2010/021

Instantie: Centraal Justitieel Incassobureau

Klacht: In kader van inning van een boete verzoekers auto buiten gebruik gesteld, terwijl boete niet op zijn naam stond en de overtreding, waarop de boete betrekking heeft, niet met zijn voertuig is gepleegd.
Oordeel: gegrond

M. (de zoon van verzoeker) kon, wegens de grote financiële problemen waarin hij verkeerde, twee boetes van het CJIB niet betalen. De officier van justitie besloot om voor de inning daarvan het dwangmiddel buitengebruikstelling te hanteren. Verzoeker had zijn auto aan zijn zoon uitgeleend omdat die anders 's nacht na zijn werk niet bij verzoeker thuis zou kunnen komen. Tijdens een nachtelijke politiecontrole werd M. in de auto van verzoeker aangetroffen. De politie stelde de auto van verzoeker buiten gebruik. Verzoeker klaagde erover dat de officier van justitie zijn auto buitengebruik had gesteld in het kader van de inning van de boete van zijn zoon M., terwijl die boete niet op verzoekers naam stond en de verkeersovertreding waarop die boete betrekking had niet met verzoekers auto was gepleegd.

De Nationale ombudsman oordeelde dat, hoewel de auto van verzoeker rechtmatig buiten gebruik was gesteld, hij niet inzag dat het rijbewijs van verzoekers zoon M. niet alsnog zou kunnen worden ingenomen. Nu inname van het rijbewijs van de zoon van verzoeker een minder ingrijpend dwangmiddel was, aangezien daardoor geen derde werd getroffen, achtte de Nationale ombudsman het niet behoorlijk dat de officier van justitie gebruik had gemaakt van zijn bevoegdheid om het voertuig van verzoeker buiten gebruik te stellen. De officier van justitie van het CJIB had daarmee gehandeld in strijd met het evenredigheidsvereiste dat inhoudt dat overheidsinstanties voor het bereiken van een doel een middel aanwenden dat voor de betrokkenen niet onnodig bezwarend is en dat in evenredige verhouding staat tot dat doel. Om die reden achtte de Nationale ombudsman de gedraging van de officier van justitie niet behoorlijk. De Nationale ombudsman gaf de minister van Justitie in overweging om het nadeel van verzoeker, als gevolg van de buitengebruikstelling en de daaropvolgende verkoop van zijn auto, te compenseren.

Verzoeker klaagt erover dat een officier van justitie te Leeuwarden in het kader van de inning van een boete zijn auto buiten gebruik heeft gesteld, terwijl de boete niet op zijn naam staat en de overtreding, waarop de boete betrekking heeft, niet met zijn voertuig is gepleegd.

Beoordeling

Algemeen

1. Op 2 februari 2006 pleegde M. (de zoon van verzoeker) een snelheidsovertreding met een voertuig dat het kenteken XX-XX-XX had. Het CJIB stuurde op 17 maart 2006 naar M. een boete. Omdat M. het boetebedrag niet betaalde, zond het CJIB op 6 juni 2006 een eerste aanmaning met een verhoging en vervolgens op 27 juli 2006 een tweede aanmaning met een verhoging die ook niet door M. werden betaald. Uit de gemeentelijke basis administratie (GBA) bleek dat M. op een ander adres woonde. Op grond van die reden werd op 27 juli 2006 de tweede aanmaning ditmaal naar het juiste adres gestuurd. Omdat M. niet tot betaling over ging, vaardigde het CJIB op 25 oktober 2006 aan M. een dwangbevel uit en werd de verdere inning van de boete met verhogingen aan de deurwaarder in handen gesteld. Omdat de deurwaarder er niet in slaagde om de boete met verhogingen bij M. te incasseren, droeg hij de zaak weer over aan het CJIB. Op 7 juli 2008 werd M. door het CJIB gesommeerd om zijn rijbewijs in te leveren. Omdat M. niet aan deze sommatie voldeed, besloot het CJIB om tot buitengebruikstelling van een voertuig over te gaan zoals bedoeld in artikel 28 Wahv (zie Achtergrond, onder 1.). . vertelde dit niet aan verzoeker omdat hij er, naar zijn zeggen, vanuit ging dat de buitengebruikstelling alleen gold voor het voertuig waarmee hij de verkeersovertredingen had begaan, zijnde het voertuig met het kenteken XX-XX-XX.

2. Verzoeker had zijn voertuig met het kenteken YY-YY-YY aan zijn zoon M. uitgeleend omdat het voor M., na afloop van zijn late dienst, onmogelijk was om nog met het openbaar vervoer naar het huis van zijn bejaarde ouders, waar hij zou blijven overnachten, terug te komen.

3. In de nacht van 25 op 26 november 2008 arriveerde M., die terugkeerde van zijn werk, bij het huis van verzoeker. M. werd, nadat hij uit de auto was gestapt, door twee toevallig in de buurt aanwezig zijnde politieambtenaren U. en J. middels een blaastest aan een alcoholcontrole onderworpen. Tevens toonde M. desgevraagd zijn rijbewijs. Nadat de blaastest een negatief resultaat had opgeleverd, werd nagegaan of M. misschien nog stond gesignaleerd. M. bleek nog twee boetes te hebben openstaan bij het CJIB met CJIB nummer AAAAAAAA en met het CJIB nummer BBBBBBBB. De politieambtenaren vroegen aan M. of hij dit bedrag direct kon betalen. M. antwoordde daarop dat hij in verband met financiële problemen een regeling met de kredietbank had. De beide politieambtenaren gaven M. daarop te kennen dat zij de auto met het kenteken YY-YY-YY waaruit M. was gestapt, op bevel van de officier van justitie te Leeuwarden, buiten gebruik zouden stellen.

4. M. belde verzoeker uit zijn bed en vroeg hem naar beneden te komen. Verzoeker wilde middels zijn eigendomsbewijs aantonen dat de auto, die op dat moment buiten gebruik was gesteld, van hem was. Verzoeker kreeg, naar zijn zeggen, van politieambtenaar U. te horen dat zijn auto zou worden afgesleept en dat de sleepkosten voor rekening van de politie zouden komen. U. raadde M. aan om dezelfde dag zijn situatie uit te leggen aan de officier van justitie. De officier van justitie zou dan misschien de boete kwijtschelden en ervoor zorgen dat verzoeker zijn auto weer terug zou krijgen. Verzoeker vertrouwde erop dat hij zijn auto weer terug zou krijgen.

5. Verzoeker nam op 26 november 2008 contact op met de officier van justitie te Utrecht en kreeg te horen dat hij zou worden teruggebeld. 's Middags kreeg verzoeker te horen dat M. door de officier van justitie zou worden teruggebeld. Noch verzoeker noch zijn zoon werden teruggebeld. 's Avonds kreeg verzoeker op het politiebureau in Vleuten van een politieambtenaar te horen dat zijn auto op grond van de wet in beslag mocht worden genomen.

6. Op 27 november 2008 ging verzoeker opnieuw 's avonds met zijn zoon M. naar hetzelfde politiebureau. Verzoeker kreeg te horen dat hij zijn auto kon ophalen mits hij de openstaande boetes plus de sleep- en stallingkosten van zijn auto zou betalen. Verder werd verzoeker meegedeeld dat zijn auto nog twee maanden zou worden gestald waarbij de kosten tot € 570 zouden kunnen oplopen. Indien verzoeker de sleep- en stallingkosten niet zou betalen dan werd hij geacht het recht op zijn auto te hebben opgegeven. In dat geval zou zijn auto via de Dienst Domeinen worden verkocht waarbij de kosten zouden worden verrekend met de opbrengst van de auto.

7. Op 30 november 2008 diende verzoeker bij het regionale politiekorps Utrecht een klacht in omdat een politieambtenaar van dat korps op 26 november 2008 onjuiste informatie aan hem zou hebben verstrekt.

8. Tijdens de interne klachtenprocedure bij het regionale politiekorps Utrecht verklaarde verzoeker dat hij niet van plan was om de boetes van zijn zoon M. te betalen en dat hij 78 jaar oud was en de boetebedragen niet had kunnen betalen. Verzoeker verklaarde verder dat hij moet rondkomen van een minimuminkomen en vanwege de financiële steun die hij al eerder aan zijn zoon M. had gegeven, niet over het geld beschikte. Verzoeker verklaarde verder dat hij en zijn vrouw, door het geven van financiële steun aan hun zoon M., zelf ook in de financiële problemen terecht waren gekomen.

9. Politieambtenaar U. verklaarde tijdens de interne klachtbehandeling dat hij was vergeten om tegen verzoeker en diens zoon M. te zeggen dat de takel- en sleepkosten voor rekening van M. zouden komen. Verder was hij vergeten om het onderwerp stallingkosten met verzoeker en M. te bespreken. Op 8 mei 2009 adviseerde de commissie voor de politieklachten van de politieregio Utrecht aan de korpsbeheerder om de klacht van verzoeker ten aanzien van de onjuiste en onvolledige informatievertrekking gegrond te verklaren. Op 12 mei 2009 stuurde de korpsbeheerder aan verzoeker een brief waarin hij aan verzoeker meedeelde dat hij diens klacht over de onjuiste en onvolledige informatieverstrekking gegrond achtte.

10. Naar aanleiding van de buitengebruikstelling wendde verzoeker zich tot de Nationale ombudsman met de volgende klacht.

I. Bevindingen

1. Verzoeker klaagt erover dat zijn auto buiten gebruik is gesteld terwijl de boete niet op zijn naam staat en de overtreding, waarop de boete betrekking heeft, niet met zijn voertuig is gepleegd.

2. In zijn reactie van 12 mei 2009 liet de minister van Justitie aan de Nationale ombudsman weten de klacht niet gegrond te achten. De minister gaf in zijn reactie aan dat het CJIB, voordat het over ging tot het buiten gebruik stellen van de auto van verzoeker, eerst geprobeerd heeft om de openstaande boetes van M. door middel van minder ingrijpende dwangmiddelen te incasseren. Omdat M. daar niet op had gereageerd en op 26 november 2008 over het voertuig van verzoeker vermocht te beschikken - verzoeker had zijn auto immers aan M. uitgeleend - had de officier van justitie te Leeuwarden op goede gronden kunnen besluiten om het voertuig van verzoeker buiten gebruik te laten stellen. De minister achtte de door verzoeker aangevoerde argumenten dat de boetes niet op zijn naam stonden en de overtredingen waarop de openstaande boetes van M. betrekking hadden niet met de auto van verzoeker waren gepleegd, niet relevant.

3. In zijn antwoord van 9 juni 2009 op de reactie van de minister van Justitie, liet verzoeker aan de Nationale ombudsman weten het niet eens te zijn met het standpunt van de minister. Verzoeker was als volgt van mening:

"Het gaat mij niets aan wat een derde heeft gedaan c.q. misdaan. Het enige wat voor mij van belang is om vast te stellen of het bij de wet mogelijk is om van een onschuldige burger, die niets heeft misdaan, een motorvoertuig in beslag te nemen en dan ook nog het betreffende voertuig te vernietigen. Als de overheid niet in staat is om openstaande sancties bij de veroorzaker te innen en het pressiemiddel niet werkt zoals met de Wet Mulder wordt beoogd, dan ligt het aan de overheid om verdere maatregelen te nemen tegen de veroorzaker en niet iemand, die nergens schuld aan heeft, van zijn eigendom te beroven. Op zijn minst had het voertuig teruggegeven kunnen worden met excuses voor het ongemak, dat ik niet over een lange periode over mijn voertuig heb kunnen beschikken, welke overigens door mijn echtgenote (80 jaar) daadwerkelijk werd gebruikt en vertrouwd was met de Seat Marbella. Ik heb herhaaldelijk duidelijk gemaakt aan de politie en het CJIB dat mijn zoon slechts incidenteel mijn auto heeft gebruikt. Ik kan me niet voorstellen dat de Wahv dit allemaal mogelijk zou willen maken. De bepaling lijkt mij duidelijk geschreven voor situaties waarin misbruik wordt gemaakt. In mijn situatie was daarvan geen sprake. Nogmaals alle feiten die door u worden aangehaald hebben niets met mij persoonlijk te maken. Dat is ook de reden waarom ik niets heb willen betalen, ook geen sleep- en stallingskosten. Zo die betaald moeten worden, dan moeten deze m.i. ook voor rekening komen van de veroorzaker."

4. In zijn antwoord van 14 september 2009 op de reactie van verzoeker liet de minister van Justitie aan de Nationale ombudsman weten dat hij bij zijn standpunt bleef dat de buitengebruikstelling van de auto van verzoeker op rechtmatige gronden had plaatsgevonden. Volgens de minister moet, gelet op de parlementaire geschiedenis, onder beschikken worden verstaan "het ten gebruike onder zich hebben." Met deze terminologie wordt volgens de minister beoogd te voorkomen dat het dwangmiddel van buitengebruikstelling niet zou kunnen worden toegepast wanneer in de tussentijd degene aan wie de sanctie is opgelegd, een ander voertuig heeft aangeschaft. De regeling ziet niet alleen op een in eigendom verkregen ander voertuig, maar ook op lease-, huur - en leenauto's. Het College van procureurs-generaal stelt vast dat in het geval van verzoeker was gebleken dat zijn zoon nog twee administratieve boetes had openstaan. Aangezien minder ingrijpende dwangmiddelen niet hadden geleid tot het innen van de twee administratieve boetes, was de officier van justitie ingevolge de Wet administratieve handhaving verkeersvoorschriften bevoegd het voertuig van verzoeker buiten gebruik te stellen. Verzoekers stelling dat hij niet op de hoogte was van het feit dat zijn zoon niet bevoegd was om over een motorvoertuig te beschikken en dat verzoekers zoon slechts incidenteel gebruik maakte van het voertuig achtte de minister in dit kader niet relevant. Volgens de minister volgt er uit vaststaande jurisprudentie dat het feit dat de zoon van verzoeker, verzoekers voertuig bestuurde in beginsel voldoende is om aan te nemen dat verzoekers zoon over de auto van verzoeker vermocht te beschikken. In dit verband gaat het er volgens de minister niet om dat verzoekers zoon over de auto 'mocht' beschikken maar juist 'kon' beschikken, aldus de minister van Justitie.

II. Beoordeling

1. Het evenredigheidsvereiste houdt in dat overheidsinstanties voor het bereiken van een doel een middel aanwenden dat voor de betrokkenen niet onnodig bezwarend is en dat in evenredige verhouding staat tot dat doel.

2. De officier van justitie te Leeuwarden kan, indien iemand de aan hem opgelegde administratieve sanctie niet betaalt en deze sanctie onherroepelijk is geworden, op verschillende manieren proberen om het sanctiebedrag alsnog te innen. In eerste instantie kan hij degene aan wie de sanctie is opgelegd tweemaal een aanmaning sturen waarbij het sanctiebedrag bij iedere aanmaning afzonderlijk wordt verhoogd. Indien dit niet tot betaling van de sanctie leidt, kan de officier van justitie proberen om het niet betaalde sanctiebedrag met of zonder een dwangbevel op de betrokkene te verhalen. Verhaal met dwangbevel houdt in dat de officier van justitie de vordering kan proberen te verhalen op de goederen die in het bezit zijn van betrokkene. In dat geval schakelt de officier van justitie een deurwaarder in om met behulp van het dwangbevel verhaal te kunnen nemen. Betrokkene kan tegen verhaal met dwangbevel verzet aantekenen bij de kantonrechter. Bij verhaal zonder dwangbevel probeert de officier van justitie de sanctie te verhalen op de geldelijke tegoeden van betrokkene door bijvoorbeeld beslag te leggen op het tegoed op de bankrekening van betrokkene.

Indien de hiervoor beschreven pogingen niet tot gehele betaling van de sanctie hebben geleid, kan de officier van justitie nog gebruikmaken van een drietal in de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften opgenomen dwangmiddelen om betrokkene onder druk te zetten alsnog tot betaling over te gaan. De officier van justitie kan in dat kader kiezen uit het innemen van het rijbewijs van betrokkene, het buiten gebruik stellen van het voertuig van betrokkene of een soortgelijk voertuig waarover betrokkene vermag te beschikken of het gijzelen van betrokkene. Omdat er binnen het administratieve recht geen aparte rechtsgang openstaat om tegen de toepassing van de dwangmiddelen inhouden rijbewijs of buitengebruikstelling van een voertuig bezwaar te maken, kan de betrokkene zich alleen tot de burgerlijke rechter, doorgaans de kortgedingrechter, wenden. De burgerlijke rechter fungeert in dat geval als vangnet. Indien de officier van justitie voornemens is om gebruik te maken van het dwangmiddel gijzeling dan dient hij, gelet op het vrijheidsbenemende aspect van dit dwangmiddel, daarvoor eerst een machtiging te vragen aan de kantonrechter. Betrokkene kan zich bij de kantonrechter tegen de voorgenomen toepassing van dit dwangmiddel verweren. Tegen de beslissing van de kantonrechter staat geen rechtsmiddel open. Indien de toepassing van één of meerdere van de hiervoor beschreven dwangmiddelen niet tot gehele betaling van het openstaande sanctiebedrag heeft geleid dan blijft de betalingsverplichting voor betrokkene bestaan.

3. De Nationale ombudsman toetst eerst of de officier van justitie jegens M. gebruik kon maken van zijn bevoegdheid om tot het dwangmiddel buitengebruikstelling over te gaan. De Nationale ombudsman stelt vast dat de officier van justitie te Leeuwarden in eerste instantie vergeefs heeft geprobeerd om de boete met het CJIB nummer AAAAAAAA, bij M. te incasseren ondanks de twee aanmaningen en het opnieuw naar het juiste adres versturen van de tweede aanmaning middels minder ingrijpende dwangmiddelen. Vervolgens heeft de officier van justitie geprobeerd om het openstaande sanctiebedrag middels het minst ingrijpende dwangmiddel, c.q. het innemen van het rijbewijs, te incasseren. Omdat M. zijn rijbewijs niet had ingeleverd en dit dwangmiddel dus niet effectief kon worden toegepast, besloot de officier van justitie om over te gaan tot de toepassing van het dwangmiddel buitengebruikstelling van het voertuig. Daarnaast bleek dat M. nog een tweede boete had openstaan met het CJIB nummer BBBBBBBB.

4. De Nationale ombudsman is van oordeel dat verzoekers auto rechtmatig buiten gebruik is gesteld aangezien zijn zoon M. over het voertuig van verzoeker kon beschikken. De Nationale ombudsman acht het aannemelijk dat verzoeker, ten tijde van het uitlenen van zijn auto aan zoon M., niet op de hoogte was van de omstandigheid dat de officier van justitie de beslissing had genomen om jegens zijn zoon M. het dwangmiddel van buitengebruikstelling van het voertuig toe te passen.

De Nationale ombudsman kan zich voorstellen dat de officier van justitie te Leeuwarden niet bij elke beslissing om tot buitengebruikstelling van een voertuig over te gaan, vooraf nagaat of betrokkene financieel in staat is om het openstaande sanctiebedrag te betalen. Dat zou namelijk een onevenredige belasting voor het CJIB met zich meebrengen. De Nationale ombudsman kan zich daarentegen ook voorstellen dat de officier van justitie na de feitelijke buitengebruikstelling, in bijzondere gevallen, indien het een voertuig betreft dat aan een ander dan degene die de boete moet betalen toebehoort, zijn eerdere beslissing tot buitengebruikstelling heroverweegt. Een dergelijke heroverweging zou ertoe kunnen leiden dat de officier van justitie besluit om van de verdere toepassing van het dwangmiddel buitengebruikstelling af te zien en over te gaan tot het toepassen van een ander dwangmiddel. Op die manier kan worden voorkomen dat een derde die met de openstaande boetes niets van doen heeft, onevenredig wordt benadeeld. Verzoeker heeft nooit de kans gekregen om zijn standpunt aan een officier van justitie uit te leggen aangezien hij, ondanks een op 26 november 2008 aan hem gedane toezegging, nooit door een officier van justitie is teruggebeld. Doordat verzoeker hierdoor verstoken bleef van informatie heeft er geen moment van reflectie kunnen plaatsvinden hetgeen voor verzoeker voortgaande consequenties met zich mee heeft gebracht. Ten aanzien van het standpunt van de minister dat de wetsgeschiedenis met zich meebrengt dat het voertuig van een derde buiten gebruik kan worden gesteld, merkt de Nationale ombudsman het volgende op. De mogelijkheid van het dwangmiddel buitengebruikstelling van het voertuig van derden is in het leven geroepen om te voorkomen dat personen bij wie het CJIB een boete tracht te incasseren, hun eigen auto op naam van een derde zetten of stelselmatig gebruik maken van een soortgelijk voertuig dat aan een derde, bijvoorbeeld een autoverhuurbedrijf, toebehoort. Op die manier kon misbruik worden tegengegaan. Daarvan was in het geval van verzoeker echter geen sprake. Hoewel de officier van justitie in dit geval al eerder de inname van het rijbewijs van de zoon van verzoeker had gevorderd, ziet de Nationale ombudsman niet waarom er wettelijke belemmeringen waren om dat rijbewijs bij de aanhouding alsnog in te nemen. Immers van feitelijke inname van het rijbewijs was nog geen sprake geweest. Nu inname van het rijbewijs van de zoon een minder ingrijpend dwangmiddel was, aangezien daardoor geen derde werd getroffen, acht de Nationale ombudsman het niet behoorlijk dat de officier van justitie gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om het voertuig van verzoeker buiten gebruik te stellen. De officier van justitie heeft daarmee gehandeld in strijd met het evenredigheidsvereiste.

De onderzochte gedraging is niet behoorlijk.

De Nationale ombudsman ziet in hetgeen hiervoor is overwogen reden tot het doen van een aanbeveling.

ConcLUSIE

De klacht over de onderzochte gedraging van de officier van justitie te Leeuwarden, is gegrond, wegens schending van het evenredigheidsvereiste.

Aanbeveling

De minister van Justitie wordt in overweging gegeven om het nadeel van verzoeker als gevolg van de buitengebruikstelling en de daaropvolgende verkoop van zijn auto te compenseren.

Onderzoek

Op 1 december 2008 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer R. te Utrecht, met een klacht over een gedraging van het Centraal Justitieel Incasso Bureau.

Naar deze gedraging, die wordt aangemerkt als een gedraging van de minister van Justitie, werd een onderzoek ingesteld.

In het kader van het onderzoek werd de minister verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben.

Tijdens het onderzoek kregen de minister en verzoeker de gelegenheid op de door ieder van hen verstrekte inlichtingen te reageren.

Vervolgens werd verzoeker in de gelegenheid gesteld op de verstrekte inlichtingen te reageren.

In het kader van het onderzoek werd betrokkenen verzocht op de bevindingen te reageren.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. De minister berichtte dat het verslag hem geen aanleiding gaf tot het maken van opmerkingen. De reactie van verzoeker gaf aanleiding het verslag op een enkel punt te wijzigen/aan te vullen.

Informatieoverzicht

De bevindingen van het onderzoek zijn gebaseerd op de volgende informatie:

Verzoekschrift van 30 november 2008;

Brief van de minister van Justitie aan de Nationale ombudsman van 12 mei 2009;

Reactie van verzoeker met bijlagen van 9 juni 2009 op de brief van de minister van Justitie van 12 mei 2009;

Advies van de commissie voor de politieklachten politie regio Utrecht aan de korpsbeheerder van 8 mei 2009;

Interne klachtrapportage politieregio Utrecht van 17 februari 2009;

Reactie van de minister van Justitie op de reactie van verzoeker van 14 september 2009;

Vonnis van de rechter in kort geding te 's-Gravenhage van 25 september 2008;

Vonnis van de rechter in kort geding te Groningen van 22 april 2005;

Arrest van de Hoge Raad der Nederlanden NJ 2006, 458;

Reactie van verzoeker op het Verslag van bevindingen van de Nationale ombudsman van 5 januari 2010.

Bevindingen

Zie onder Beoordeling.

Achtergrond

1. Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)

Artikel 28a

"Indien niet of niet volledig verhaal overeenkomstig de artikelen 26 en 27 heeft plaatsgevonden, kan de officier van justitie te Leeuwarden het rijbewijs innemen van degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd. De officier kan tot uiterlijk vijf jaar nadat de opgelegde administratieve sanctie onherroepelijk is geworden van zijn bevoegdheid gebruik maken. De inneming van het rijbewijs duurt ten hoogste vier weken."

Artikel 28b

"Indien niet of niet volledig verhaal overeenkomstig de artikelen 26 en 27 heeft plaatsgevonden, kan de officier van justitie te Leeuwarden het voertuig waarmee de gedraging heeft plaatsgevonden buiten gebruik stellen of, indien dit voertuig niet wordt aangetroffen, een soortgelijk voertuig waarover degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd, vermag te beschikken. De officier kan tot uiterlijk vijf jaar nadat de opgelegde administratieve sanctie onherroepelijk is geworden van zijn bevoegdheid gebruik maken. De buitengebruikstelling duurt ten hoogste vier weken."

Artikel 29

"1. Indien degene wiens voertuig buiten gebruik kan worden gesteld door de officier van justitie te Leeuwarden niet terstond voldoet aan het overeenkomstig artikel 23, tweede lid, en artikel 25 verhoogde bedrag van de administratieve sanctie, is de officier van justitie bevoegd het voertuig op kosten van de betrokkene naar een door hem aangewezen plaats te doen overbrengen en in bewaring te doen stellen. Het voertuig wordt tussentijds aan de rechthebbende teruggegeven tegen betaling van het bedrag van de administratieve sanctie en de daarop gevallen verhogingen, alsmede van de kosten van overbrenging en bewaring.

2. De officier van justitie is tevens bevoegd om in het in het eerste lid bedoelde geval aan het voertuig een mechanisch hulpmiddel te doen aanbrengen, waardoor wordt verhinderd dat het voertuig wordt weggereden. Het mechanisch hulpmiddel wordt tussentijds niet verwijderd dan nadat het bedrag van de administratieve sanctie en de daarop gevallen verhogingen, alsmede de kosten van het aanbrengen en van het verwijderen ervan zijn voldaan.

3. Indien twaalf weken na de aanvang van de buitengebruikstelling de rechthebbende zijn voertuig niet heeft afgehaald, wordt hij geacht zijn recht op de zaak te hebben opgegeven en is de officier van justitie bevoegd het voertuig om niet aan een derde in eigendom te doen overdragen, te doen verkopen of te doen vernietigen. Gelijke bevoegdheid bestaat ook binnen de bedoelde termijn, zodra het gezamenlijke bedrag van de opgelegde administratieve sanctie, de daarop gevallen verhoging, de kosten van het aanbrengen en het verwijderen, alsmede de kosten van overbrenging en bewaring, vermeerderd met de voor de verkoop, de eigendomsoverdracht om niet of de vernie-tiging geraamde kosten, in verhouding tot de waarde van het voertuig naar zijn oordeel onevenredig hoog zou worden.

4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de overbrenging, bewaring, eigendomsoverdracht om niet, verkoop, vernietiging, de berekening van de kosten van overbrenging en bewaring, alsmede omtrent hetgeen verder voor de uitvoering van dit artikel noodzakelijk is."

2. Besluit buitengebruikstelling voertuigen

Artikel 3

"1. Het voertuig wordt door degene die met de feitelijke bewaring is belast teruggegeven aan de rechthebbende nadat de termijn van de buitengebruikstelling is verstreken dan wel nadat het overeenkomstig de artikelen 23, tweede lid, en 25 van de wet verhoogde bedrag is voldaan. In beide gevallen geschiedt de teruggave tegen betaling van de kosten van overbrenging en van de feitelijke duur van de bewaring.

2. Onder de kosten, bedoeld in het eerste lid, worden begrepen de feitelijk gemaakte kosten, met inbegrip van de kosten, verbonden aan de voorbereiding van de over-brenging."

Artikel 4

"1. Indien de officier van justitie gerechtigd is gebruik te maken van zijn bevoegdheid, bedoeld in artikel 29, derde lid, van de wet, om het voertuig om niet aan een derde in eigendom over te dragen, te verkopen of te vernietigen, zendt hij de rechthebbende een week voordien een kennisgeving betreffende zijn voornemen.

2. De opbrengst van de verkoop van het voertuig komt ten bate van de instantie die was belast met het doen overbrengen van het voertuig."

2008.12055

Publicatiedatum
Rapportnummer
2010/021