2022/091 GBLT schiet tekort in uitleg afwijzing kwijtschelding

Rapport

Mevrouw De Jong* vraagt GBLT of zij de aanslag gemeente- en waterschapsbelasting niet hoeft te betalen (kwijtschelding). Maar GBLT wijst dit verzoek af, omdat mevrouw een auto bezit die meer waard is dan is toegestaan. Volgens de regels krijg je geen kwijtschelding als je een auto hebt die meer dan € 2.269 waard is. Mevrouw De Jong vindt dat de auto in verband met de medische situatie van haar zoon absoluut onmisbaar is (als bedoeld in artikel 12.2 c van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990). In dit artikel staat uitgelegd dat als de belastingplichtige goed kan uitleggen dat de auto absoluut onmisbaar is, in het verband met invaliditeit, de auto niet als vermogen meetelt. De Nationale ombudsman onderzoekt de zaak en vraagt GBLT om te reageren op de klacht.

GBLT legt uit dat een auto alleen absoluut onmisbaar is als de persoon waar het om gaat zich niet (of niet zonder grote beperkingen) met ander vervoer kan verplaatsen. Volgens GBLT gaat het dan vaak om een auto die op een handicap is aangepast (omgebouwd). In dat geval wordt de waarde van de auto niet meegerekend in de beoordeling van het kwijtscheldingsverzoek. Een auto die niet is omgebouwd, valt volgens GBLT niet onder de uitzondering uit de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990. De auto van mevrouw De Jong is niet omgebouwd, waardoor de auto volgens GBLT niet absoluut onmisbaar is. Wel heeft GBLT eigen regels/werkinstructies. Daarin staat dat, bij een verklaring van een arts of bij een invalideparkeerkaart, de auto maximaal € 4.538 waard mag zijn. De auto van mevrouw De Jong is € 13.000 waard en dus boven die maximale waarde. GBLT vindt dat mevrouw De Jong haar zoon ook met ander vervoer of een goedkopere auto kan verplaatsen.  

De Nationale ombudsman vindt de uitleg van GBLT, over wanneer een auto wel of niet absoluut onmisbaar is in verband met invaliditeit, te beperkt. De bedoeling van de regelgeving is dat de waarde van de auto niet meetelt in een situatie waarin iemand goed kan uitleggen dat de auto absoluut onmisbaar is in verband met invaliditeit. Door een auto die niet is omgebouwd per definitie niet als 'absoluut onmisbaar' te beoordelen en dus de waarde volledig mee te laten tellen, doet GBLT geen recht aan de bedoeling van deze uitzondering. Om een beoordeling te kunnen maken moet er telkens opnieuw gekeken worden naar de specifieke feiten en omstandigheden van het geval.
De Nationale ombudsman vindt ook dat de waarde van de auto alleen een rol kan spelen als deze echt buiten proportie is. In de regelgeving staat namelijk niet dat een auto een bepaalde maximale waarde mag hebben als deze absoluut onmisbaar is. Het GBLT vindt dat zij met de eigen regels coulanter zijn dan de regelgeving, maar de Nationale ombudsman ziet dat anders. Ook vindt hij het opmerkelijk dat de eigen regels/werkinstructies van GBLT niet bekend zijn voor burgers.

Met de beperkte uitleg van GBLT over de regelgeving vindt de Nationale ombudsman dat GBLT tekort is geschoten in het maken van een goede afweging in de specifieke situatie van mevrouw De Jong. De klacht van mevrouw De Jong is gegrond en de Nationale ombudsman doet de aanbeveling aan GBLT om opnieuw naar het verzoek om kwijtschelding te kijken.

* Niet de echte naam

Instantie:

Klacht:

Mevrouw is het niet eens met de afwijzing van de GBLT op haar verzoek om kwijtschelding. Ze vindt dat haar auto vanwege de medische situatie van haar zoon onmisbaar is. Daarom zou de auto niet moeten worden meegerekend als vermogen.

Oordeel:
Gegrond
Publicatienummer
2022/091