2013/061: Vrouw klaagt dat strafzaak geseponeerd is onder onjuiste sepotcode

Rapportnummer
2013/061
Rapport

In vervolg op een rechtshulpverzoek van Turkije zag het OM reden om in 2007 een zelfstandig strafrechtelijk te starten omdat het vermoeden bestond dat er vanuit Turkije in Nederland grote sommen geld waren witgewassen. Het onderzoek richtte zich op een trustkantoor en vijf natuurlijke personen: twee waren ten tijde van de vermeende strafbare gedragingen bestuurder bij dat trustkantoor, twee waren toen in dienst als procuratiehouder en één, verzoekster, was toen als notarieel medewerker (jurist) werkzaam voor een gerenommeerd advocaten- en notariskantoor dat voor het trustkantoor had gewerkt. Verzoeksters woning werd doorzocht en zij werd aangehouden en in verzekering gesteld. Na drie dagen oordeelde de rechter-commissaris dat de inverzekeringstelling niet onrechtmatig was, maar de vordering tot inbewaringstelling werd afgewezen.

Toen de rechtbank Rotterdam in 2008 een verzoekschrift 'einde zaak' van twee van de verdachten had toegewezen en Turkije inmiddels het rechtshulpverzoek had ingetrokken, besloot het OM dat het niet langer zinvol was om de andere verdachten verder te vervolgen. De strafzaak tegen verzoekster werd geseponeerd met toepassing van sepotcode 20 (anders dan strafrechtelijk ingrijpen prevaleert) en de zaak wed overgedragen aan de Nederlandsche Bank NV (toezichthouder in het kader van de Wtt). Verzoekster diende daarover bij het OM een klacht in. In 2009 concludeerde het Landelijk Parket dat sepotcode 20 niet juist was en wijzigde dat in 02 (wettig en overtuigende bewijs ontbreekt).

Verzoekster was van mening dat de sepotcode had moeten worden gewijzigd in 01 (ten onrechte als verdachte aangemerkt) en diende daarover in 2010 een klacht in bij de Nationale ombudsman.

In het kader van het onderzoek naar de klacht werd aan het College van procureurs-generaal gevraagd waarom verzoekster – als enige buitenstaander – als verdachte was aangemerkt en niet de personen onder wier verantwoordelijkheid zij toen werkzaam was. Eind 2011 besloot het OM aanvullend onderzoek te doen en in 2012 werd aan een hoogleraar Deontologie en geschiedenis van het notariaat gevraagd of de werkzaamheden van verzoekster konden worden aangemerkt als normale handelingen binnen de notarispraktijk.

De ingeschakelde deskundige kwam in zijn advies onder meer tot de conclusie dat het meer voor de hand had gelegen om verzoeksters baas, de notaris, te verdenken. Desondanks kwam de minister eind 2012 tot de conclusie dat er geen aanleiding was om de sepotcode te wijzigen omdat vervolging van de notaris niet zou betekenen dat verzoekster onschuldig was.

De Nationale ombudsman stelt vast dat verzoekster niet in een positie was om gevraagde diensten buiten haar meerderen om te weigeren. Zij had zelfs expliciet gevraagd of zij de activiteiten ten behoeve van de Turkse hoofdverdachte moest voortzetten. Hiermee is verzoeksters onschuld voldoende aannemelijk geworden. Door de strafvervolging te beëindigen met sepotcode 02 heeft het OM gehandeld in strijd met her vereiste van goede motivering.

De minister wordt in overweging gegeven te bevorderen dat aan verzoekster een nieuwe sepotbeslissing wordt uitgereikt waarbij rekening wordt gehouden met de overwegingen in dit rapport.

Instantie: Hoofdofficier van justitie bij het Landelijk Parket te Rotterdam

Klacht:

sepotcode 20 (ander dan strafrechtelijk ingrijpen prevaleert) gewijzigd in sepotcode 02 (onvoldoende bewijs), terwijl er volgens verzoekster geen enkele reden was om haar als verdachte aan te merken in verband waarmee de sepotcode moet worden gewijzigd in 01 (ten onrechte als verdachte aangemerkt).

Oordeel:
Gegrond