2009/293

Instantie: Beheerder regiopolitie Friesland

Klacht: In beslissing onvoldoende gemotiveerd waarom verzoekers klacht ongegrond is verklaard.
Oordeel: gegrond

Instantie: Regiopolitie Friesland

Klacht: Verzoekers dochter in woning lastig gevallen om haar te verhoren over een gebeurtenis bij verzoekers woning op de dag, terwijl zij een hersenbeschadiging heeft en niet gezien kon hebben wat zich voor verzoekers woning had afgespeeld.
Oordeel: niet gegrond

Verzoekers verdenken de buurvrouw van hun dochter er van allerlei afval en poep in hun tuin te gooien. Op een gegeven moment reed deze buurvrouw langs hun huis. Er ontstond een handgemeen. De politie nam de aangifte van de buurvrouw op in haar woning en bezocht daarna verzoekers dochter om te weten of zij iets van de achtergrond van deze zaak wist.

Verzoeker was erg boos over dit bezoek aan zijn dochter, die een hersenbeschadiging heeft. Hij vond dit een overval, omdat de politie zijn dochter had lastig gevallen. Zijn klacht hierover werd door de korpsbeheerder ongegrond verklaard.

De Nationale ombudsman oordeelde dat de politie uit een oogpunt van actieve informatieverwerving wel aan de dochter kon vragen of zij iets van het voorval wist. Dit gesprek was ook geen indringend verhoor geweest.

De tweede klacht betrof de motivering van de beslissing op de klacht door de korpsbeheerder. De korpsbeheerder vond het horen van de dochter, ondanks haar hersenbeschadiging, als getuige redelijk.

De Nationale ombudsman oordeelde dat dit oordeel inhoudelijk wel juist was, maar dat de motivering te kort schoot, omdat hier niet in staat waarom de politie dacht van de dochter meer informatie te kunnen krijgen en de hersenbeschadiging wel wordt genoemd, maar niet wordt uitgelegd waarom de korpsbeheerder het horen redelijk vond.

Verzoeker klaagt erover dat een ambtenaar van het regionale politiekorps Fryslân op 22 februari 2008 zijn dochter in haar woning heeft lastig gevallen om haar te verhoren over een gebeurtenis bij verzoekers woning op die dag, terwijl zij een hersenbeschadiging heeft en niet gezien kon hebben wat zich voor verzoekers woning had afgespeeld.

Ook klaagt verzoeker erover dat de korpsbeheerder in zijn beslissing van 19 maart 2009 onvoldoende heeft gemotiveerd waarom zijn klacht ongegrond is verklaard.

Beoordeling

Algemeen

Verzoeker en zijn echtgenote leven in onmin met een buurtgenote, mevrouw K. Zij verdenken K. ervan allerlei afval en poep in hun tuin te gooien, en ook van een aantal andere vervelende gebeurtenissen. Volgens verzoekers gaat K. gewoon door met haar kwalijke praktijken, en pakt de politie haar niet aan.

Mevrouw K. woont in de X-laan, niet ver van de straat waar verzoekers wonen. Naast K. woont de volwassen dochter van verzoekers.

Op 22 februari 2008 reed mevrouw K. met haar auto door de straat van verzoeker en zijn echtgenote. Haar twee minderjarige kinderen zaten in de auto. Verzoeker en zijn echtgenote hielden de auto tegen en zij gooiden met poep. Deze poep hadden zij in hun tuin aangetroffen, naast allerlei ander afval, waarvan zij dachten dat K. dit in hun tuin had gegooid.

Verzoeker trok de deur open van de auto. Volgens verzoeker kreeg hij een schop van de zoon van K. Volgens K. gaf verzoeker haar zoon een klap. Ook trok verzoekers echtgenote K. aan de haren. K. deed daarvan aangifte. Verzoekers echtgenote is later door de politierechter veroordeeld wegens mishandeling van K.

I. Ten aanzien van het benaderen van verzoekers dochter

Bevindingen

1. Betrokken ambtenaar B. nam op 22 februari 2008 in de woning van K. haar aangifte op. Vervolgens belde zij met twee stagiaires bij verzoekers dochter aan. Zij had eerder contact gehad met verzoekers dochter over de pesterijen van mevrouw K. B. wilde weten of verzoekers dochter wist wat de aanleiding was geweest van de ruzie, maar deze kon niets verklaren. Volgens B. was dit een informeel gesprek. Van dit gesprek is geen proces-verbaal opgemaakt. Daarna was op 10 maart 2008 een getuige gehoord en op 11 maart 2008 waren verzoekers gehoord als verdachte.

2. Verzoeker was erg boos over dit bezoek van de politie aan zijn dochter, die een hersenbeschadiging heeft. Hij vond dit een overval, omdat de politie zijn dochter had lastig gevallen. Bovendien had B. zich denigrerend over hem en zijn echtgenote uitgelaten. Verzoeker vond dat B. bij hem had moeten komen en niet bij zijn dochter, omdat hij zijn dochter wilde vrijwaren van de moeilijkheden met K. Daarom had hij iemand ingeschakeld om op zijn huis te passen, zodat zijn dochter dat niet hoefde te doen.

3. Verzoeker diende over het bezoek aan zijn dochter op 11 november 2008 via diverse brieven bij de Nationale ombudsman een klacht in bij de politie in Heerenveen.

4. Op 2 februari 2009 deed de teamchef van het team Heerenveen, mevrouw Do., de klacht af. Zij deelde verzoeker mee dat de groepschef van het team Heerenveen, de heer G., uit verzoekers brieven aan de Nationale ombudsman van 11 en 27 november 2008 en 4 december 2008 geen concrete nieuwe klacht was gebleken. Zijn klacht was al met hem besproken door G. en door haarzelf. Bovendien waren er maatregelen genomen. Daarom zag Do. geen aanleiding om de klacht in behandeling te nemen.

5. Verzoeker nam hier geen genoegen mee en wendde zich op 9 februari 2009 wederom tot de Nationale ombudsman. De Nationale ombudsman zond de klacht aan de korpsbeheerder. De korpsbeheerder nam de klacht in behandeling.

6. Op 11 maart 2009 bracht de klachtencommissie advies uit aan de korpsbeheerder.

In het advies van de klachtencommissie is over de hoorzitting van 11 maart 2009 onder meer het volgende opgenomen.

a. Verzoeker heeft verklaard dat hij en zijn echtgenote al anderhalf jaar worden getreiterd door een onbekende, die allerlei rommel in hun tuin gooit. De politie had hem geadviseerd om zoveel mogelijk informatie te verzamelen tot duidelijk was wie deze treiteraar was. Op 22 februari 2008 lag er weer veel troep in de tuin. Toen zij dit opruimden, zagen zij K. door de straat rijden. Zij vermoedden dat zij de dader was. Zij wilden met K. praten, maar het liep uit de hand. Er ontstond een vechtpartij. K. heeft aangifte gedaan en pakte de politie helemaal in, aldus verzoeker.

Verzoeker nam het de politie erg kwalijk dat zij zijn dochter hadden gehoord over het voorval, en ook dat zij tegen zijn dochter hadden gezegd dat verzoeker de zoon van K. tegen het hoofd had geschopt. Dit was volgens verzoeker helemaal niet waar. Ook bevatte het proces-verbaal dat tegen verzoekers echtgenote was opgemaakt allerlei onjuistheden, terwijl zij op de zitting niet in staat was geweest die te weerleggen.

b. B. heeft verklaard dat zij en twee stagiaires naar aanleiding van een melding van mishandeling naar de X-laan waren gegaan. Na het vaststellen van de situatie, waarvan foto's werden gemaakt, besloot zij enkele mogelijke getuigen, waaronder de dochter van verzoeker, te horen. Zij kende de dochter en dacht van haar meer informatie te krijgen, maar deze kon niets over het voorval vertellen. Zij had de dochter van verzoekers gevraagd of zij iets van het voorval had gezien. Hoewel zij wel had kunnen vaststellen wat er waarschijnlijk was gebeurd, besloot zij de vermoedelijke daders van de mishandeling niet aan te houden maar ze na het opnemen van de aangifte op het bureau te ontbieden.

c. Betrokken ambtenaar G. heeft verklaard dat hij overtuigd was van de juistheid van het proces-verbaal en de integriteit van de politiemedewerkers.

7. Het advies van de klachtencommissie luidde onder meer dat de politie bij het onderzoek ter plaatse correct heeft opgetreden en dat het horen van de dochter van klager, ondanks het feit dat zij een hersenbeschadiging heeft, als getuige redelijk was.

De korpsbeheerder nam in zijn beslissing van 19 maart 2009 dit advies onverkort over en verklaarde de klacht ongegrond.

8. Verzoeker was het hier niet mee eens, en legde de zaak voor aan de Nationale ombudsman. Hij gaf aan dat zijn dochter, die een kilometer verderop woonde, niet kon getuigen, omdat zij niet gezien kon hebben wat zich had afgespeeld. Hij vond dat de politie geen piëteit had getoond. B. wist heel goed dat zijn dochter een hersenbeschadiging had, want B. had zijn dochter eerder gesproken.

Hij had de zoon van K. met geen vinger aangeraakt, maar hij was zelf geschopt. Hij vond het niet juist dat hij daarvan geen aangifte kon doen.

Hij deelde desgevraagd telefonisch mee dat hij geen buurtbemiddeling wilde, omdat K. gek was. De politie moest haar aanpakken, niet hem. Ook deelde hij mee dat de politie de zaak verkeerd had aangepakt door K. te geloven.

9. De korpsbeheerder gaf in zijn reactie van 31 augustus 2009 (ontvangen op 22 september 2009) aan de Nationale ombudsman aan, dat verzoekers dochter was gehoord omdat zij mogelijk informatie kon geven over de mishandeling en/of de gevolgen daarvan. B. was niet bekend met de hersenbeschadiging van verzoekers dochter. Zij kende haar slechts ambtshalve. Deze dochter heeft geen relevante informatie kunnen geven.

Verzoeker en zijn echtgenote waren niet in de gelegenheid gesteld om aangifte te doen, omdat zij al als verdachte waren aangemerkt. Later heeft verzoeker op advies van de Nationale ombudsman alsnog verzocht om aangifte te doen. Hiervoor is toen een afspraak gemaakt.

De korpsbeheerder vond het horen van verzoekers dochter redelijk, omdat zij mogelijk informatie kon geven over wat er was gebeurd en/of de achtergronden daarvan.

10. De korpsbeheerder zond bij zijn reactie het proces-verbaal mee, en naderhand een aantal mutaties, waaruit blijkt dat in deze zaak sprake is van burenoverlast, en dat de wijkagent hiervan op de hoogte was.

11. B. gaf op 22 oktober 2009 het volgende antwoord op vragen van de Nationale ombudsman.

Op de vraag waarom zij dacht dat verzoekers dochter iets over de ruzie met K. kon vertellen, antwoordde zij dat zij reeds in een eerder contact had gesproken met de dochter van verzoeker naar aanleiding van een eerdere pesterij waarbij verzoeker en K. betrokken waren geweest. De dochter, buurvrouw van K., was de meldster geweest. Naar aanleiding van deze melding had B. een gesprek met haar gehad over de onenigheid tussen haar ouders, haarzelf en K.

Op 22 februari 2008 had B. ter plaatse de aangifte opgenomen. Omdat verzoekers dochter voor het raam stond, had B. besloten om een gesprek met haar aan te gaan. De intentie van B. was om globaal van verzoekers dochter te horen wat op dat moment de aanleiding zou kunnen zijn geweest van het treffen tussen verzoekers en K. De dochter had haar vriendelijk binnengelaten met de twee stagiaires en B. had een informeel gesprek met haar gehad. De dochter kon niets melden over het voorval. Daarom was geen verklaring van haar opgenomen. Het gesprek had in alle rust plaatsgevonden in de woonkamer van de dochter.

12. De groepschef, G., gaf op 22 oktober 2009 in antwoord op vragen van de Nationale ombudsman aan dat hij tegen verzoeker had gezegd dat verzoeker te hoge verwachtingen had van de politie en dat de politie in zaken van onenigheid met buren vaak niets anders rest dan te bemiddelen. In deze zaak was van het plegen van strafbare feiten niet gebleken. Verzoeker had K. daar altijd van beschuldigd, maar daar was geen bewijs voor. G. had dit ook tegen de klachtencommissie gezegd tijdens de hoorzitting. Verzoekers reactie was daarop geweest dat hij het met de gang van zaken niet eens was.

De teamchef, D., had in de brief van 2 februari 2009 geschreven dat maatregelen waren genomen naar aanleiding van verzoekers klacht. Dit waren: bemiddeling door buurtagent, doorverwijzing naar de officier van justitie en het opmaken van een proces-verbaal van mishandeling door verzoeker en zijn echtgenote.

13. Verzoeker deelde op 2 november 2009 onder meer het volgende telefonisch mee.

Hij vond dat de politie het onderzoek naar het voorval met mevrouw K. op 22 februari 2008 geheel fout had gevoerd. Ook had B. rond verteld dat zij K. hadden mishandeld. Hij vond dat daarmee sprake was van laster, zodat de politie hem schadevergoeding diende te betalen. Hij wilde gerechtigheid. Hem was onrecht aangedaan door de negatieve houding van de politie.

B. had gelogen over haar onderzoek. Zij was met groot machtsvertoon bij zijn dochter langs gegaan. Zij had allerlei vragen gesteld en was negatief over verzoekers geweest. Zijn dochter had hier niets mee te maken. Zijn dochter had meteen gezegd dat zij van niets wist en dat B. bij haar ouders moest zijn. Zijn dochter had last van K., daarom had hij tegen betaling een particulier ingehuurd om op het huis te passen, omdat K. steeds verhaal bij zijn dochter ging halen.

B. had niets van de situatie met K. begrepen. B. wist uiteraard wel van de hersenbeschadiging van zijn dochter, omdat die merkbaar was, maar dat deed eigenlijk niet ter zake, omdat zij niet bij zijn dochter binnen had mogen komen. Zij had daar niets te zoeken. De wijkagent wist van de situatie met K. B. had met de wijkagent moeten overleggen. De wijkagent had toegezegd dat hij een dossier van al het afval in de tuin zou aanleggen, maar B. had het afval in hun tuin en de last die zij hadden helemaal niet belangrijk gevonden. B. was volledig in het verhaal van K. getrapt.

B. was bij de klachtencommissie duidelijk door de mand gevallen, omdat zij geen antwoord kon geven op de vraag wat zij bij zijn dochter te zoeken had. Hij vond het jammer dat niemand dit door had. De politie had een grote misser gemaakt door K. te geloven en hen zonder meer als verdachte aan te merken. De politie hield K. de hand boven het hoofd.

14. Verzoeker gaf in reactie op het verslag van bevindingen onder meer het volgende aan. Tijdens het gesprek tussen betrokken ambtenaar B. en zijn dochter had B. gezegd dat verzoeker de zoon van K. een gat in zijn hoofd had geslagen en dat dit niet door de beugel kon. Zijn dochter wilde dat niet geloven. B. had het opgenomen voor K. en had zijn dochter overstuur gemaakt. Er was een vriendin van zijn dochter aanwezig geweest. De stagiaire had gezegd dat B. nu drie gezinnen overstuur had gemaakt. Het gesprek had duidelijk niet in alle rust plaatsgevonden.

15. Namens de korpsbeheerder werd hierop de reactie gegeven dat hij bij zijn eerdere lezing bleef dat de politie ter plaatse correct had opgetreden.

Beoordeling

16. Uit het onderzoek is de Nationale ombudsman van de volgende toedracht gebleken.

Verzoekers ontdekten op 22 februari 2008 rommel en viezigheid in hun tuin. Verzoekers meenden dat K. dit had gedaan. Op het moment dat K. in haar auto langs hun woning reed, hielden verzoekers K. tegen. Er ontstond een schermutseling tussen K. en verzoekers. K. schakelde direct de politie in. Deze kwam ter plaatse. Betrokken ambtenaar B. nam in de woning van K. de aangifte van K. op. Vervolgens is B. naar de buurvrouw van K., verzoekers dochter, gegaan. B. had verzoekers dochter voor het raam zien staan en had eerder met haar gesproken over een onenigheid tussen verzoekers en K. B. had de dochter informeel gesproken. Verzoekers dochter kon niets over het voorval verklaren. Hiervan was geen proces-verbaal opgemaakt. Op 10 maart 2008 werd een getuige gehoord en op 11 maart 2008 werden verzoekers als verdachte gehoord.

17. Het vereiste van actieve en adequate informatieverwerving houdt in dat overheidsinstanties bij de voorbereiding van hun handelingen de relevante informatie verwerven. Dit brengt mee dat politieambtenaren die naar aanleiding van een aangifte inlichtingen inwinnen binnen redelijke grenzen vragen kunnen stellen aan personen die nuttige informatie zouden kunnen verstrekken.

18. Het is de Nationale ombudsman niet duidelijk geworden waarom B. dacht dat verzoekers dochter mogelijk iets gezien had van de ruzie tussen haar ouders en haar buurvrouw K. De dochter was niet bij de ruzie op 22 februari 2008 aanwezig en deze ruzie vond plaats in een andere straat dan die waar de dochter in woonde. Wel is mogelijk dat B. dacht dat verzoekers dochter iets over de achtergrond van de ruzie kon vertellen. B. heeft immers in reactie op de klacht aan de Nationale ombudsman laten weten dat zij met verzoekers en hun dochter had gesproken over eerdere onenigheid tussen verzoekers en K.

19. Het was de taak van de politie om onderzoek te doen naar de toedracht van het voorval. Uit het oogpunt van informatieverwerving mocht de politie dan ook wel aan verzoekers dochter om informatie vragen. Uit het onderzoek van de Nationale ombudsman is niet gebleken dat B. haar bevoegdheden heeft overschreden. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat B. enige vrijheid heeft bij de inrichting van het onderzoek naar aanleiding van een aangifte. In dat kader kon B. inlichtingen inwinnen bij verzoekers dochter over de achtergrond van de ruzie. Bovendien is niet gebleken dat het gesprek met verzoekers dochter een indringend verhoor is geweest. Wel is opgevallen dat de beleving van dit gesprek bij B. een andere is geweest dan verzoeker naderhand heeft aangegeven.

De Nationale ombudsman heeft geen informatie gekregen over de beperkingen die de hersenbeschadiging meebracht voor het functioneren van de dochter. Daarom kan niet worden gezegd dat de hersenbeschadiging reden had moeten zijn voor B. om af te zien van een gesprek met verzoekers dochter. Wel wordt opgemerkt dat de professionaliteit hier met zich meebrengt dat B. alert moest zijn op mogelijke (cognitieve) beperkingen en gevoeligheden van verzoekers dochter, omdat haar ouders hierin betrokken waren.

De onderzochte gedraging is op dit punt behoorlijk.

20. Los van dit klachtonderdeel is de Nationale ombudsman het volgende opgevallen. De achtergrond van deze zaak is een lang slepende kwestie, waarbij verzoeker en zijn echtgenote mevrouw K. verdenken van allerlei kwalijke praktijken, en verzoeker vindt dat de politie mevrouw K. onvoldoende heeft aangepakt. Hij heeft echter zelf buurtbemiddeling afgewezen, terwijl dit een aangewezen weg zou zijn geweest in dit soort lang slepende kwesties. Wanneer sprake is van een aangifte neemt de politie die op en doet onderzoek, zoals hier is gebeurd naar aanleiding van de aangifte van K. Het was echter niet juist dat de politie om de enkele reden dat hij al was aangemerkt als verdachte, aanvankelijk alleen de aangifte van mevrouw K. heeft opgenomen en niet ook die van verzoeker. Het zijn van verdachte doet er immers niet aan af dat verzoeker ook slachtoffer kan zijn geweest. Hij heeft immers meteen tegen de politie gezegd dat hij tegen zijn hoofd is geschopt.

II. Ten aanzien van de motivering van de beslissing op de klacht

Bevindingen

1. Verzoeker klaagde erover dat de klachtencommissie haar oordeel over de klacht onvoldoende had gemotiveerd. Hij voerde hiervoor aan dat de klachtencommissie tijdens de hoorzitting aan B. had gevraagd wat zij bij verzoekers dochter te zoeken had, en dat B. daar geen antwoord op had kunnen geven. Hij vond in het advies niet terug dat de klachtencommissie zich tijdens de hoorzitting kritisch had opgesteld tegen B. Hij was zeer teleurgesteld in de beslissing op de klacht en vond dat de commissie de stukken niet had begrepen of dat bewust ten faveure van B. was beslist. Hij vond dat de politie de hand boven het hoofd werd gehouden.

2. Zoals hiervóór is vermeld onder 7., luidde het advies van de klachtencommissie dat het horen van de dochter van klager, ondanks het feit dat zij een hersenbeschadiging heeft, als getuige redelijk was. De korpsbeheerder heeft dit advies onverkort overgenomen zonder hier iets aan toe te voegen.

3. De korpsbeheerder liet de Nationale ombudsman als reactie op de klacht weten:

"De dochter van verzoeker werd gehoord, omdat zij mogelijk informatie kon geven over de mishandeling en/of de gevolgen daarvan"

en

"Het feit dat de commissie goede vragen heeft gesteld wil niet zeggen, dat daarmee de klacht gegrond wordt verklaard;

het horen van de dochter is redelijk, omdat zij mogelijk informatie kon verschaffen over het gebeuren en/of de achtergronden daarvan."

4. B. gaf op 22 oktober 2009 het volgende antwoord op een aantal vragen van de Nationale ombudsman.

Op de vraag wat B. had geantwoord op de vraag van de klachtencommissie over wat zij bij verzoekers dochter te zoeken had, verwees zij naar het advies van de klachtencommissie, waarin het verslag van de hoorzitting is opgenomen, hiervóór vermeld onder 7 b. Zij had naar eer en geweten alle vragen inhoudelijk beantwoord. Ditzelfde antwoord had zij eerder gegeven aan haar teamchef D., aldus B.

Beoordeling

5. Het motiveringsvereiste houdt in dat het handelen van overheidsinstanties feitelijk en logisch wordt gedragen door een kenbare motivering. Dit geldt onverkort ook voor de klachtbehandeling. Als een korpsbeheerder het advies van de klachtencommissie overneemt, moet dit advies en als gevolg daarvan ook de beslissing van de korpsbeheerder logisch en begrijpelijk zijn onderbouwd.

6. Verzoeker klaagt erover dat de beslissing op zijn klacht onvoldoende is gemotiveerd. De beslissing wijkt volgens hem af van hetgeen tijdens de hoorzitting is gezegd. De klachtencommissie had volgens hem zijn twijfels over het bezoek van B. aan zijn dochter.

7. In het advies van de klachtencommissie staat als verklaring van B., tijdens de hoorzitting, voor het bezoek aan verzoekers dochter, dat zij deze dochter kende en dacht van haar meer informatie te krijgen. Het advies van de klachtencommissie luidde dat het horen van de dochter van klager, ondanks het feit dat zij een hersenbeschadiging heeft, als getuige redelijk was.

8. Zoals uit het oordeel over het eerste klachtonderdeel blijkt, mocht B. wel aan verzoekers dochter om informatie vragen. Op zichzelf is het oordeel van de korpsbeheerder dan ook juist. De klachtencommissie heeft echter dit gemotiveerd op een wijze die onvoldoende inzicht in haar gedachtengang geeft. De hersenbeschadiging is wel genoemd, maar de klachtencommissie geeft niet aan welk belang hier aan is gehecht. Verder geeft dit advies geen antwoord op de vraag waarom B. dacht van verzoekers dochter meer informatie te krijgen over de ruzie tussen verzoekers en K. Evenmin blijkt het antwoord op deze vragen uit het verslag van de hoorzitting. De korpsbeheerder heeft dit advies onverkort overgenomen, zonder hier iets aan toe te voegen. De motivering van de beslissing op de klacht schiet daarmee te kort. Niet is voldaan aan het vereiste dat de beslissing feitelijk en logisch wordt gedragen door een kenbare motivering.

De onderzochte gedraging is op dit punt niet behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van (de beheerder van) het regionale politiekorps Fryslân is:

- gegrond, ten aanzien van:

de motivering van de beslissing op de klacht, wegens schending van het motiveringsvereiste;

- niet gegrond ten aanzien van:

het benaderen van verzoekers dochter.

Onderzoek

Op 10 februari 2009 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer H. te Heerenveen, met een klacht over een gedraging van het regionale politiekorps Fryslân

Naar deze gedraging, die wordt aangemerkt als een gedraging van de beheerder van het regionale politiekorps Fryslân (de burgemeester van Leeuwarden), werd een onderzoek ingesteld.

In het kader van het onderzoek werd de beheerder van het regionale politiekorps Fryslân verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben.

In het kader van het onderzoek werd betrokkenen verzocht op de bevindingen te reageren.

Daarnaast werd de betrokken ambtenaren de gelegenheid geboden om commentaar op de klacht te geven, en tevens werd hun een aantal specifieke vragen gesteld.

Tijdens het onderzoek kregen de beheerder van het regionale politiekorps Fryslân en verzoeker de gelegenheid op de door ieder van hen verstrekte inlichtingen te reageren.

Vervolgens werd verzoeker in de gelegenheid gesteld op de verstrekte inlichtingen te reageren.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen.

Betrokken ambtenaren B. en G. deelden mee zich met de inhoud van het verslag te kunnen verenigen.

De reactie van verzoeker gaf aanleiding het verslag aan te vullen.

Informatieoverzicht

De bevindingen van het onderzoek zijn gebaseerd op de volgende informatie:

proces-verbaal van de politie Fryslân over gebeurtenissen op 22 februari 2008 en diverse mutaties;

brieven van verzoeker aan de Nationale ombudsman van 11 en 27 november 2008, 4 december 2008, 9 en 17 februari 2009, 31 maart 2009;

beslissing van de korpsbeheerder op de klacht van 19 maart 2009 met als bijlage het advies van de klachtencommissie van 11 maart 2009;

brieven van de Nattonale ombudsman aan de korpsbeheerder en verzoeker van 2 juli 2009;

brief van de korpsbeheerder aan de Nationale ombudsman van 31 augustus 2009;

diverse e-mailberichten.

Bevindingen

Zie onder Beoordeling.

Achtergrond

Publicatiedatum
Rapportnummer
2009/293