2017/071 Politie Midden-Nederland houdt vrouw onnodig lang op politiebureau vast

Rapportnummer
2017/071
Rapport

Verzoekster was aan het werk in een kledingwinkel. Op een gegeven moment kwam bij de meldkamer van de politie een melding binnen. dat verzoekster die dag geld uit de kassa zou hebben achterover gedrukt. Na haar aanhouding, werd verzoekster overgebracht naar het politiebureau alwaar zij werd voorgeleid aan een hulpofficier van justitie en in verzekering gesteld. Vervolgens nam de politie contact op met de aangeefster die benadrukte dat er sprake was van een kastekort. Op de dagen daarna werd door de politie verhoord. Zij werd op de derde dag pas 's middags in vrijheid gesteld. Dezelfde dag besloot het Openbaar Ministerie om de aangifte tegen verzoekster te seponeren met code 01 (ten onrechte als verdachte aangemerkt).

Verzoekster klaagde erover dat politieambtenaren van de regionale politie eenheid Midden-Nederland haar ten onrechte hadden aangehouden en in verzekering gesteld. Verzoekster klaagt er verder over dat zij onevenredig lang op het politiebureau had vastgezeten. Tenslotte klaagde verzoekster erover dat de politiechef van de eenheid Midden-Nederland, overeenkomstig het advies van de politieklachtencommissie van de eenheid Midden-Nederland, haar klacht over de aanhouding en inverzekeringstelling niet-ontvankelijk had verklaard.

De Nationale ombudsman achtte verzoeksters klachten over de aanhouding en (duur van de) inverzekeringstelling gegrond. Gelet op de geringe ernst van het feit, het verduisteren van twee maal €19,95, de persoon van de verdachte (verzoekster was first offender en haar identiteit was bekend) en haar ter plaatse meewerkende houding, achtte de Nationale ombudsman het niet proportioneel dat verzoekster direct werd aangehouden, en later die avond in verzekering werd gesteld. Hij was daarom van oordeel dat de politie had gehandeld in strijd met het evenredigheidsvereiste.

Te slotte was de Nationale ombudsman van oordeel dat verzoekster niet had geklaagd over beslissingen waarover overleg was geweest met een officier van justitie, Er was dus geen sprake van beslissingen die door een officier van justitie zelf waren genomen, waarbij de politie feitelijk als uitvoerder van die beslissingen had opgetreden. In het geval van verzoekster kon de officier van justitie daarom niet als verantwoordelijke overheidsinstantie in de zin van artikel 9:2 Awb worden aangemerkt. Om die reden had de politiechef de klacht over de rechtmatigheid van de aanhouding en inverzekeringstelling moeten beoordelen. Door dit niet te doen, had zij gehandeld in strijd met het vereiste van fair play.

Instantie: Politie Midden-Nederland

Klacht:

verzoekster ten onrechte aangehouden en in verzekering gesteld

Oordeel:
Gegrond

Instantie: Politie Midden-Nederland

Klacht:

duur inverzekeringstelling

Oordeel:
Gegrond

Instantie: Politie Midden-Nederland

Klacht:

klacht over de rechtmatigheid van de aanhouding en de inverzekeringstelling niet-ontvankelijk verklaard

Oordeel:
Gegrond