2010/170

Instantie: Belastingdienst/Rivierenland/kantoor Gorinchem

Klacht: Openbare verkoop doorgezet ondanks dat verzoeker verzet had aangetekend.
Oordeel: gegrond

Instantie: Belastingdienst/Rivierenland/kantoor Gorinchem

Klacht: In advertentie en tijdens openbare verkoop onvoldoende duidelijk gemaakt dat de te verkopen motoren tot collectors-items behoorden, zodat deze ver onder de prijs zijn verkocht.
Oordeel: niet gegrond

Instantie: Belastingdienst/Rivierenland/kantoor Gorinchem

Klacht: Niet geïnformeerd over opbrengst van verkoop en wijze waarop deze opbrengst is verwerkt; geen vrijwaringsbewijs verstrekt.
Oordeel: geen oordeel

De Belastingdienst heeft beslag gelegd op verzoekers handelsvoorraad motorfietsen en heeft de datum voor de executie vastgesteld. Verzoeker tekent twee dagen vóór de executiedatum verzet aan ex art. 17 Invorderingswet 1990. De Belastingdienst vraagt de staatssecretaris toestemming om de executie, ondanks de schorsende werking van het verzet, toch door te mogen zetten, mede met het oog op de reeds gemaakte kosten en omdat er geen tijd meer is om het oordeel van de rechter te vragen. De staatssecretaris oordeelt dat sprake is van misbruik van bevoegdheid door verzoeker omdat het verzet van verzoeker evident kansloos is en verleent de gevraagde toestemming.

De staatssecretaris meent zijn bevoegdheid daartoe te kunnen ontlenen aan het arrest van de

Hoge Raad 7 oktober 1994.

Verzoeker klaagt er over dat de Belastingdienst heeft gehandeld in strijd met de wet door de executie door te zetten. Hij is van mening dat de Belastingdienst niet had mogen voorbijgaan aan de in de wet vastgelegde schorsende werking.

De Nationale ombudsman overweegt dat de wetgever de mogelijkheid van misbruik heeft voorzien en heeft aangekondigd zo nodig de wet te zullen aanpassen. Verder dat het arrest van de Hoge Raad weliswaar de mogelijkheid onderkent om aan de schorsende werking voor bij te gaan, maar niet zonder dat de rechter daarover heeft geoordeeld. De Nationale ombudsman acht het niet behoorlijk dat de Belastingdienst als belanghebbende partij zelf kan beslissen voorbij te gaan aan de schorsende werking.

De Nationale ombudsman concludeert dat de Belastingdienst het vereiste van rechtszekerheid heeft geschonden en acht de klacht gegrond.

De Nationale ombudsman doet de aanbeveling de Leidraad Invordering 2008 met dit oordeel in overeenstemming te brengen.

Verzoeker klaagt erover dat de Belastingdienst/Rivierenland/kantoor Gorinchem:

een voor 3 juli 2008 aangezegde openbare verkoop doorgang heeft laten vinden ondanks het feit dat verzoeker tegen de tenuitvoerlegging van een hem in dit verband betekend dwangbevel in verzet was gekomen;

in de advertentie welke voorafgaand aan de openbare verkoop is geplaatst alsmede tijdens de openbare verkoop onvoldoende duidelijk heeft gemaakt dat tot de te verkopen motoren een aantal zeer bijzondere modellen - zogenaamde collectorsitems - behoorden, als gevolg waarvan deze modellen ver onder de prijs zijn verkocht;

hem niet heeft geïnformeerd over de uit de openbare verkoop verkregen opbrengst en de wijze waarop deze opbrengst is verwerkt alsmede hem met betrekking tot de verkochte motoren en auto's geen vrijwaringsbewijs heeft verstrekt

Beoordeling

I. Bevindingen

1. Verzoeker dreef in firmaverband met zijn echtgenote een handel in motoren.

2. De Belastingdienst/Rivierenland stelde in 2007 een boekenonderzoek in bij de onderneming van verzoeker en zijn echtgenote. Bij het boekenonderzoek werd geconstateerd dat over de jaren na 2003 geen jaarstukken waren opgemaakt en dat de laatst ingediende aangifte inkomstenbelasting het jaar 2003 betrof. Deze aangifte werd aangemerkt als bezwaarschrift tegen de daarvoor al ambtshalve vastgestelde aanslag over dat jaar. Ook over diverse jaren na 2003 waren ambtshalve vastgestelde aanslagen opgelegd. Verzoeker had tegen deze aanslagen binnen de termijn van zes weken geen bezwaar aangetekend.

Tijdens het onderzoek werden belangrijke tekortkomingen geconstateerd in de administratie over 2003. Er werd een correctie op de winst over 2003 berekend van € 288.777 voor elk van de beide vennoten. Tevens werd een naheffingsaanslag omzetbelasting berekend van € 71.122 over het tijdvak 2002 tot en met 2007.

3. Op 27 mei 2008 legde de Belastingdienst beslag op de roerende zaken van verzoeker waaronder de voorraad motoren en enige auto's van zijn onderneming. Het beslag werd gelegd ter zake van openstaande aanslagen inkomstenbelasting en motorrijtuigenbelasting. De aanslagen motorrijtuigenbelasting werden nadien alsnog betaald. In de betekende dwangbevelen werd de openbare executieverkoop vastgesteld op 3 juli 2008.

4. Op uitnodiging van de Belastingdienst is verzoeker op 29 mei 2008 op het kantoor van de Belastingdienst geweest voor een gesprek. Tijdens dit gesprek kon verzoeker geen duidelijk antwoord geven op de vraag waarom hij tegen de ambtshalve vastgestelde aanslagen geen bezwaar had ingediend.

5. Verzoeker tekende op grond van het bepaalde in artikel 17 Invorderingswet 1990 verzet aan tegen de voorgenomen executie van de dwangbevelen. De betrokken dagvaardingen werden op 1 juli 2008 aan de deurwaarder van de Belastingdienst betekend.

De door verzoeker aangevoerde gronden kwamen in hoofdzaak hierop neer dat een deel van de openstaande belastingschulden was verjaard en dat niet duidelijk was hoe de hoogte van de opgelegde aanslagen was berekend.

6. Op 2 juli 2008 maakte de Belastingdienst de voorgenomen executieverkoop van 3 juli 2008 bekend via advertenties in diverse kranten. In de advertentie werden de merken en de typebenamingen van de te veilen vervoermiddelen genoemd. Verder werd aangekondigd dat deze op 3 juli 2008 voorafgaand aan de verkoop konden worden bezichtigd.

7. Ook op 2 juli 2008 verzocht de Belastingdienst aan de minister van Financiën toestemming om de executieverkoop door te zetten, ondanks het door verzoeker aangetekende verzet. De Belastingdienst betoogde dat het verzet van verzoeker evident kansloos was. De Belastingdienst voerde daarvoor aan dat de aanslagen waarvoor het beslag was gelegd onherroepelijk vaststonden en dat deze in redelijkheid verschuldigd waren. Verder voerde de Belastingdienst aan dat de verzetschriften slechts summier waren gemotiveerd.

8. De staatssecretaris van Financiën verleende de gevraagde toestemming nog op dezelfde dag, 2 juli 2008.

9. Eveneens op 2 juli 2008 diende verzoeker een klacht in bij de Nationale ombudsman. Verzoeker klaagde er over dat de staatssecretaris van Financiën toestemming had verleend om de executie door te zetten ondanks het aangetekende verzet. Hij stelde zich op het standpunt dat de staatssecretaris dan wel de Belastingdienst met deze werkwijze buiten de rechter om de wet op zij zette.

Voorts klaagde verzoeker er over dat de advertenties onvoldoende inzicht gaven in de aard en de hoeveelheid van de te verkopen motorfietsen.

Omdat de klacht nog niet was voorgelegd aan de Belastingdienst zond de Nationale ombudsman de brief van verzoeker op 8 juli 2008 door aan de Belastingdienst met het verzoek deze als klacht te behandelen.

10. Ook op 2 juli 2008 diende verzoeker bezwaarschriften in tegen enkele aanslagen inkomstenbelasting waarvoor het beslag op de roerende zaken was gelegd.

11. Op 3 juli 2008 vond de executoriale verkoop van de inbeslaggenomen roerende zaken plaats. Het verzet van verzoeker was toen nog niet door of namens hem bij de rechtbank ter rolle aangebracht. Ook nadien is dit niet gebeurd waardoor verzetsprocdure niet voor de rechter heeft gediend.

12. De Belastingdienst reageerde op 1 augustus 2008 op verzoekers klacht.

De Belastingdienst verwees naar de Leidraad Invordering 2008 waarin de mogelijkheid is opgenomen om de minister om toestemming te vragen. De Belastingdienst gaf verder aan dat bij zijn beslissing van belang was geweest dat het verzet naar zijn mening kansloos was en dat er al veel kosten waren gemaakt ten behoeve van de verkoping. Uitstel daarvan zou, aldus de Belastingdienst, de kosten verder verhogen, onder meer voor opslag van de inmiddels afgevoerde motorfietsen en auto's.

De Belastingdienst stelde zich op het standpunt dat uit de advertenties voldoende bleek wat er te koop werd aangeboden. Verder wees de Belastingdienst er op dat bij de verkoping 80 tot 100 potentiële kopers aanwezig waren. Dit betekende volgens de Belastingdienst dat de advertenties duidelijk genoeg waren geweest.

13. Verzoeker wendde zich op 23 september 2008 opnieuw tot de Nationale ombudsman met een klacht over de Belastingdienst. Voor de inhoud van verzoekers klacht wordt verwezen naar de klachtformulering onder Klacht.

14. De Nationale ombudsman legde de klacht op 20 maart 2009 voor aan de Belastingdienst en aan de minister van Financiën met het verzoek daarop te reageren. De Nationale ombudsman stelde daarbij de volgende vragen;

"…1. Verzoeker was tegen de tenuitvoerlegging in verzet gekomen. Op grond van het bepaalde in artikel 17, tweede lid, Invorderingswet schorst een zodanig verzet de tenuitvoerlegging. Desondanks heeft de openbare verkoop toch doorgang gevonden. Kunt u aangeven op grond waarvan u meent dat het de Belastingdienst toegestaan is in te breken op een dwingendrechtelijke bepaling als artikel 17, tweede lid, Invorderingswet?

2. In een telefonische toelichting op de klacht heeft verzoeker aangegeven de deurwaarder in kwestie (…) uitdrukkelijk te hebben gewezen op de uitzonderlijkheid van bepaalde exemplaren die zich onder de afgevoerde en de te verkopen motoren bevonden. Vanwege deze uitzonderlijkheid zouden deze exemplaren een beduidend hogere waarde vertegenwoordigen dan de waarde die een gelijksoortige motor normaliter vertegenwoordigt. In de vervolgens geplaatste advertentie is van de uitzonderlijkheid van bepaalde motoren geen mededeling gedaan. Kunt u aangeven waarom niet? Naar de mening van verzoekers zijn kenners en liefhebbers hierdoor van de verkoop van deze modellen onkundig gebleven, hetgeen de opbrengst nadelig heeft beïnvloed.

3. Ook tijdens de verkoop zelf zou aan de bijzonderheid van bepaalde modellen door de deurwaarder - zo verzoeker heeft vernomen - geen aandacht zijn besteed. Is dit juist en zo ja, waarom niet?

4. Verzoeker heeft een lijst gemaakt van de bijzondere modellen die het betreft onder vermelding van de bijbehorende verkoopwaarde. Kunt u aangeven wat de opbrengst van deze motoren tengevolge van de openbare verkoop is geweest?

5. Verzoeker geeft aan met betrekking tot de opbrengst en de wijze waarop deze is verwerkt niet te zijn geïnformeerd? Is dit juist en zo ja, kunt u aangeven waarom niet?..."

15. De Belastingdienst reageerde op 24 april 2009 op de klacht van verzoeker en de vragen van de Nationale ombudsman.

Ten aanzien van het verzoek om door te mogen gaan met de executie ondanks het aangetekende verzet wees de Belastingdienst ook nu op de Leidraad Invordering 2008.

Ten aanzien van de klacht dat de Belastingdienst onvoldoende duidelijk had gemaakt wat te koop zou worden aangeboden wees de Belastingdienst er op dat hij ingevolge de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering slechts was gehouden de aard van de goederen te omschrijven. Verder merkte de Belastingdienst op dat alle motorfietsen met omschrijving waren geplaatst op de website www.veilingdeurwaarder.nl.

De Belastingdienst merkte verder op dat alle motorfietsen voorafgaand aan de verkoping waren getaxeerd door een (externe) beëdigd taxateur. De getaxeerde waardes waren lager dan de door verzoeker genoemde waardes. De opbrengst bij de verkoping correspondeerde in belangrijke mate met de getaxeerde waardes. Ook merkte de Belastingdienst op dat de motoren tijdens de verkoping werden getoond op een groot scherm en dat alle specificaties voor de gegadigden beschikbaar waren.

De Belastingdienst wees er verder op dat verzoeker op 10 september 2008 schriftelijk was geïnformeerd over de opbrengst van de verkoping en de afboeking daarvan op de diverse belastingschulden. De Belastingdienst zond een afschrift van de brief van 10 september 2008 mee met zijn reactie op de klacht.

16. In een brief van 13 augustus 2009 van de Belastingdienst aan verzoeker merkte de Belastingdienst op dat de vrijwaringsbewijzen ter zake van de verkochte motorrijtuigen aan verzoeker waren aangeboden maar dat hij deze niet in ontvangst had willen nemen dan wel niet voor ontvangst had willen tekenen. De Belastingdienst voegde daaraan toe dat de vrijwaringsbewijzen nog steeds voor verzoeker beschikbaar waren.

17. Namens de minister reageerde de staatssecretaris van Financiën op 14 mei 2009 op de klacht en de vragen van de Nationale ombudsman. De staatssecretaris schreef het volgende:

"…Gebleken is dat (de) verzetdagvaarding op 2 juli 2008 niet ter rolle was ingeschreven waardoor de civiele rechter zich niet heeft kunnen uitspreken over het verzet en de tenuitvoerlegging van de dwangbevelen. Naar aanleiding van het verzoek van de Ontvanger van de Belastingdienst heeft het ministerie van Financiën op 2 juli 2008 toestemming verleend om ondanks het ingestelde verzet de tenuitvoerlegging van het dwangbevel voort te zetten. Deze toestemming is gebaseerd op het feit dat gebleken is dat het verzet evident kansloos (was) zodat sprake is van misbruik van een bevoegdheid als bedoeld in art. 3:13 BW. De executoriale verkoop heeft vervolgens doorgang gevonden op 3 juli 2008.

Over het voorgaande en de door u in uw brief gestelde vragen, merk ik het volgende op. Ik zal daarbij de door u gehanteerde volgorde van vragen aanhouden.

Ad 1) Een ingesteld verzet op grond van artikel 17 van de IW 1990 vangt aan met dagvaarding door de belastingschuldige als eiser van de ontvanger die het dwangbevel heeft uitgevaardigd als gedaagde. Dit verzet schorst in beginsel de tenuitvoerlegging van de dwangbevelen van rechtswege voor zover deze door het verzet wordt bestreden. De formulering van artikel 17, tweede lid, tweede volzin, IW 1990 is dwingend. Dit betekent echter niet dat de schorsende werking nimmer kan worden doorbroken. In dat kader heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 7 oktober 1994 (zie Achtergrond onder 4.; N.o.) overwogen dat het mogelijk is de schorsende werking te doorbreken en zijn daartoe criteria benoemd. Doorbreking is mogelijk wanneer een eventueel beroep van de belastingschuldige op de schorsende werking van zijn verzet tot misbruik van bevoegdheid zoals bedoeld in artikel 3:13 BW zou leiden. Van misbruik kan sprake zijn als het verzet bij voorbaat kansloos moet worden aangemerkt. De hiervoor vermelde criteria van misbruik van bevoegdheid en evident kansloos verzet zijn nadien door de (lagere) rechtspraak nader ingevuld. Uit vaste jurisprudentie blijkt dat de rechter in zijn overweging een belangenafweging betrekt en daarbij overweegt dat de belastingschuldige zijn bevoegdheid van verzet misbruikt, indien hij, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen zijn belang bij handhaving van de schorsende werking van het verzet en het belang van de ontvanger bij voortgang van de executie dat daardoor wordt geschaad, in redelijkheid de aan dat verzet verbonden schorsing van de executie niet kan inroepen. Deze criteria zijn vervolgens in de beleidsregels van de Leidraad Invordering 1990 (en recentelijk van 2008) vastgelegd. Het is dan ook vast beleid dat als naar de mening van de Ontvanger het doen van verzet zo duidelijk kansloos is dat er sprake is van misbruik van bevoegdheid hij - na verkregen toestemming van het ministerie - kan besluiten de tenuitvoerlegging van het dwangbevel voort te zetten.

Het ministerie van Financiën heeft in dit geval gemeend deze toestemming aan de Ontvanger te (moeten) verlenen omdat aannemelijk is geworden dat misbruik ofwel oneigenlijk gebruik is gemaakt van de mogelijkheid van schorsing en dat het verzet evident kansloos is.

(…)

In dat verband is van belang om op te merken dat het oordeel van de Voorzieningenrechter om opheffing te verkrijgen van de schorsende werking van het verzet niet meer vóór de vastgestelde verkoopdatum door de Ontvanger kon worden verkregen. Het risico voor het zodanig laat dagvaarden van de Ontvanger dat die niet meer in de gelegenheid is geweest om vóór de geplande verkoop rechterlijk oordeel te verkrijgen dient voor rekening te blijven (van verzoeker; N.o.). Ten slotte zou een verder uitstel leiden tot een ongewenste toename van de door de Belastingdienst gemaakte kosten in het bijzonder die van bewaring en beheer.

Gelet op voormelde feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien heeft het ministerie gemeend haar toestemming te (moeten) verlenen om de tenuitvoerlegging van de dwangbevelen voort te zetten en daardoor in te breken op de wettelijke bepaling van artikel 17, tweede lid, IW 1990.

Ad 2) Uit de informatie van de Belastingdienst blijkt dat in verband met de verkoop van een aantal motorvoertuigen juist specifiek en gedetailleerd door de Belastingdeurwaarder is aangegeven welke types (met foto en omschrijving) ter verkoop zijn aangeboden. Gebleken is bovendien dat de Belastingdienst alle motorvoertuigen heeft laten taxeren. (…)

Naar mijn oordeel heeft de Ontvanger dan ook afdoende kenbaar gemaakt welke

- bijzondere dan wel reguliere - motorvoertuigen het betrof. In dat verband merk ik nog op dat niet gebleken is dat door (verzoeker; N.o.) is aangegeven of aannemelijk gemaakt dat het hier gaat om uitzonderlijke exemplaren welke een beduidend hogere waarde vertegenwoordigen dan gelijksoortige motorvoertuigen…"

II. Beoordeling

Ten aanzien van het doorzetten van de executie

18. Verzoeker klaagt er over dat de Belastingdienst de openbare verkoop op 3 juli 2008 van de inbeslaggenomen motorfietsen en auto's heeft doorgezet ondanks het feit dat hij op 1 juli 2008 op grond van artikel 17 Invorderingswet 1990 verzet had aangetekend bij de rechtbank door de deurwaarder van de Belastingdienst te dagvaarden.

Verzoeker is van mening dat de Belastingdienst door de verkoop door te laten gaan de wet opzij heeft gezet en ten onrechte buiten de rechter om heeft gehandeld.

19. In zijn reactie op de klacht van verzoeker wijst de Belastingdienst er op dat de Leidraad Invordering 2008 de mogelijkheid openstelt om na verkregen toestemming van het Ministerie van Financiën een openbare verkoping door te laten gaan ook als verzoeker op grond van artikel 17 Invorderingswet 1990 verzet heeft aangetekend tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel. Volgens de Leidraad Invordering 2008 is voor een dergelijk verzoek vereist dat het verzet zo evident kansloos is dat het aantekenen van verzet moet worden aangemerkt als misbruik van bevoegdheid door de belastingschuldige.

20. De staatssecretaris van Financiën merkt in zijn reactie op de klacht op dat de Hoge Raad in zijn arrest van 7 oktober 1994 heeft overwogen dat de schorsende werking van artikel 17 Invorderingswet 1990 onder omstandigheden kan worden doorbroken. De Hoge Raad achtte doorbreking mogelijk, aldus de staatssecretaris, wanneer een beroep van de belastingschuldige op de schorsende werking zou leiden tot misbruik van bevoegdheid als bedoeld in artikel 3:313 van het Burgerlijk Wetboek.

Nadat de lagere rechtspraak het door de Hoge Raad genoemde criterium verder had ingevuld, heeft de staatssecretaris de criteria vervolgens vastgelegd in de beleidsregels in de Leidraad Invordering 2008.

21. Het vereiste van rechtszekerheid houdt onder meer in dat gerechtvaardigde verwachtingen van burgers en organisaties jegens overheidsinstanties door die overheidsinstanties worden gehonoreerd.

Het vereiste van rechtszekerheid impliceert dat de gedragingen van een overheidsinstantie jegens een burger steeds zijn terug te voeren op een wettelijke grondslag.

22. De tekst van artikel 17 Invorderingswet 1990 (zie Achtergrond) kent geen andere mogelijkheid dan schorsing van de tenuitvoerlegging van een dwangbevel zolang de verzetsprocedure lopende is. Deze tekst luidt immers:

"Het verzet schorst de tenuitvoerlegging van het dwangbevel voor zover deze door het verzet wordt bestreden".

De schorsende werking van artikel 17 Invorderingswet 1990 is nadrukkelijk aan de orde geweest tijdens de parlementaire behandeling van het artikel (zie Achtergrond). De wetgever is daarbij tegemoet gekomen aan de bezwaren die vanuit het parlement werden aangevoerd tegen het oorspronkelijke wetsontwerp waarin de schorsende werking niet was opgenomen. In de situatie die de wetgever bij het oorspronkelijke wetsontwerp voor ogen stond, zou de belastingschuldige de schorsende werking steeds moeten afdwingen door middel van een kort-gedingprocedure. De bezwaren uit het parlement richtten zich met name tegen dit gevolg.

Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de wetgever zich ervan bewust was dat de schorsende werking kon leiden tot misbruik. Voor de situatie dat dientengevolge grote problemen zouden ontstaan, gaf de wetgever op voorhand al aan niet te zullen aarzelen de wijziging weer ongedaan te maken.

23. De Nationale ombudsman is van oordeel dat de Belastingdienst en de staatssecretaris van Financiën hebben gehandeld in strijd met het vereiste van rechtszekerheid door zonder tussenkomst van de rechter te besluiten de executie van het dwangbevel jegens verzoeker door te zetten. Uit de hierboven geschetste gang van zaken tijdens de parlementaire behandeling van artikel 17 Invorderingswet 1990 volgt dat de wetgever ondanks de mogelijkheid van misbruik toch bewust heeft gekozen voor een schorsing van rechtswege als gevolg van het aantekenen van verzet tegen de tenuitvoerlegging. Voorts heeft de wetgever aangegeven niet te zullen aarzelen de schorsing van rechtswege zo nodig weer ongedaan te maken.

Deze keuzes van de wetgever laten geen ruimte voor de handelwijze van de Belastingdienst en de staatssecretaris. Deze leidt er immers toe dat de Belastingdienst, als belanghebbende partij zonder rechterlijke toetsing kan besluiten voorbij te gaan aan de door de wetgever uitdrukkelijk gewilde schorsing van rechtswege. De voorafgaande toetsing door de staatssecretaris van Financiën maakt dit niet anders. Voor de belastingschuldige zijn Belastingdienst en staatssecretaris in deze één.

Een dergelijke handelwijze is niet alleen in strijd met het recht, zij doet ook afbreuk aan het vertrouwen dat een burger aan de wet moet kunnen ontlenen.

Het arrest van 7 oktober 1994 van de Hoge Raad waarop de staatssecretaris zich beroept, doet aan bovenstaande niet af. De Hoge Raad heeft het in dat arrest immers wel voor mogelijk gehouden dat de schorsende werking wordt doorbroken, maar uit het arrest kan niet worden afgeleid dat de Hoge Raad ook heeft bedoeld aan te geven dat een van beide partijen zonder rechterlijke tussenkomst mag besluiten de schorsende werking opzij te zetten (zie Achtergrond, onder 4).

Aan bovenstaand oordeel doet evenmin af dat het verzet niet door verzoeker op de rol is gebracht bij de rechtbank. Voor de schorsende werking is dit geen voorwaarde. Bovendien was het tijdsverloop tussen het uitbrengen van de dagvaardingen en het plaatsvinden van de verkoping zo kort dat niet kan worden uitgesloten dat juist het doorgaan van de verkoping verzoeker ertoe heeft gebracht af te zien van het doorzetten van de verzetsprocedure.

Dit oordeel geeft aanleiding tot het doen van een aanbeveling.

De onderzochte gedraging is in zoverre niet behoorlijk.

Ten aanzien van de wijze van adverteren

24. Verzoeker klaagt er over dat de Belastingdienst voorafgaand aan en tijdens de openbare verkoping onvoldoende heeft duidelijk gemaakt dat een aantal van de te verkopen motorfietsen bijzondere exemplaren waren die moesten worden aangemerkt als collectors item. Verzoeker meent dat deze motorfietsen dientengevolge voor een te lage prijs zijn verkocht.

25. De Belastingdienst stelt zich op het standpunt dat hij voldoende heeft duidelijk gemaakt wat ter verkoop werd aangeboden. De Belastingdienst wijst er verder op dat de voertuigen voorafgaand aan de verkoping door een deskundige zijn getaxeerd en dat de verkoopprijzen in lijn met de taxatiewaarden waren.

26. Het vereiste van rechtszekerheid impliceert ook dat een belastingschuldige er op moet kunnen vertrouwen dat een bestuursorgaan voldoende maatregelen neemt om zijn belangen te waarborgen.

27. Ingevolge het bepaalde in artikel 464 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (zie Achtergrond) diende de Belastingdienst bij de publicaties omtrent de aanstaande verkoping de aard van de te verkopen goederen bekend te maken, doch zonder vermelding van nadere bijzonderheden. De Belastingdienst heeft daaraan naar het oordeel van de Nationale ombudsman in voldoende mate voldaan door in de advertenties de merken en de typebenamingen van de te verkopen goederen te noemen. Nu de Belastingdienst voorts de te verkopen voertuigen voorafgaand aan de verkoping heeft laten taxeren door een externe deskundige en de verkoopopbrengsten daarmee correspondeerden, kan niet worden gezegd dat de Belastingdienst verzoekers belang bij een zo hoog mogelijke opbrengst heeft veronachtzaamd door de voertuigen tegen een te lage prijs te verkopen. Voor dit oordeel is mede van belang dat de potentiële kopers vóór de verkoping gelegenheid hebben gehad zich te oriënteren over de aard en de kwaliteiten van de voertuigen en dat deze tijdens de verkoping duidelijk op een scherm zichtbaar waren.

De onderzochte gedraging is in zoverre behoorlijk.

28. In dit verband verdient evenwel het volgende nog te worden opgemerkt. De Belastingdienst voert aan dat nadere informatie over de te verkopen voertuigen kon worden gevonden op de website www.veilingdeurwaarder.nl. In de advertenties in de dagbladen werd op de 2e bron van informatie niet gewezen. Het ware beter geweest indien de Belastingdienst daarnaar wel had verwezen opdat eventuele kopers zich ook langs die weg maximaal hadden kunnen oriënteren.

Ten aanzien van het informeren over de opbrengst en de vrijwaringsbewijzen

29. Verzoeker klaagt er verder over dat de Belastingdienst hem niet heeft geïnformeerd over de opbrengst van de verkoping van 3 juli 2008 en hem niet heeft laten weten op welke aanslagen de opbrengst is afgeboekt. Verzoeker klaagt er eveneens over dat de Belastingdienst hem niet in het bezit heeft gesteld van vrijwaringsbewijzen voor de verkochte voertuigen.

30. De Belastingdienst heeft gewezen op de brief van 10 september 2008 waarin hij verzoeker heeft geïnformeerd over de opbrengst en de wijze van afboeken.

De Belastingdienst heeft verzoeker blijkens zijn brief van 13 augustus 2009 in de gelegenheid gesteld de vrijwaringsbewijzen in handen te krijgen.

31. De klacht van verzoeker mist op dit onderdeel feitelijke grondslag en kan daarom verder buiten behandeling blijven.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van de Belastingdienst/Rivierenland/kantoor Gorinchem, is

- gegrond op het punt van het doorzetten van de openbare verkoping op 3 juli 2008 wegens schending van het vereiste van rechtszekerheid.

- niet gegrond op het punt van de publicaties van de openbare verkoping.

- Op het punt van het niet informeren over de opbrengst van de verkoping van 3 juli 2008 en het niet laten weten op welke aanslag de opbrengst is afgeboekt wordt geen oordeel gegeven omdat de klacht op die punten feitelijke grondslag mist. Datzelfde geldt voor de klacht dat de Belastingdienst verzoeker niet in het bezit heeft gesteld van vrijwaringsbewijzen van de verkochte voertuigen.

Aanbeveling

De minister van Financiën wordt in overweging gegeven de Leidraad Invordering 2008 op het punt van de schorsende werking van artikel 17 Invorderingswet 1990 in overeenstemming te brengen met hetgeen hierboven is overwogen.

Onderzoek

Op 25 september 2008 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de

heer K. te Arkel, met een klacht over een gedraging van de Belastingdienst/ Rivierenland/kantoor Gorinchem.

Naar deze gedraging, die wordt aangemerkt als een gedraging van de minister van Financiën, werd een onderzoek ingesteld.

In het kader van het onderzoek werd de Belastingdienst verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben.

In verband met zijn verantwoordelijkheid voor het optreden van de Belastingdienst werd ook de minister van Financiën over de klacht geïnformeerd en in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken. Vervolgens werd verzoeker in de gelegenheid gesteld op de verstrekte inlichtingen te reageren.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. De reactie van de Belastingdienst gaf aanleiding het verslag op een enkel punt te wijzigen. De reactie van de minister van Financiën gaf geen aanleiding tot wijzigingen of aanvullingen.

Verzoeker gaf binnen de gestelde termijn geen reactie.

Informatieoverzicht

De bevindingen van het onderzoek zijn gebaseerd op de volgende informatie:

- het verzoekschrift van 23 september 2008

- de reactie van 24 april 2009 met bijlagen van de Belastingdienst

- de reactie van 14 mei 2009 van de staatssecretaris van Financiën

- de brief van 13 augustus 2009 van de Belastingdienst aan verzoeker.

Bevindingen

Zie onder Beoordeling.

Achtergrond

1. Invorderingswet 1990

Artikel 17

"1. De belastingschuldige kan tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel in verzet komen bij de rechtbank van het arrondissement waarbinnen hij woont of is gevestigd. Indien de belastingschuldige buiten Nederland woont of is gevestigd dan wel in Nederland geen vaste woonplaats of plaats van vestiging heeft, kan hij in verzet komen bij de rechtbank van het arrondissement waarbinnen het kantoor is gevestigd van de ontvanger die het dwangbevel heeft uitgevaardigd.

2. Het verzet vangt aan met dagvaarding door de belastingschuldige als eiser aan de ontvanger die het dwangbevel heeft uitgevaardigd als gedaagde. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging van het dwangbevel voor zover deze door het verzet wordt bestreden.

3. Het verzet kan niet zijn gegrond op de stelling dat het aanslagbiljet, de aanmaning of het op de voet van artikel 13, derde lid, betekende dwangbevel niet is ontvangen. Bovendien kan het verzet niet zijn gegrond op de stelling dat de belastingaanslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld."

2. Parlementaire geschiedenis artikel 17 Invorderingswet 1990

Memorie van Toelichting Kamerstukken II 1987/88, 20588, nr. 3, blz. 52.

"…Ingevolge de tweede volzin van het tweede lid van artikel 18 (lees 17; N.o.) stuit het verzet de aanvang of de voortzetting van de tenuitvoerlegging van het dwangbevel niet, tenzij in kort geding de president van de reeds genoemde arrondissementsrechtbank anders heeft beslist. Met deze bepaling wordt beoogd te voorkomen dat de belastingschuldige zonder goede gronden van de verzetsregeling gebruik maakt louter om de tenuitvoerlegging van het dwangbevel te verijdelen. Wij merken in dit verband echter op dat de tenuitvoerlegging kan worden opgeschort, indien partijen overeenkomen de beslissing van de rechter in de verzetsprocedure af te wachten. Ingeval de ontvanger tot die opschorting niet bereid is, kan de belastingschuldige de president van de rechtbank in kort geding verzoeken vonnis te wijzen om de tenuitvoerlegging van het dwangbevel op te schorten tot de verzetsprocedure is geëindigd…"

Memorie van Antwoord Kamerstukken II 1988/89, 20588, nr. 9, blz. 58.

"…Deze leden (van de fractie van de PvdA; N.o.) vragen om uitgebreid in te gaan op hun suggestie om - vanuit een oogpunt van proces-economie - het verzet tegen de tenuitvoerlegging wel stuitende werking te verlenen, omdat anders de belastingschuldige toch altijd naast het verzet ook nog een kort geding tot stuiting van de tenuitvoerlegging van het dwangbevel zal moeten voeren. Wij menen dat deze suggestie niet dient te worden overgenomen. Men moet niet uit het oog verliezen dat een belastingschuldige voordat hij geconfronteerd wordt met de tenuitvoerlegging van een dwangbevel al verschillende malen de gelegenheid heeft gehad om de rechtmatigheid van de belastingschuld aan te vechten. Behalve het aanslagbiljet zelve heeft de belastingplichtige ook de aanmaning en het dwangbevel ontvangen voordat sprake is van tenuitvoerlegging. In het door deze leden genoemde geval dat ten onrechte een aanslagbiljet op iemands naam is gesteld, zal het misverstand al uit de wereld kunnen zijn voordat ook maar sprake is van een aanmaning. Reeds in de heffingssfeer zal tegen de - onjuiste - aanslag bezwaar zijn gemaakt. Voorts is het zo dat in de regel bij verzet de tenuitvoerlegging door de ontvanger zal worden opgeschort. Slechts in die gevallen dat de ontvanger op goede gronden meent dat sprake is van een trainerend verzet, zal de tenuitvoerlegging niet behoeven te worden opgeschort. In die gevallen zal een kort geding uitkomst moeten bieden. Dat kort geding leent zich goed voor het beoordelen van de vraag of van de ontvanger gevergd moet worden dat de tenuitvoerlegging voorshands wordt stopgezet, waarna vervolgens de procedure ten principale kan worden gevoerd. De door deze leden gesuggereerde ineenschuiving van beide procedures - een met spoed behandeld bodemgeschil met stuitende werking - leidt naar onze mening tot een situatie waarbij de vaak gecompliceerde zaak omwille van de tijd in een korte tijd zou moeten worden afgehandeld, hetgeen de werkdruk van de rechterlijke macht niet ten goede zal komen…"

Nader Eind Verslag, Kamerstukken II 1988/89, 20588, nr. 9, blz. 21-22.

"…Door de in de tweede nota van wijziging op te nemen wijziging wordt bereikt dat ingeval verzet is aangetekend tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel geen kort gedingprocedure meer behoeft te worden gevoerd om de tenuitvoerlegging -zo deze door de ontvanger zou worden voortgezet - te stoppen. Wij realiseren ons dat door deze wijziging een afwijking ontstaat ten opzichte van het burgerlijke procesrecht waar immers voor de schorsing van de tenuitvoerlegging van een geldschuld in de regel een kort geding nodig is. Ook zijn wij ons bewust van het risico dat van de mogelijkheid tot schorsing van de tenuitvoerlegging misbruik of oneigenlijk gebruik kan worden gemaakt door met het oog daarop in verzet te komen, ook al zijn aan de verzetsprocedure kosten verbonden die een zekere drempel tegen lichtvaardig procederen opwerpen. Niettemin zijn wij, gelet op het grote belang dat de leden van de PvdA-fractie aan deze wijziging hechten, bereid om hen tegemoet te komen door de voor te stellen wijziging. Daarbij zij wel aangetekend dat als mocht blijken dat in de praktijk grote problemen ontstaan als gevolg van deze wijziging, wij niet zullen aarzelen om voor te stellen deze wijziging weer ongedaan te maken…"

3. Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

Artikel 464

1. In de gemeente binnen welke de verkoop zal geschieden, zullen, ter plaatse daartoe bestemd, biljetten worden aangeslagen, houdende aanduiding van de plaats, de dag en het uur van de verkoop, alsmede van de aard van de zaken, doch zonder vermelding van nadere bijzonderheden.

2. De biljetten worden in elk geval aangeslagen aan de plaats waar de zaken zich bevinden en aan die waar de verkoop zal plaatsvinden.

4. Arrest van 7 oktober 1994, nr. 15 441 van de Hoge Raad der Nederlanden

"…Vooropgesteld moet worden dat de regel dat degene aan wie een bevoegdheid toekomt, haar niet kan inroepen voor zover hij haar misbruikt, voor een geval als het onderhavige meebrengt dat een belastingplichtige, die in verzet is gekomen tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel teneinde schorsing van de executie te bewerkstelligen, de voor hem uit art. 17, tweede lid, voortvloeiende bevoegdheid om zich op schorsing van de tenuitvoerlegging te beroepen misbruikt indien hij, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen zijn belang bij handhaving van schorsende werking van het verzet en het belang van de ontvanger bij voortgang van de executie dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid de aan het verzet verbonden schorsing van de executie niet kan inroepen. Daarvan is ook het hof klaarblijkelijk uitgegaan. Het onderdeel klaagt echter, zoals mede uit de erop gegeven toelichting blijkt, dat het hof bij zijn afweging van de belangen van de ontvanger en (de betrokken belastingschuldige in die zaak; N.o.) een onjuiste maatstaf heeft aangelegd door te oordelen dat het belang dat de ontvanger met de door hem gevraagde voorlopige voorziening beoogt te dienen, zo zwaar moet wegen ten opzichte van het belang van (de betrokken belastingschuldige in die zaak; N.o.) bij handhaving van de schorsende werking, dat die schorsende werking ondanks de uitdrukkelijke regeling daarvan in de wet opzij moet worden gezet. Het onderdeel faalt. Het hof heeft in zijn afweging mede betrokken dat de wetgever bij de totstandkoming van de Invorderingswet 1990 uitdrukkelijk schorsende werking heeft verbonden aan het op de voet van art. 17 eerste lid gedane verzet tegen tenuitvoerlegging van het dwangbevel, ondanks de daaraan verbonden bezwaren, die bij de parlementaire discussie van de zijde van de regering naar voren zijn gebracht. Het hof heeft aan een en ander terecht de gevolgtrekking verbonden dat alleen een zwaarwegend belang van de ontvanger kan rechtvaardigen dat de schorsende werking van het verzet opzij wordt gezet.

(...)

Vooropgesteld moet worden dat (...) in een geding als het onderhavige de rechter aan zijn oordeel dat een belastingplichtige, die op de voet van art. 17 eerste lid verzet heeft gedaan tegen tenuitvoerlegging van een dwangbevel, zijn bevoegdheid misbruikt door de aan het verzet verbonden schorsing van de tenuitvoerlegging in te roepen, ten grondslag kan leggen dat het verzet, gelet op hetgeen de belastingplichtige ter ondersteuning daarvan heeft aangevoerd, zo duidelijk kansloos is dat het belang van de belastingplichtige bij schorsing van de tenuitvoerlegging niet opweegt tegen het belang van de ontvanger bij voortzetting van de tenuitvoerlegging…"

Publicatiedatum
Rapportnummer
2010/170