2001/149

Rapport

Verzoekers klagen over de lange duur van de behandeling door de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie (IND) van hun bezwaarschriften van 11 maart 1999 tegen het niet inwilligen van hun aanvragen om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf.

Beoordeling

1. Termijnen in het bestuursrecht zijn voor belanghebbenden doorgaans fatale termijnen. Uit een oogpunt van een op dit punt na te streven gelijkheid tussen overheid en burger en van de geloofwaardigheid van de overheid behoren bestuursorganen zich evenzeer strikt gebonden te achten aan wettelijke voorschriften inzake voor hen geldende termijnen. Dit geldt te meer wanneer de desbetreffende wettelijke voorschriften (enige) ruimte bieden voor het verlengen van de duur van de besluitvorming.

2. Het voorgaande betekent dat de behandeling van bezwaarschriften dient plaats te vinden binnen de wettelijk gestelde termijnen. De Staatssecretaris van Justitie dient ingevolge artikel 7:10, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb; zie Achtergrond), te beslissen binnen zes, dan wel in geval een adviescommissie is ingesteld, binnen tien weken na ontvangst van het bezwaarschrift. Op grond van het derde lid van artikel 7:10 Awb kan de beslissing voor ten hoogste vier weken worden verdaagd. De IND dient van deze verdaging schriftelijk mededeling te doen aan de indiener van het bezwaarschrift. Verder uitstel is op grond van het vierde lid van artikel 7:10 Awb alleen mogelijk met instemming van de indiener.

3. Op 11 maart 1999 dienden verzoekers, afkomstig uit Centraal Irak, bezwaarschriften in tegen de afwijzende beslissing van de Staatssecretaris van Justitie op hun aanvragen om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf. Zij klagen over de lange duur van de behandeling door de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie (IND) van hun bezwaarschriften. Op 30 maart 1999 motiveerden verzoekers hun bezwaren nader. De wettelijke termijn voor de behandeling van de bezwaarschriften ging op dat moment in. De Staatssecretaris van Justitie had derhalve uiterlijk op 8 juni 1999 op de bezwaarschriften moeten beslissen. Op het moment dat de Staatssecretaris reageerde op de klacht, 5 februari 2001, had de Staatssecretaris nog geen beslissing genomen. Niet is gebleken dat de IND schriftelijk mededeling heeft gedaan over de verdaging, noch dat verzoekers zijn benaderd over verder uitstel en daarmee hebben ingestemd. Hiermee is de wettelijke termijn van artikel 7:10 Awb ruimschoots overschreden.

4. In haar reactie op de klacht gaf de Staatssecretaris van Justitie aan dat de reden van de lange duur van de behandeling onder meer was gelegen in het feit dat aanvankelijk was gewacht op een advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) aangaande de medische situatie van verzoeker, welk advies - naar abusievelijk was verondersteld - op 28 mei 1999 zou zijn aangevraagd. De Staatssecretaris liet weten dat op 9 juni 2000 alsnog advies was gevraagd aan het BMA, en dat het BMA bij nota van 5 september 2000 het gevraagde advies had uitgebracht.

5. Doordat het BMA als gevolg van een kennelijke omissie pas in juni 2000 - een jaar na het verstrijken van de beslistermijn - daadwerkelijk om een medisch advies is verzocht heeft de behandeling van de aanvragen onnodig ernstige vertraging opgelopen. De Staatssecretaris gaf in haar reactie tevens aan dat eerder naar aanleiding van een klacht van verzoekers bij brief van 22 mei 2000 abusievelijk was toegezegd dat binnen vier weken na ontvangst van het advies van het BMA een beslissing zou worden genomen. Volgens de Staatssecretaris kon op dat moment niet beslist worden, omdat gewacht wordt op een ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse zaken ten aanzien van - bepaalde categorieën van - asielzoekers afkomstig uit Centraal Irak. De Staatssecretaris deelde mee dat dit ambtsbericht in februari 2001 werd verwacht. Aan de hand van dit ambtsbericht, zo liet de Staatssecretaris weten, zou daarna zo spoedig mogelijk worden bezien of er aanleiding bestond haar beleid ten aanzien van de categorie asielzoekers waartoe ook verzoekers behoren, aan te passen. De Staatssecretaris zegde nogmaals toe dat binnen vier weken na bekendmaking van haar nadere beleidsstandpunt een beslissing zou worden genomen.

6. Het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken waarop was gewacht, had betrekking op de veiligheidssituatie in Noord-Irak voor bepaalde bevolkingsgroepen.

Het te vormen beleid van de Staatssecretaris naar aanleiding van het ambtsbericht had met name betrekking op de mogelijkheden voor asielzoekers uit die bevolkingsgroepen tot eventuele terugkeer naar Irak. Voor zover de Staatssecretaris van mening was dat dit beleid van belang was voor de te nemen beslissing op het bezwaarschrift van verzoekers, bijvoorbeeld omdat op grond daarvan kon worden vastgesteld of zij zich eventueel zouden kunnen vestigen in Noord-Irak, dan hadden verzoekers moeten worden verzocht om instemming met uitstel van de beslissing, onder vermelding van de redenen voor dat uitstel. Nu dit niet is gebeurd, en de Staatssecretaris niettemin geen beslissing heeft genomen, terwijl tevens sprake is geweest van ernstige onnodige vertraging in de behandeling, is bepaald onjuist gehandeld.

De onderzochte gedraging is niet behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie (IND), die wordt aangemerkt als een gedraging van de Minister van Justitie, is gegrond.

Onderzoek

1. Op 28 april 2000 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de familie Z. te Alkmaar, ingediend door mevrouw mr. E.P.A. Zwart te Beverwijk, met een klacht over een gedraging van de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie (IND). Verzoekers klaagden over de lange duur van de behandeling door de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie (IND) van hun bezwaarschriften van 11 maart 1999 tegen de afwijzende beslissing op hun aanvragen om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf.

2. De Nationale ombudsman stuurde de klacht op 4 mei 2000 ter behandeling door naar de IND. Bij brief van 22 mei 2000 deelde de IND de gemachtigde van verzoekers onder meer mee dat er ten onrechte van was uitgegaan dat het Bureau Medische Advisering (BMA) op 28 mei 1999 om het in deze zaak noodzakelijke geachte advies was gevraagd aangaande de medische situatie van verzoeker. De IND liet weten dat verzoeker bij brief van 19 mei 2000 was verzocht om binnen twee weken de bijgevoegde toestemmingsverklaring ingevuld en ondertekend te retourneren, en dat na ontvangst van deze verklaring het BMA zou worden verzocht met spoed advies uit te brengen. Tevens zegde de IND toe dat binnen vier weken na ontvangst van het advies van het BMA, dat naar verwacht binnen tien weken zou worden uitgebracht, een beslissing zou worden genomen.

3. Namens verzoekers werd bij brief van 27 oktober 2000 opnieuw een klacht ingediend bij de Nationale ombudsman omdat nog geen beslissing was genomen op hun bezwaarschriften.

4. Op 31 oktober 2000 legde een medewerkster van het Bureau Nationale ombudsman de klacht telefonisch voor aan de IND met de vraag of in deze zaak een oplossing in het vooruitzicht kon worden gesteld. De IND deelde op 7 november 2000 mee dat het advies van het BMA op 7 september 2000 was ontvangen, maar dat alvorens een beslissing op de bezwaarschriften kon worden genomen, het beleidsstandpunt van de Staatssecretaris van Justitie ten aanzien van asielzoekers afkomstig uit Centraal Irak moest worden afgewacht.

5. Naar aanleiding daarvan werd het onderzoek naar de gedraging van de IND, die wordt aangemerkt als een gedraging van de Minister van Justitie, schriftelijk voortgezet.

In het kader van het onderzoek werd de Minister van Justitie verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen.

De Staatssecretaris van Justitie deelde mee zich met de inhoud van het verslag te kunnen verenigen.

De gemachtigde van verzoeker gaf binnen de gestelde termijn geen reactie.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:

A. feiten

1. Verzoekers, afkomstig uit Centraal Irak, dienden op 11 maart 1999 bezwaarschriften in tegen de afwijzende beslissing op hun aanvragen om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf.

2. Naar aanleiding van een ter zake bij de Nationale ombudsman ingediende klacht van verzoekers (zie Onderzoek) zegde de Staatssecretaris van Justitie bij brief van 22 mei 2000 toe dat binnen vier weken na ontvangst van het - abusievelijk nog aan te vragen - advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) aangaande de medische situatie van verzoeker, een beslissing op de bezwaarschriften zou worden genomen.

3. Bij nota van 5 september 2000 bracht het BMA advies uit.

4. Op 7 november 2000 deelde de IND naar aanleiding van een interventie van de Nationale ombudsman mee dat alvorens een beslissing kon worden genomen, het beleidsstandpunt van de Staatssecretaris van Justitie inzake asielzoekers afkomstig uit Centraal Irak moest worden afgewacht.

B. Standpunt verzoekers

Voor het standpunt van verzoekers wordt verwezen naar de klachtformulering onder Klacht.

C. Standpunt Staatssecretaris van Justitie

In reactie op de klacht, en op de bij de opening van het onderzoek gestelde vragen deelde de Staatssecretaris van Justitie bij brief van 5 februari 2001 onder meer het volgende mee:

"Bij nota van 28 mei 1999 is advies gevraagd bij het Bureau Medische Advisering (BMA), echter in de inhoud zijn abusievelijk verkeerde personalia en een foutief dossiernummer weergegeven.

Naar aanleiding van een ingediende klacht d.d. 27 april 2000 door verzoekers gemachtigde betreffende de behandelingsduur van de ingediende bezwaarschriften, is op 18 mei 2000 telefonisch contact opgenomen met het BMA, waarbij door het BMA is aangegeven dat de adviesaanvraag naar (verzoeker; No) aldaar niet bekend is. Vervolgens is betrokkene op 22 mei 2000 gevraagd om een toestemmingsverklaring te ondertekenen ten behoeve van een - nieuw - advies aan het BMA. Op dezelfde datum is verzoekers gemachtigde naar aanleiding van haar klacht schriftelijk bericht dat er ten onrechte vanuit is gegaan dat het BMA op 28 mei 1999 om advies was gevraagd. Hiernaast is meegedeeld dat aan (verzoeker; No) een toestemmingsverklaring is gezonden en dat na retournering hiervan advies zal worden gevraagd aan het BMA. Ten slotte is toegezegd dat er binnen vier weken na ontvangst van het advies een beslissing op het bezwaarschrift zal worden genomen.

Vervolgens is bij brief van 30 mei 2000 de toestemmingsverklaring geretourneerd en is op 9 juni 2000 per faxbericht advies gevraagd aan het BMA. Op 18 juli 2000 is verzoekers gemachtigde middels een tussenbericht geïnformeerd dat gerappelleerd is bij het BMA, waarbij is meegedeeld dat het BMA nog niet van alle behandelaars de medische informatie heeft ontvangen en dat de bedoelde behandelaars voor de tweede maal zijn benaderd. Vervolgens is bij nota d.d. 5 september 2000 door het BMA geadviseerd.

Op 31 oktober 2000 informeert één van uw medewerkers middels een telefonische interventie naar de stand van zaken betreffende de beslissing op de bezwaarschriften.

In antwoord hierop is op 7 november 2000 telefonisch meegedeeld dat het advies van het BMA op 7 september 2000 is ontvangen, maar dat in afwachting van het te bepalen beleidsstandpunt ten aanzien van asielzoekers afkomstig uit Centraal Irak nog geen beslissing op de bezwaarschriften kan worden genomen. Hiernaast is meegedeeld dat na de bekendmaking van bedoeld beleidsstandpunt binnen vier weken een beslissing op de bezwaarschriften zal worden genomen.

(…)

Bij brief van 18 juli 2000 is aan verzoekers gemachtigde een tussenbericht verstuurd.

(…)

Helaas is bij brief van 22 mei 2000 abusievelijk toegezegd dat binnen vier weken na ontvangst van het advies van het BMA een beslissing zou worden genomen, nu op dat moment niet beslist kon worden in afwachting van het hiervoor genoemde in te nemen beleidsstandpunt. Hierbij bied ik mijn excuses aan voor het feit dat deze toezegging abusievelijk is gedaan.

(…)

Naar aanleiding van nieuwe jurisprudentie is besloten om zaken van Turkmenen, Chaldeeuwse christenen, Assyrische christenen en Koerden uit Centraal-Irak weer te behandelen. Ten aanzien van de overige zaken - hetgeen ook de onderhavige zaak betreft - wordt gewacht op een ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, dat in februari van dit jaar in concept wordt verwacht. Aan de hand van dat ambtsbericht zal daarna zo spoedig mogelijk worden bezien of er aanleiding bestaat het huidige beleid, met name voor de laatst genoemde categorie overige zaken, aan te passen.

(…)

Zoals ik in antwoord op de telefonische interventie d.d. 7 november 2000 heb meegedeeld, zal ik binnen een termijn van vier weken na bekendmaking van een nadere beleidsstandpunt een beslissing nemen op de bezwaarschriften. In het kader van een zorgvuldige behandeling van de bezwaarschriften hecht ik er zeer aan het bovengenoemd ambtsbericht en het daarna in te nemen beleidsstandpunt af te wachten.

De klacht gericht tegen de lange behandelingsduur van de bezwaarschriften van 11 maart 1999, acht ik gegrond, nu het niet mogelijk is gebleken om hierop binnen de wettelijke termijn een beslissing te nemen. De redenen voor deze vertraging zijn opgenomen in de beantwoording van uw vragen."

Achtergrond

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 7:10

1. Het bestuursorgaan beslist binnen zes weken of - indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 is ingesteld - binnen tien weken na ontvangst van het bezwaarschrift.

(…)

3. Het bestuursorgaan kan de beslissing voor ten hoogste vier weken verdagen. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan.

4. Verder uitstel is mogelijk voor zover de indiener van het bezwaarschrift daarmee instemt en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad of ermee instemmen.

Instantie: Immigratie- en Naturalisatiedienst

Klacht:

Lange behandelingsduur van bezwaarschriften tegen het niet-inwilligen van hun aanvraag om toelating als vluchteling en om verlening van vergunning tot verblijf.

Oordeel:

Gegrond