verhoor of op het verzoek om contact op te nemen met de afdeling sociale recherche. Voor de volledigheid wordt in dit verband opgemerkt dat het uiteraard aan de betrokken rechercheurs is om te bepalen hoe het strafrechtelijk onderzoek wordt ingericht en of vragen mondeling aan de betrokkene worden gesteld. Indien verzoeker van mening was dat hij voor het verstrekken van correcte informatie zijn accountant diende te raadplegen, had hij dat tijdens het verhoor naar voren kunnen brengen.7. Nog afgezien van het feit dat de betrokken sociaal rechercheur, anders dan verzoeker heeft gesteld, w l contact heeft opgenomen met verzoekers accountant, ziet de Nationale ombudsman geen reden de betrokken sociaal rechercheurs van de SVB op het punt van de duur van het onderzoek een verwijt te maken. Op dit onderdeel is de onderzochte gedraging behoorlijk. III.     HET VAAG HOUDEN VAN DE REDEN OM VERZOEKER TE WILLEN VERHOREN1. In de tweede plaats heeft verzoeker erover geklaagd dat de betrokken sociaal rechercheurs de reden waarom zij hem wilden verhoren opzettelijk vaag hebben gehouden. Volgens hem is hem niet vooraf duidelijk gemaakt wat de aard van het onderzoek van de SVB was of waarvan hij werd beschuldigd. In dat verband wees zijn gemachtigde er in de reactie op het commentaar van de SVB op dat door de betrokken sociaal rechercheur zo schimmig werd gedaan over de reden van het onderzoek, dat verzoeker zich uitermate bedreigd en ge ntimideerd voelde (zie bevindingen, onder D.2.).2. Volgens de betrokken sociaal rechercheur heeft zij bij verschillende gelegenheden aan verzoeker en aan verzoekers echtgenote duidelijk gemaakt om welke reden de SVB hen wilde horen, zonder daarbij al te diep in te gaan op de materie. Daarbij heeft zij onder andere aangegeven dat er sprake was van een strafrechtelijk onderzoek naar mogelijk gepleegde fraude. Blijkens het verslag dat deze sociaal rechercheur heeft gemaakt van haar bezoek aan verzoeker op 11 november 1996 heeft zij bij die gelegenheid aan verzoeker meegedeeld dat de AOW-kwestie strafrechtelijk werd bekeken omdat bepaalde informatie niet tijdig door verzoeker was verstrekt (zie bevindingen, onder C.2.2.4.).3. In het kader van het onderzoek van de Nationale ombudsman verklaarde deze betrokken sociaal rechercheur voorts dat in de ontbiedingsbrieven niet met zoveel woorden was aangegeven dat de betrokkene als verdachte zou worden gehoord, maar dat het wel gebruikelijk was dat dit werd meegedeeld bij de uitreiking van de ontbiedingsbrief. Of zij dit ook aan verzoeker had meegedeeld, kon zij zich niet meer herinneren. Overigens gaf zij aan dat de tekst van de ontbiedingsbrief inmiddels is gewijzigd in die zin, dat daarin nu wel is aangegeven dat het gaat om een verhoor als verdachte (zie bevindingen, onder E.). 4. Van opsporingsambtenaren mag worden verwacht dat zij geen enkel misverstand laten bestaan over de hoedanigheid waarin zij optreden, over de aard van hun onderzoek, alsmede over de status van de betrokkene tijdens dat onderzoek.5. Op grond van hetgeen over en weer is verklaard, is de Nationale ombudsman van oordeel dat door de betrokken sociaal rechercheur in dit opzicht voldoende duidelijkheid is gegeven aan verzoeker. Van meet af aan is aan verzoeker, door middel van de ontbiedingsbrieven, te kennen gegeven dat hij van doen had met een sociaal rechercheur en dat het ging om een onderzoek op grond van de AOW en het Wetboek van Strafrecht. Daarnaast is hem, zoals namens verzoeker is aangegeven in de reactie op het commentaar van de SVB (zie bevindingen, onder D.2.), door de betrokken sociaal rechercheur meegedeeld dat hij niet verplicht was mee te werken aan het onderzoek. In dat verband is mede van belang dat de strafrechtelijke fase volgde op de administratieve fase, waarin aan verzoeker was meegedeeld dat hij onjuiste gegevens had verstrekt danwel niet had voldaan aan de verplichting om wijzigingen in het inkomen binnen veertien dagen schriftelijk te melden aan de SVB. Omdat, zoals verzoekers gemachtigde in het aanvullend verzoekschrift heeft aangegeven (zie bevindingen, onder B.), aan verzoeker wel duidelijk was dat het ging om een toeslag op de AOW, had hij zich, k indien de betrokken sociaal rechercheur hem niet expliciet heeft meegedeeld dat hij als verdachte zou worden gehoord, kunnen en moeten realiseren dat hij als verdachte werd aangemerkt.6. Aan het vorenstaande doet niet af dat het beter was geweest indien in de ontbiedingsbrieven uitdrukkelijk was aangegeven dat verzoeker werd ontboden voor een verhoor waarin hij de status van verdachte had. De onderzochte gedraging is ook op dit punt behoorlijk. IV.      INTIMIDATIE VAN VERZOEKER1. Verzoeker heeft er in de derde plaats over geklaagd dat de betrokken sociaal rechercheurs hem hebben ge ntimideerd door hem agressief te bejegenen en door op de stoep voor zijn woning tegen hem te schreeuwen. Deze verwijten zijn geuit tijdens een gesprek tussen verzoekers gemachtigde en twee medewerkers van de SVB op 28 mei 1998 (zie bevindingen, onder A.15.).2. Vaststaat dat de bezoeken aan verzoekers woning steeds zijn afgelegd door n (vrouwelijke) sociaal rechercheur van de SVB. In zoverre kan deze grief van verzoeker uitsluitend deze sociaal rechercheur betreffen.3. Bedoelde sociaal rechercheur heeft van haar bezoeken aan verzoeker steeds een schriftelijk verslag gemaakt, waarin zij heeft aangegeven hoe deze bezoeken volgens haar zijn verlopen.4. Uit de door de betrokken sociaal rechercheur opgemaakte verslagen moet worden opgemaakt dat verzoekers verwijten op dit punt in het bijzonder betrekking hebben op het bezoek dat de rechercheur op 5 augustus 1996 aan verzoeker heeft gebracht. Blijkens dit verslag heeft verzoeker toen aangegeven dat hij het gedrag van de rechercheur intimiderend vond, en dat hij het gevoel had dat zij hem wilde bespringen.5. In bedoeld verslag heeft de betrokken sociaal rechercheur voorts aangegeven dat zij met overtuiging kan zeggen dat zij zich rustig en correct heeft gedragen (zie bevindingen, onder C.2.2.3.).6. In het kader van het onderzoek van de Nationale ombudsman heeft deze sociaal rechercheur nog een toelichting gegeven op de gang van zaken tijdens haar bezoek aan verzoeker op 5 augustus 1996 (zie bevindingen, onder E.). Onder meer heeft zij in dat verband verklaard dat zij zich rustig heeft gedragen en niet heeft geschreeuwd. Voorts heeft zij verklaard dat zij verzoeker op 5 augustus 1996 heeft verteld dat de officier van justitie tot zijn aanhouding zou kunnen besluiten indien hij niet vrijwillig naar het kantoor van de SVB zou komen. Dit had zij, zo verklaarde zij, niet gezegd om verzoeker te intimideren.7. In het kader van het onderzoek van de Nationale ombudsman liet verzoeker in reactie op de toelichting van de betrokken sociaal rechercheur weten dat hij zich ge ntimideerd had gevoeld door het feit dat schimmig werd gedaan over de reden van het onderzoek (zie bevindingen, onder D.2.). De houding van de sociaal rechercheur versterkte volgens verzoeker dit gevoel in niet geringe mate. Volgens verzoeker strookt het niet met de werkelijkheid dat de sociaal rechercheur zich rustig en correct heeft gedragen. In het algemeen kan volgens verzoeker over de houding van de sociale recherche worden gezegd dat er sprake was van een absolute weigering om de luisteren naar verzoeker.8. Het enkele feit dat verzoeker zich kennelijk ge ntimideerd heeft gevoeld door de opstelling van de betrokken sociaal rechercheur wil nog niet zeggen dat deze rechercheur zich onjuist tegenover verzoeker heeft gedragen. Gezien hetgeen op dit punt over en weer is verklaard, acht de Nationale ombudsman het niet aannemelijk dat de betrokken sociaal rechercheur verzoeker op 5 augustus 1996 agressief heeft bejegend en tegen hem heeft staan schreeuwen.9. Voor zover verzoeker heeft bedoeld dat hij zich ge ntimideerd heeft gevoeld doordat de betrokken sociaal rechercheur onvoldoende informatie heeft gegeven over de reden van het onderzoek, wordt verwezen naar hetgeen is overwogen onder III. Ook op dit onderdeel is de onderzochte gedraging behoorlijk.V.       DISPROPORTIONEEL HANDELEN1. Verzoeker heeft er in vierde plaats over geklaagd dat de afdeling sociale recherche van de SVB disproportioneel heeft gehandeld door hem door de politie van huis te laten halen, en door hem te verhoren.2. Het verhoor van verzoeker vloeide logischerwijs voort uit het feit dat tegen hem een strafrechtelijk onderzoek was begonnen. Aangezien dit strafrechtelijk onderzoek, zoals in de INLEIDING van deze beoordeling is aangegeven, wordt aangemerkt als een feit dat rechtstreeks voortvloeide uit de Richtlijn opsporingsfraude, bestaat er geen reden voor kritiek op de beslissing om verzoeker te verhoren.3. Uit het onderzoek van de Nationale ombudsman is voorts gebleken dat de betrokken sociaal rechercheurs aanvankelijk van plan waren verzoeker zelf aan te houden. Omdat het echter beleid is van de SVB om de politie te verzoeken de feitelijke aanhouding te verrichten, is afgestapt van het voornemen om verzoeker te laten aanhouden door medewerkers van de SVB.4. Als argumenten voor de inschakeling van de politie zijn onder andere genoemd het gegeven dat de SVB geen ervaring heeft met het verrichten van aanhoudingen, alsmede het feit dat de SVB niet beschikt over de daarvoor vereiste middelen (zie bevindingen, onder F.).5. Gezien de hiervoor bedoelde argumenten ziet de Nationale ombudsman geen reden voor kritiek op de beslissing verzoeker door de politie te laten aanhouden. In dat verband is mede van belang dat de betrokken rechercheur, blijkens haar verslag van haar bezoek aan verzoeker op 5 augustus 1996 (zie bevindingen, onder C.2.2.3.), verzoeker op genoemde datum heeft meegedeeld dat de kans bestond dat hij zou worden aangehouden en zou worden gehoord op het politiebureau indien hij geen gehoor zou geven aan het verzoek naar het kantoor van de SVB te komen. Ook op dit onderdeel is de onderzochte gedraging behoorlijk. VI.      DE OPMERKING OVER VERZOEKERS SCHOENVETERS1. In de vijfde plaats heeft verzoeker er over geklaagd dat de betrokken sociaal rechercheur tijdens het verhoor op het politiebureau op 28 januari 1997 tegen hem heeft gezegd: "Daar zit u dan met uw 69 jaar op het politiebureau zonder veters in uw schoenen".2. De betrokken sociaal rechercheur verklaarde in het kader van het onderzoek van de Nationale ombudsman dat zij zich niet meer kan herinneren dat zij iets over veters in verzoekers schoenen heeft gezegd. Zij wees er voorts op dat zij de situatie heel vervelend vond, en dat die situatie veel indruk op haar maakte. Zij voegde daar aan toe dat indien zij al iets heeft gezegd over verzoekers schoenveters, zij dat zeker niet heeft gedaan om verzoeker te intimideren (zie bevindingen, onder E.)3. Ook de andere sociaal rechercheur die aanwezig was bij het verhoor van verzoeker op 28 januari 1997 verklaarde in het kader van het onderzoek van de Nationale ombudsman dat hij zich niet kan herinneren dat zijn collega de bedoelde opmerking over verzoekers schoenveters heeft gemaakt. Omdat verzoeker op dit punt zo concreet was, achtte hij het echter waarschijnlijk dat de bedoelde opmerking is gemaakt. Hij voegde daar aan toe dat als die opmerking is geplaatst, dat niet is gedaan om verzoeker te krenken.4. Gezien hetgeen over en weer is verklaard, is het aannemelijk dat de betrokken sociaal rechercheur de door verzoeker beweerde opmerking over zijn schoenveters heeft gemaakt. De Nationale ombudsman is er op zichzelf van overtuigd dat de desbetreffende opmerking niet is gemaakt om verzoeker te intimideren of te kwetsen. Dit neemt niet weg dat deze opmerking beter niet gemaakt had kunnen worden. Gezien de ontstane situatie was het immers voorspelbaar dat een opmerking als deze verkeerd zou overkomen op verzoeker. In zoverre is de onderzochte gedraging niet behoorlijk. VII.     DE OPMERKING MET BETREKKING TOT HET WACHTEN OP DE KOMST VAN VERZOEKERS ADVOCAAT1. Verzoeker heeft er in de zesde plaats over geklaagd dat een van de betrokken sociaal rechercheurs tijdens het verhoor op 28 januari 1997 in reactie op zijn verzoek het verhoor door zijn advocaat te doen bijwonen tegen hem heeft gezegd dat niet op de komst van zijn advocaat kon worden gewacht.2. In het door de beide betrokken sociaal rechercheurs opgemaakte "proces-verbaal van sfeer" van 29 januari 1997 (zie bevindingen, onder C.2.5.2.) is in dit verband gesteld dat zij, in reactie op verzoekers mededeling dat hij verlangde dat zijn advocaat bij het verhoor aanwezig zou zijn, aan hem hebben uitgelegd dat de advocaat het verhoor mocht bijwonen, maar dat hij niets mocht zeggen. Verzoeker zou toen niets meer hebben willen zeggen.3. In het kader van het onderzoek van de Nationale ombudsman heeft de sociaal rechercheur die de leiding had over het verhoor, verklaard dat verzoeker bij de aanvang van het verhoor heeft gevraagd om een advocaat zonder de naam van zijn advocaat te noemen (zie bevindingen, onder E.). 4. De andere betrokken sociaal rechercheur verklaarde dat verzoeker heeft meegedeeld dat hij zonder advocaat geen verklaring wenste af te leggen, maar dat verzoeker de naam van zijn advocaat niet wilde noemen (zie bevindingen onder F.).5. In zijn aanvullend verzoekschrift alsmede in zijn reactie op het commentaar van de zijde van de SVB op zijn klacht heeft verzoeker laten weten dat een van de betrokken rechercheurs op zijn verzoek om een advocaat heeft gereageerd met de mededeling dat daar niet op kon worden gewacht, met daarbij de toevoeging dat verzoeker de zaak al lang genoeg had opgehouden (zie bevindingen, onder B. en onder D.5.). In zijn aanvullend verzoekschrift wees hij er in dat verband nog op dat de naam van zijn advocaat hem in de emotie van het moment was ontschoten. 6. Uit de stukken is voorts gebleken dat verzoekers advocaat, die kennelijk was gebeld door de echtgenote van verzoeker, omstreeks 10.15 uur naar het politiebureau heeft gebeld, en na overleg met een van de betrokken sociaal rechercheurs naar het politiebureau is gekomen. Na zijn aankomst op het politiebureau, omstreeks 11.25 uur, heeft hij het verdere verhoor van verzoeker bijgewoond.7. Ingevolge artikel 50, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft een raadsman vrije toegang tot de verdachte die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, zonder dat het onderzoek daardoor mag worden opgehouden (zie achtergrond, onder 1.).8. Aangezien in bedoeld wetsartikel met betrekking tot de vrije toegang van de raadsman tot de verdachte is bepaald dat het onderzoek daardoor niet mag worden opgehouden, hebben de betrokken sociaal rechercheurs in redelijkheid kunnen besluiten met het verhoor van verzoeker te beginnen zonder dat zijn advocaat aanwezig was. In dat verband is van belang dat verzoeker de cautie is gegeven, en dat dus aan hem de keuze was om buiten de aanwezigheid van zijn advocaat te antwoorden op de vragen die hem werden gesteld.9. Nu voorts vaststaat dat de betrokken sociaal rechercheurs op geen enkele wijze de komst van verzoekers advocaat naar het politiebureau of zijn aanwezigheid bij het verhoor van verzoeker hebben tegengewerkt, mist ook op dit punt verzoekers verwijt grond. Ook op dit onderdeel is de onderzochte gedraging behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van de afdeling sociale recherche van de Sociale Verzekeringsbank, district Utrecht, die wordt aangemerkt als een gedraging van de Sociale Verzekeringsbank te Amstelveen, is niet gegrond, behoudens voor wat betreft de opmerking over verzoekers schoenveters; op dat punt is de klacht gegrond. Met instemming is ervan kennisgenomen dat in de zogenoemde ontbiedingsbrieven thans uitdrukkelijk is aangegeven dat de geadresseerde wordt aangemerkt als verdachte.

Instantie: Sociale Verzekeringsbank

Klacht:

Opstelling sociaal rechercheurs tijdens strafrechtelijk onderzoek tegen verzoeker.

Oordeel:

Niet gegrond