2019/062 onderzoek naar een klacht over de informatieverstrekking door het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen

Instantie
CBR
Rapportnummer
2019/062
Rapport

Verzoeker klaagt er namens zijn zoon over dat het CBR bij hem de verwachting heeft gewekt dat de uitkomst van de strafrechtelijke procedure invloed zou hebben op het besluit een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (EMG) op te leggen (verder te noemen de maatregel).

De zoon van verzoeker heeft de maatregel opgelegd gekregen vanwege het begaan van drie overtredingen in het verkeer. Naast de opgelegde maatregel moest de zoon zich ook verantwoorden voor de strafrechter. Verzoeker verzocht het CBR om de maatregel op te schorten in afwachting van de uitslag van de strafrechtelijke procedure. Het CBR deelde verzoeker mee dat het dossier werd gepauzeerd totdat verzoeker meer duidelijkheid had in de strafzaak. Het CBR heeft de uitvoeringskosten van de maatregel aan verzoeker terugbetaald. Ook schreef het CBR verzoeker dat ook de opleggingskosten worden terugbetaald wanneer het strafrechtelijk traject uitwijst dat de maatregel niet in stand kan blijven.
Daarnaast stelde verzoeker beroep in tegen het opleggen van de maatregel. Hij trok dit beroep in toen het CBR uitstel van de uitvoering van de maatregel verleende. Het CBR heeft het griffierecht aan verzoeker terugbetaald.

De kantonrechter heeft anderhalf jaar na het opleggen van de maatregel de zoon van verzoeker voor één van de overtredingen een geldboete opgelegd. Voor een ander feit is hij vrijgesproken en aan de derde overtreding is door het Openbaar Ministerie geen gevolg gegeven.
Het CBR stelde zich op het standpunt dat in zijn algemeenheid de uitkomst van een strafrechtelijke procedure geen invloed heeft op besluiten in het bestuursrechtelijk traject van de vorderingsprocedure.

De Nationale ombudsman constateert dat alle informatie en handelingen van het CBR tot dan toe bij verzoeker de indruk hebben gewekt dat de uitkomst van de strafrechtelijke procedure wél van invloed zou zijn. Hierdoor is verzoeker op het verkeerde been gezet en is het begrijpelijk dat hij andere verwachtingen had. Het CBR heeft zich onvoldoende gerealiseerd welke verwachtingen verzoeker heeft gekregen door de opeenstapeling van informatie en handelingen. Het CBR had meer moeten stilstaan bij de verwachtingen die dit wekte.

De Nationale ombudsman is daarom van oordeel dat het CBR onvoldoende heeft uitgelegd wat haar handelen betekende en wat verzoeker in de toekomst kon verwachten. De Nationale ombudsman is van oordeel dat het CBR in strijd met het vereiste van goede informatieverstrekking heeft gehandeld. De onderzochte gedraging is daarom niet behoorlijk.

Instantie:

Klacht:

verzoeker klaagt er namens zijn zoon over dat het CBR bij hem de verwachting heeft gewekt dat de uitkomst van de strafrechtelijke procedure invloed zou hebben op het besluit een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (EMG) op te leggen.

Oordeel:
Gegrond