2010/261

Instantie: Gerechtsdeurwaarder

Klacht: Geïncasseerde gelden van verzoeker opzettelijk op de voor hun meest voordelige manier in mindering gebracht op de hoofdsom.
Oordeel: niet gegrond

Medio 2004 heeft de kantonrechter een civiele vordering tegen verzoeker toegewezen en hem veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 1.693 exclusief nog te vervallen rente. Eind mei 2009 was dit bedrag door rente-aangroei opgelopen tot bijna € 3.400,- waarvan ruim € 2.300 was voldaan, zodat nog steeds ruim € 1.000,- resteerde.

Verzoeker klaagt erover dat dit het gevolg was van het feit dat de voor de inning ingeschakelde gerechtsdeurwaarder de ontvangen betalingen steeds op de voor zijn kantoor meest voordelige en voor hem, verzoeker, meest onvoordelige wijze in mindering bracht op de hoofdsom, als gevolg waarvan de hoofdsom nauwelijks was verminderd.

Gebleken is dat de door de deurwaarder gevolgde procedure, waarbij het afboeken van ontvangsten in eerste instantie gebeurt op de totale vordering, inclusief de bijkomende kosten en dus niet alleen op de hoofdsom rechtstreeks voortvloeit uit artikel 6:44 Burgerlijk Wetboek. De Nationale ombudsman achtte de klacht dan ook niet gegrond. Wel merkte de Nationale ombudsman op dat de deurwaarder is tekortgeschoten op het punt van tussentijdse informatieverstrekking aan verzoeker.

De Nationale ombudsman achtte in dit geval het redelijkheidsvereiste niet geschonden.

Verzoeker klaagt erover dat gerechtsdeurwaarder Y de van hem met regelmaat geïncasseerde gelden opzettelijk op de voor zijn kantoor meest voordelige en voor hem, verzoeker, meest onvoordelige manier in mindering brengt op de hoofdsom - waartoe de kantonrechter te Amersfoort hem op 21 januari 2004 heeft veroordeeld - als gevolg waarvan deze hoofdsom daarna nauwelijks is verminderd.

Beoordeling

Algemeen

1. In verband met achterstallige betaling van verzekeringspremies heeft de firma X enkele jaren geleden een civiele procedure aangespannen tegen verzoeker bij de kantonrechter. Deze procedure eindigde op 21 januari 2004 met een vonnis van de kantonrechter, waarbij verzoeker geheel in het ongelijk werd gesteld en werd veroordeeld tot betaling van € 2.206,53 aan de firma X.

Dit bedrag was als volgt samengesteld:

€ 1.327,20 als hoofdsom in verband met achterstallige verzekeringspremies;

€ 42,49 als tot op dat moment vervallen wettelijke rente over de hoofdsom;

€ 323,68 aan buitengerechtelijke incassokosten;

€ 513,16 aan proceskosten.

2. Gerechtsdeurwaarder Y werd belast met de tenuitvoerlegging van dit vonnis.

I. Bevindingen

1. Verzoeker klaagt er nu over dat gerechtsdeurwaarder Y de inning van het verschuldigde bedrag op zodanige wijze uitvoert, dat de door hem, verzoeker, gedane betalingen steevast eerst in mindering worden gebracht op de kosten die de deurwaarder stelt te hebben gemaakt, waardoor de verschuldigde hoofdsom onacceptabel langzaam terugloopt en steeds opnieuw ook rente-inkomsten voor de deurwaarder blijft genereren.

Volgens verzoeker resteerde van de hoofdsom, buitengerechtelijke incassokosten en rente van het vonnis, samen € 1.693.37, op 5 mei 2009, toen hij zich met zijn klacht tot de Nationale ombudsman wendde, nog te betalen € 526,22. Volgens de deurwaarder bedroeg de vordering op dat moment echter nog € 1.479,01.

2.1. Voorafgaand aan de schriftelijke opening van het onderzoek verstrekte gerechtsdeurwaarder Y op 27 mei 2009 het navolgende overzicht.

"Hoofdsom na titel € 1.693,37

Rente € 349,14

Proceskosten € 513,16

Betekening € 80,63

Executiekosten € 744,89

Subtotaal € 3.381,19

Ontvangen bij ons € 2.331,17

Saldo € 1.050,02"

Bijgevoegd was ook een uitgebreid historisch overzicht over de periode 25 juni 2003 tot 23 mei 2009.

2.2. In reactie op de klacht van verzoeker liet gerechtsdeurwaarder Y op 16 september 2009 weten dat de ontvangen gelden altijd in eerste instantie worden afgeboekt op de totale vordering, waaronder de kosten en daarna op de hoofdsom en dat het overzicht van 27 mei 2009 dan ook correct was.

Verder liet de deurwaarder weten dat verzoeker op 26 januari 2004 in de gelegenheid was gesteld om het door de kantonrechter toegewezen bedrag te voldoen, maar dat hij pas na de betekening van het vonnis op 16 februari 2004 had laten weten dat hij daartoe niet in staat was. Omdat betaling uitbleef, was op 30 maart 2004 beslag gelegd op verzoekers uitkering. Vanwege dit beslag kon gedurende enige tijd maandelijks een bedrag in mindering worden gebracht. Omdat op enig moment een einde was gekomen aan verzoekers uitkering, was tussen mei 2005 en eind maart 2006 opnieuw niets ontvangen, aldus de deurwaarder. Nadat de deurwaarder begin maart 2006 beslag had laten leggen op roerende zaken van verzoeker, ontving de deurwaarder vanaf eind maart 2006 opnieuw inhoudingen op een (nieuwe) uitkering van verzoeker. Begin april 2006 ontving de deurwaarder een vordering op verzoeker van de ABN-AMRO. Vanaf dat moment verdeelde de deurwaarder de ontvangsten gelijkelijk over beide vorderingen. In verband met het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van verzoeker werd op 7 januari 2009 het beslag onder de Sociale Dienst opgeheven en werd het restant van de vordering van de ABN-AMRO teruggegeven aan de deurwaarder van wie deze vordering afkomstig was. In april 2009 werd echter beslag gelegd op de uitkering van de Sociale Verzekeringsbank en ontving de deurwaarder vanaf mei 2009 maandelijks hieruit voortvloeiende inhoudingen.

Afrondend liet de deurwaarder weten dat de kosten voor alle ondernomen incassomaatregelen voor rekening komen van de debiteur en dat de geïnde bedragen daarom niet alleen in mindering strekken op de hoofdsom. De deurwaarder achtte verzoekers klacht dan ook niet gegrond.

3. Bij brief van 2 maart 2010 vroeg de Nationale ombudsman gerechtsdeurwaarder Y of en in hoeverre verzoeker tussen 25 juni 2003 en 25 mei 2009 was geïnformeerd over de actuele stand van zaken.

4. In vervolg op de brief van 16 september 2009 en in antwoord op een specifieke vraag van de Nationale ombudsman liet gerechtsdeurwaarder Y op 31 maart 2010 onder meer weten dat ongeveer de helft van de zeventig mutaties tussen 25 juni 2003 en 25 mei 2009 betrekking had op automatische renteboekingen. De overige mutaties hadden betrekking op ontvangsten uit loonbeslag.

Ook werd meegedeeld dat verzoeker op 26 januari en 30 maart 2004, 8 mei 2006, 29 oktober 2007 en 27 april 2009 was geïnformeerd over de actuele stand van zaken.

De deurwaarder tekende hierbij aan dat in het algemeen niet na elke mutatie een betalingsplichtige een opgave van de actuele stand van zaken wordt gedaan. Als reden hiervoor werd genoemd dat een gerechtsdeurwaarder geen administratiekantoor is maar een organisatie die is belast met de uitvoering en inning van een vordering op basis van een executoriale titel.

Door middel van betekening van de executoriale titel en de nadien betekende stukken zoals het loonbeslag, was verzoeker op de hoogte gebracht van de actuele stand van zaken op dat moment. Verzoeker had vervolgens op elk moment zelf een specificatie van de vordering kunnen opvragen, hetgeen dan ook zou zijn verstrekt, aldus de deurwaarder.

5. Op 28 mei 2010 zond verzoeker de Nationale ombudsman een kopie toe van een brief van 25 mei 2010 waarin gerechtsdeurwaarder Y hem liet weten dat de vordering van de firma X inmiddels geheel was voldaan.

II. Beoordeling

1. Het redelijkheidsvereiste houdt in dat overheidsinstanties de in het geding zijnde belangen tegen elkaar afwegen en dat de uitkomst hiervan niet onredelijk is.

2. De kantonrechter heeft verzoeker op 21 januari 2004 veroordeeld tot betaling van € 1.327,20 met de wettelijke rente daarover vanaf 1 juli 2003 tot de voldoening. Ook veroordeelde de kantonrechter verzoeker tot betaling van € 323,68 aan buitengerechtelijke incassokosten, € 42,49 aan op dat moment reeds vervallen rente en € 513,16 aan proceskosten. Totaal dus € 2.206,53. Gerechtsdeurwaarder Y was aangesteld om dit vonnis ten uitvoer te leggen.

Het staat vast dat het bedrag waartoe verzoeker was veroordeeld op 27 mei 2009 was opgelopen tot € 3.381,19. Hiervan was op dat moment € 2.331,17 voldaan zodat volgens de gerechtsdeurwaarder op dat moment nog een bedrag van € 1.050,02 ter betaling resteerde.

3. Over het afboeken van ontvangsten heeft Gerechtsdeurwaarder Y opgemerkt dat dit - in alle zaken - in eerste instantie gebeurt op de totale vordering, inclusief de bijkomende kosten en pas daarna op de hoofdsom.

Deze handelwijze vloeit voort uit artikel 6:44 van het Burgerlijk Wetboek (BW) (zie Achtergrond). In dit artikel heeft de wetgever vastgelegd dat betaling van een op een bepaalde verbintenis toe te rekenen geldsom in de eerste plaats in mindering strekt op de kosten, vervolgens op de al vervallen rente en pas daarna op de hoofdsom en de lopende rente.

Gelet hierop is de Nationale ombudsman van oordeel dat de manier waarop de gerechtsdeurwaarder de ontvangsten van verzoeker heeft afgeboekt niet onredelijk is, zodat de gerechtsdeurwaarder niet in strijd heeft gehandeld met het redelijkheidsvereiste.

De onderzochte gedraging is behoorlijk.

4. Over de manier waarop de gerechtsdeurwaarder verzoeker tussentijds op de hoogte heeft gehouden van de actuele stand van zaken, merkt de Nationale ombudsman verder het volgende op.

In antwoord op een vraag van de Nationale ombudsman hierover, heeft de deurwaarder laten weten dat tussen februari 2003 en april 2009 vijfmaal informatie over de actuele stand van zaken is verstrekt. Het zou, volgens de deurwaarder te ver gaan om na iedere mutatie een overzicht van de actuele stand van zaken te verstrekken. De deurwaarder voegde hieraan toe dat zijn bureau geen administratiekantoor is en dat zo'n frequente informatieverstrekking een onacceptabele verzwaring van de werklast voor zijn kantoor zou opleveren.

De opmerking van gerechtsdeurwaarder Y dat zijn bureau geen administratiekantoor is, is op zich juist, maar daar staat tegenover dat klachten als de onderhavige kunnen worden voorkomen door een heldere en regelmatige informatieverstrekking aan de betrokkene.

Conclusie

De klacht over de manier waarop Y Gerechtsdeurwaarders te Z de ontvangen betalingen heeft afgeboekt is niet gegrond.

Onderzoek

Op 6 mei 2009 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift over een klacht over een gedraging van Y Gerechtsdeurwaarders te Z.

Naar deze gedraging werd een onderzoek ingesteld.

In het kader van het onderzoek werd de gerechtsdeurwaarder verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben.

Tijdens het onderzoek kregen vervolgens verzoeker en gerechtsdeurwaarder Y de gelegenheid op de door ieder van hen verstrekte inlichtingen te reageren.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen.

De reactie van verzoeker gaf geen aanleiding het verslag op een enkel punt te wijzigen of aan te vullen.

Gerechtsdeurwaarder Y gaf binnen de gestelde termijn geen reactie.

Informatieoverzicht

De bevindingen van het onderzoek zijn gebaseerd op de volgende informatie:

Verzoekschrift van 5 mei 2009, met bijlagen.

Een brief van 27 mei 2009 van gerechtsdeurwaarder Y met een specificatie van de actuele vordering op verzoeker, met enkele bijlagen.

Een brief van 31 mei 2009 van verzoeker met bijlagen.

Een vervolgbrief van 22 juni 2009 van gerechtsdeurwaarder Y.

Een brief van 16 september 2009 van gerechtsdeurwaarder Y bevattende diens reactie op de klacht van verzoeker, met bijlagen.

De schriftelijke reactie hierop van 3 oktober 2009 van verzoeker.

Vervolgreactie van 31 maart 2010 van gerechtsdeurwaarder Y, met bijlagen.

Een brief van 28 mei 2010 van verzoeker, met bijlage.

Bevindingen

Zie onder Beoordeling.

Achtergrond

Artikel 6:44 van het Burgerlijk Wetboek (BW)

"1. Betaling van een op een bepaalde verbintenis toe te rekenen geldsom strekt in de eerste plaats in mindering van de kosten, vervolgens in mindering van de verschenen rente en ten slotte in mindering van de hoofdsom en de lopende rente.

2. De schuldeiser kan, zonder daardoor in verzuim te komen, een aanbod tot betaling weigeren, indien de schuldenaar een andere volgorde voor de toerekening aanwijst.

3. De schuldeiser kan volledige aflossing van de hoofdsom weigeren, indien daarbij niet tevens de verschenen en lopende rente alsmede de kosten worden voldaan."

Publicatiedatum
Rapportnummer
2010/261