2019/061 Klacht over minister van Justitie en Veiligheid inzake het toepassen van de bevoegdheid om Nederlandse nationaliteit af te nemen

Rapportnummer
2019/061
Rapport

Verzoeker, advocaat, klaagt er namens zijn cliënt X. over dat de voormalige minister van Veiligheid en Justitie tegen een journalist heeft gezegd dat hij de bevoegdheid om een uitgereisde jihadist zijn Nederlandse nationaliteit af te nemen, heeft toegepast terwijl de heer X. nog niet was gehoord over het voornemen daartoe. De beeldopnamen van deze mededeling van de minister werden op 22 augustus 2017 ‘s avonds tijdens het NOS acht uur journaal uitgezonden.

Hij klaagt er ook over dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en het toenmalige Ministerie van Veiligheid en Justitie hem niet snel antwoord gaven op de vraag of de minister op 22 augustus 2017 bij het doen van de uitspraak op zijn cliënt X. had gedoeld.

Verzoeker werd na de uitzending door de media benaderd met de vraag of de minister had gesproken over X. X. ondervond stress van de mogelijkheid dat het om hem zou kunnen gaan. Het leek er voor hem op alsof de minister het besluit al had genomen om hem zijn Nederlanderschap af te nemen. Maar de procedure daarover liep nog. De ochtend na de uitzending vroeg verzoeker de IND of het zijn cliënt betrof. De IND verwees hem naar het ministerie, en het ministerie antwoorde dat verzoeker juist antwoord zou krijgen van de IND. Op 24 augustus 2017 in de middag antwoordde de IND verzoeker dat het inderdaad X. betrof.

De minister liet in reactie op de klacht weten dat zijn uitlatingen op het NOS journaal gezien moesten worden in het licht van beantwoording van Kamervragen die diezelfde periode waren gesteld. De minister had daarop geantwoord dat hij een voornemen tot intrekking van het Nederlanderschap had uitgebracht (geen besluit).

Daarnaast vond de minister het tijdsbestek van anderhalve dag tussen de vraag van verzoeker en het antwoord daarop van de IND niet onredelijk lang.

Wat vindt de Nationale ombudsman?

De ombudsman twijfelt er niet aan dat de uitingen van de minister inderdaad zo waren bedoeld als in de beantwoording van de Kamervragen. Het uiten van een voornemen tot intrekking van de Nederlandse nationaliteit valt namelijk onder het inzetten van de bevoegdheid om iemand het Nederlanderschap af te nemen. De woorden van de minister waren dus niet onjuist. De ombudsman acht deze klacht niet gegrond.

Wel begrijpt de ombudsman dat de gekozen bewoording tot verwarring leidde over de vraag of het hier ging om X. en of zijn Nederlanderschap nu al was ingetrokken.

De uitingen van de minister in de media betreffen een voor X. persoonlijk en belangrijk onderwerp dat hem rechtstreeks raakt, namelijk zijn Nederlandse nationaliteit. De ombudsman is van oordeel dat in zo'n situatie de persoon om wie het gaat daarover vooraf door de overheid wordt geïnformeerd. Mogelijke verwarring over wat die uitingen betekenen wordt op die manier voorkomen. Ook kan iemand zich voorbereiden op eventuele vragen van de media hierover.

Als informeren vooraf niet mogelijk is, dan moet dit tegelijk met of direct na het doen van de uitlatingen gebeuren. Op die manier had de verwarring bij X. meteen kunnen worden weggenomen. Het is schrijnend dat ook nadat verzoeker zelf op zoek ging naar een antwoord op zijn vragen, hem niet gelijk duidelijkheid werd gegeven en de IND en het ministerie naar elkaar verwezen.

De onderzochte gedraging is niet behoorlijk wegens schending van het vereiste van goede informatieverstrekking.

Instantie:

Klacht:

minister van Veiligheid en Justitie heeft tegen een journalist gezegd dat hij de bevoegdheid om een uitgereisde jihadist zijn Nederlandse nationaliteit af te nemen, heeft toegepast terwijl verzoeker nog niet was gehoord over het voornemen daartoe.

 

 

Oordeel:
Niet gegrond

Instantie:

Klacht:

IND en toenmalige ministerie van Veiligheid en Justitie hebben advocaat van verzoeker niet snel antwoord gegeven op de vraag of de minister op 22 augustus 2017 bij het doen van de uitspraak op zijn cliënt had gedoeld.

Oordeel:
Gegrond