1998/154

Rapport
Op 28 mei 1997 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van mevrouw B. te Hoeven, met een klacht over een gedraging van een ambtenaar en van de chef van het Korps landelijke politie. Naar deze gedragingen, die worden aangemerkt als gedragingen van de beheerder van het Korps landelijke politiediensten (de Minister van Justitie), werd een onderzoek ingesteld. Op grond van de door verzoekster verstrekte gegevens werd de klacht als volgt geformuleerd:Verzoekster klaagt erover dat een ambtenaar van het Korps landelijke politiediensten haar onheus heeft bejegend, toen hij haar op 30 januari 1997 verbaliseerde voor een verkeersovertreding. Voorts klaagt verzoekster over de wijze waarop de chef van Korps landelijke politiediensten haar klacht, die zij op 30 januari 1997 had ingediend, heeft afgedaan. Met name klaagt zij erover dat de korpschef:- bij de afdoening van haar klacht het punt van de bejegening door de betrokken ambtenaar op 30 januari 1997 niet heeft betrokken; - in de afdoeningsbrief het gesprek dat zij op 25 februari 1997 met de klachtbehandelaar heeft gehad onjuist heeft weergegeven.

Onderzoek

In het kader van het onderzoek werd de Minister van Justitie verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben. Daarnaast werd de betrokken politieambtenaar de gelegenheid geboden om commentaar op de klacht te geven. Hij maakte van deze gelegenheid geen gebruik. Vervolgens werd verzoekster in de gelegenheid gesteld op de verstrekte inlichtingen te reageren. Zij maakte van die gelegenheid geen gebruik. Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. De Minister van Justitie deelde mee zich met de inhoud van het verslag te kunnen verenigen. Verzoekster gaf binnen de gestelde termijn geen reactie.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:1. De feiten1.1. Een ambtenaar van het Korps landelijke politiediensten heeft verzoekster op 30 januari 1997 geverbaliseerd voor een verkeersovertreding.

Het aanvullend proces-verbaal dat de betrokken politieambtenaar, B., op 3 april 1997 naar aanleiding van deze overtreding opmaakte, luidt als volgt:"...De overtreding vond plaats op de noordelijke rijbaan van de rijksweg A 58, voor de afslag Bavel. Pas na de toerit Bavel zag ik aan de rijstijl van de verdachte dat zij mij had opgemerkt. Ik zag dat zij, met haar voertuig, naar de rechterrijstrook ging en snelheid verminderde. Het was niet mogelijk de verdachte te overtuigen van het gevaar van haar rijstijl. Ik heb nog getracht uit te leggen de reactiesnelheid en de benodigde afstand die zij moest houden van haar voorganger. Zij wist overal van, en die uitleg vond zij niet nodig. Ik heb mij, zoals gebruikelijk, voorgesteld door mijn naam en de dienst te noemen, waarbij ik werkzaam was, bij de staandehouding van de verdachte..."1.2. Op 30 januari 1997 diende verzoekster een klacht over het optreden van B. in bij de chef van het Korps landelijke politiediensten. In het kader van de klachtbehandeling sprak de klachtbehandelaar van de afdeling Zuid-West van dat korps op 20 februari 1997 met B. De klachtbehandelaar stelde de volgende verklaring van B. op schrift:"...Op 30 jan. 1997 reed ik als bestuurder van een politiemotor over de A 58 te Gilze Rijen in de richting Breda. Ik reed achter een personenauto die bestuurd werd door een mevrouw. Ik zag dat die bestuurster met een snelheid van circa 120 km per uur over een afstand van ongeveer 4 km plus minus 3 meter achter een voor haar rijdende personenauto bleef rijden. Nabij de bocht ter hoogte van Bavel reed zij van de linkerrijstrook naar de rechterrijstrook, kennelijk had zij mij toen voor het eerst gezien. Ik had namelijk gezien dat zij geen enkele keer in haar achteruitspiegel keek. Ik gaf haar een stopteken en hield haar staande. Ik maakte bekend wie ik was en deelde haar mede dat zij een proces-verbaal kreeg voor het niet voldoende afstand houden. Omdat er een gewoon proces-verbaal werd opgemaakt kreeg mevr. geen afschrift. Ik deelde dat haar ook mede. Ik was zeer zeker niet gestrest. Ik heb mevrouw nog geprobeerd duidelijk te maken hoe gevaarlijk haar rijgedrag was en ik trachtte haar ook gezien de korte afstand dat zij achter haar voorganger reed uit te leggen reactietijd remtijd enz. Daar had zij geen oren naar. Zij rekende in lichtsnelheid. Zij gaf mij aan dat ze sterren bestudeerde. Zij wist dat allemaal wel. Ik begrijp niet hoe mevr. er toe komt een klacht tegen mij in te dienen..."

Op 25 februari 1997 sprak de klachtbehandelaar met verzoekster. De klachtbehandelaar stelde de volgende verklaring van verzoekster op schrift:"...Nadat ik staande werd gehouden werd ik aangesproken door een politieman. Hij zei tegen mij: "U heeft nogal haast." Meteen flitste er door mijn hoofd dat is zeker de eerste keer dat deze politieman iemand staande houdt. De man kwam op mij gestrest over. Het verhaal dat ik niet in mijn binnenspiegel heb gekeken kan de politieman nooit hard maken. Hij kan dat nooit gezien hebben. Trouwens ik kijk niet eerder in mijn binnenspiegel dan wanneer ik het noodzakelijk vind. Bijvoorbeeld bij inhalen. Hij zei ook tegen mij: "Ik kan U niet bekeuren voor te snel rijden, maar ik ga U wel een bekeuring geven." Ik kan mij niet herinneren dat de politieman tegen mij gezegd heeft waarvoor ik een bekeuring kreeg. Ik begrijp ook niet waarom ik geen afschrift van de bekeuring kreeg. De politieman heeft mij dat ook niet verteld. Overigens rij ik zeer veilig; ik rijd ongeveerd 60.000 km per jaar. Ik kan mij niet herinneren dat ik te kort op mijn voorganger reed. Ik vond de rijwijze van de politieman gevaarlijk. Hij reed rechts achter/naast mij. Hij kan nooit gezien hebben dat ik te kort achter mijn voorganger reed. Om mij duidelijk te maken reactietijd, snelheid, hoeft voor mij niet, ik ben gewend heel snel te rekenen..."1.3. Naar aanleiding van onderzoek naar de klacht van verzoekster berichtte het hoofd van de afdeling Zuid-West de korpschef bij brief van 16 april 1997 als volgt:"...Met betrekking tot het gewraakte gedrag van brigadier B. constateer ik, dat de klacht is opgebouwd uit vier elementen:- het zich niet bekend maken van verbalisant aan klaagster; - de onduidelijkheid waarvoor sanctie wordt opgelegd; - geen uitleg geven aan het feit, dat geen afschrift van het proces-verbaal werd uitgereikt, terwijl klaagster daarnaar vroeg; - het nerveuze of gestreste gedrag van verbalisant. Tijdens een gesprek, wat de heer F. afnam, met (verzoekster; N.o.) heeft hij haar geconfronteerd met de verklaring van brigadier B., waarin bovenvermelde beschuldigingen worden ontkend.

In dit gesprek heeft de heer F. geprobeerd helderheid te brengen in de situatie en eventuele onvrede weg te nemen. (Verzoekster; N.o.) bleef echter bij haar verklaring. Alles overziend kom ik tot de conclusie, dat brigadier B. op zorgvuldige en correcte wijze zijn werk heeft verricht en ik kan geen reden vinden waarom (verzoekster; N.o.) zich zou moeten beklagen over het gedrag van brigadier B. (Verzoekster; N.o.) heeft kennelijk moeite om aangesproken te worden op haar rijgedrag. Ik vind de klacht(en) niet terecht. Alle moeite ten spijt is het de heer F. niet gelukt het geschil in der minne te schikken, hetgeen grotendeels te wijten is geweest aan de halsstarrige houding van (verzoekster; N.o.)..."1.4. Bij brief van 13 mei 1997 deelde de korpschef verzoekster het volgende mee:"...Naar aanleiding van uw klachtbrief van 30 januari 1997, heb ik een onderzoek doen instellen. Op 30 januari 1997 is proces-verbaal tegen u opgemaakt inzake het onvoldoende afstand houden. Omdat in deze geen sprake is van een overtreding die door middel van een kennisgeving ingevolge de wet Mulder kan worden afgedaan (de snelheid waarmee u reed was hoger dan 80 km/u), is u geen afschrift verstrekt. (...) In het onderzoek bent u in de gelegenheid gesteld uw klacht nader toe te lichten. Uit het gesprek dat u met de klachtonderzoeker heeft gehad en uit de verklaring van de betrokken medewerker zijn mij geen feiten of omstandigheden gebleken die erop duiden dat de betrokken medewerker niet tot zijn constatering van de overtreding kon komen, dan wel dat hij u onheus bejegend heeft. Gelet op het vorenstaande acht ik uw klacht derhalve ongegrond..."2. Het standpunt van verzoeksterVoor het standpunt van verzoekster wordt verwezen naar de klachtformulering onder

Klacht

. Ten aanzien van bejegening door de betrokken ambtenaar van het Korps landelijke politiediensten liet verzoekster het volgende weten:"...De klacht was en is dat de betrokken agent onjuist gehandeld heeft door zich niet kenbaar te maken en onduidelijk, nerveus, gestresst en/of agressief te gehandeld heeft. Tevens werd er geen bon overhandigd en deze werd ook niet ter plekke ingevuld..."3. Het standpunt van de Minister van JustitieIn reactie op verzoeksters klacht reageerde de Minister van Justitie bij brief van 7 november 1997 als volgt:"...De (...) klacht heeft in de eerste plaats betrekking op de onheuse bejegening van (verzoekster; N.o.) door de betreffende ambtenaar van het Klpd (Korps landelijke politiediensten; N.o.), toen hij haar op 30 januari 1997 verbaliseerde voor een verkeersovertreding. Voorts betreft de klacht het feit dat de korpschef bij de afdoening van de klacht van (verzoekster; N.o.) het gedeelte over de bejegening door de betrokken politieambtenaar op 30 januari 1997 niet heeft betrokken en het onjuist weergeven in de afdoeningsbrief van het gesprek dat (verzoekster; N.o.) op 25 februari 1997 heeft gehad met de klachtbehandelaar. Ten aanzien van het eerste punt merk ik op dat de verklaring van (verzoekster; N.o.) en de verklaring van de betrokken politieambtenaar, de heer B., elkaar op het punt van de bejegening volledig tegenspreken. Beiden geven een andere lezing van het gebeuren op 30 januari 1997. Uit de stukken kan onvoldoende worden vastgesteld dat (verzoekster; N.o.) op 30 januari 1997 door de heer B. daadwerkelijk onheus is bejegend. In dat licht kan ik mij verenigen met het oordeel van de korpschef dat de klacht over de bejegening ongegrond is. Uit de stukken (...) blijkt dat in het onderzoek naar de klacht van (verzoekster; N.o.) dat door de heer F. is gevoerd, wel degelijk aandacht is besteed aan het bejegeningsgedeelte. De korpschef van het Klpd maakt in de afdoeningsbrief van 13 mei 1997 melding van het gesprek dat op 25 februari 1997 heeft plaatsgevonden tussen (verzoekster; N.o.) en de klachtonderzoeker, de heer F. Voorts stelt de korpschef in de afdoeningsbrief dat uit dit gesprek en uit de verklaring van de betrokken politieambtenaar aan hem geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die erop duiden dat de beklaagde niet tot zijn constatering van de overtreding kon komen dan wel dat hij (verzoekster; N.o.) onheus zou hebben bejegend. Het feit dat op de verdere inhoud van het gesprek tussen (verzoekster; N.o.) en de heer F. in de afdoeningsbrief niet wordt ingegaan, betekent naar mijn mening echter niet dat er sprake is van een onjuiste weergave van het gesprek tussen (verzoekster; N.o.) en de heer F. op 25 februari 1997. Gelet op het vorenstaande acht ik de klacht van (verzoekster; N.o.) voor zover die betrekking heeft op de onheuse bejegening door de betrokken ambtenaar van het Klpd op 30 januari 1997, het

door de korpschef niet betrekken van de bejegening door de betrokken ambtenaar bij de afdoening van de klacht en de onjuiste weergave in de afdoeningsbrief van het gesprek dat (verzoekster; N.o.) heeft gehad met de klachtbehandelaar, ongegrond..."

Beoordeling

1. Ten aanzien van de klacht dat verzoekster onheus is bejegend door een ambtenaar van het Korps landelijke politiediensten1.1. Verzoekster klaagt er in de eerste plaats over dat zij door een ambtenaar van het Korps landelijke politiediensten onheus is bejegend, toen deze haar op 30 januari 1997 verbaliseerde voor een verkeersovertreding. Verzoekster heeft de bejegening van de betrokken ambtenaar in haar verzoekschrift omschreven als onduidelijk, nerveus, gestresst en/of agressief. Voorts had de betrokken ambtenaar zich volgens verzoekster niet kenbaar gemaakt.1.2. Naar aanleiding van de klacht die verzoekster op 30 januari 1997 indiende bij de chef van het Korps landelijke politiediensten sprak de klachtbehandelaar op 25 februari 1997 met verzoekster. De verklaring die de klachtbehandelaar naar aanleiding van dit gesprek opstelde (zie

Bevindingen

, onder 1.2.), vermeldt ten aanzien van de bejegening slechts dat de betrokken ambtenaar gestresst op verzoekster was overgekomen.1.3. Gestresst gedrag, zo hier al sprake van zou zijn, kan niet worden gekwalificeerd als een onheuse bejegening. Verzoekster heeft de overige gedragingen die zij in haar verzoekschrift naar voren heeft gebracht op geen enkele wijze nader toegelicht of onderbouwd. In die situatie wordt het ervoor gehouden dat de betrokken ambtenaar verzoekster op correcte wijze heeft bejegend. De onderzochte gedraging is op dit punt behoorlijk.2. Ten aanzien van de klacht dat de korpschef bij de afdoening van verzoeksters klacht niet het punt van de bejegening door de betrokken ambtenaar heeft betrokken2.1. Voorts klaagt verzoekster erover dat de korpschef bij de afdoening van verzoeksters klacht geen aandacht heeft besteed aan het punt van de bejegening van verzoekster door B.2.2. In zijn afdoeningsbrief van 13 mei 1997 deelde de korpschef verzoekster mee dat hem uit het gesprek dat verzoekster met de klachtbehandelaar had gehad, en uit de verklaring van de betrokken ambtenaar geen feiten of omstandigheden waren gebleken die erop duidden dat de betrokken ambtenaar verzoekster onheus had bejegend.2.3. Hoewel de korpschef in de genoemde brief niet weergeeft wat verzoekster en B. tijdens de gesprekken met de klachtbehandelaar ten aanzien van de bejegening door B. naar voren hebben gebracht, kan uit de tekst van de brief niet anders worden geconcludeerd dan dat de korpschef zich op basis van deze gesprekken een oordeel heeft gevormd over de bejegening door B. Dit oordeel is, gelet op hetgeen hiervoor onder 1.3. is overwogen, juist. De onderzochte gedraging is op dit punt behoorlijk. 3. Ten aanzien van de klacht dat de korpschef het gesprek van 25 februari 1997 onjuist heeft weergegeven3.1. Ten slotte klaagt verzoekster erover dat de korpschef het gesprek dat zij op 25 februari 1997 met de klachtbehandelaar heeft gehad, onjuist heeft weergegeven in zijn afdoeningsbrief van 13 mei 1997.3.2. Zoals hierboven onder 2.3. al is overwogen, heeft de korpschef in de betreffende brief niet weergegeven wat verzoekster in het gesprek van 25 februari 1997 over de bejegening door B. heeft verklaard. Hij heeft volstaan met de constatering dat verzoekster in de gelegenheid is gesteld om haar klacht nader toe te lichten. Wat hier ook van zij, verzoekster kan niet worden gevolgd in haar stelling dat de korpschef daarmee de inhoud van het gesprek niet juist heeft weergegeven. De onderzochte gedraging is op dit punt eveneens behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van een ambtenaar van het Korps landelijke politiediensten, welke gedraging wordt aanmerkt als een gedraging van de beheerder van het Korps landelijke politiediensten (de Minister van Justitie), is niet gegrond. De klacht over de onderzochte gedraging van de korpschef van het Korps landelijke politiediensten, die wordt aangemerkt als een gedraging van de beheerder van het Korps landelijke politiediensten (de Minister van Justitie), is niet gegrond.

Instantie: ambtenaar Korps landelijke politiediensten

Klacht:

Verzoekster onheus bejegend toen hij haar verbaliseerde voor verkeersovertreding.

Oordeel:

Niet gegrond

Instantie: chef Korps landelijke politiediensten

Klacht:

Wijze waarop klacht is afgedaan.

Oordeel:

Niet gegrond