2017/141 Justitie moet predicaat "outlaw" van motorclub Veterans MC met steekhoudende argumenten onderbouwen

De ombudsman vindt dat de minister van Justitie en Veiligheid onvoldoende rekenschap geeft van de impact die het OMG-beleid voor de Veterans MC kan hebben. Deze motorclub van veteranen en medewerkers van defensie wordt door het ministerie van Justitie en Veiligheid gekarakteriseerd als een zogeheten outlaw motorcycle gang (OMG). De ombudsman doet de aanbeveling om op grond van recente gegevens te beoordelen of de Veterans MC zich schuldig maken aan gedrag dat het aanmerken als OMG rechtvaardigt.

Instantie: Minister van Justitie en Veiligheid

Klacht:

aanmerken als Outlaw Motorcycle Gang (OMG) terwijl de leden van de Veterans MC zich niet schuldig hebben gemaakt aan strafbare feiten of norm-overschrijdend gedrag; niet reageren op hun brief van 1 februari 2016

Oordeel: gegrond

De motorclub Veterans MC Netherlands (verder de VMC) gedraagt zich volgens de minister van Justitie en Veiligheid als een 'outlaw motorcycle gang' (ook wel 'OMG') en krijgt daarom op grond van de landelijke en integrale aanpak van OMG's 'passende aandacht' van de overheid. Het OMG-beleid geeft overheidsinstanties de mogelijkheid om OMG's niet alleen strafrechtelijk, maar ook fiscaal en bestuurlijk aan te pakken.

De VMC-leden zijn militaire veteranen die uitgezonden zijn geweest namens Nederland. Een deel van hen is nog steeds werkzaam voor het Ministerie van Defensie. Zij stellen dat zij zich niet schuldig maken aan strafbare feiten of ander normoverschrijdend en ondermijnend gedrag. De VMC stelt dat de overheid geen steekhoudende argumenten heeft om de club als een OMG aan te merken. Zij willen af van het predicaat 'outlaw' omdat zij daarvan als club, maar ook als individuele leden veel last hebben. Gerechtelijke procedures gaven geen uitsluitsel over deze kwestie, en de klacht die de VMC vervolgens bij de minister van Justitie en Veiligheid indiende, werd ongegrond verklaard.

Uit de informatie die de minister van Justitie en Veiligheid in het kader van dit onderzoek aan de ombudsman verstrekte, tezamen met de omschrijving van het fenomeen 'OMG' in de meest recente voortgangsrapportage van het LIEC, volgt niet dat er feiten zijn die het vasthouden aan het predicaat 'outlaw' rechtvaardigen. Door op de in het rapport geschetste wijze om te gaan met het verzoek van de VMC om heroverweging, gaf de minister zich onvoldoende rekenschap van de impact die het 'OMG'-beleid kan hebben. Hierdoor handelde de minister in strijd met de evenredigheid jegens de VMC.

De ombudsman beveelt de minister aan om op grond van recente gegevens te beoordelen of de VMC en/of haar leden zich schuldig maken aan gedragingen die het predicaat 'outlaw' en daarmee toepassing van het OMG-beleid rechtvaardigen. Wanneer de conclusie van die beoordeling luidt dat hiervan geen sprake is, beveelt de ombudsman de minister aan om daaraan publieke bekendheid te geven.

De klacht dat een brief van de VCM niet was beantwoord door de minister van Justitie en Veiligheid is gegrond.

In het rapport wordt de Veterans MC aangeduid met de afkorting “VMC”. Deze afkorting houdt geen verband met, en is geen verwijzing naar de landelijke vereniging Veteraan Motoren Club die de afkorting V.M.C. hanteert.

 

1 Samenvatting

De motorclub Veterans MC Netherlands gedraagt zich volgens de minister van Justitie en Veiligheid als een 'outlaw motorcycle gang' (ook wel 'OMG') en krijgt daarom op grond van de landelijke en integrale aanpak van OMG's 'passende aandacht' van de overheid. Het OMG-beleid geeft overheidsinstanties de mogelijkheid om OMG's niet alleen strafrechtelijk, maar ook fiscaal en bestuurlijk aan te pakken.

De VMC-leden zijn militaire veteranen die uitgezonden zijn geweest namens Nederland. Een deel van hen is nog steeds werkzaam voor het Ministerie van Defensie. Zij stellen dat zij zich niet schuldig maken aan strafbare feiten of ander normoverschrijdend en ondermijnend gedrag. De VMC stelt dat de overheid geen steekhoudende argumenten heeft om de club als een OMG aan te merken. Zij willen af van het predicaat 'outlaw' omdat zij daarvan als club, maar ook als individuele leden veel last hebben. Gerechtelijke procedures gaven geen uitsluitsel over deze kwestie, en de klacht die de VMC vervolgens bij de minister van Justitie en Veiligheid indiende, werd ongegrond verklaard.

Uit de informatie die de minister van Justitie en Veiligheid in het kader van dit onderzoek aan de ombudsman verstrekte, tezamen met de omschrijving van het fenomeen 'OMG' in de meest recente voortgangsrapportage van het LIEC, volgt niet dat er feiten zijn die het vasthouden aan het predicaat 'outlaw' rechtvaardigen. Door op de in het rapport geschetste wijze om te gaan met het verzoek van de VMC om heroverweging, gaf de minister zich onvoldoende rekenschap van de impact die het 'OMG'-beleid kan hebben. Hierdoor handelde de minister in strijd met de evenredigheid jegens de VMC.

2 Achtergrond

De eerste motorclubs ontstonden na de Tweede Wereldoorlog, opgericht door Amerikaanse veteranen die elkaar vonden in hun interesse voor motorrijden en het gevoel van kameraadschap dat zij kenden vanuit hun Defensie-tijd. De voorzitter van de American Motorcycle Association zou in 1947 de veel geciteerde uitspraak hebben gedaan dat 99% van motorrijders gezagsgetrouwe burgers zijn. De resterende één procent zouden 'outlaw bikers' zijn, motorrijders die zich buiten de wet plaatsen. Deze uitspraak volgde op uit de hand gelopen feesten van motorclubs waarbij de politie machteloos stond. De term 1%-er ('One percenter') werd daarna door sommige motorclubs als een geuzennaam omarmd en is sindsdien terug te vinden als fysiek symbool, op onder andere patches op leren jacks, tatoeages en ringen.1

In de decennia daarna ontstonden wereldwijd soortgelijke clubs, vaak als aftakking van motorclubs uit Amerika. In de jaren zeventig kwamen Nederlandse motorclubs vooral in aanraking met de overheid vanwege overtredingen en misdrijven, zoals overlast, verstoringen van de openbare orde en vernielingen.

Daarna kreeg de politie steeds meer aanwijzingen dat de zogenaamde 1%-motorclubs zich (internationaal) schuldig maakten aan ernstige misdrijven als drugs-, wapen- en mensenhandel, bedreiging, mishandeling en moord. Toenemende rivaliteit tussen 1%-motorclubs speelde daarin een rol. In het buitenland kwam het tot ernstige geweldsincidenten tussen verschillende 1%-motorclubs, waarbij dodelijke slachtoffers vielen. Strafvervolging bleek moeilijk, onder andere vanwege de geslotenheid van de motorclubs zelf en het gebrek aan bereidheid van slachtoffers om aangifte te doen.2

Nederlandse motorclub

Politie en Justitie in Nederland zagen 1%-motorclubs dan ook als een serieuze bedreiging voor de rechtsorde, en probeerden een einde te maken aan de strafbare feiten waaraan de 1%-motorclubs zich schuldig maakten. Het bleek echter lastig om deze motorclubs als criminele organisatie strafrechtelijk veroordeeld te krijgen. De overheid zocht daarom naar andere wegen om op te treden.

In dat kader kondigde de minister van Veiligheid en Justitie in januari 2012 een 'geïntegreerde aanpak van outlawbikers' aan, voor een gezamenlijke aanpak van 'zij die zich schuldig maken aan normoverschrijdend gedrag en criminaliteit'.3

Daaraan voorafgaand had de politie in 2010 al twee kennisdocumenten gepubliceerd; de fenomeenstudie 'Hells Angels en andere 1%-MC's in Nederland' en het 'Handboek Nederlandse 1%-motorclubs'4. Deze stukken gaven een overzicht van de kennis binnen de Nederlandse politie over het fenomeen motorcycle gangs (verder MC's).

In 2014 publiceerde de politie een derde document 'Outlawbikers in Nederland'. Vanaf 2013 hanteert het Ministerie van Veiligheid en Justitie de termen 'outlaw motorcycle gangs' (verder OMG's) en 'outlawbikers' in plaats van 1%-MC, om overige motorclubs niet te stigmatiseren. In dat document wordt gesteld dat OMG's zich in ons land schuldig maken aan verstoringen van de openbare orde, waarbij geweld en bedreigingen niet geschuwd worden. De afdelingen, chapters genoemd, hebben veel leden, die zich met (zware en ondermijnende) criminaliteit bezighouden en eigen regels boven en buiten de regels van de rechtstaat stellen. De chapters zijn daarmee een 'criminogene omgeving'5, waarin het makkelijk crimineel (internationaal) zaken doen is.'6

In bovenstaande documenten wordt de motorclub Veterans MC met naam genoemd in de beschrijvingen van Nederlandse motorclubs.

3 Klacht

De leden van de vereniging Veterans MC Netherlands (verder de VMC of verzoekers) zijn militaire veteranen die voor Nederland uitgezonden zijn geweest naar onder andere Cambodja, Libanon, Bosnië, Irak, Afghanistan en recentelijk Mali. De VMC geeft aan dat ongeveer de helft van de leden nog in actieve dienst is bij het Ministerie van Defensie.

Verzoekers stellen dat zij ten onrechte worden gezien als een OMG of 1%-motorclub, en dat zij door dat stempel worden gehinderd in hun activiteiten. Niet alleen als vereniging maar ook in hun werk, binnen en buiten Defensie. Zij geven aan dat zij het belang van het zogenaamde OMG-beleid te erkennen maar stellen dat zij zelf niet voldoen aan de criteria van een OMG. De club en alle individuele leden respecteren de wetten en regelgeving van Nederland en de universele mensenrechten. Zij houden zich niet bezig met zaken die het zouden rechtvaardigen dat de VMC als een outlaw motorcycle gang of criminele motorbende wordt aangemerkt.

De VMC diende op 24 juli 2015 over deze gang van zaken een klacht in bij het ministerie van Veiligheid en Justitie. Bij brief van 20 november 2015 werd deze ongegrond verklaard door de minister. In reactie daarop stelde de VMC in hun brief van 1 februari 2016 nog een aantal vragen aan de minister. Toen daarop geen antwoord kwam, wendde de VMC zich op 1 juni 2016 tot de Nationale ombudsman, tevens Veteranenombudsman. Die startte op 28 juni 2016 een onderzoek.

In de loop van het onderzoek is de naam van het ministerie van Veiligheid en Justitie gewijzigd naar het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Deze naam wordt in het rapport aangehouden.

De klacht van de VMC luidt als volgt:

Verzoekers klagen erover dat de minister van Justitie en Veiligheid de Veterans MC Netherlands heeft aangemerkt als een Outlaw Motorcycle Gang (OMG) terwijl de leden van de Veterans MC zich niet schuldig hebben gemaakt aan strafbare feiten of norm-overschrijdend gedrag.

Verzoekers klagen er voorts over dat de minister van Justitie en Veiligheid, tot op het moment dat zij zich tot de Nationale ombudsman wendden, niet had gereageerd op hun brief van 1 februari 2016.

In het kader van het onderzoek werd de minister een aantal vragen voorgelegd:

1. Kunt u aangeven of u bekend bent met de nota 'VGB en motorliefhebbers' van de directeur Juridische zaken van het Ministerie van Defensie van 2 juni 2014, gericht aan de minister van Defensie?

2. Indien u daarmee bekend bent, kunt u dan aangeven hoe u het verschil verklaart tussen de informatie die u ontving van de politie en de informatie die de politie en de KMar (Koninklijke Marechaussee) aan het Ministerie van Defensie verstrekten over criminele antecedenten?

3. Kunt u aangeven om welke percentages het gaat (leden van de VMC versus een vergelijkbare groep leden van gewone motorclubs?

4. Kunt u verder aangeven tegen hoeveel leden van de VMC er op dit moment strafrechtelijk onderzoek loopt en hoeveel leden met een veroordeling in het verleden het betreft?

5. Kunt u aangeven of de door u verkregen justitiële informatie ook actief dienende militairen betreft?

6. Indien dat het geval is, hebt u die informatie dan gedeeld met de minister van Defensie?

4 Reactie van de minister van Justitie en veiligheid op de klacht

De minister van Justitie en Veiligheid laat in zijn brief van 7 december 2016 aan de ombudsman weten dat hij de eerste klacht van de VMC niet gegrond acht. Hij schrijft dat zolang en voor zover de VMC zich als een OMG gedraagt, de club onder het OMG-beleid valt en passende aandacht zal kunnen krijgen van de overheid.

Ten aanzien van de tweede klacht erkent de minister dat de beantwoording van de brief van 1 februari 2016 van de VMC te lang op zich heeft laten wachten. De brief was op het departement zoekgeraakt, en werd onder aanbieding van verontschuldigingen na de opening van het onderzoek alsnog inhoudelijk beantwoord.

De minister licht vervolgens toe waarom hij de eerste klacht niet gegrond acht:

Het OMG-beleid in het algemeen

De minister geeft aan dat de overheid aanwijzingen heeft dat OMG's betrokken zijn bij georganiseerde criminaliteit, (dreiging met) geweld en verstoring van de openbare orde, of daarvoor ruimte en gelegenheid bieden. Ook is gebleken dat OMG-leden relatief vaak betrokken zijn bij (openbare orde-) incidenten en over criminele antecedenten beschikken.

De overheid ontwikkelde daarom specifiek beleid om de veiligheid en leefbaarheid in de samenleving te vergroten. Door de krachten van het Openbaar Ministerie (verder het OM), de politie, de Belastingdienst, de FIOD, de Koninklijke Marechaussee en burgemeesters en gemeenten te bundelen, kunnen problemen strafrechtelijk, fiscaal én bestuurlijk worden aangepakt.

De minister benadrukt dat deze landelijke en integrale aanpak niet gericht is op een limitatieve lijst van OMG's of een motorclub in het bijzonder. Het beleid richt zich op het 'fenomeen OMG-problematiek' en daarbinnen de bestrijding van normoverschrijdend en ondermijnend gedrag.

De mate waarin individuele leden van een OMG zich schuldig hebben gemaakt aan strafbare feiten wordt meegewogen, maar is op zichzelf niet doorslaggevend voor de vraag of een motorclub wordt betrokken bij de OMG-aanpak.

Ook heeft de overheid speciale aandacht voor die motorclubs (en OMG's in het bijzonder) die zich identificeren met OMG's waarvan meer dan gemiddeld wordt vastgesteld dat de leden daarvan handelen in strijd met de openbare orde en strafbare feiten plegen. Dat identificeren kan blijken uit onder andere interviews, handelen en symbolen. Deze motorclubs hebben het volgens de minister dan ook zelf in de hand of zij de aandacht van de overheid op zich vestigen.

Waarom de VMC wordt aangemerkt als OMG

De minister wijst in dit kader allereerst op een uitspraak van het Gerechtshof
's-Hertogenbosch van 13 oktober 2015.7 De politie had de VMC in beleidsstukken een OMG genoemd. De VMC stelde dat daarvoor geen strafrechtelijke redenen waren, en deed daarom aangifte van valsheid in geschrifte, smaad en laster. De aangifte werd geseponeerd door de officier van justitie. Het Hof oordeelde dat er geen sprake was van smaad en laster door de politie en wees het beklag van verzoekers af. Volgens het Hof had de VMC zich als een OMG gemanifesteerd en deel uitgemaakt van de Raad van Acht (een overlegorgaan waarin de andere belangrijkste Nederlandse 1% MC's waren vertegenwoordigd). Daarnaast had de VMC zich ook qua uiterlijke verschijningsvorm op soortgelijke wijze gepresenteerd als leden van andere 1% MC's, aldus het Hof.

De minister benadrukt in dit kader dat het OMG-beleid gebaseerd is op het rechtmatig inzetten van strafrechtelijke, fiscale en/of bestuursrechtelijke handhavingsinstrumenten wanneer normoverschrijdend gedrag en criminele activiteiten worden geconstateerd.

Dat optreden is altijd gebaseerd op wet- en regelgeving waarin waarborgen voor natuurlijke en rechtspersonen zijn opgenomen. De betrokkenen kunnen gebruik maken van de openstaande rechtsmiddelen om het overheidshandelen te laten toetsen door de rechter.

Verder beantwoordt de minister de hem gestelde vragen als volgt:

Vragen 1. en 2. hebben betrekking op de verschillen in de klachtafhandelingsbrief van de minister van 20 november 2015, en de nota ' VGB en motorliefhebbers' van de directeur Juridische Zaken van het Ministerie van Defensie van 2 juni 2014.

In de klachtafhandelingsbrief werd de klacht van de VMC ongegrond verklaard omdat de club volgens de minister voldoet aan alle kenmerken van een OMG. Ook schreef de minister in die brief dat uit informatie van de politie was gebleken dat twee derde van de leden van de VMC veroordeeld is voor met name geweldsmisdrijven. Dat betreft alle bij de politie bekende VMC-leden, al dan niet in actieve dienst bij het Ministerie van Defensie.

De interne nota 'VGB en motorliefhebbers' heeft betrekking op een andere groep personen, aldus de minister. Deze interne nota informeerde de minister van Defensie over de toenmalige stand van zaken met betrekking tot het weigeren en/of intrekken van de Verklaring van Geen Bezwaar (verder VGB) van defensiemedewerkers die lid zijn van zogenaamde 1%-motorclubs. Dat betrof VMC-leden in actieve dienst.

De antecedenten waarover werd gesproken in de nota aan de minister van Defensie, zijn antecedenten die van invloed zijn op het niet verstrekken dan wel intrekken van een VGB. Het hebben van antecedenten betekent niet automatisch dat er geen VGB wordt verstrekt, dat deze wordt ingetrokken, of dat medewerkers worden ontslagen. Dit hangt af van het strafbare feit en andere omstandigheden van het geval.

Vraag 3. vraagt naar het verschil in justitiële antecedenten tussen VMC-leden en een vergelijkbare groep mannelijke motorrijders die geen lid zijn van een motorclub. De minister liet daarover weten dat in 2013 een verkenning is verricht naar de criminele carrières van leden van 1%-motorclubs. Die verkenning werd gedaan in het kader van een wetenschappelijk onderzoek. De uitkomsten van dat onderzoek werden gepubliceerd in het Tijdschrift voor Criminologie8 en opgenomen in de politierapportage 'Outlaw bikers in Nederland' van april 2014.9

De verkenning maakte gebruik van registraties in bedrijfsprocessensystemen van de Nederlandse politie. Die registraties hadden betrekking op door de politie als zodanig geïdentificeerde leden van Nederlanse 1%-motorclubs. Daarbij was een conservatieve definitie van 1% MC-lidmaatschap gehanteerd waarin rekening werd gehouden met informatie over de positie van sommige leden binnen een club, ook wel status genoemd. Personen van wie de status niet met zekerheid kon worden vastgesteld, werden uit het bestand verwijderd.

Het bestand bestond uiteindelijk uit 601 leden van Nederlandse 1%-motorclubs. Van deze personen werd de criminele carrière geanonimiseerd in kaart gebracht op basis van gegevens uit het Justitieel Documentatie Systeem (verder JDS).

Mede op basis van deze onderzoeksgegevens is in de brief van 20 november 2015 opgenomen dat 18 van de 28 bekende VMC-leden, dus 64%, ooit was veroordeeld voor een misdrijf. Voor het kennisdocument 'Outlawbikers in Nederland' van de politie was ook een steekproef uit de RDW getrokken van mannelijke motorbezitters in Nederland met een vergelijkbare leeftijdsopbouw als de outlawbikers. Van deze groep was 33% veroordeeld voor een misdrijf. Die uitkomst leidde tot de conclusie dat VMC-leden vaker voor een misdrijf zijn veroordeeld dan normale motorbezitters. Dit werd meegewogen in de afhandeling van de klacht. De minister geeft aan dat VMC-leden wel minder vaak zijn veroordeeld voor een misdrijf dan leden van andere OMG's, van wie 82% justitiële antecedenten hadden.

De Nationale ombudsman, tevens Veteranenombudsman heeft de minister in het kader van het onderzoek verzocht om inzage in de justitiële gegevens van de individuele leden van de VMC, waarnaar wordt verwezen in de brief van 20 november 2015. De minister stelt dat hij dat verzoek niet kan honoreren omdat hij op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens geen inzage kan geven. Artikel 16 van deze wet bepaalt dat justitiële gegevens bijzondere persoonsgegevens zijn waarvoor strikte regels gelden op het gebied van verstrekken en inzage. Ook merkt hij op dat de advocaat van de VMC optreedt namens de vereniging en niet namens de individuele leden.

De minister vindt een vergelijking met de door de VMC verstrekte ledenlijst ook niet zinvol. Het bestand uit het onderzoek is gebaseerd op waarnemingen van de politie met betrekking tot het lidmaatschap. Daarmee is dit bestand een zo betrouwbaar mogelijke vaststelling van het lidmaatschap. De minister wijst erop dat de ledenlijst van de VMC bovendien gewijzigd kan zijn nadat het onderzoek plaatsvond waardoor de cijfers niet kunnen worden vergeleken.

In plaats daarvan stelt de minister een geanonimiseerd Excelbestand ter beschikking. Daarin is opgenomen ten aanzien van welk misdrijf/welke misdrijven 18 van de 28 VMC-leden in juli 2013 justitiële documentatie hadden. Hij verwacht dat daarmee duidelijk wordt dat de cijfers uit de brief van 20 november 2015 kloppen en wat de aard is van de misdrijven die aan die cijfers ten grondslag liggen.

Vraag 4. ziet op de vraag hoe actueel de informatie van het ministerie van Justitie en Veiligheid is. De ombudsman vroeg of er informatie bekend is over eventuele lopende onderzoeken tegen VMC-leden en hoeveel personen in het verleden werden veroordeeld.

De minister laat weten dat het Excelbestand uit juli 2013 de aard beschrijft van alle justitiële antecedenten van alle op dat moment bij de politie bekende VMC-leden. Die antecedenten vormen de basis voor de cijfers, genoemd in de brief van 20 november 2015.

De cijfers die de minister noemde in zijn brief van 8 oktober 2015 aan de Tweede Kamer10, komen voort uit andere onderzoeken. Die cijfers hadden betrekking op 150 onderzoeken naar zware en (internationaal) georganiseerde misdaad door (leden van) OMG's. Volgens het Openbaar Ministerie (verder het OM) kwam in die onderzoeken geen informatie over VMC-leden naar voren.

De hierboven genoemde antecedenten van de achttien VMC-leden komen dus uit andere onderzoeken dan deze 150 onderzoeken naar zware en (internationaal) georganiseerde misdaad door leden van OMG's, aldus de minister.

De minister geeft aan dat hij, naast bovengenoemde cijfers, niet beschikt over recente informatie over lopende strafrechtelijke onderzoeken, maar stelt dat zulke informatie ook niet verstrekt kan worden vanwege opsporings- en vervolgingsbelangen.

In reactie op vraag 5. en 6. geeft de minister aan dat hij niet weet of de genoemde antecedenten van 18 VMC-leden ook actief dienende militairen betreft. Bij het verkrijgen van de informatie omtrent antecedenten voor het wetenschappelijke onderzoek, is die vraag niet gesteld.

De politie, de KMar en het OM zijn wel bevoegd om aan het Ministerie van Defensie politiegegevens en strafvorderlijke informatie te verstrekken als uit een strafrechtelijk onderzoek blijkt dat er sprake is van handelen of nalaten dat van belang is voor het behoorlijk beroepsmatig functioneren van een Defensiemedewerker. Die bevoegdheid is vastgelegd in de Wet politiegegevens en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.

Wat kan de VMC doen om niet langer voorwerp van onderzoek te zijn?

Verder schrijft de minister dat in zijn klachtafhandelingsbrief van 20 november 2015 is uitgelegd wat de VMC zou moeten doen om niet langer voorwerp van de speciale aandacht van de Rijksoverheid te zijn. De VMC moet daarvoor openlijk en onvoorwaardelijk afstand nemen van het predicaat 'outlaw' en de daarbij behorende symboliek en van de Hells Angels MC. Verder moet de VMC erkennen dat de wet op (leden van) de VMC normaal van toepassing is en dat de leden als gewone burgers hun medewerking verlenen aan de politie wanneer deze daarom vraagt. Ook moet de VMC optreden tegen leden die strafbare feiten begaan, door duidelijk te maken dat criminele activiteiten niet worden getolereerd en door overtreders te royeren.

In het kader van het onderzoek vult de minister nog aan dat afstand doen van de bij de OMG's behorende symboliek ook betekent dat de VMC afstand zou moeten nemen van de 'three piece patches' (emblemen op kleding, waarmee club en status binnen de club wordt aangeduid) en van de claim een full colour motorclub te zijn. Alleen full colour motorclubs zouden immers gerechtigd zijn om het beschermde symbool MC te voeren. De 'three piece patches' worden door deze motorclubs gebruikt om uit te dragen dat zij boven de wet staan, aldus de minister.

Verder zou de VMC er geen 'sergeant at arms' op na moeten houden, geen feesten en evenementen van OMG's moeten bezoeken en leden van OMG's ook niet moeten uitnodigen voor feesten en evenementen van de VMC.

De minister stelt dat hij niet de overtuiging heeft gekregen dat het de bedoeling van de VMC is om aan al deze voorwaarden te voldoen.

Daarnaast noemt de minister het boek 'Brothers in arms, Brothers on bikes'11. De VMC heeft aangegeven zich te herkennen in de veteranencultuur zoals die wordt omschreven in het boek.

De minister meent echter dat het boek nauwelijks kan worden gezien als blijk van het afstand nemen van OMG's. Het toont juist een sterke verwevenheid van de VMC met ander OMG's aan. De minister wijst hiervoor op de titel van één van de hoofdstukken, 'Veterans forever, forever Veterans'. Dat is volgens hem een duidelijke en vriendschappelijke verwijzing naar de slogan van de Hells Angels, 'Angels forever, forever Angels'. Verder merkt de minister op dat de VMC in het boek genoemd naast andere, beruchte, OMG's en de Raad van Acht, een voormalig overlegorgaan van verschillende motorclubs. Ook worden VMC-leiders in het boek geciteerd met de uitspraak dat broederschap volgens hen loyaliteit aan de club betekent en boven wetten en regels van de burgerlijke maatschappij gaat. De minister stelt dat het boek daarnaast de 'andere kant' buiten beeld laat, zoals ervaren (zware) overlast voor de omgeving en slachtoffers alsook duidelijke cijfers over criminaliteit.

Daarnaast gaat de minister in op de 'Stichting 1 PERCENT' of '1 PERCENT Foundation'. Die stichting werd in 2015 door één van de leden van de VMC opgericht. Het doel van de stichting is 'het verlenen van juridische en maatschappelijke bijstand aan motorrijders en de verbanden waarin zij zich hebben georganiseerd en het optreden als belangenbehartiger jegens de overheid en politiek'. De minister stelt dat hieruit niet blijkt dat de VMC afstand wil nemen van het predicaat 1%.

Deze feiten en omstandigheden maken dat de minister de klacht dat de VMC door zijn ministerie ten onrechte is aangemerkt als OMG, terwijl de leden van de VMC zich niet schuldig zouden hebben gemaakt aan strafbare feiten of normoverschrijdend gedrag, niet gegrond acht. Hij stelt dat zolang en voor zover de VMC en haar leden zich als een OMG gedragen, zij onder het OMG-beleid vallen en passende aandacht van de overheid kunnen krijgen.

5 Reactie van de VMC op het antwoord van de minister

De VMC geeft in het kader van hoor en wederhoor het volgende aan in reactie op het standpunt van de minister.

Juridische middelen aangewend

Om zich te verweren tegen het stempel 'OMG' heeft de VMC alle mogelijke juridische middelen aangewend, zowel via het strafrecht als via het bestuursrecht en civiel recht.

Allereerst is verkend of een strafrechtelijke aangifte ertoe zou kunnen leiden dat de VMC niet meer wordt aangemerkt als een OMG. Volgens de VMC liet het OM tijdens die procedure al weten dat de bezwaren van de VMC thuis horen bij de politiek, of in een klachtenprocedure aan de orde moesten worden gesteld. Toch besloot de VMC de aangifte door te zetten. Het OM seponeerde de aangifte en de VMC tekende beklag aan bij het Gerechtshof (verder het Hof). Het Hof oordeelde echter dat de Politiewet de bevoegdheid tot onderzoek en beleid geeft. Het Hof bevestigde daarmee het standpunt van het OM. De VMC stelde geen cassatie in tegen de uitspraak van het Hof.

Wel hecht de VMC eraan te vermelden dat het Hof in haar overwegingen niet heeft kunnen meenemen dat in de hiervoor genoemde 150 onderzoeken naar zware en (internationaal) georganiseerde criminaliteit geen VMC-leden naar voren zijn gekomen. Die informatie was toen nog niet bekend.

Omdat de beklagprocedure niet het beoogde resultaat had opgeleverd, schreef de VMC vervolgens de politiek aan en diende een klacht in bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid, en vervolgens bij de Veteranenombudsman.

De VMC benadrukt dat het beklag tegen de sepotbeslissing van de aangifte van smaad en laster door de politie werd beoordeeld vanuit een strafrechtelijk kader. Dat staat los van de behoorlijkheidstoets in het kader van de klachtprocedure. De VMC vraagt de ombudsman te beoordelen of de opstelling en uitvoering van het OMG-beleid jegens de VMC behoorlijk is.

Wel afstand genomen van het predicaat 'outlaw'

De VMC geeft aan dat de club verschillende keren in het openbaar duidelijk stelling heeft genomen tegen het OMG-beleid jegens de VMC en daarbij afstand heeft genomen van het predicaat 'outlaw'. De VMC wijst op mediaberichten, radio-interviews, een optreden in het programma Pauw op 11 mei 2015, op facebook en op hun eigen website.

In dit kader noemt de VMC expliciet het persbericht dat op 30 juni 2015 via het ANP is uitgegaan. Daarin stelt de VMC dat de leden van de club allen veteranen zijn die zich in diverse buitenlandse missies hebben ingezet in het kader van vrede, veiligheid en internationale rechtsorde. De leden houden zich verre van het ontplooien van activiteiten waardoor termen als 'OMG' en 'criminele motorclub' op de VMC van toepassing zouden zijn. De vraag waarom de overheid, die zij ook zien als hun overheid, blijft volhouden dat de VMC wel aan die criteria voldoet, is volgens de club nooit afdoende beantwoord. Noodgedwongen heeft de VMC een aantal kostbare gerechtelijke procedures moeten voeren. In sommigen zaken werd de club weliswaar niet ontvankelijk verklaard, maar de VMC benadrukt dat zij nooit een zaak inhoudelijk hebben verloren. Meerdere keren was de uitkomst dat het OMG-beleid alleen geen grond kon zijn voor de maatregelen die tegen de VMC waren genomen.

De club verwijst naar een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 8 mei 2013. De gemeente Cuijk had de vergunningsaanvraag van de VMC voor een militaire veteranen-evenement met 150 bezoekers uit binnen- en buitenland afgewezen met het argument dat de VMC zitting had in de Raad van Acht. In dat overleg waren ook de Hells Angels vertegenwoordigd.

Omdat in het buitenland ernstige gewelddadige incidenten hadden plaatsgevonden tussen deze club en een rivaliserende motorclub, vreesde de gemeente voor verstoring van de openbare orde. De voorzieningenrechter overwoog dat deze vrees van te algemene aard was en niet voldoende toegesneden op de VMC en het beoogde evenement waar naar verwachting niet op grote schaal Hells Angels-leden aanwezig zouden zijn. Ook het verweer van de gemeente dat de geplande motorrit met maximaal 150 deelnemers tot problemen zou leiden, was volgens de voorzieningenrechter gebaseerd op aannames en niet voldoende onderbouwd.

Toch heeft dit niet geleid tot een andere benadering van de VMC door de (lokale) overheid, en wordt de club en haar leden onverminderd als een OMG behandeld.

De VMC geeft aan dat dit stempel grote gevolgen heeft voor de club en haar leden en noemt een aantal voorbeelden. Zo worden de leden herhaaldelijk gecontroleerd door de politie, staande gehouden en in sommige gevallen zelfs aangehouden. Het Veteranen Ontmoetingscentrum en clubhuis van de VMC in Breda werd gesloten. De burgemeester verbood de VMC het organiseren van, en deelnemen aan bepaalde evenementen. VMC-leden die een eigen bedrijf hebben, hoorden van klanten dat de politie had geadviseerd geen zaken meer met hun te doen. Op de Nederlandse Veteranendag was het de VMC niet toegestaan om herkenbaar als VMC deel te nemen aan de traditionele motorrit.

De VMC stelt met klem dat het OMG-beleid niet op hun club van toepassing is omdat de club en de leden niet voldoen aan de criteria van een outlaw motorcycle gang. Als het OM van mening is dat de VMC of haar leden zich schuldig maken aan (zware) criminaliteit, dan zal het OM dit met bewijs moeten aantonen in een strafrechtelijke procedure. Tot die tijd heeft de overheid geen recht om de VMC publiekelijk te beschuldigen en bestuursrechtelijke maatregelen te nemen die bovengenoemde grote impact hebben. De VMC wijst erop dat iedereen in Nederland, en dus ook de VMC en haar leden, onschuldig is tot schuld is bewezen, en dat niemand mag worden gestraft zonder een behoorlijke procedure waarin hoor en wederhoor gegarandeerd zijn.

Antecedentenlijst uit het onderzoek uit 2013

Ten aanzien van het Excelbestand met strafrechtelijke antecedenten merkt de VMC op dat niet duidelijk is of het veroordelingen of boetes zijn en hoe oud deze antecedenten precies zijn. Daarbij komt nog dat het bestand onvolledig is, volgens de VMC. De club heeft de ombudsman een geactualiseerde lijst toegestuurd waarop een groter aantal leden staat vermeld. Op deze lijst zijn de leden die inmiddels zijn geroyeerd, niet meer opgenomen. In het Excelbestand komen deze geroyeerde leden nog wel voor, waarbij de VMC opmerkt dat deze geroyeerde leden meerdere antecedenten hadden.

Volgens de VMC zijn de meeste antecedenten van (zeer) oude datum en in de meeste gevallen van vóór het lid worden van de club.

Verder wijst de VMC erop dat ook enkele actief dienende leden antecedenten hebben, maar dat dit niet heeft geleid tot ontslag of intrekking van de VGB na een veiligheidsonderzoek door de Militaire Inlichtingen en Veiligheidsdienst (verder MIVD). Als voorbeeld wordt verwezen naar een actief dienend VMC-lid dat 20 jaar geleden een geldboete opgelegd kreeg vanwege een schermutseling met een collega op de kazerne. In 2009 kreeg deze militair een hoge onderscheiding vanwege zijn optreden tijdens een gevechtsactie in Afghanistan. In 2012 werd hij lid van de VMC.

De VMC schrijft dat de genoemde antecedenten geen onderbouwing kunnen zijn van de stelling dat het OMG-beleid van toepassing moet zijn op de VMC. Het OMG-beleid stelt immers dat OMG's geen normale motorclubs zijn maar in verband worden gebracht met verstoringen van de openbare orde, geweld en bedreigingen en zware en ondermijnende (internationale) criminaliteit.

De VMC is van mening dat de genoemde antecedenten van haar leden in het Excelbestand niet overeenkomen met dit beeld.

Verder wijst de VMC erop dat het veiligheidsonderzoek dat de MIVD uitvoert voor de VGB, zich niet alleen richt op eventuele justitiële antecedenten. Ook de privéomgeving van de militair wordt op grond van de 'Leidraad persoonlijke gedragingen' van de AIVD en MIVD12 in het veiligheidsonderzoek meegenomen. Zo wordt de omgang van actief dienende leden met niet-actief dienende VMC-leden die wel antecedenten hebben, ook betrokken bij de afweging of de VGB moet worden ingetrokken of geweigerd.

De VMC stelt dat onderzoeken op dit gebied nog niet hebben geleid tot de beoordeling dat er veiligheidsrisico's zijn die moeten leiden tot intrekking of weigering van de VGB dan wel ontslag.

Stichting 1 PERCENT

Met betrekking tot de genoemde Stichting 1 PERCENT merkt de VMC op dat dit een privé-initiatief was van een voormalig (bestuurs-)lid. Deze persoon is al enige tijd geleden geroyeerd. De VMC had en heeft geen enkele betrokkenheid bij deze stichting.

De aanvullende eisen van de minister

De VMC stelt dat de aanvullende eisen van het ministerie van Justitie en Veiligheid voorbij gaan aan het belangrijkste argument van de VMC, namelijk dat zij als club niet voldoen aan de OMG-definitie. De VMC meent dat de overheid de beginselen van de rechtsstaat en de vrijheid en bescherming van vereniging, zoals opgenomen in de Grondwet en het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens schendt, door vast te houden aan veronderstellingen en een bepaalde perceptie van hoe de VMC zich als motorclub uit.

De minister onderbouwt volgens de VMC niet waarom het hebben van een sergeant at arms ongewenst zou zijn. De VMC stelt dat de club, net als iedere andere vereniging, een voorzitter, een penningmeester en een secretaris heeft. Daarnaast is er een lid aangesteld om zowel de tradities en cultuur, alsook de regels en de orde van de motorclub te bewaken. De naam 'sergeant at arms' moet symbolisch worden opgevat, aldus de VMC.

Verder schrijft de VMC dat de minister de deelname van de VMC aan de Raad van Acht verkeerd interpreteert. De Raad van Acht is een voormalig overlegorgaan tussen verschillende motorclubs, en opgeheven in 2013. De VMC maakte sinds 2012 al geen deel meer uit van dit overlegorgaan. Verder heeft het ministerie het volgens de VMC ook mis voor wat betreft de onderlinge verhoudingen in dat overleg. De doelstelling van de Raad van Acht was met name het bewaken van de eigen identiteit, zoals bijvoorbeeld het dragen van bepaalde kleuren of de locatie van een chapter. Geen van de deelnemende clubs was voorzitter van deze Raad, aldus de VMC.

De VMC meent daarnaast dat de minister het boek 'Brothers in arms, Brothers on bikes' zeer selectief leest en daaruit alleen passages noemt die passen bij het OMG-beleid.

Het aanmerken van de VMC als OMG moet heroverwogen worden

De VMC stelt dat de klacht zich niet richt op het feit dat de overheid een beleid opstelt dat zich richt op motorclubs en daarmee ook op de VMC. De VMC klaagt er wel over dat de definities en uitgangspunten naar de vereniging worden toegeschreven, dat het beleid vervolgens wordt toegepast op de VMC en dat daaraan in het openbaar uiting wordt gegeven door politie en het ministerie van Veiligheid en Justitie.

De VMC benadrukt dat het gaat om veteranen, al dan niet nog actief dienend, die zich hebben ingezet of nog steeds inzetten voor vrede en veiligheid. De VMC meent dat dit gegeven op zijn minst een contra-indicatie had moeten zijn voor de overheid bij de beoordeling of de VMC als OMG moet worden aangemerkt.

Ook vindt de VMC het belangrijk dat de overheid opgesteld en ingevoerd beleid evalueert en waar nodig nader onderzoek verricht, om eventueel terug te komen op eerder ingenomen standpunten. De VMC geeft aan op dit punt weinig vertrouwen te hebben in het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Het Ministerie van Defensie heeft zich wat dat betreft zorgvuldiger opgesteld richting de club, aldus de VMC. De club wijst erop dat zij openlijke steunbetuigingen heeft ontvangen van hooggeplaatste Defensie-medewerkers.

6 Reactie van de minister op het antwoord van de VMC

De minister van Justitie en Veiligheid reageerde niet meer inhoudelijk op de bovenstaande argumenten van de VMC. Hij laat in het kader van hoor en wederhoor weten te volstaan met een verwijzing naar zijn eerdere, uitgebreide reactie op de opening van het onderzoek.

Daarnaast ging de minister nog in op de aanvullende vraag van de ombudsman of tegen de plaatsing op de 'OMG-lijst' een formeel rechtsmiddel openstaat.

Hij laat weten dat de landelijke en integrale aanpak zich niet richt op een limitatieve lijst van OMG's of een motorclub in het bijzonder. De aanpak betreft het fenomeen OMG-problematiek en daarbij op de bestrijding van normoverschrijdend en ondermijnend gedrag.

De minister benadrukt nogmaals dat in voorkomende gevallen rechtsmiddelen openstaan tegen de op wet- en regelgeving gebaseerde toegepaste (strafrechtelijke, fiscale of bestuursrechtelijke) handhavingsinstrumenten. Op die manier kan het overheidshandelen worden getoetst door de rechter.

7 Aanvullende informatie

Op 6 juli 2017 bood de minister van Justitie en Veiligheid aan het Tweede Kamer de voortgangsrapportage OMG's 2016 aan. Bijgevoegd was de Voortgangsrapportage Outlaw Motorcycle Gangs 201613 van het Landelijke Informatie en Expertise Centrum (verder LIEC). Dat stuk was op 29 juni 2017 aangeboden aan de minister van Justitie en Veiligheid. Daarin wordt een 'outlaw motorcycle gang' omschreven als 'een hiërarchisch opgebouwde organisatie waarvan de leden (en daarmee andere verbonden personen) hun club gebruiken als een kanaal en afscherming voor criminele en ondermijnende activiteiten met financieel of andere materieel voordeel als oogmerk.'

Verder is een overzicht opgenomen van de meest voorkomende strafbare feiten, waarvan ruim 400 OMG-leden in 2016 werden verdacht. Het merendeel van de strafrechtelijke onderzoeken heeft betrekking op gewelds-/levensdelicten, drugs, wapens, explosieven, en witwassen.

8 Beoordeling

Het vereiste van evenredigheid houdt in dat de overheid om haar doel te bereiken een middel kiest dat niet onnodig ingrijpt in het leven van de burger en dat in evenredige verhouding staat tot dat doel. De overheid moet voorkomen dat burgers onevenredig nadeel hebben van maatregelen die de overheid neemt.

Ten aanzien van het OMG-beleid houdt dit in dat de overheid zich voldoende en op regelmatige basis rekenschap geeft van de impact die dit beleid en de maatregelen die daaruit (kunnen) volgen, hebben op diegenen op wie het wordt toegepast.

Specifiek beleid ontwikkeld

Het Ministerie van Justitie en Veiligheid heeft aanwijzingen dat bepaalde motorclubs betrokken zijn bij zware, (soms internationaal) georganiseerde criminaliteit, (dreiging met) geweld en verstoring van de openbare orde, of daarvoor ruimte en gelegenheid bieden. Die aanwijzingen komen voort uit jarenlange observaties en opsporingsonderzoeken van de politie.

De overheid stelt dat dit normoverschrijdend en ondermijnend gedrag is en een negatieve invloed op de samenleving heeft. Daarom heeft de overheid besloten om specifiek beleid op te stellen om criminele gedragingen van deze zogenoemde 'outlaw motorcycle gangs' en hun leden aan te pakken. Omdat de strafrechtelijke weg vooralsnog onvoldoende resultaat opleverde, werd in 2012 besloten tot een integrale aanpak waarbij de bevoegdheden van verschillende overheden worden gebundeld. Bovengenoemd ongewenst gedrag kan daardoor niet alleen strafrechtelijk maar ook fiscaal en bestuursrechtelijk worden aangepakt.

De ombudsman is overtuigd van het belang voor de samenleving om het hierboven beschreven normoverschrijdend en ondermijnend gedrag effectief aan te kunnen pakken. Hij heeft er begrip voor dat is gezocht naar andere mogelijkheden, naast de strafrechtelijke handhavingsinstrumenten, om de samenleving te beschermen. Hij benadrukt wel dat de overheid daarbij oog moet houden voor de belangen van de burger. Ook zulk specifiek beleid mag niet onnodig ingrijpen in het leven van de burger en moet in evenredige verhouding staan tot het doel, in dit geval het aanpakken van zogenoemde outlaw motorcycle gangs en hun leden wanneer die normoverschrijdend en ondermijnend gedrag laten zien. De ombudsman acht het bovendien van belang dat de overheid ervoor zorgt dat de toepassing van beleid feitelijk kan worden getoetst.

Hoe is in de rechtsbescherming voor belanghebbenden bij het OMG-beleid voorzien?

Wat kan een belanghebbende, club of individueel lid, doen als hij meent dat hij niet voldoet aan het predicaat 'outlaw' maar wel als zodanig wordt behandeld? En is de overheid bereid om te heroverwegen of een club of individu die volgens de instanties eerder voldeed aan de criteria van normoverschrijdend en ondermijnend gedrag, met het verstrijken van de tijd wellicht niet meer aan die voorwaarden voldoet? En als dat de conclusie zou zijn, hoe wordt daaraan dan bekendheid gegeven en door wie?

Expliciet gevraagd naar het bestaan van een officiële 'OMG-lijst' antwoordde de minister dat de landelijke en integrale aanpak zich niet richt op een limitatieve lijst maar op het gedrag van clubs en/of individuele leden. Volgens de minister hebben belanghebbenden daarmee grotendeels zelf in de hand of zij de speciale aandacht van de overheid op zich vestigen.

De ombudsman maakt uit deze reactie op dat de overheid geen officiële, openbare lijst van outlaw motorcycle gangs bijhoudt , en dat daarom er ook geen mogelijkheid bestaat om plaatsing op zo'n lijst formeel aan te vechten.

Met zijn antwoord dat de OMG-aanpak niet uitgaat van een limitatieve lijst, gaat de minister ten onrechte voorbij aan het feit dat de VMC wel wordt genoemd in een aantal hiervoor genoemde openbare beleidsstukken van de politie. De club staat daarin vermeld in de beschrijvingen van Nederlandse motorclubs die door de politie in de gaten werden gehouden. In het beleidsstuk 'Outlaw bikers in Nederland' van de politie van april 2014 is daadwerkelijk sprake van een lijst in hoofdstuk 2.3. met de titel 'Outlaw motorcycle gangs in Nederland'.

Naar het oordeel van de ombudsman ligt het voor de hand dat (lagere) overheden die beleidsstukken erbij pakken wanneer zij zich geconfronteerd zien met een situatie, club of individu waarvan het vermoeden is gerezen dat daarbij mogelijk sprake is van een 'OMG-situatie'. De ombudsman acht het reëel dat de betrokken overheidsinstantie in een concrete situatie, denk bijvoorbeeld aan een aanvraag van een vergunning voor een evenement, niet meer zelf de afweging maakt of de VMC voldoet aan de OMG-criteria maar dit op grond van de vermelding in de beleidsstukken als een gegeven aanneemt.

Dat de VMC in de openbare voortgangsrapportage van de LIEC uit 2017 niet meer met naam en toenaam wordt genoemd, maakt niet dat de eerdere vermeldingen verdwijnen of geen gevolgen meer (kunnen) hebben. De minister is zich volgens de ombudsman in dit kader onvoldoende bewust van de omstandigheid dat wanneer een club of individu eenmaal genoemd is in deze context, dit zichtbaar blijft voor derden.
 

Verder stelt de minister dat belanghebbenden de reguliere rechtsmiddelen tot hun beschikking hebben om door de rechter te laten toetsen of de toegepaste maatregelen wel gebruikt hadden mogen worden in een concrete situatie.

Hierover gaf de VMC aan dat in de door hun gevoerde gerechtelijke procedures door de rechter alleen werd bekeken of het toegepaste handhavingsinstrument in die concrete, individuele situatie juist was ingezet. De onderliggende vraag die voor de VMC het belangrijkst is, namelijk de vraag of de club terecht als OMG wordt behandeld, werd én wordt door de rechter niet inhoudelijk getoetst. Ook stelde de VMC dat het OM naar aanleiding van hun aangifte tegen de politie, had opgemerkt dat de strafrechtelijke procedure niet de aangewezen plek is voor deze vraag. Het OM verwees de VMC daarvoor naar de politiek en de klachtenprocedure.

Nu er geen sprake lijkt te zijn van een officiële lijst, is het begrijpelijk dat betrokkenen zoeken naar andere wegen, zoals klachtbehandeling, om zich tegen het predicaat 'outlaw' te kunnen verweren.

Behandeling van de klacht van de VMC

In deze zaak wendde de VMC zich tot de Nationale ombudsman, tevens Veteranenombudsman nadat de minister van Justitie en Veiligheid hun klacht ongegrond had verklaard. De VMC-leden stellen dat zij zich niet schuldig hebben gemaakt aan strafbare feiten of normoverschrijdend en ondermijnend gedrag. Zij herkennen zich als club niet in de omschrijving van een outlaw motorcycle gang.

De leden geven gemotiveerd aan waarom zij menen dat de minister hun club ten onrechte als een OMG heeft aangemerkt, en dat blijft doen.

De minister blijft van mening dat de VMC daar wel aanleiding voor heeft gegeven en heeft daarvoor verschillende argumenten gegeven die hieronder worden besproken.

Antecedenten

De mate waarin individuele leden van een OMG zich schuldig hebben gemaakt aan strafbare feiten is volgens de minister weliswaar een element dat wordt meegewogen, maar is op zichzelf niet doorslaggevend voor de vraag of een motorclub wordt betrokken bij de OMG-aanpak.

De minister gaf geen inzage in de justitiële gegevens van VMC-leden, maar overlegde in plaats daarvan het Excelbestand van juli 2013, met de antecedenten van achttien van de 28 op dat moment bekende VMC-leden. De ombudsman gaat voor de beoordeling van deze klacht dan ook uit van deze lijst.

In de lijst zijn 38 antecedenten opgenomen die betrekking hebben op: het rijden onder invloed (artikel 8 Wegenverkeerswet), de Opiumwet, de Wet Wapens en Munitie, mishandeling, computercriminaliteit, verstoring van de openbare orde, bedreiging, desertie, vernieling, wederspannigheid, verkeersovertreding, niet opvolgen van een ambtelijk bevel en openlijke geweldpleging. 26 van deze zaken zijn als misdrijf afgedaan, waarvan drie veroordelingen voor rijden onder invloed en negen veroordelingen voor mishandeling.

De ombudsman kan uit deze lijst niet opmaken van welke datum deze veroordelingen zijn. De Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (verder Wjsg) bepaalt na welke termijn strafrechtelijke gegevens uit het Justitieel Documentatie Systeem (verder het JDS) verwijderd moeten worden. Bij misdrijven wordt onderscheid gemaakt tussen het type misdrijf (licht, ernstig of een zedenmisdrijf) en varieert de bewaartermijn tussen twintig, dertig en tachtig jaar.

Daarnaast valt uit het summiere bestand niet op te maken om welk concrete strafbare feiten het gaat. Bijvoorbeeld wordt het bij veroordelingen op grond van de Opiumwet uit de lijst niet duidelijk of het gaat om het voorhanden hebben, het vervaardigen of het doorvoeren van verdovende middelen. De ombudsman acht deze informatie relevant om de motivering van het standpunt van de minister te kunnen beoordelen.

Ook is in de geanonimiseerde lijst niet aangegeven of de strafbare feiten werden gepleegd voordat de betrokkene lid werd van de VMC of ten tijde van het lidmaatschap, en hoe oud de betrokken VMC-leden in juli 2013 waren.

Gelet op het feit dat de genoemde antecedenten in ieder geval van niet later dan juli 2013 dateren, kan op basis van deze gegevens geen uitspraak worden gedaan over het percentage VMC-leden dat op dit moment strafrechtelijke antecedenten heeft.

De VMC heeft verder nog aangegeven dat sinds het opstellen van de lijst een aantal leden is geroyeerd en dat de club er vanuit gaat dat die leden nog wel voorkomen op de lijst. Deze leden hadden meerdere antecedenten per persoon achter hun naam. Omdat de minister de ombudsman geen inzage heeft gegeven, kan ook dit niet met zekerheid worden vastgesteld.

Het Excelbestand komt inderdaad overeen met de cijfers die de minister in zijn brief van 20 november 2015 noemde. De ombudsman meent echter dat het daarmee niet per definitie een bevestiging is van de standpunten van de minister.

Ook valt uit de genoemde antecedenten niet meteen op te maken dat de gepleegde strafbare feiten verband hielden met het lidmaatschap van deze motorclub, laat staan een link hebben met georganiseerde misdaad.

De ombudsman acht bovengenoemde punten relevant voor de vraag of de VMC in zijn huidige samenstelling (nog steeds) zodanig gedrag vertoont dat het terecht is dat de club de speciale aandacht van de overheid op zich gevestigd ziet.

In dit licht is ook de brief van de minister van 8 oktober 2015 aan de Tweede Kamer van belang. Daarmee informeerde de minister de Tweede Kamer over de resultaten van 150 onderzoeken naar zware en (internationaal) georganiseerde misdaad door (leden van) OMG's. Volgens het OM was uit die 150 onderzoeken geen informatie over VMC-leden naar voren gekomen. Dat onderzoek vond plaats bijna twee jaar nadat het Excelbestand werd opgesteld ten behoeve van het hiervoor genoemde wetenschappelijke onderzoek.

Verder hecht de ombudsman er belang aan dat uit de hiervoor genoemde interne nota van de directeur van het Ministerie van Defensie aan de minister van Defensie van juni 2014 blijkt dat er (in ieder geval op dat moment) geen redenen waren geweest om de Verklaring Geen Bezwaar (verder VGB) van actief dienende VMC-leden in te trekken of te weigeren.

De minister merkt terecht op dat het hebben van antecedenten niet automatisch van invloed is op de VGB aangezien het afhangt van het strafbare feit en ander omstandigheden van het geval. Daar staat tegenover het argument van de VMC dat de MIVD in de veiligheidsonderzoeken ten behoeve van de vereiste VGB's voor actief dienende militairen ook kijkt naar de personen in hun privéomgeving.

Deelname van de VMC aan de Raad van Acht

De ombudsman maakt verder uit de stukken op dat het feit dat de VMC deel heeft uitgemaakt van de Raad van Acht een belangrijke rol speelde bij het aanmerken van de club als OMG.

Hoewel de VMC stelt dat dit overlegorgaan een andere invulling en rol had dan door de minister is aangeven, heeft de ombudsman wel begrip voor het feit dat de minister het deelnemen aan de Raad van Acht heeft meegewogen. Het OMG-beleid geeft immers aan dat strafrechtelijke antecedenten alleen niet een doorslaggevende factor zijn. Ook het zich identificeren met die motorclubs waarvan meer dan gemiddeld wordt vastgesteld dat de leden daarvan strafbare feiten plegen, draagt er volgens de minister aan bij dat de overheid speciale aandacht heeft voor een motorclub. In de Raad van Acht hadden de belangrijkste OMG's zitting. Motorclubs waarvan uit het eerder genoemde wetenschappelijk onderzoek was gebleken dat 82% was veroordeeld voor een misdrijf.

Gestelde eisen omtrent het afstand nemen van het predicaat 'outlaw'

Daarnaast heeft de minister aanvullende voorwaarden gesteld waaruit moet blijken dat de VMC afstand neemt van het predicaat 'outlaw' en de daarbij behorende symboliek.

De ombudsman meent echter dat de genoemde voorwaarden te ver gaan en neigen naar aantasting van de persoonlijke levenssfeer. Zo kan het dragen van bepaalde, herkenbare fysieke symbolen als de 'three piece patches' naar het oordeel van de ombudsman onvoldoende argument zijn om een motorclub voorwerp te maken van specifiek beleid. Daarnaast is de ombudsman het eens met de VMC dat de minister niet duidelijk heeft gemaakt waarom het hebben van een 'sergeant at arms' voldoende aanleiding geeft om aan te nemen dat de betrokken motorclub zich schuldig maakt aan normoverschrijdend en ondermijnend gedrag.

Verder merkt de ombudsman op dat de VMC in de laatste voortgangsrapportage van het LIEC niet wordt genoemd terwijl andere motorclubs wel met naam en toenaam worden vermeld in voorbeelden van normoverschrijdend en ondermijnend gedrag.

Gezien alle argumenten is de ombudsman van oordeel dat er ten tijde van de start van het landelijke en integrale OMG-beleid in 2012, voor de politie verdedigbare redenen waren om op dat moment de VMC te vermelden in de beleidsstukken. Deelname aan de Raad van Acht was daarbij het uitgangspunt.

De ombudsman meent echter dat de minister zijn standpunt dat de VMC nog steeds aanleiding geeft om als OMG benaderd te worden, met steekhoudende argumenten had moeten onderbouwen toen de club om heroverweging verzocht. Gezien de gestelde grote gevolgen die het predicaat 'outlaw' voor de club en haar leden heeft, had de minister naar het oordeel van de ombudsman desgevraagd serieus op die argumenten in moeten gaan, en zich daarbij op recente gegevens moeten baseren in plaats van vast te houden aan de startgegevens uit 2012. Dat had al in de interne klachtbehandeling moeten plaatsvinden.

Ook vindt de ombudsman het zorgelijk dat er bij het opstellen van een beleid dat grote impact kan hebben op diegenen op wie het wordt toegepast, geen oog is geweest voor het perspectief van de betrokkenen. Daarbij is ook niet voorzien in een daadwerkelijke mogelijkheid om de inzet van dat beleid in een concreet geval te kunnen (laten) toetsen.

De ombudsman is van mening dat in het kader van een periodieke beleidsoverweging ook de vraag moet worden gesteld of de eerder als zodanig benoemde clubs, in dit geval de VMC, nog steeds kwalificeren als 'outlaw motorcycle gang'

Uit de informatie die de minister in het kader van dit onderzoek aan de ombudsman verstrekte, tezamen met de omschrijving van het fenomeen 'OMG' in de meest recente voortgangsrapportage van het LIEC, volgt niet dat er feiten zijn die het vasthouden aan het predicaat 'outlaw' rechtvaardigen. Door op de geschetste wijze om te gaan met het verzoek van de VMC om heroverweging, gaf de minister zich onvoldoende rekenschap van de impact die het 'OMG'-beleid kan hebben. Hierdoor handelde de minister in strijd met de evenredigheid jegens de VMC.

Tegen deze achtergrond acht de ombudsman de klacht gegrond.

Klacht dat de brief van 1 februari 2016 niet werd beantwoord

De minister van Justitie en Veiligheid heeft in zijn reactie op de opening van het onderzoek aangegeven dat de klacht van de VMC over het niet beantwoorden van de brief gegrond is. De minister heeft daarvoor verontschuldigingen aangeboden en ervoor zorg gedragen dat de brief alsnog werd beantwoord. Nu ook voor de minister vaststaat dat het niet beantwoorden van de brief onbehoorlijk was, is er voor de ombudsman geen aanleiding om op dit punt nader onderzoek in te stellen.

9 Conclusie

De klacht over de eerste onderzochte gedraging van de minister van Justitie en Veiligheid te Den Haag is gegrond, vanwege schending van het vereiste van evenredigheid.

De ombudsman heeft er met instemming kennis van genomen dat de minister van Justitie en Veiligheid klacht twee gegrond heeft geacht, en onder aanbieding van verontschuldigingen ervoor zorg heeft gedragen dat de brief van de VMC van 1 februari 2016 alsnog werd beantwoord.

10 Aanbeveling

De ombudsman beveelt de minister van Justitie en Veiligheid aan om op grond van recente gegevens te beoordelen of de VMC en/of haar leden zich schuldig maken aan gedragingen die het predicaat 'outlaw' en daarmee de toepassing van het OMG-beleid rechtvaardigen. Wanneer de conclusie van die beoordeling luidt dat hiervan geen sprake is, beveelt de ombudsman de minister aan om daaraan publieke bekendheid te geven.

Notes

[←1]

'Hells Angels en andere 1%-MC's in Nederland', KLPD Dienst Nationale Recherche, Driebergen 2010

[←2]

Tweede Kamer, vergaderjaar 2011-2012, 29 911, nr. 59

[←3]

Tweede Kamer, vergaderjaar 2011-2012, 29 911, nr. 59

[←4]

Politie en Europol, 2010

[←5]

'Een omgeving die bijdraagt aan het plegen van delicten en daardoor ook ten aanzien van recidive een voorspellende waarde kan hebben', Juridisch Woordenboek Lycaes

[←6]

'Outlawbikers in Nederland, Politie Landelijke Eenheid Dienst Landelijke Informatieorganisatie, Woerden april 2014

[←7]

ECLI:NL:GHSHE:2015:4106

[←8]

Tijdschrift voor Criminologie 2014 (56) 3

[←9]

'Outlawbikers in Nederland, Politie Landelijke Eenheid Dienst Landelijke Informatieorganisatie, Woerden april 2014

[←10]

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 28 684, nr. 453

[←11]

R. Moelker, Uitgeverij Damon VOF, 15 juni 2011, ISBN-10 9460360157

[←12]

Uitgave van AIVD en MIVD, eerste druk oktober 2009

[←13]

Voortgangsrapportage Outlaw Motorcycle Gangs 2016, LIEC, juni 2017

Publicatiedatum
Rapportnummer
2017/141