2016/049 Defensie begeleidt veteraan onvoldoende na ziekmelding

Defensie heeft een veteraan onvoldoende begeleid na zijn ziekmelding. Hij heeft geen arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend gekregen en is ook niet in het kader van zijn re-integratie begeleid. Hierdoor is hij in grote problemen beland. Veteranenombudsman Reinier van Zutphen vindt de klachten van de veteraan gegrond. De minister heeft een bijzondere zorgplicht voor veteranen die als gevolg van hun inzet zorg nodig hebben. Hierin is Defensie tekort geschoten. Hij doet de minister van Defensie de aanbeveling met de veteraan in gesprek te gaan om te kijken hoe het vertrouwen kan worden hersteld.

Instantie: Ministerie van Defensie

Klacht:

na een ziekmelding per 11 oktober 2006 onvoldoende invulling gegeven aan de verzuimbegeleiding

Oordeel: gegrond

Verzoeker is in 1998 gaan werken bij de Koninklijke Landmacht en is in zijn diensttijd ook uitgezonden geweest naar Kosovo en Bosnië. Hij was korporaal 1e klasse  toen hij zich op 11 oktober 2006 bij zijn werkgever had ziek gemeld. Deze ziekmelding lag kort voor 1 januari 2007, de einddatum van zijn contract bij Defensie. Verzoeker klaagt erover dat hij in de periode na zijn ziekmelding geen verzuimbegeleiding van zijn werkgever heeft ontvangen. Later werd hij na het volgen van een bezwaarprocedure wel met terugwerkende kracht blijvend ongeschikt bevonden voor de dienst. Dat leidde toen ook tot een periode van doorbetaling van zijn bezoldiging. Na afloop van die periode kreeg hij echter geen arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend. Daarnaast ontving verzoeker ook geen begeleiding in het kader van zijn re-integratie.

In reactie op de klacht erkent de Minister van Defensie dat  de klacht over het te laat opstarten van de verzuimbegeleiding gegrond is. Voor de periode daarna is de Minister van mening dat er op haar geen verplichting rust omdat dit deels als eigen verantwoordelijkheid wordt beschouwd (aanvragen uitkering) en deels omdat verzoekers ziekte volgens de werkgever geen verband hield met zijn uitzending. De minister is van mening dat het daarom geen taak van Defensie was om deze veteraan te ondersteunen bij re-integratie. De Veteranenombudsman deelt dit standpunt niet en is van oordeel dat de Minister niet heeft voldaan aan de bijzondere zorgplicht die zij op grond van de Veteranenwet ten aanzien van veteranen heeft. Onder die zorgplicht wordt in ieder geval ook verstaan het verstrekken van informatie over én het verlenen van hulp bij het aanvragen van een uitkering. Ook het actief begeleiden naar een passende baan binnen of buiten Defensie wordt hiertoe gerekend.

Voor zijn loondoorbetaling wegens ziekte na het aflopen van zijn contract moest verzoeker eerst een bezwaarprocedure doorlopen. De door hem zelf ingediende aanvraag voor een Militair invaliditeitspensioen (MIP) in 2009 is afgewezen, het in verband hiermee ingestelde beroep is momenteel nog aanhangig bij de Centrale Raad van Beroep. De Veteranenombudsman is van oordeel dat verzoeker na het einde van zijn contract niet de steun heeft gekregen die hij als veteraan van zijn voormalige werkgever had mogen verwachten.

Vereiste van maatwerk: gegrond

De Minister van Defensie heeft als aanbeveling gekregen verzoeker uit te nodigen voor een gesprek waarin kan worden besproken op welke wijze zijn vertrouwen in de Defensieorganisatie kan worden hersteld.

 

Klacht

Verzoeker, korporaal 1e klasse D bij de Koninklijke Landmacht, klaagt erover dat zijn werkgever, het Ministerie van Defensie, na een ziekmelding per 11 oktober 2006, onvoldoende invulling heeft gegeven aan de verzuimbegeleiding: verzoeker werd per einde contractdatum, 1 januari 2007, wel blijvend ongeschikt bevonden voor de dienst maar heeft na een periode van doorbetaling van zijn bezoldiging wegens ziekte geen arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend gekregen en is ook niet in het kader van zijn re-integratie begeleid.

Bevindingen en beoordeling

Algemeen

I.Bevindingen

Visie verzoeker

1. Verzoeker is in 1998 gaan werken bij de Koninklijke Landmacht. Na zijn opleiding in Ermelo begon hij bij het Transportbataljon in Garderen. Van 14 december 1999 tot 16 mei 2000 werd hij uitgezonden naar Kosovo (KFOR 2) en later van 6 mei 2002 tot 5 november 2002 nog een keer met een Verkennersbataljon naar Bosnië (SFOR 12). Na de tweede uitzending heeft verzoeker alleen nog aan oefeningen meegedaan tot hij op 11 oktober 2006 uitviel met psychische klachten. Deze uitval lag kort voor de einddatum van zijn contract: 1 januari 2007. In de ontslagbeschikking wegens einde aanstelling van 16 november 2006 verwijst de Staatssecretaris van Defensie ten onrechte naar artikel 39, tweede lid, onder b van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) (zie Achtergrond, onder 4.), dat betrekking heeft op het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Na het einde dienstverband wordt hij op 21 januari 2007 aangemeld bij het Arbocentrum Noordoost Nederland van de Koninklijke Landmacht. Op 21 februari 2007 werd een aanvraag voor verzuimbegeleiding gedaan. Ondertussen werd verzoekers bezwaar tegen de beschikking waarin afwijzend was beslist om zijn bezoldiging bij arbeidsongeschiktheid na ontslag uit de militaire dienst door te betalen op 19 april 2007 gegrond verklaard. Hierdoor kon de bezoldiging ook na het einde van de aanstelling nog gedurende een jaar volledig worden doorbetaald (artikel 120, tweede lid, van het AMAR, zie Achtergrond, onder 4.).

2. Op 8 maart 2007 bezoekt hij het spreekuur van de bedrijfsarts en later in de maand het spreekuur van een ABP/SMO-arts die moet vaststellen of verzoeker op datum ontslag ten gevolge van een ziekte of gebrek ongeschikt werd geacht om zijn arbeid te verrichten. Hij concludeert dat verzoeker ongeschikt was voor de eigen functie. Eind 2007 wordt verzoeker door zijn huisarts verwezen naar de GGZ Friesland omdat hij depressief was en suïcidale gedachten had, verder waren er financiële problemen. Contacten die hij had gehad met een psycholoog via Defensie waren inmiddels afgebouwd. Hij komt bij de GGZ tijdelijk in het programma Opname Vervangende Dag Behandeling. Het gaat beter met verzoeker als hij via een uitzendbureau tijdelijk werk vindt. Als hij zich vanuit het tijdelijk werk ziek meldt, komt hij ook in contact met het UWV. Een verzekeringsarts van het UWV heeft verzoeker op basis van informatie van de GGZ per 19 mei 2008 arbeidsgeschikt bevonden. Van die beoordeling zijn geen leesbare documenten. Verzoeker heeft na zijn diensttijd één keer een uitzendbaantje gehad.

3. Op 14 oktober 2009 heeft verzoeker in verband met zijn voortdurende psychische klachten een aanvraag ingediend voor een Militair Invaliditeitspensioen (MIP). Verzoeker bezoekt op 14 januari 2010 het spreekuur van een verzekeringsarts bij het Commando DienstenCentra (CDC), bedrijfsgroep Gezondheidszorg, Bijzondere Medische Beoordelingen (BMB). Deze verzekeringsarts vindt het in het kader van zijn onderzoek wenselijk dat er een aanvullende psychiatrische expertise wordt verricht. Het verzoek daartoe stuurt hij op 19 april 2010 naar de BMB, afdeling Psychiatrische Advisering. Het psychiatrisch onderzoek vindt plaats op 19 mei 2010.

4. Een conclusie van de beoordeling van de aanvraag MIP is dat verzoeker uit hoofde van een ziekte of gebrek blijvend ongeschikt is voor het vervullen van de militaire dienst. De Staatssecretaris van Defensie geeft op 14 oktober 2010 een nieuwe ontslagbeschikking af (per 1 januari 2007) waarbij hij de ontslaggrond aanpast in ontslag wegens blijvende ongeschiktheid (artikel 39, tweede lid, onder f van het AMAR, zie Achtergrond). Bij beschikking van 15 november 2010 neemt de Stichting Pensioenfonds ABP (ABP) namens de Minister van Defensie een beslissing op de aanvraag MIP: verzoeker krijgt met ingang van 20 oktober 2008, zijnde een jaar voor de datum aanvraag, een garantiepensioen toegekend van € 4.113,05 bruto per jaar, dat echter niet tot uitbetaling komt. Voor een MIP komt verzoeker niet in aanmerking omdat het ABP geen verband met de uitvoering van de militaire dienst aanvaardde ten aanzien van de bij verzoeker geconstateerde aandoening van psychische aard. Dit is overeenkomstig het rapport van 20 juli 2010 van de Commissie Geneeskundig Onderzoek Militairen Bedrijf Bijzondere Medische Beoordelingen. In die procedure wordt ook het oordeel meegenomen van de psychiater, kolonel-arts X.

5. Verzoeker heeft de afwijzing van het MIP aangevochten, in eerste instantie met een bezwaarschrift dat bij besluit van 10 februari 2012 ongegrond is verklaard en daarna op 21 maart 2012 met een beroepschrift bij de rechtbank in Den Haag. Ook het beroep wordt door de rechtbank ongegrond verklaard. Verzoeker gaat hierna in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. Met het oog op die procedure wordt op verzoek van verzoekers advocaat een contra-expertiseonderzoek verricht door psychiater Y. te Haren. Zijn conclusie, gedateerd 24 januari 2013, is dat er bij verzoeker sprake is van een posttraumatische stress stoornis (PTSS) die in belangrijke mate verband houdt met zijn ervaringen als militair in Kosovo. Psychiater Y. is verder van mening dat verzoeker zich ten gevolge van de PTSS nauwelijks in staat is zich staande te houden en dat het onderzoek van de psychiater, kolonel-arts X. nauwelijks voldoet aan de psychiatrische standaard. Na de zitting van de Centrale Raad ven Beroep op 13 juni 2014, besluit de Raad op 11 juli 2014 psychiater K. te benoemen tot deskundige. Deze wordt op 10 september 2014 aangeschreven. Het onderzoek bij deze psychiater vindt uiteindelijk pas plaats in juli 2015. Voor zover bekend heeft de Centrale Raad van Beroep tot op heden nog geen uitspraak gedaan op het hoger beroep.

6. In 2011 heeft verzoeker van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) een indicatie gekregen voor een aantal uren individuele activerende begeleiding per week. De begeleiding is gericht op het (weer) functioneren in de maatschappij. Deze zorg wordt vanaf april 2013 verzorgd door twee medewerkers van BOOM (=Begeleiding Op Onze Manier) trajecten. Deze medewerkers begeleiden verzoeker wanneer hij een afspraak heeft bij een instantie of een keuringsonderzoek.

7. Eind oktober 2014 zocht verzoeker contact met de Veteranenombudsman. Hij ontving alleen een bijstandsuitkering en had een achterstand gekregen in het betalen van zijn hypotheek. Verzoeker hoopte op een goede afloop van de hoger beroepsprocedure inzake het MIP en dat hij dan financieel meer ruimte zou hebben, maar zijn bank wilde hem niet langer uitstel geven en had zijn woning verkocht. Als gevolg hiervan moest hij op 19 december 2014 zijn woning hebben verlaten. Zijn gemeente gaf hem geen voorrang voor het verkrijgen van een andere (huur) woning en dit sombere vooruitzicht was de directe aanleiding voor het benaderen van de Veteranenombudsman. Verzoeker werd uitgenodigd voor een gesprek op 6 november 2014 en heeft toen, samen met zijn begeleiders van BOOM-trajecten, zijn klachten verder toegelicht. Naast het acute huisvestingsprobleem bleek dat verzoeker naar eigen zeggen nooit naar het Veteraneninstituut was verwezen en dat hij na zijn ziekmelding op 11 oktober 2006 onvoldoende begeleiding had ontvangen van zijn werkgever. Bij dit laatste dacht hij aan hulp bij het aanvragen van een uitkering of om te kunnen re-integreren op een passende werkplek, binnen of buiten Defensie.

8. Verzoeker krijgt via woningcorporatie WoonFriesland een andere woning toegewezen welke hij op 6 januari 2015 kan betrekken. In de tussenliggende periode kan hij tijdelijk bij zijn ouders intrekken en zijn spullen ergens opslaan.

Visie Minister van Defensie

9. Verzoekers klacht wordt met een aantal vragen bij brief van 18 december 2015 aan de Minister van Defensie voorgelegd. De minister beantwoordt deze bij brief van 9 maart 2016.

10. In haar reactie geeft de minister aan dat de diverse afzonderlijke commandanten binnen Defensie tot 1 januari 2007 zelf verantwoordelijk waren voor de re-integratie van hun zieke militaire en burgerwerknemers. Hierdoor was er weinig tot geen harmonisering en uniformiteit op het gebied van de re-integratie. Na de inwerkingtreding van de beleidsnota “Herzien Re-integratiebeleid Defensiepersoneel” is het re-integratiebeleid, met in achtneming van de rechtspositionele verschillen tussen burgers en militairen zo veel als mogelijk uniform gemaakt voor beide categorieën. In verband hiermee is per 1 januari 2007 ook het Dienstencentrum Re-integratie (DCR) opgericht.

11. Volgens de minister is verzoeker na zijn ziekmelding op 11 oktober 2006, op 1 januari 2007 wegens het bereiken van het einde van zijn contractduur, regulier ontslagen. In de periode tussen de ziekmelding en het reguliere ontslag is behalve de ziekmelding niets aan re-integratie activiteiten verricht. De Wet Poortwachter is daardoor niet volledig toegepast, aldus de minister. Verzoeker is vervolgens pas op 21 februari 2007, na zijn ontslag, aangemeld bij het Arbocentrum. Dit was te laat. Hierdoor is procedure loondoorbetaling bij ziekte (op grond van artikel 120 van het AMAR, zie Achtergrond onder 4.) te laat opgestart. Aangezien dit traject na zijn ontslag opgestart is, heeft ABP hier namens Defensie uitvoering aan gegeven. Daarnaast heeft ABP in de periode van 8 september 2008 tot 8 augustus 2009 in dit begeleidingstraject wachtgeld aan verzoeker uitgekeerd. Verder ontving hij in de periode van 1 april 2011 tot 31 juli 2012 een suppletie uitkering.

12. Daarnaar gevraagd gaf de minister aan dat het aanvragen van een WIA-uitkering een eigen verantwoordelijkheid van de werknemer is. Deze verplichting wordt altijd opgenomen in de ontslagbeschikking die 3 maanden voor het ontslag verstrekt wordt. De re-integratiebegeleider van DCR ondersteunt de werknemer in het re-integratie proces en kan de werknemer helpen bij de WIA-aanvraag. Omdat verzoeker per 1 januari 2007 het einde van zijn reguliere contractduur bereikte, is hij ondanks de ziekte per die datum ontslagen. Er rustte geen re-integratieverplichting op Defensie. Er was destijds geen aanleiding te veronderstellen dat de ziekte van verzoeker verband hield met de militaire dienst. Na het inzetten van de loondoorbetalingsprocedure is de begeleiding in het re-integratietraject ingevuld door ABP en is de ontslaggrond met terugwerkende kracht aangepast. Begeleiding van verzoeker heeft in deze periode met name plaatsgevonden vanuit het civiele hulpverleningscircuit.

13. De minister concludeert dat verzoekers klacht, voor zover deze betrekking heeft op het te laat opstarten van de verzuimbegeleiding, gegrond is

II.Beoordeling

14. Voor de beoordeling van de klacht dienen er een paar vragen te worden beantwoord: Heeft verzoeker genoeg hulp gekregen van Defensie voor het aanvragen van een uitkering? Heeft Defensie verzoeker hulp geboden om te kunnen re-integreren in een voor hem passende functie?

15. Het proces rond de loondoorbetaling c.q. verstrekking van een uitkering verloopt voor verzoeker niet zoals hij mocht verwachten. Dit heeft de minister van Defensie ook erkend in haar reactie op de klacht. Verzoekers ziekmelding per 11 oktober 2006 wordt wel geaccepteerd, echter op het moment dat zijn contract dan van rechtswege afloopt per
1 januari 2007 weigert Defensie de bezoldiging door te betalen, terwijl verzoeker daar op grond van artikel 120, tweede lid van het AMAR wel recht op heeft. Eerst na het indienen van een bezwaarschrift heeft Defensie deze fout hersteld. Zowel de arboarts als de ABP/SMO-arts concluderen dat verzoeker ten gevolge van psychische klachten ongeschikt is voor zijn eigen functie.

16. Als hij zelf in 2009 een aanvraag doet voor een MIP worden die psychische klachten en de ongeschiktheid voor zijn werk bij Defensie wel erkend, maar dit leidt niet tot toekenning van die uitkering omdat de klachten geen verband zouden hebben met zijn werk bij Defensie. In die procedure wordt wel de ontslaggrond per 1 januari 2007 gewijzigd. De Minister van Defensie heeft voor veteranen die als gevolg van hun inzet zorg nodig hebben, ook als zij de dienst hebben verlaten een zorgplicht. Deze zorgplicht is vastgelegd in de Veteranenwet en het Veteranenbesluit (zie Achtergrond, onder 1. en 2.). Voor veteranen houdt die zorgplicht onder meer in dat Defensie helpt bij re-integratie en het verkrijgen van materiële zorg. Hiertoe kan worden gerekend een actieve begeleiding naar het vinden van een passende baan (binnen of buiten de Defensieorganisatie) maar zeker ook – als dat nodig is – informatie en hulp bij het aanvragen van een uitkering.

17. Met betrekking tot verzoeker was bekend dat hij op datum einde contract ongeschikt was voor zijn eigen functie. Defensie heeft zijn loon toch niet doorbetaald. Verzoeker moest hiervoor eerst een bezwaarschrift indienen. Verder moest hij na afloop van de periode van loondoorbetaling zelf een aanvraag doen voor een MIP. Uit de reactie van de Minister van Defensie blijkt dat een veteraan, indien zijn zaak wordt overgedragen naar het Dienstencentrum Re-integratie (DCR) conform het Herzien Re-integratiebeleid defensiepersoneel (zie Achtergrond, onder 3.), ook voor het aanvragen van uitkeringen kan rekenen op steun van een re-integratiebegeleider. Uit niets blijkt dat die overdracht ook in geval van verzoeker heeft plaatsgevonden. Duidelijk is in ieder geval dat verzoeker die steun niet heeft ontvangen. Hierbij speelt mogelijk mee dat Defensie betwist of zijn ziekte verband hield met zijn dienstinzet en dat hij daarom niet onder de zorgplicht van Defensie zou vallen.

18. De Veteranenombudsman is van mening dat Defensie aan zijn zorgplicht zoals deze is geborgd in de Veteranenwet, moet voldoen ook als op dat moment betwist wordt of de zorg die de veteraan noodzakelijk wenst te ontvangen een gevolg is van zijn inzet. De veteraan verdient de ondersteuning en begeleiding van zijn voormalige werkgever. Het verlenen van hulp bij het aanvragen van een uitkering zoals de WIA of het MIP kan gerekend worden tot de materiële zorg die onder de zorgplicht valt. Defensie heeft die zorg niet aan verzoeker gegeven en heeft hiermee gehandeld in strijd met het vereiste van maatwerk. Het is een vereiste van behoorlijk overheidsoptreden dat de overheid bereid is om in voorkomende gevallen af te wijken van algemeen beleid of voorschriften als dat nodig is om onbedoelde of ongewenste consequenties te voorkomen.

19. Vanaf de eerste ziektedag wordt verzoeker ongeschikt geacht voor zijn eigen functie bij Defensie. Volgens de minister van Defensie heeft verzoeker in de periode van datum ziekmelding (11 oktober 2006) tot de datum einde contract (1 januari 2007) ten onrechte geen ondersteuning bij zijn re-integratie ontvangen. Na de ontslagdatum bestond er volgens Defensie geen re-integratieverplichting voor de werkgever omdat verzoekers ziekte geen verband hield met zijn dienstverband bij Defensie. Zoals hierboven reeds is aangegeven acht de Veteranenombudsman dat laatste niet relevant voor de zorgplicht van Defensie. Deze zorgplicht ziet ook op de re-integratie begeleiding. Uit niets blijkt dat Defensie verzoeker actief heeft geholpen met het vinden van een andere functie binnen of buiten de Defensieorganisatie. Verzoeker heeft in het begin een keer voor een uitzendbureau gewerkt, maar dit was slechts van kortdurende aard. Meer gerichte hulp in de vorm van opleiding, coaching en/of actieve begeleiding had er wellicht voor kunnen zorgen dat verzoeker een passende werkkring had kunnen krijgen waardoor hij niet langer afhankelijk was van een uitkering. Het niet voldoen aan die zorgplicht door Defensie is eveneens in strijd met vereiste van maatwerk.

De onderzochte gedraging is niet behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van de Koninklijke Landmacht, die wordt aangemerkt als een gedraging van de minister van Defensie is gegrond wegens schending van het vereiste van maatwerk.

Aanbeveling

De minister van Defensie wordt in overweging gegeven te bevorderen dat verzoeker wordt uitgenodigd voor een individueel gesprek waarin met hem wordt besproken op welke wijze zijn vertrouwen in de Defensieorganisatie kan worden hersteld.

De Veteranenombudsman,Reinier van Zutphen

De Veteranenombudsman,

Reinier van Zutphen


Onderzoek

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. De reactie van verzoeker gaf aanleiding het verslag op een enkel punt te wijzigen. De Minister van Defensie gaf binnen de gestelde termijn geen reactie.

Achtergrond

1. Veteranenwet

  • Artikel 3. Zorgplicht voor en tijdens inzet
  • 1. Onze Minister heeft een zorgplicht voor militairen die worden ingezet. Deze zorgplicht houdt in dat militairen en hun relaties goed worden voorbereid op de inzet en goed worden begeleid tijdens de inzet.
  • 2. Ter uitvoering van de in het eerste lid genoemde zorgplicht worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld betreffende:
  • a. het bepalen van de uitzendgeschiktheid van militairen;
  • b. het voorbereiden van militairen op de daadwerkelijke inzet;
  • c. het voorzien in sociaal medische begeleiding van militairen tijdens de inzet;
  • d. het begeleiden van de relaties van militairen tijdens de inzet;
  • e. het informeren van militairen en hun relaties over gezondheidsrisico’s van de inzet;
  • f. het informeren van militairen en hun relaties over de zorg die voor hen beschikbaar is.
  • Artikel 4. Zorgplicht na inzet
  • 1. Onze Minister heeft een zorgplicht voor veteranen die zijn ingezet. Deze zorgplicht houdt in dat veteranen en hun relaties goed worden begeleid na afloop van de inzet.
  • 2. Ter uitvoering van de in het eerste lid genoemde zorgplicht worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld betreffende:
  • a. het voorzien in sociaal medische begeleiding van veteranen en hun relaties na afloop van de inzet;
  • b. het ondersteunen van de veteraan bij het vinden van een andere betrekking indien ontslag als militair aan de orde is;
  • c. het organiseren van bijeenkomsten voor veteranen en hun relaties in het kader van nazorg;
  • d. het faciliteren van de deelname van veteranen en hun relaties aan bijeenkomsten in het kader van nazorg.
  • Artikel 5. Bijzondere zorgplicht voor veteranen
  • 1. Onze Minister heeft een bijzondere zorgplicht voor veteranen die als gevolg van de inzet zorg nodig hebben. Deze zorgplicht houdt in dat veteranen en hun relaties worden bijgestaan bij hun revalidatie en re-integratie en bij het verkrijgen van materiële zorg, maatschappelijke ondersteuning of geestelijke gezondheidszorg.
  • 2. Ter uitvoering van de in het eerste lid genoemde zorgplicht worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld betreffende:
  • a. het inrichten van de revalidatie en de re-integratie van veteranen en hun relaties;
  • b. het begeleiden van veteranen en hun relaties bij het verkrijgen van materiële zorg;
  • c. het begeleiden van veteranen en hun relaties bij het verkrijgen van maatschappelijke ondersteuning of geestelijke gezondheidszorg.

2.Veteranenbesluit

  • Artikel 9. Het voorzien in sociaal medische begeleiding na afloop van de inzet
  • 1. Gedurende de eerste 18 maanden na terugkeer van de veteraan worden de veteraan en zijn relaties door de zorg van de Commandant der Strijdkrachten proactief begeleid.
  • 2. Proactieve begeleiding van de veteraan geschiedt ten minste door middel van een adaptatieprocedure die bestaat uit:
  • a. gesprekken, gericht op het bespreken van de missie, de persoonlijke ervaringen en de mentale gesteldheid van de veteraan;
  • b. het verstrekken van informatie over de beschikbare zorg na terugkeer;
  • c. een nazorgvragenlijst, die na terugkeer aan de veteraan wordt toegezonden en tot doel heeft te signaleren of er mogelijk sprake is van klachten of aandoeningen bij de veteraan;
  • d. terugkeerdagen, die gericht zijn op het ontmoeten van oud-collega's en waar met de aanwezige hulpverleners kan worden gesproken.
  • 3. Proactieve begeleiding van de relaties van de militair geschiedt door ten minste:
  • a. een nazorgvragenlijst relaties, die na terugkeer van de militair ten behoeve van diens relatie wordt gezonden en gericht is op het vroegtijdig signaleren van mogelijke klachten, aandoeningen of problemen bij de veteraan en diens relaties;
  • b. terugkeerdagen, die na terugkeer van de militair worden gehouden en waarop relaties van de veteranen, relaties van andere veteranen kunnen ontmoeten.
  • 4. Indien daartoe aanleiding bestaat wordt aan de veteraan of zijn relaties een hulpaanbod gedaan of geschiedt doorverwijzing voor zorg.
  • 5. Na afloop van de eerste 18 maanden bevordert de Commandant der Strijdkrachten dat de veteraan en zijn relaties deelnemen aan terugkomdagen, die veelal in de vorm van een reünie worden georganiseerd.

3.Herzien Re-integratiebeleid defensiepersoneel

Artikel 1.3.1. Verantwoordelijkheden werkgever in het kader van de re-integratie

In het kader van de re-integratie is de werkgever (de commandant) verantwoordelijk om tijdig zodanige maatregelen te treffen en voorschriften te geven als redelijkerwijs mogelijk is (art 94 AMAR/ 58 BARD).

Artikel 1.3.2. Verantwoordelijkheden werknemer in het kader van de re-integratie

Van de arbeidsverzuimende medewerker wordt verwacht dat hij volledig meewerkt aan de re-integratie en zich inzet om zijn herstel en re-integratie te bevorderen. In de rechtspositie is opgenomen welke verantwoordelijkheden de arbeidsverzuimende medewerker heeft in het kader van zijn eigen re-integratie.

Artikel 1.4.1.3 Overdracht naar het Dienstencentrum Re-integratie na 6 maanden.

De commandant van de arbeidsverzuimende medewerker heeft gedurende in beginsel 6 maanden na aanvang van het arbeidsverzuim de mogelijkheid om de betreffende medewerker te re-integreren naar de eigen functie of vergelijkbare functie bij de eigen eenheid of buiten het gezagsbereik. Indien na 6 maanden de re-integratie nog immer gericht is op terugkeer op de eigen, een vergelijkbare of een andere passende functie bij de eigen eenheid, dan is voor verlenging van de termijn toestemming van het DCR vereist.

4. Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR)

Artikel 39. Ontslaggronden

1. Aan de militair kan ontslag op aanvraag worden verleend, indien hij daartoe aan het ingevolge artikel 38 bevoegde gezag schriftelijk de wens te kennen geeft. Indien de ontslagaanvraag wordt ingediend tijdens de proeftijd vindt artikel 12m, onder b, c of d, van de Militaire ambtenarenwet 1931, geen toepassing.

2. Aan de militair kan verder uitsluitend ontslag worden verleend:

a. ter zake van het bereiken of overschrijden van de leeftijd van 60 jaar;

b. wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd;

c. wanneer zijn diensten door het ingevolge artikel 38 bevoegde gezag niet langer nodig worden geoordeeld, nadat hij ingevolge artikel 8 van de Uitkeringswet gewezen militairen weder is aangesteld;

d. wegens overtolligheid indien er voor hem geen functie beschikbaar is, onverminderd het bepaalde in artikel 42;

e. wanneer hij, bij ontslag uit een ambt, voor het bekleden waarvan hij op non-activiteit was gesteld:

1°. het ingevolge artikel 38 bevoegde gezag niet doet blijken van zijn verlangen om in werkelijke dienst te worden gehandhaafd; dan wel

2°. ofschoon hij dat verlangen te kennen heeft gegeven, naar verwachting niet binnen twee jaren bij het krijgsmachtdeel waartoe hij behoort, of indien dat niet mogelijk is bij een ander krijgsmachtdeel, kan worden geplaatst;

f. ter zake van blijvende ongeschiktheid voor het vervullen van de dienst uit hoofde van een ziekte of een gebrek;

g. ter zake van het bereiken of overschrijden van de leeftijd van vijftig jaar, wanneer hij naar het oordeel van het ingevolge artikel 38 bevoegde gezag - in verband met zijn leeftijd voor het vervullen van de dienst niet meer ten volle geschikt is;

h. wegens ontheffing van de initiële opleiding tot het volgen waarvan hij bij zijn aanstelling is aangewezen, om reden dat hij niet voldoet aan de bij die opleiding gestelde eisen;

i. voor soldaten en korporaals wegens het niet kunnen worden bevorderd op basis van een besluit als bedoeld in artikel 29a, derde lid, respectievelijk 29b, derde lid, uiterlijk twee jaar na dat besluit dan wel voor onderofficieren en officieren wegens het niet kunnen doorstromen naar fase drie op basis van een besluit als bedoeld in artikel 31 vierde lid onder c, uiterlijk drie jaar na dat besluit;

j. wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie of voor de vervulling van functies binnen de groepen van functies, waarvoor hij is bestemd, wat de ongeschiktheid betreft, voor zover het bepaalde onder f of g niet toepasselijk is; een en ander onverminderd het bepaalde in artikel 43;

k. wegens verregaande nalatigheid in de vervulling van zijn plichten;

l. wegens wangedrag in de dienst, dan wel buiten de dienst voor zover dit gedrag schadelijk is of kan zijn voor zijn dienstvervulling of niet in overeenstemming is met het aanzien van zijn ambt;

m. wegens een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan en is gewezen in verband met een feit van zodanige aard, dat, mede gelet op het algemeen gedrag van de militair, diens ontslag in het belang van de dienst noodzakelijk is;

n. ter zake van misleiding bij zijn indiensttreding indien blijkt dat hij bij zijn aanmelding onjuiste gegevens heeft verstrekt of omstandigheden heeft verzwegen en de juiste gegevens of de verzwegen omstandigheden de aanstelling zouden hebben belet, tenzij de militair aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw heeft gehandeld.

3. Aan de militair die behoort tot het reserve-personeel kan voorts ontslag worden verleend ter zake van een aanstelling in een betrekking, die krachtens enig wettelijk voorschrift onverenigbaar is met de militaire dienst.

4. Aan de militair die is aangesteld bij het reserve-personeel op grond van zijn burgerlijke betrekking kan voorts nog ontslag worden verleend ter zake van beëindiging van die burgerlijke betrekking.

5. Aan de militair die behoort tot het reservepersoneel kan voorts nog ontslag worden verleend indien het op grond van artikel 38 bevoegde gezag handhaving van die dienstverhouding niet langer nodig oordeelt.

6.

a. Aan de militair behorend tot het beroepspersoneel die de rang van commandeur, brigade-generaal of commodore bekleedt, of die een hogere rang bekleedt, kan voorts ontslag worden verleend.

1°. op voordracht van Onze minister-president en Onze Minister, wanneer het belang van de dienst dit noodzakelijk maakt;

2°. op andere gronden;

b. In deze gevallen wordt bij koninklijk besluit - in het geval bedoeld onder a, ten eerste, op de gezamenlijke voordracht van Onze minister-president en van Onze Minister - een regeling getroffen waarbij aan de betrokkene een uitkering wordt toegekend welke met het oog op de omstandigheden redelijk is te achten. Die regeling zal in geen geval nadeliger mogen zijn dan die volgens welke de uitkering ingevolge de Uitkeringswet gewezen militairen zou zijn toegekend, waarop de betrokken militair aanspraak zou hebben kunnen maken, indien hem, in plaats van vorenbedoeld ontslag, op grond van het tweede lid onder a, ontslag zou zijn verleend.

7. Aan de militair voor wie na de aanstelling een proeftijd geldt, kan tijdens die proeftijd ontslag worden verleend zonder toepassing van één van de in het tweede lid genoemde ontslaggronden.

8. Wanneer een ontslag op aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend in verband met het aanvaarden van een betrekking op de civiele arbeidsmarkt binnen drie maanden voor het bereiken van het moment van ontslag, genoemd in artikel 39, tweede lid, onder i, wordt dit ontslag aangemerkt als een ontslag op grond van het tweede lid, onder i.

Artikel 120. Doorbetaling van bezoldiging bij arbeidsongeschiktheid na ontslag

1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

a. gewezen militair: de militair die is ontslagen uit de dienst bij het beroepspersoneel;

b. laatstelijk genoten bezoldiging: de som van de geldelijke inkomsten per maand, die in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van de pensioengrondslag van de militair, zulks naar de toestand op de dag voorafgaande aan het ontslag.

2. De gewezen militair die wegens ziekte of een gebrek, ontstaan voor het tijdstip van ingang van zijn ontslag, nadien nog ongeschikt is voor het verrichten van naar aard en omvang soortgelijke arbeid als die welke als militair werd verricht, heeft gedurende een termijn van twaalf maanden na zijn ontslag aanspraak op zijn laatstelijk genoten bezoldiging. Vervolgens heeft hij aanspraak op 70% van zijn laatstelijk genoten bezoldiging. Het in de vorige volzin bepaalde geldt slechts voor zover de termijn van achttien kalendermaanden, gerekend vanaf de eerste ziektedag, nog niet is verstreken.

3. De gewezen militair die binnen een maand na het tijdstip van ingang van zijn ontslag wegens ziekte of een gebrek ongeschikt wordt voor het verrichten van naar aard en omvang soortgelijke arbeid als die welke als militair werd verricht, heeft, mits hij gedurende twee maanden onmiddellijk aan evenbedoeld tijdstip voorafgaande in werkelijke dienst is geweest, naar regels bij ministeriële regeling te stellen, gedurende die ongeschiktheid, doch uiterlijk tot een jaar na de aanvang daarvan, aanspraak op de laatstelijk genoten bezoldiging.

4. Indien de gewezen militair binnen een tijdvak van vier weken, nadat de volgens het tweede en derde lid geregelde doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging in verband met zijn herstel is gestaakt, wederom wegens ziekte of een gebrek ongeschikt wordt voor het verrichten van naar aard en omvang soortgelijke arbeid als die welke als militair werd verricht, wordt de nieuw opgetreden ongeschiktheid als een voortzetting van de vorige ongeschiktheid beschouwd en wordt de doorbetaling van de laatstelijk genoten bezoldiging hervat. Voor het bepalen van het tijdstip, waarop de in het tweede en derde lid bedoelde termijnen zijn verstreken, worden perioden van in die leden bedoelde ongeschiktheid welke elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken zijn opgevolgd, samengeteld.

5.a. Het tweede, derde en vierde lid zijn eveneens van toepassing op de gewezen vrouwelijke militair die na afloop van de periode gedurende welke zij in verband met zwangerschap of bevalling aanspraak heeft op een uitkering op basis van hoofdstuk 3 van de Wet arbeid en zorg nog wegens ziekte arbeidsongeschikt is voor het verrichten van naar aard en omvang soortgelijke arbeid als die welke als militair werd verricht.

b. De in het derde lid bedoelde termijn van een jaar vangt aan op de dag na die van de bevalling.

6. De voorgaande leden vinden geen toepassing op de gewezen militair die op het tijdstip van ingang van zijn ontslag ongeschikt is dan wel binnen een maand daarna ongeschikt wordt, en op de gewezen vrouwelijke militair wier ongeschiktheid na het tijdstip, bedoeld in het vorige lid onder b, voortduurt, vanaf de dag met ingang waarvan zij na evenbedoelde tijdstippen in verband met de aanvaarding van een volledige betrekking aanspraak kunnen maken op loon of bezoldiging, dan wel op een uitkering krachtens de Ziektewet.

7. De aanspraak op de laatstelijk genoten bezoldiging bestaat niet indien de betrokkene:

a. de ziekte of het gebrek heeft voorgewend, althans zodanig overdreven voorgesteld, dat ongeschiktheid tot het verrichten van naar aard en omvang soortgelijke arbeid als die welke als militair werd verricht, niet kan worden aangenomen; of

b. de ongeschiktheid tot het verrichten van naar aard en omvang soortgelijke arbeid als die welke als militair werd verricht, opzettelijk heeft veroorzaakt, tenzij hem daarvan op grond van zijn psychische toestand geen verwijt kan worden gemaakt.

8. De uitbetaling van de laatstelijk genoten bezoldiging wordt gestaakt, indien en voor zolang de betrokkene de door Onze Minister krachtens het tweede of derde lid vastgestelde voorschriften niet nakomt.

9. Het bedrag van de laatstgenoten bezoldiging, bedoeld in dit artikel, wordt in voorkomende gevallen:

a. gewijzigd overeenkomstig een algemene herziening die voor de betrokkene zou hebben gegolden, ware hij niet ontslagen;

b. verminderd na toepassing van artikel 120a;

c. verminderd met:

1° de periodieke inkomsten waarop hij uit hoofde van het laatstelijk door hem beklede ambt na het ontslag aanspraak kan maken;

2° inkomsten die hij inmiddels mocht zijn gaan genieten uit of in verband met arbeid of bedrijf. Bij deze vermindering wordt uitgegaan van de volledige laatstgenoten bezoldiging.

Publicatiedatum
Rapportnummer
2016/049