2019/003 Reservistenbeleid onderzocht en aangepast mede dankzij onderzoek Veteranenombudsman

Een getraumatiseerde reservist klaagt bij terugkomst uit Afghanistan bij de Veteranenombudsman over het feit dat de integriteitscommissie van het ministerie van Defensie geen onderzoek doet naar zijn melding over pestgedrag en Defensie zijn klachten niet oppakt. Dit en de slechte begeleiding van deze veteraan had als gevolg dat niet alleen zijn veiligheid, maar ook die van anderen in het geding zijn gekomen. Het herhaaldelijk aandringen op behandeling van de klachten door de Veteranenombudsman heeft er mede toe geleid dat het reservistenbeleid bij de Groep Luchtmacht Reserve (GLR) nader is onderzocht en dat een aantal wijzigingen is doorgevoerd.

Instantie: ministerie van Defensie

Klacht:

Groep Luchtmacht Reserve heeft niets gedaan met het dringende SMT-advies van 14 december 2011 van de voorzitter SMT van Air Task Force 18, althans niet tot december 2014

Oordeel: gegrond

Instantie: ministerie van Defensie

Klacht:

Groep Luchtmacht Reserve, hield, in ieder geval tot eind 2014, geen zicht op en had geen aandacht voor de situatie van verzoeker terwijl hij wel als reservist bleef deelnemen aan het jaarlijkse oefenprogramma, waaronder ook oefeningen met bewapening, en zijn medische geschiedenis bekend mocht worden geacht.

Oordeel: gegrond

Verzoeker werd in september 2011 als reservist op een tijdelijk beroepscontract uitgezonden naar Afghanistan. Daar werd hij op het basiskamp in Khandahar ingezet als timmerman en beveiliger. Op het kamp werd hij veelvuldig geconfronteerd met onder andere (dreiging van) raketaanvallen en zelfmoordaanslagen. Daarnaast was er sprake van een aantal incidenten met een collega die beroepsmilitair was.

Terug in Nederland gaat het bergafwaarts met verzoeker: herbelevingen, slecht slapen, destructieve gedachten en steeds meer problemen om normaal te functioneren. De integriteitsorganisatie van Defensie besloot geen onderzoek te doen naar zijn melding van pesterijen. Daarnaast werden zijn klachten niet in behandeling genomen. Hierop deed verzoeker melding bij de Veteranenombudsman.

Ondanks het doorzenden van de klacht van verzoeker aan Defensie op grond van het vereiste van kenbaarheid werd de klacht niet behandeld. Op meerdere malen rappelleren door medewerkers van de Veteranenombudsman, werden alleen feitelijke, summiere antwoorden gegeven op vragen. De Klachtenregeling Defensie 2016 werd niet gevolgd, waardoor een onderzoek en oordeel over de klachten van verzoeker uitbleven.

Alles overziend is de Veteranenombudsman van mening dat er onvoldoende zicht is geweest op het daadwerkelijke functioneren van verzoeker na terugkomst in Nederland, ondanks eerdere berichtgeving over hem vanuit het uitzendgebied. Met als gevolg dat er nauwelijks sprake is geweest van een gerichte begeleiding van verzoeker in de eerste jaren na repatriëring uit Afghanistan.

Verzoeker wist niet welke weg hij kon bewandelen of waar hij met vragen terecht kon. De Veteranenombudsman vindt het zorgwekkend dat signalen van verzoeker lange tijd niet gezien of herkend werden door het kader van de GLR en de betrokken medische diensten. Hiervoor is geen eenduidige verklaring gegeven door Defensie. Feit is wel dat verzoeker nog langere tijd deelnam aan bewapende oefeningen en schietoefeningen. Gelet op de psychische staat van verzoeker in de periode na de uitzending had deze situatie op zijn minst voorkomen moeten worden, niet alleen voor de veiligheid van verzoeker maar ook voor de veiligheid van anderen.

De Veteranenombudsman is van oordeel dat de minister van Defensie heeft gehandeld in strijd met het vereiste van betrouwbaarheid gelet op de bijzondere zorgplicht van Defensie naar veteranen.

 

INSTEMMING

Met instemming heeft de Veteranenombudsman bij brief van 21 september 2017 van de minister van Defensie vernomen dat de klacht van verzoeker er mede toe heeft geleid dat het reservistenbeleid bij de GLR nader is onderzocht en dat een aantal wijzigingen is doorgevoerd. Zo is er een selectieprocedure ingesteld voorafgaande aan een uitzending. In deze procedure worden reservisten na hun individuele aanmelding voor een uitzending beoordeeld op hun inzetbaarheid. Ook wordt nu voorafgaand aan elke uitzending een SMT bijeengeroepen om de reservisten die aangewezen zijn voor de missie te bespreken en mogelijke situaties als in dit rapport beschreven vroegtijdig te onderkennen.

KLACHT

Verzoeker was in het dagelijks leven werkzaam als timmerman. Daarnaast was hij reservist bij de Koninklijke Luchtmacht. Als reservist in de rang van sergeant wordt hij in 2011 uitgezonden naar Afghanistan. Tijdens de missie trekken de vele raketinslagen op het kamp en de intensieve werkzaamheden een zware wissel op hem. Daarnaast voelt verzoeker zich als reservist tussen beroepsmilitairen een buitenbeentje en is mikpunt van pesterijen. Het Sociaal Medisch Team (SMT) in het uitzendgebied stuurt een brief aan de commandant in Nederland dat er zorgen zijn over verzoeker.

Terug in Nederland gaat het bergafwaarts met verzoeker: herbelevingen, slecht slapen, destructieve gedachten en steeds meer problemen om normaal te functioneren. In 2015 besluit verzoeker dit te melden. De integriteitsorganisatie van Defensie besloot geen onderzoek te doen naar zijn melding van pesterijen. Daarnaast werden zijn klachten door Defensie niet in behandeling genomen. Hierop deed verzoeker melding bij de Veteranenombudsman. In juli 2017 opende de Veteranenombudsman een onderzoek naar de klachten van verzoeker:

1. Verzoeker klaagt erover dat de Groep Luchtmacht Reserve van het Ministerie van Defensie niets heeft gedaan met het dringende SMT-advies van 14 december 2011 van de voorzitter SMT van Air Task Force 18, althans niet tot december 2014.

2. Verder klaagt verzoeker erover dat de Groep Luchtmacht Reserve, in ieder geval tot eind 2014, geen zicht hield op, en geen aandacht had voor de situatie van verzoeker terwijl hij wel als reservist bleef deelnemen aan het jaarlijkse oefenprogramma, waaronder ook oefeningen met bewapening, en zijn medische geschiedenis bekend mocht worden geacht.

BEVINDINGEN

Hieronder worden in vogelvlucht alle relevante gebeurtenissen geschetst. Daarna worden de specifieke klachten onder de 'visie van verzoeker' en 'visie van het Ministerie van Defensie' nader uiteengezet.

1. Verzoeker was sinds 2000 als reservist actief bij de Groep Luchtmacht Reserve (verder GLR) van Defensie. Hij werd in september 2011 als reservist met een tijdelijk beroepscontract uitgezonden naar Afghanistan. Daar werd hij op het basiskamp in Khandahar ingezet als timmerman en beveiliger. Op het kamp werd hij veelvuldig geconfronteerd met onder andere (dreiging van) raketaanvallen en zelfmoordaanslagen. Daarnaast was er sprake van een aantal incidenten met een collega die beroepsmilitair was. Incidenten die door verzoeker als pesterijen werden ervaren. Van één incident waarbij hij geslagen werd met een waszak deed verzoeker melding bij de Koninklijke marechaussee (verder KMar) op het kamp. De KMar ging met verzoeker in gesprek over de melding, maakte foto's van de verwonding die verzoeker in het gezicht opliep bij dat incident, maar stelde uiteindelijk geen rapport op.

2. Verzoeker sprak over de incidenten met onder andere zijn leidinggevenden, de senior medical officer en de geestelijk verzorger op het kamp. Door de pesterijen was zijn zelfbeeld negatief geworden en vormde hij een gevaar voor zichzelf en anderen. Uitlatingen van verzoeker in die gesprekken waren voor de voorzitter van het Sociaal Medisch Team (verder SMT) op het kamp aanleiding om een SMT-rapport met een advies op stellen. Ten behoeve van het rapport adviseerde de arts dringend om verzoeker voorafgaand aan een eventuele vervolguitzending psychologisch te laten toetsen.

3. De voorzitter van het SMT op het kamp stuurde het rapport met het advies van de arts op 14 december 2011 naar de commandant van de GLR en de Voorzitter SMT Groep Luchtmachtreserve in Nederland. In de begeleidende brief schreef hij dat hij het advies van de arts overnam. Verder gaf hij aan dat hij de afweging om verzoeker al in een eerder stadium of voorafgaand aan een uitzending aan een dergelijk onderzoek te onderwerpen, ter beoordeling van het SMT van de GLR in Nederland overliet. Hij vroeg de commandant GLR om daartoe alvast de benodigde acties tijdig in gang te zetten, en de brief met het advies op te nemen in het personeelsdossier van verzoeker.

4. De commandant van verzoeker in het missiegebied besluit, mede op advies van het SMT, om hem eerder terug te sturen naar Nederland. Medio november 2011 vindt repatriëring van verzoeker naar Nederland plaats. Een paar dagen na zijn thuiskomst, ontving verzoeker een brief van het Dienstencentrum Bedrijfsmaatschappelijk Werk van Defensie met het verzoek een afspraak te maken voor het reguliere terugkeergesprek na uitzending.

5. Het terugkeergesprek vond plaats op 26 januari 2012. Verzoeker vertelde de maatschappelijk werker van Defensie dat het beter was geweest voor iedereen als hij was omgekomen in Afghanistan. Deze en andere verontrustende uitlatingen tijdens het gesprek over zijn gemoedstoestand waren voor de maatschappelijk werker aanleiding om hem met spoed door te verwijzen naar de Militaire Geestelijke Gezondheidszorg (verder MGGZ).

6. Na een jaar ambulante behandeling, waaronder Eye Movement Desensitization and Reprocessing (EMDR) therapie werd verzoeker door de MGGZ voor verdere behandeling van zijn ptss-klachten doorverwezen naar een civiele specialistische instelling voor ambulante forensisch psychiatrische behandeling. Defensie vergoedde zijn vervoerskosten. De behandeling bij deze instelling werd medio 2016 beëindigd. Daarna is verzoeker voor verdere behandeling teruggegaan naar de MGGZ.

7. Na zijn terugkeer uit Afghanistan was verzoeker niet meer in staat te werken. Door een reorganisatie verloor hij omstreeks februari 2012 zijn baan als timmerman bij zijn civiele werkgever. Na een jaar Werkloosheidsuitkering kwam hij vanwege zijn klachten alsnog in de Ziektewet terecht. Na een keuring werd verzoeker arbeidsongeschikt verklaard.

8. Na terugkeer in Nederland bleef verzoeker actief als reservist bij de GLR. Hij ging mee op oefeningen, waaronder ook bewakings- en schietoefeningen. Over de brief die de voorzitter van het SMT op het kamp op 14 december 2011 aan de Commandant GLR had gestuurd, werd niet gesproken met hem.

9. In 2013 deed verzoeker een aanvraag voor een Militair invaliditeitspensioen (MIP) en een Draaginsigne Gewonden (DIG). Hij wilde erkenning voor zijn situatie en hetgeen hem was overkomen in Afghanistan. Verzoeker trok zijn MIP-aanvraag echter in toen hem duidelijk werd dat de medische keuring, die noodzakelijk is om een MIP-aanvraag te kunnen beoordelen, ertoe zou kunnen leiden dat hij uitzendongeschikt en daarmee dienstongeschikt zou worden verklaard. Dat zou betekenen dat hij niet meer zou kunnen dienen als reservist. Zijn DIG-aanvraag werd in september 2013 afgewezen omdat de oorzaak van zijn psychische klachten niet direct gerelateerd zou zijn aan oorlogshandelingen.

10. Toen verzoeker eind 2014 een nieuwe commandant bij de GLR kreeg, bracht verzoeker deze majoor in een kennismakingsgesprek op de hoogte van zijn situatie waarbij hij aangaf dat het al een tijd niet goed ging met hem. Begin 2015 had verzoeker nog een informeel gesprek met de luitenant. De luitenant vond een uitspraak van verzoeker over een incident thuis zo verontrustend dat hij daarover de majoor informeerde. Deze deed navraag bij de civiele instelling waar verzoeker eerder onder behandeling was geweest. De instelling wilde zonder de toestemming van verzoeker echter geen informatie geven. De nieuwe commandant wilde weten of verzoeker nog wel geschikt was voor het werk als militair reservist. In 2016 werd verzoeker door Bureau Medische Beoordelingen (verder BMB) van Defensie opgeroepen voor een keuring.

11. In februari 2016 liet de GLR aan verzoeker weten het voornemen te hebben de vergoeding van de reiskosten naar zijn afspraken bij de civiele behandelinstelling te beëindigen, omdat onduidelijk was of er wel sprake was van dienstgerelateerde klachten. Van het ABP, uitvoerder Bijzondere regelingen Defensie, ontving verzoeker bericht dat ook zijn eigen risico niet meer zou worden vergoed ten aanzien van deze behandelingen.

12. Na de keuring kreeg verzoeker in juli 2016 bericht dat hij dienstongeschikt zou worden verklaard met dienstverband-aandoening. Desondanks werd hij door de GLR nogmaals opgeroepen voor oefeningen. Op 26 november 2016 had verzoeker zijn laatste oefening. In juni 2017 is verzoeker ontslagen als reservist.

Visie verzoeker

13. Verzoeker voelt zich in de steek gelaten door Defensie. In het uitzendgebied heeft hij meerdere malen zijn leidinggevenden verteld over de pesterijen. Verzoeker kreeg de indruk dat de 'dader' van de pesterijen de hand boven het hoofd werd gehouden, omdat het een 54-jarige beroepsmilitair betrof die vlak voor zijn functioneel-leeftijdontslag zat. Volgens verzoeker heeft dit bijgedragen aan een voor hem onveilige werkomgeving tijdens de missie en een deuk in zijn vertrouwen in de organisatie.

14. Verzoeker stelt dat de GLR zich meer om hem als uitgezonden reservist had moeten bekommeren. Niet alleen toen hij bij de MGGZ onder behandeling was, maar ook nadat hij voor specialistische behandeling werd doorverwezen naar een instelling buiten Defensie. Door dat na te laten had verzoeker het gevoel dat hij er alleen voorstond met de vragen die hij had over zijn situatie. Duidelijkheid over zijn rechten en plichten had kunnen bijdragen aan zijn herstel, aldus verzoeker. Volgens verzoeker was er bij de GLR geen protocol ten aanzien van reservisten die met klachten terugkeren van een uitzending. Dit had hij vernomen van het hoofd P&O GLR na zijn overdracht aan het Dienstencentrum re-integratie.

15. Ook vraagt verzoeker zich af of zijn tijdelijk contract als beroepsmilitair wel beëindigd had mogen worden, gezien zijn behandeling bij de MGGZ kort na zijn terugkeer uit Afghanistan. Daarbij steekt het verzoeker dat de GLR voornemens was de vergoeding van zijn reiskosten naar de civiele behandelinstelling stop te zetten, omdat volgens de GLR niet duidelijk was of zijn klachten wel dienstgerelateerd waren. Ook een opmerking dat de GLR tot dan toe goed werkgeverschap had getoond door zijn kosten te vergoeden, staat volgens verzoeker haaks op zijn beleving. Ondanks het SMT rapport van 14 december 2011 én zijn behandeling bij zowel de MGGZ als de civiele behandelinstelling voelde verzoeker vanuit de GLR weinig aandacht voor zijn situatie.

Onderzoeksvragen Veteranenombudsman

De Veteranenombudsman stelde in zijn opening van het onderzoek op 7 juli 2017 de minister van Defensie de volgende vragen:

Ten aanzien van de situatie van verzoeker:

1. Bent u bekend met de brief met SMT-advies van 14 december 2011 van de voorzitter SMT van Air Task Force 18?

Kunt u aangeven wanneer de brief met advies vanuit Afghanistan is ontvangen en wat er toen mee is gedaan?

Is deze brief opgenomen in het personeelsdossier, zoals door de voorzitter SMT S1 ATF werd verzocht? Als de brief niet in het personeelsdossier werd opgenomen, hoe en wanneer kwam de brief met advies dan weer in beeld bij de GLR-leidinggevenden?

2. Was bij de GLR-leiding bekend dat verzoeker bij de MGGZ in behandeling was, en daarna voor verdere behandeling naar een civiele GGZ instelling was doorverwezen? Zo ja, op welk moment was dat?

Bestond er ten tijde van de terugkeer van verzoeker in Nederland een protocol bij de GRL voor dit soort zaken? Wat was toen de gebruikelijke procedure bij een opname/behandeling door de MGGZ, wie informeert wie? Is die procedure voor een reservist anders dan voor een beroepsmilitair? Is er voor een reservist een verplichting om bepaalde zaken zelf te melden, en zo ja, om wat voor zaken gaat het dan? Is daar vanuit de GLR controle op?

Als er nog geen protocol bestond, is dan inmiddels een protocol opgesteld?

3. Kunt u aangeven hoe de vergoeding van de (behandel- en reis)kosten van verzoeker in elkaar steekt? Op welke grond werd/wordt tot vergoeding overgegaan, en door wie?

4. Op welk moment heeft kennis van het feit dat verzoeker onder behandeling was, dan wel het feit dat verzoeker vergoedingen ontving voor behandeling geleid tot vragen over zijn inzetbaarheid als reservist? Of was daarvoor een andere aanleiding?

5. Zijn er, sinds de casus van verzoeker, andere reservisten geweest die met (psychische) klachten terugkwamen van hun uitzending? Zo ja, hoe zijn die gevallen opgepakt?

Ten aanzien van de behandeling van de klacht van verzoeker:

6. Welke stappen zijn er gezet, nadat de klacht van verzoeker op 21 november 2016 voor formele klachtbehandeling door de Veteranenombudsman aan Defensie werd doorgestuurd? Is er contact opgenomen met verzoeker om te achterhalen waarop zijn klacht concreet ziet?

Visie Ministerie van Defensie

De minister gaf op 21 september 2017 de volgende reactie op de vragen van de ombudsman.

16. Zij liet weten bekend te zijn met de brief van 14 december 2011. De brief is op
28 december 2011 naar Nederland gestuurd en werd op 6 januari 2012 ontvangen, ingeboekt en verstuurd naar de commandant GLR. De brief is destijds niet opgeslagen in het personeelsdossier van verzoeker. Door functiewisseling is ook niet meer te achterhalen wat de reden daarvan is. In het digitale postsysteem is niet te achterhalen wanneer de commandant GLR de brief in ontvangst heeft genomen. De brief is recent opgevraagd bij het archief in Rijswijk en alsnog op 16 augustus 2017 aangeboden aan de commandant GLR.

17. Bij de GLR was bekend dat verzoeker direct na het terugkeergesprek door BMW doorverwezen is naar de MGGZ. In februari 2013 is verzoeker door de MGGZ doorverwezen naar een specialistische psychiatrische behandelinstelling. Volgens de minister heeft verzoeker tijd en ruimte gekregen om de MGGZ te bezoeken, zoals blijkt uit de door hem ingediende reiskosten. Het was bij de GLR-leiding echter niet bekend voor welke aandoening verzoeker behandeld werd. Het is aan de betrokken militair/reservist om te bepalen of hij daar uitspraken over doet. Verzoeker heeft de GLR-Ieiding nooit geïnformeerd over zijn aandoening.

18. De uitgezonden militair krijgt zes tot negen maanden na de uitzending een uitnodiging om een digitale vragenlijst 'Nazorgonderzoek' in te vullen. Deze uitnodiging heeft verzoeker op 16 mei 2012 ontvangen. Naar aanleiding van de antwoorden op deze vragen hebben maatschappelijk werk en een arts contact gehad met verzoeker. Hij heeft desgevraagd laten weten dat hij al in behandeling was bij de MGGZ waarop besloten werd dat er op dat moment geen rol voor hen was weggelegd.

19. Op basis van artikel 93, lid 1, AMAR is een militair in werkelijke dienst (waaronder de reservist) die wegens ziekte geheel of gedeeltelijk verhinderd is dienst te verrichten, verplicht de commandant daarvan in kennis te stellen. De reservist wordt geacht de GLR tijdig op de hoogte te stellen van zaken die van invloed kunnen zijn op zijn inzet als reservist. De regelgeving die ten tijde van de uitzending van verzoeker van toepassing was, is gelijk aan de huidige regelgeving.

20. In zijn algemeenheid neemt Defensie de behandelkosten op zich, zo stelt de minister. De reiskosten kunnen gedeclareerd worden middels het digitaal indienen van een verzoek. Dit verzoek wordt voorgelegd aan de leidinggevende van betrokken declarant. Na goedkeuring door de leidinggevende vindt uitbetaling plaats.

21. Verzoeker heeft in de periode van 10 februari 2012 tot 3 december 2013, volgens afspraak de dienstreizen digitaal aangeboden aan zijn toenmalige leidinggevende. Defensie kan niet verklaren waarom deze destijds niet zijn uitbetaald. In een later stadium is dit gecorrigeerd door de toenmalige commandant GLR en heeft alsnog uitbetaling plaatsgevonden door tussenkomst van de personeelsdienst. Alle later ingediende dienstreizen zijn door verzoeker op de juiste wijze digitaal aangeboden en door Defensie uitbetaald.

22. Het feit dat de behandeling bij de MGGZ bekend was, heeft in dit geval niet tot vraagtekens over de inzetbaarheid geleid. Eind 2014 kreeg verzoeker nieuwe leidinggevenden bij de GLR. Verzoeker bracht in een kennismakingsgesprek zijn commandant op de hoogte van zijn situatie. In een daarop volgend informeel gesprek maakte verzoeker een in de ogen van zijn luitenant verontrustende opmerking over een incident thuis. Vervolgens werd de squadroncommandant geïnformeerd waarna direct een SMT werd georganiseerd en een inzetbaarheidsadvies werd gevraagd aan de bedrijfsarts.

23. De COID heeft de integriteitsklacht beoordeeld maar stelde vast dat het incident langer dan een jaar geleden plaatsgehad heeft, waardoor de klacht niet inhoudelijk in behandeling werd genomen. Er is ook geen contact met verzoeker opgenomen om te achterhalen waarop zijn klacht concreet ziet. Ten onrechte is de klacht van verzoeker niet conform de nieuwe Klachtenregeling Defensie in behandeling genomen en afgedaan, zo stelt de minister in haar brief aan de Veteranenombudsman.

Beoordeling

Verzoeker klaagt erover dat de Groep Luchtmacht Reserve van het Ministerie van Defensie niets heeft gedaan met het dringende SMT-advies van 14 december 2011 van de voorzitter SMT van Air Task Force 18, althans niet tot december 2014.

Verder klaagt verzoeker erover dat de Groep Luchtmacht Reserve, in ieder geval tot eind 2014, geen zicht hield op, en geen aandacht had voor de situatie van verzoeker terwijl hij wel als reservist bleef deelnemen aan het jaarlijkse oefenprogramma, waaronder ook oefeningen met bewapening, en zijn medische geschiedenis bekend mocht worden geacht.

1. De Veteranenombudsman toetst beide gedragingen aan het vereiste van betrouwbaarheid. Dit houdt in dat de overheid binnen het wettelijk kader eerlijk en oprecht handelt en doet wat zij zegt.

2. Het Ministerie van Defensie is verantwoordelijk voor de voorbereiding, begeleiding en nazorg van veteranen. In de Veteranenwet is de bijzondere zorgplicht voor veteranen, die als gevolg van hun uitzending fysiek en/of psychisch gewond zijn geraakt, wettelijk vastgelegd. Deze wettelijke bijzondere zorgplicht houdt onder andere in dat veteranen en hun relaties worden bijgestaan bij hun revalidatie en re-integratie en bij het verkrijgen van materiële zorg, maatschappelijke ondersteuning of geestelijke gezondheidszorg. Daarbij zijn militairen in actieve dienst verplicht zich voor medische zorg in eerste instantie te wenden tot de militair geneeskundige voorzieningen.

3. Verzoeker liep als individueel uitgezonden reservist, in tegenstelling tot een uitgezonden eenheid, al meer risico om zich op uitzending 'eenling' te voelen, nog los van de incidenten met zijn collega beroepsmilitairen. In het licht van de bijzondere zorgplicht mag van het Ministerie van Defensie en in het bijzonder van de GRL verwacht worden dat medewerkers voor, tijdens en na een uitzending zorgvuldig gemonitord worden. Gelet op de incidenten rondom verzoeker in het missiegebied zou extra aandacht van de GLR naar verzoeker in lijn der verwachting liggen.

4. In de begeleiding en monitoring van verzoeker had de leiding van de GLR kunnen weten dat er iets met verzoeker aan de hand was; dit bleek zowel uit de
SMT-rapportage uit het uitzendgebied als de spoedplaatsing bij de MGGZ naar aaanleiding van de nazorgvragenlijst- gesprek. Daarvoor is niet relevant dat de commandant specifieke medische informatie krijgt, maar wel moet de commandant de afweging kunnen maken of en in hoeverre een medewerker wel inzetbaar en/of belastbaar is voor militaire taakuitoefening. Juist het maken van deze afweging was de boodschap die vanuit het missiegebied verzonden werd aan de commandant GLR in Nederland. De vraag blijft of deze boodschap aangekomen is en vervolgens opgepakt is. Vast staat dat onzorgvuldigheid heeft geleid tot het niet archiveren van deze brief in het personeelsdossier van verzoeker. Vast staat ook dat ruim drie jaar later, bij het aantreden van de nieuwe commandant, de afweging pas werd gemaakt om verzoeker te laten keuren op geschiktheid voor het werk als militair reservist.

5. Gesteld mag worden dat verzoeker zelf duidelijker bij de GLR had moeten aangeven dat het niet goed met hem ging. Dat heeft hij niet gedaan en valt hem te verwijten. Toch is dit een mechanisme dat de Veteranenombudsman vaker constateert bij beschadigde veteranen: niet duidelijk genoeg om hulp vragen uit angst dat dit zal leiden tot ontslag.1 De signalen rondom verzoeker vanuit het missiegebied, de SMT-brief en zijn gedrag hadden voor de commandant juist een aansporing moeten zijn het functioneren en welzijn van verzoeker extra te monitoren en, indien nodig, tot handelen moeten leiden

6. Toen verzoeker zich in een latere fase, rond 2014, liet wel liet horen, voelde hij zich niet gehoord. Er werd niet naar hem gevraagd. Dat dit gevoel bij verzoeker niet uit de lucht gegrepen is, wordt ondersteund door de wijze waarop Defensie zich heeft opgesteld nadat bekend werd dat verzoeker een klacht bij de Veteranenombudsman had ingediend; een weigering om de klacht in behandeling te nemen dan wel met hem in gesprek te gaan. Ondanks het doorzenden van de klacht van verzoeker aan Defensie op grond van het vereiste van kenbaarheid werd de klacht niet behandeld. Op meerdere malen rappelleren door medewerkers van de Veteranenombudsman, werden alleen feitelijke, summiere antwoorden gegeven op vragen. De Klachtenregeling Defensie 2016 werd niet gevolgd, waardoor een onderzoek en oordeel over de klachten van verzoeker uitbleven.

7. Alles overziend is de Veteranenombudsman van mening dat er onvoldoende zicht is geweest op het daadwerkelijke functioneren van verzoeker na terugkomst in Nederland, ondanks eerdere berichtgeving over hem vanuit het uitzendgebied. Met als gevolg dat er nauwelijks sprake is geweest van een gerichte begeleiding van verzoeker in de eerste jaren na repatriëring uit Afghanistan. Verzoeker wist niet welke weg hij kon bewandelen of waar hij met vragen terecht kon. De Veteranenombudsman vindt het zorgwekkend dat signalen van verzoeker lange tijd niet gezien of herkend werden door het kader van de GLR. Hiervoor is geen eenduidige verklaring gegeven door Defensie. Feit is wel dat verzoeker nog langere tijd deelnam aan bewapende oefeningen en schietoefeningen. Gelet op de psychische staat van verzoeker in de periode na terugkomst uit Afghanstand had deze situatie op zijn minst onderzocht moeten worden of verzoeker nog wel geschikt was voor de militaire taken en werkzaamheden als reservist, niet alleen voor de veiligheid van verzoeker maar ook voor de veiligheid van anderen.

8. De Veteranenombudsman is van oordeel dat de minister van Defensie heeft gehandeld in strijd met het vereiste van betrouwbaarheid gelet op de bijzondere zorgplicht van Defensie naar veteranen.

De onderzochte gedragingen zijn niet behoorlijk.

INSTEMMING

Met instemming heeft de Veteranenombudsman bij brief van 21 september 2017 van de minister van Defensie vernomen dat de klacht van verzoeker er mede toe heeft geleid dat het reservistenbeleid bij de GLR nader is onderzocht en dat een aantal wijzigingen is doorgevoerd. Zo is er een selectieprocedure ingesteld voorafgaande aan een uitzending. In deze procedure worden reservisten na hun individuele aanmelding voor een uitzending beoordeeld op hun inzetbaarheid. Ook wordt nu voorafgaand aan elke uitzending een SMT bijeengeroepen om de reservisten die aangewezen zijn voor de missie te bespreken en mogelijke situaties als in dit rapport beschreven vroegtijdig te onderkennen.

CONCLUSIE

De klacht over de onderzochte gedraging van het Ministerie van Defensie is gegrond wegens de schending van het vereiste van betrouwbaarheid.

De Nationale ombudsman,
tevens Veteranenombudsman,
 

Reinier van Zutphen

Notes

[←1]

Zie rapport 2015/134

Publicatiedatum
Rapportnummer
2019/003