2009/289

Instantie: Regiopolitie Amsterdam-Amstelland

Klacht: Verzoek afgewezen om door een arts te worden bezocht; tijdens verhoor geen medicijnen aan verzoeker verstrekt, ondanks herhaaldelijke verzoeken; ondanks afspraak niet bekend gemaakt bij andere politieambtenaren dat als verzoeker last zou krijgen van zijn hart hij meteen naar het ziekenhuis zou worden overgebracht; verklaard tegenover andere politieambtenaar dat hij contact heeft gehad met de GGD-arts over het mogen verstrekken van medicijnen, terwijl dit volgens verzoeker niet het geval was; verklaard dat er tegen verzoeker is gezegd dat de komst van een arts naar het politiebureau geen meerwaarde zou hebben, terwijl tegenover de klachtencommissie is verklaard dat het verzoeker was die dit zou hebben gezegd.
Oordeel: gegrond

Verzoeker is hartpatiënt. Hij werd om 6:30 uur aangehouden in de woning van zijn partner en overgebracht naar het politiebureau. Daar moest hij zijn meegebrachte medicijnen afgeven. Na zijn voorgeleiding werd hij overgebracht naar het cellencomplex waar hij werd verhoord. Tijdens het verhoor vroeg hij diverse keren om zijn medicijnen te mogen innemen. Hij kreeg steeds te horen dat dit pas mocht na toestemming van een arts van de GGD. Verzoeker mocht om 11:00 uur zijn medicijnen innemen. Toen verzoeker later op de dag onwel werd, is hij naar het ziekenhuis afgevoerd.

Verzoeker klaagde er onder meer over dat hij niet is bezocht door een arts, terwijl hij hier wel om had gevraagd. De Ambtsinstructie schrijft voor dat een arts wordt geraadpleegd als er medicijnen worden aangetroffen op de arrestant of wanneer deze om een arts vraagt. In dit geval was toestemming verleend door een verpleegkundige van de GGD om de medicatie toe te dienen en was deze 's middags nog kort bij verzoeker langs geweest. Hiermee werd gevolg gegeven aan het bij dit korps geldende Dienstvoorschrift. Volgens de politieambtenaren had verzoeker (tijdens het verhoor) niet om de komst van een arts verzocht. Nadat hij zijn medicijnen had gekregen, was er volgens hen ook geen noodzaak meer om een arts te laten komen. Bovendien had verzoeker tijdens het verhoor aangegeven dat het goed met hem ging. Ondanks dat is de Nationale ombudsman van oordeel dat een arts had moeten komen. Nu dat was nagelaten is er gehandeld in strijd met het vereiste van bijzondere zorg. De Nationale ombudsman deed de korpsbeheerder de aanbeveling het Dienstvoorschrift nog eens na te zien op aansluiting bij de Ambtsinstructie.

Verzoekers tweede klacht betrof het verstrekken van de medicijnen. Verzoeker verzocht tijdens zijn verhoor diverse keren om zijn medicijnen. Nadat de voice-mail van de verpleegkundige van de GGD een aantal keren was ingesproken, nam iemand van het cellencomplex contact op met de meldkamer van de GGD, waarna de toestemming alsnog door de verpleegkundige werd gegeven. De Nationale ombudsman was van oordeel dat het te lang had geduurd voordat verzoeker zijn medicijnen mocht innemen. Door pas op een later tijdstip naar andere wegen te zoeken om toestemming te verkrijgen, had de politie tijd verloren laten gaan, die voor medicijngebruikende arrestanten essentieel kan zijn. Er was gehandeld in strijd met het vereiste van bijzondere zorg.

Een derde klacht betrof het overbrengen naar het ziekenhuis. Er zou een afspraak tussen verzoeker en de hulpofficier van justitie zijn gemaakt dat als verzoeker onwel zou worden, hij naar het ziekenhuis vervoerd zou worden. Deze afspraak bleek niet bij iedereen in het cellencomplex bekend te zijn. Een van de verhorende ambtenaren was er wel van op de hoogte. Of deze informatie van de hulpofficier afkomstig was kon de Nationale ombudsman niet met zekerheid vaststellen, omdat hierover niets was vastgelegd. De Nationale ombudsman zag echter voldoende aanwijzingen om te kunnen oordelen dat er was tekortgeschoten in de informatieverstrekking tussen de diverse onderdelen van de politie. Hiermee was gehandeld in strijd met het vereiste van professionaliteit.

Twee andere klachten betroffen uitspraken van een politieambtenaar.

Verzoeker is op 17 april 2007 aangehouden door ambtenaren van het regionale politiekorps Amsterdam-Amstelland.

Verzoeker klaagt erover dat zijn verzoek, later op de dag, om door een arts bezocht te worden, is afgewezen. Pas toen verzoeker onwel werd, heeft de politie een ambulance gebeld en is hij in het ziekenhuis opgenomen.

Tevens klaagt verzoeker erover dat tijdens zijn verhoor op 17 april 2007 zijn medicijnen niet, dan wel niet tijdig zijn verstrekt, ondanks dat verzoeker daar herhaalde keren om heeft verzocht.

Verzoeker klaagt er eveneens over dat de afspraak die politieambtenaar J. met hem zou hebben gemaakt, dat als verzoeker last zou krijgen van zijn hart hij meteen naar het ziekenhuis zou worden overgebracht, niet bekend was bij de andere politieambtenaren op het moment dat hij om een arts vroeg.

Verzoeker klaagt er voorts over dat politieambtenaar J. tegenover politieambtenaar U. heeft verklaard dat hij contact had gehad met de GGD-arts over het mogen verstrekken van medicijnen, terwijl dit volgens verzoeker niet het geval is.

Tot slot klaagt verzoeker erover dat politieambtenaar J. tijdens de interne klachtbehandeling tegenover politieambtenaar U. heeft verklaard dat hij tegen verzoeker zou hebben gezegd dat de komst van een arts naar het politiebureau geen meerwaarde zou hebben, terwijl hij tegenover de klachtencommissie heeft verklaard dat het verzoeker was die dit zou hebben gezegd.

Beoordeling

Algemeen

Verzoeker is op 17 april 2007 om 6:30 uur in de woning van zijn partner aangehouden door ambtenaren van het regionale politiekorps Amsterdam-Amstelland. Verzoeker is overgebracht naar politiebureau Meer en Vaart in Amsterdam ter voorgeleiding aan de hulpofficier van justitie. Daar zijn de door verzoeker meegebrachte medicijnen die hij in verband met hartproblemen voorgeschreven heeft gekregen, door de politie ingenomen. Vervolgens is verzoeker om 7:30 uur overgebracht naar het cellencomplex Zuid-Oost. Verzoeker heeft bij beide gelegenheden verzocht om zijn medicijnen te mogen innemen. Beide keren is gezegd dat hij eerst door een arts gezien zou moeten worden. Uiteindelijk heeft verzoeker om 11:00 uur zijn medicijnen mogen innemen, zonder arts gezien te hebben.

Om 17:00 uur werd verzoeker, na verhoor, teruggebracht naar zijn cel. Hij was tot dat moment nog niet onderzocht door een arts. Verzoeker verzocht, naar eigen zeggen wederom, om een arts, maar deze verscheen niet. Om 18:20 uur werd verzoeker onwel en is hij met een ambulance overgebracht naar het ziekenhuis. De volgende dag is verzoeker ontslagen uit het ziekenhuis. Sindsdien moet hij naar eigen zeggen extra medicijnen slikken.

Verzoeker klaagde er bij de korpsbeheerder in zijn brief van 23 mei 2007 over dat de politie zeer onzorgvuldig was omgegaan met zijn hartproblematiek. Hierdoor was in zijn ogen een onverantwoord risico genomen. De korpsbeheerder achtte op 10 september 2008 de klacht deels ongegrond (over het optreden van de politie met betrekking tot medicijngebruik en artsbezoek) en deels gegrond (over de ontoereikende registratie hiervan in het politieregistratiesysteem).

Met het oordeel van de korpsbeheerder was verzoeker het niet eens, waarna hij zich op 22 september 2008 tot de Nationale ombudsman wendde.

I. Ten aanzien van het verstrekken van medicijnen, het verzoek door een arts bezocht te mogen worden en de afspraak bij lichamelijke klachten naar het ziekenhuis overgebracht te zullen worden

Bevindingen

1. Verzoeker werd op 17 april 2007, na om 6:30 uur te zijn aangehouden, op politiebureau Meer en Vaart voorgeleid aan hulpofficier van justitie J. Verzoeker bracht in dat gesprek naar voren dat hij hartpatiënt is en dat hij zijn meegebrachte medicijnen (tijdig) moest slikken. J. vertelde hem dat de medicijnen door de politie zouden worden ingenomen. Pas als hij door een arts was gezien zou hij deze tot zich mogen nemen. Dat was zo geregeld in het protocol (zie Achtergrond, onder 1. en 2.), zou J. volgens verzoeker hebben gezegd. Die arts zou niet naar bureau Meer en Vaart komen, maar naar het cellencomplex Zuid-Oost waar verzoeker naartoe zou worden overgebracht. Er werd volgens verzoeker niet gesproken over vervoer naar het ziekenhuis op het moment dat hij zich onwel zou voelen.

Verzoeker werd vervolgens overgebracht naar het cellencomplex Zuid-Oost. Daar vroeg hij nogmaals om zijn medicijnen te mogen innemen. Ook hier kreeg verzoeker van politieambtenaren S. en Sc. te horen dat hij eerst door een arts gezien moest worden. Er zou volgens de arrestantenverzorger een arts zijn gebeld en onderweg zijn naar het cellencomplex. Over eventueel vervoer naar het ziekenhuis werd niets gezegd, aldus verzoeker.

Tijdens het verhoor vroeg verzoeker diverse keren om zijn medicijnen te mogen innemen. Hij kreeg van politieambtenaren S. en Sc. telkens te horen dat zij daar niets over te zeggen hadden. Zij moesten zich houden aan de regels van het cellencomplex, waar zij ruimte hadden gehuurd voor het verhoor. Verzoeker viel onder de discipline van het cellencomplex. Maar, er zou een arts onderweg zijn. De politieambtenaren hebben wel een keer of vier, telefonisch of in persoon, bij de balie geïnformeerd hoe het zat met de medicijnen, aldus verzoeker.

Toen verzoeker rond 11:00 uur zijn medicijnen (die hij bij het ontbijt had moeten innemen) nog niet had gekregen, weigerde hij nog langer aan het verhoor mee te werken. De politieambtenaren waren daar niet gelukkig mee, omdat verzoeker niets meer wilde zeggen totdat hij zijn medicijnen had gekregen, aldus verzoeker. Dit leidde ertoe dat de arrestantenverzorger telefonisch contact met de GGD heeft gezocht. Na een kwartier liet hij weten dat er toestemming was verleend en mocht verzoeker zijn medicatie tot zich nemen. Hiermee was volgens verzoeker afgeweken van het protocol, omdat hij niet door een arts was bezocht en toch zijn medicijnen mocht nemen.

Om 12:00 uur was verzoeker in gesprek met zijn advocaat. Een verpleegkundige van de GGD kwam rond 12:15 uur even vragen of het gelukt was met de medicijnen. Hij vertelde dat hij telefonisch toestemming had verleend. Hij voegde daaraan toe dat als er weer problemen waren, hij wel gebeld zou worden. Het was een kort gesprek, aldus verzoeker. Ongeveer twee minuten. Hij vroeg niet aan verzoeker hoe hij zich voelde, het was geen consult.

Het verhoor werd om 13:15 uur hervat. Om 16:00 uur kwam de arrestantenverzorger met medicijnen binnen. Verzoeker heeft toen geweigerd deze te nemen. Er zat in zijn ogen veel te weinig tijd tussen de vorige inname en deze. Dit zou niet goed zijn voor zijn gezondheid. Pas bij het avondeten zou hij deze weer kunnen innemen.

Het verhoor werd om 17:00 uur gestaakt om de volgende dag te worden voortgezet. Verzoeker werd door S. en Sc. naar zijn cel teruggebracht. Hij vroeg aan hen wanneer de arts nu zou komen. Zij adviseerden hem dat via de intercom na te vragen. Daarom had hij rond 17:30 uur via de intercom om een arts verzocht. Hij kreeg te horen dat over een bezoek door een arts niets bekend was. Verzoeker is toen boos geworden. Hij vertelde dat hij de hele dag te horen had gekregen dat er een arts onderweg zou zijn en dat hij nu te horen kreeg dat daarover helemaal niets bekend was. De arrestantenverzorger zou het voor verzoeker gaan uitzoeken.

Verzoeker voelde zich toen hij in zijn cel zat niet lekker, hij had pijn op de borst en pijn in de rechterarm en kaak. Hij meldde dit via de intercom. Er werd gedacht dat het een gebrek aan frisse lucht zou zijn. Daarom mocht verzoeker tien minuten luchten op de binnenplaats. Dit was rond 18:20 uur. Daarna voelde verzoeker zich nog niet goed. Omdat verzoeker zich steeds slechter ging voelen, verzocht hij om een ambulance te bellen. Deze is toen ter plaatse gekomen. Er werd vastgesteld dat de bloeddruk veel te hoog was en het hartritme veel te laag. In eerste instantie werd besloten dat twee politieambtenaren met verzoeker mee zouden gaan. Hiervan is na protest door verzoeker afgezien. Verzoeker is opgenomen in het ziekenhuis en behandeld. De volgende dag mocht verzoeker weer gaan.

Verzoeker klaagt erover dat tijdens zijn verhoor zijn medicijnen niet, dan wel niet tijdig zijn verstrekt, ondanks dat hij daar herhaalde keren om heeft verzocht. Ook klaagt verzoeker erover dat hij meerdere keren om een arts heeft verzocht, maar dat deze niet is langsgekomen. Tevens klaagt hij erover dat de medewerkers van het cellencomplex, op het moment dat hij meldde dat hij zich niet goed voelde, niet van de afspraak, die J. stelde gemaakt te hebben, op de hoogte waren dat hij in dat geval meteen naar het ziekenhuis zou worden overgebracht.

2. In de rapportage die politieambtenaar U. op 22 februari 2008 had opgemaakt in het kader van de klachtbehandeling bij de politie staat te lezen dat verzoeker zich zorgen maakte over de communicatie tussen de collega's van het cellencomplex en het politiebureau, omdat hij telkens weer zijn verhaal moest doen. De heer J. had tegenover haar verklaard dat hij tegen verzoeker had gezegd dat hij meteen naar het ziekenhuis zou worden overgebracht als hij last van zijn hart zou krijgen.

In het registratiesysteem was volgens U. wel terug te vinden dat uiteindelijk toestemming was gegeven om de medicijnen aan verzoeker te verstrekken, maar de afspraken die met verzoeker waren gemaakt, waren niet als zodanig in het systeem opgenomen.

3. In de interne klachtprocedure bij de politie vond op 18 juni 2008 een hoorzitting plaats van de Commissie voor de Politieklachten Amsterdam-Amstelland (verder: klachtencommissie). Op deze hoorzitting waren politieambtenaren S. en U. aanwezig. Hieronder wordt weergegeven wat zij beiden hebben verklaard.

3.1. S. verklaarde dat alvorens verzoeker werd aangehouden in het team uitvoerig overleg had plaatsgevonden over de hartproblemen van verzoeker. Deze waren bij de politie bekend. Afgesproken werd dat indien er problemen zouden zijn, verzoeker direct naar het ziekenhuis zou worden overgebracht.

S. verklaarde voorts dat verzoeker ongeveer een half uur op bureau Meer en Vaart was geweest, enkel ter voorgeleiding aan de hulpofficier van justitie. Hij was bij die voorgeleiding niet aanwezig geweest, dus hij kon niets vertellen over wat J. en verzoeker hadden afgesproken over de medicatie. S. gaf aan dat J. geen mededelingen had gedaan over contact met een arts dan wel toestemming over het verstrekken van medicijnen aan verzoeker.

Vervolgens had S. samen met zijn collega Sc. verzoeker rond 7:30 uur overgebracht naar het cellencomplex Zuid-Oost. Zij hadden verzoeker steeds verteld dat als hij zich niet goed zou voelen, hij direct naar het ziekenhuis zou worden overgebracht.

S. verklaarde voorts dat hij tijdens het verhoor in het cellencomplex verzoeker regelmatig had gevraagd naar zijn klachten. Verzoeker had wel om zijn medicijnen gevraagd, maar had niet aangegeven dat het niet goed met hem ging. S. had meerdere keren aan zijn collega's gevraagd of er al contact was geweest met een arts. Het antwoord daarop bleef uit, aldus S. Hij kon zich niet herinneren wanneer er een arts was gebeld. Het protocol (zie Achtergrond) schrijft voor dat medicatie pas mag worden gegeven nadat een arts is geraadpleegd. Dit kan soms erg lang duren, vertelde S., omdat een GGD-arts een ronde maakt langs de verschillende cellencomplexen.

S. verklaarde nog dat verzoeker tot 11:00 uur was verhoord en dat verzoeker toen had verzocht om zijn medicijnen. Het verhoor was gestaakt en verzoeker had zijn medicijnen gekregen, aldus S. Daarna was het verhoor verder gegaan tot 18:00 uur. Aan verzoeker was verschillende keren gevraagd hoe het met hem ging. Verzoeker antwoordde dat het geestelijk goed met hem ging, maar lichamelijk minder. Hij had het warm, maar hij had op dat moment geen last van zijn hart en had geen pijn. Om 18:30 uur was verzoeker onwel geworden, aldus S.

3.2. Mevrouw U. verklaarde dat zij met J. had gesproken over de klacht van verzoeker. . had tegenover haar verklaard dat hij op bureau Meer en Vaart contact had gezocht met een GGD-arts en dat deze toestemming had gegeven om medicatie aan verzoeker te laten verstrekken. Omdat verzoekers lezing hier lijnrecht tegenover stond, had zij J. meerdere keren gevraagd deze discrepantie uit te leggen, maar J. bleef bij zijn verklaring, aldus U.

De voorzitter van de klachtencommissie merkte op dat J. geen registratie had gemaakt van het telefoongesprek met de GGD-arts. Op die manier was niet na te gaan of dit contact er was geweest.

De voorzitter wilde vervolgens weten wie degene is die een arts belt. Het antwoord daarop was dat dat de beslisser van dienst is. Dat was in dit geval tot 15:00 uur mevrouw N. geweest. Daarna was de dienst overgenomen door Su. Zowel N. als Su. kon zich niets meer herinneren van het voorval, aldus U.

Uit de logging van 10:43 uur bleek dat de meldkamer overleg met de GGD had gehad. S. en U. gaven de uitleg dat hieruit slechts bleek dat een verpleegkundige de medicijnlijst had samengesteld. Het wilde niet zeggen dat verzoeker de verpleegkundige had gezien, of dat er overleg was geweest over het medicijngebruik van verzoeker.

4. Vervolgens stelde de klachtencommissie een advies op voor de korpsbeheerder. In dit advies van 16 juli 2008 staat te lezen dat de politie in overeenstemming met het daartoe bestaande protocol een arts had geraadpleegd alvorens de medicatie aan verzoeker was verstrekt. Kort daarna had verzoeker zijn medicijnen gekregen. De klachtencommissie achtte het handelen van de politie niet onbehoorlijk. Ook was de klachtencommissie van mening dat politieambtenaar J. in hun ogen bekend was met de gezondheidsklachten van verzoeker en dat overbrengen van verzoeker naar het ziekenhuis het belangrijkste zou zijn in geval verzoeker onwel zou worden. In zoverre was het optreden van J. in hun ogen niet onbehoorlijk. Wel achtte de klachtencommissie het niet behoorlijk dat J. deze informatie niet in het registratiesysteem had opgenomen. De korpsbeheerder nam dit advies van de klachtencommissie over.

5.1. De korpsbeheerder reageerde op 31 maart 2009 op de door de Nationale ombudsman voorgelegde klacht. Hij schreef ten aanzien van de klacht over het niet tijdig verstrekken van medicijnen het volgende. Er was meerdere keren tevergeefs contact gezocht met de verpleegkundige over de medicatie. Wel was de voice-mail ingesproken, maar daar was geen reactie op gekomen. Vandaar dat er om 10:43 uur met de meldkamer van de GGD contact was opgenomen. Om 11:00 uur waren de medicijnen verstrekt. De korpsbeheerder schreef dat het feit dat het enige tijd had geduurd voordat toestemming van de GGD kon worden verkregen om de medicijnen te verstrekken, de politie niet te verwijten viel.

Ten aanzien van de klacht over het artsbezoek sloot de korpsbeheerder aan bij zijn eerdere oordeel op basis van het advies van de klachtencommissie. Hij schreef dat verzoeker in eerste instantie wel om zijn medicijnen, maar niet om een arts had verzocht. Later heeft verzoeker om een arts verzocht, waarna hij korte tijd later onwel is geworden. Aangezien verzoeker naar aanleiding daarvan door een ambulance naar het ziekenhuis was overgebracht, was hij niet meer door een arts bezocht. Verzoeker was overigens wel door een verpleegkundige bezocht, aldus de korpsbeheerder. Hij acht het niet onbehoorlijk dat verzoeker niet door een arts was bezocht.

Over de derde klacht, over de onbekendheid van politieambtenaren van het cellencomplex met de afspraak die verzoeker met J. zou hebben gemaakt over overbrenging naar het ziekenhuis, stelde de korpsbeheerder het volgende. In haar advies had de klachtencommissie vastgesteld dat informatie over verzoekers gezondheidsklachten niet in de politiesystemen was geregistreerd. Dat verzuim had hij destijds onbehoorlijk geacht. Hij achtte het, met het oog op dit verzuim, aannemelijk dat voornoemde afspraak niet bij de dienstdoende ambtenaren in het cellencomplex Zuid-Oost bekend was. De korpsbeheerder achtte het wel aannemelijk dat J. deze afspraak met verzoeker had gemaakt.

5.2. Uit de door de korpsbeheerder meegestuurde reacties van de betrokken ambtenaren op de klacht bleek dat volgens politieambtenaar Jo. in de logging van het cellencomplex niet stond vermeld dat verzoeker om een arts zou hebben gevraagd.

5.3. Uit een rapport van politieambtenaar N. van 8 maart 2009 is op te maken dat de verpleegkundige D. om 13:54 uur een medicatielijst had uitgezet. Ook bleek hieruit dat haar collega's haar geen bijzonderheden of afspraken met betrekking tot verzoeker hadden meegedeeld.

5.4. Politieambtenaar J. schreef op 4 februari 2009 dat verzoeker hem bij de voorgeleiding had verteld dat hij last had van zijn hart en dat hij dan onmiddellijk overgebracht diende te worden naar het ziekenhuis, waar hij onder medische behandeling stond. J. had toen aangegeven dat er een arts van de GGD gewaarschuwd zou worden en dat deze verzoeker zou bezoeken in verband met zijn hartklachten. Hij gaf aan dat hij in gebreke was gebleven bij het vastleggen in het systeem van het door hem gevolgde medische traject.

5.5. In de logging in het registratiesysteem van 17 april 2007 staat dat verzoeker hartklachten heeft en dat hij medicijnen bij zich heeft. Deze waren door de verpleegkundige nog niet uitgezet. De voice-mail van de verpleegkundige was meerdere keren ingesproken, maar daar kwam geen reactie op. Toen was er met de meldkamer van de GGD gebeld. Die ochtend had verzoeker pillen mogen slikken. Als de verpleegkundige kwam, moest de medicatie nog worden uitgezet. Deze is blijkens een andere mutatie om 13:54 uur uitgezet.

Uit een andere mutatie bleek dat er om 10:43 uur contact was geweest met de GGD. In overleg met de meldkamer van de GGD was doorverbonden met een arts. In overleg met hem waren medicijnen verstrekt.

6. In het kader van het onderzoek nam een medewerkster van Bureau Nationale ombudsman op 5 oktober 2009 contact op met de GGD, ten einde verpleegkundige D. te spreken te krijgen. In verband met langdurige afwezigheid bleek dit niet mogelijk te zijn. Daarop sprak zij met een collega van hem. Zij vertelde dat er in het systeem van de GGD drie loggings bestonden met betrekking tot verzoeker.

De eerste was van 17 april 2007 om 14:15 uur. Deze was gemaakt door verpleegkundige D. Hierin stond dat verzoeker was aangemeld met medicatie. Er was geadviseerd de medicatie uit de fouillering te verstrekken.

De andere twee loggings waren van 18 april 2007, opgemaakt door twee andere verpleegkundigen. Beiden hadden verzoeker niet aangetroffen, omdat deze nog in het ziekenhuis zou verblijven.

De medewerkster verklaarde dat alle contacten in het systeem geregistreerd behoren te worden. Er kwam uit het systeem niets naar voren over eerdere of andere contacten tussen de politie en de GGD. Niets over een eventueel contact vroeg op de ochtend van 17 april 2007 (door de hulpofficier van justitie) of over een contact later op de ochtend (door een medewerker van het cellencomplex).

Zij lichtte toe dat er iedere dag een ronde wordt gemaakt door een verpleegkundige langs de drie cellencomplexen (het hoofdbureau van politie, Noord-West en Zuid-Oost). Als de toestand van de arrestant daarom vraagt, neemt de verpleegkundige contact op met een arts. Het is niet gebruikelijk dat een arts deze ronde maakt. Wordt er contact gelegd met een arts, dan wordt dit in een logging vermeld.

De cellencomplexen kunnen de GGD op een speciaal telefoonnummer bereiken. Na kantooruren en in het geval op dat vaste nummer geen gehoor wordt gevonden, kan contact worden opgenomen met de meldkamer. Er bleek in dit geval niets van inkomende telefoongesprekkenbij de meldkamer uit het loggingsysteem.

7. Op 5 oktober legde politieambtenaar J. een telefonische verklaring af tegenover een medewerkster van Bureau Nationale ombudsman. Hij verklaarde dat hij zich niet kon herinneren dat tijdens een van de voorbesprekingen of briefings van het opsporingsonderzoek de gezondheidstoestand van verzoeker ter sprake was gekomen. Wellicht was dit gebeurd op een dag dat hij er niet bij aanwezig was.

Hij vertelde voorts dat hij tijdens de voorgeleiding met verzoeker over zijn gezondheidstoestand had gesproken. Hij had toen voorgesteld een arts te laten komen, maar verzoeker vond dat niet nodig. Op dat moment had hij geen klachten en een arts zou op dat moment niets kunnen vinden. Als hij zijn medicijnen maar op tijd zou krijgen, dan ging het goed. Daarop had J. aan verzoeker voorgesteld dat hij telefonisch contact met de GGD zou opnemen, zodat een arts aldaar contact met het ziekenhuis zou kunnen leggen. Deze zou dan kunnen controleren of verzoeker daar onder behandeling stond en kunnen beslissen of aan verzoeker medicatie mocht worden verstrekt. Verzoeker had niet aangegeven dat hij hiermee niet akkoord ging. Anders had hij die arts toch laten komen. Tijdens de voorgeleiding had verzoeker absoluut niet om een arts gevraagd, wist J. zich te herinneren. Wel had hij gesproken over zijn medicijnen. Daarvoor had J. contact gelegd met de GGD.

J. verklaarde dat hij met verzoeker de afspraak had gemaakt dat zodra verzoeker last zou krijgen van medisch falen er onmiddellijk een ambulance gewaarschuwd zou worden en dat verzoeker naar het ziekenhuis zou worden overgebracht. Dit had hij ook aan S. en Sc. doorgegeven. Het bleek uit het proces-verbaal ook dat zij tijdens het verhoor regelmatig naar de gezondheidstoestand van verzoeker hadden gevraagd. Dit zouden zij niet hebben gedaan als zij er niet over hadden gesproken, aldus J.

Ook vertelde J. over de procedure met betrekking tot het verstrekken van medicijnen aan een arrestant. Vaak vindt er een telefonisch consult plaats met de GGD als iemand er niet ziek uitziet. Dan wordt het ziektebeeld beschreven. De ene arts zal besluiten toch eerst zelf langs te komen, de ander neemt op basis van de verstrekte informatie een beslissing over de te zetten stappen, zoals het verstrekken van medicijnen.

Hij gaf aan het jammer te vinden dat hij de medische bijzonderheden niet had opgenomen in het registratiesysteem. Voor het overige had hij naar eer en geweten gehandeld en had hij de juiste beslissingen genomen met het oog op de gezondheid van verzoeker.

8. Op 7 oktober 2009 legde politieambtenaar S. een telefonische verklaring af tegenover een medewerkster van Bureau Nationale ombudsman. Hij verklaarde dat voorafgaand aan de aanhouding tijdens een van de briefings ter sprake was gekomen dat verzoeker hartproblemen heeft. Hij kon zich niet herinneren wie van het onderzoeksteam daarbij aanwezig was geweest. De afspraak die tijdens die briefing was gemaakt, was dat als verzoeker last zou krijgen van zijn hart, hij direct naar het ziekenhuis zou worden overgebracht. Tijdens en na de aanhouding hadden hij en zijn collega Sc. de hele dag rekening gehouden met verzoekers medische gesteldheid.

S. verklaarde niet bij de voorgeleiding voor J. aanwezig te zijn geweest. Hij had dus niets van eventuele afspraken meegekregen, maar ook daarna had hij met J. niet meer over de medische gesteldheid van verzoeker gesproken.

Voor het verhoor had S. aan verzoeker uitgelegd dat het regime van het cellencomplex gold, wat inhield dat hij zijn medicijnen pas na komst van een arts mocht innemen. Tijdens het verhoor had verzoeker een paar keer aangegeven dat hij zijn medicijnen wilde. S. had toen gebeld met de arrestantenverzorger. Deze kwam naar de verhoorruimte en vertelde dat hij niet eerder zijn medicijnen kon krijgen dan nadat hij door een arts was bezocht. Dit was het beleid. Er zou een piketarts van de GGD komen, die maakte zijn ronde, en daar was het wachten op. Het verhoor is toen voortgezet. Op een bepaald moment gaf verzoeker aan dat hij nu toch echt zijn medicijnen wilde hebben. S. had toen aan de arrestantenverzorger gevraagd of deze niet telefonisch met de arts kon bespreken of de medicijnen verstrekt konden worden.

S. verklaarde dat hij meerdere malen tegen verzoeker had gezegd dat als hij zich niet lekker zou voelen, er een ambulance zou komen. Het was ook niet in hun belang om verzoeker van zijn medicijnen of medische zorg te onthouden, zij wilden dat verzoeker zich goed zou voelen tijdens zijn verhoor, want zij wilden informatie van hem.

Op het moment, tijdens het verhoor, dat het voor verzoeker spannender werd, gaf hij aan dat hij het warm kreeg en dat zijn bloeddruk omhoog ging. Hij had geen last van zijn hart, zei verzoeker. Zij hadden toen aan verzoeker gevraagd of zij het verhoor moesten onderbreken of dat hij nog een glaasje water wilde. Dat was niet nodig, verzoeker wilde alleen zijn medicijnen. S. verklaarde een aantal keren bij de arrestantenverzorger gevraagd te hebben wanneer verzoeker zijn medicijnen mocht nemen. Blijkbaar bleef de arts weg, aldus S.

Hij kon zich niet herinneren of verzoeker om een arts had gevraagd. Hij had zelf geen reden gezien om tijdens het verhoor een arts te laten komen. Verzoeker had namelijk zelf aangegeven dat het goed met hem ging, hij had geen arts nodig. De enige reden waarom S. een arts wilde laten komen, was om ervoor te zorgen dat verzoeker zijn medicijnen zou krijgen. Toen die eenmaal waren verstrekt zag hij geen noodzaak meer voor de komst van een arts. Hij verklaarde dat, mocht verzoeker om een arts hebben gevraagd, omdat hij zich niet lekker voelde, hij waarschijnlijk die arts niet eens meer zou hebben gewaarschuwd maar meteen om een ambulance zou hebben verzocht. Er moest dan geen tijd verloren gaan, er moest geen enkel risico genomen worden.

S. verklaarde voorts dat hij persoonlijk bij de projectleider van het cellencomplex Zuid-Oost had gemeld dat als verzoeker zich niet goed zou voelen, hij direct naar het ziekenhuis overgebracht moest worden. Wie de projectleider was, wist hij niet meer.

S. was er niet bij geweest toen verzoeker onwel werd en moest worden vervoerd naar het ziekenhuis. Hij hoorde de volgende dag, toen hij op het cellencomplex kwam, wat was voorgevallen. Hij was daarvan geschrokken. Hij vond het spijtig dat de communicatie niet goed was verlopen en dat verzoeker naar het ziekenhuis was overgebracht.

9. Op 8 oktober 2009 legde politieambtenaar Va. een telefonische verklaring af tegenover een medewerkster van Bureau Nationale ombudsman. Hij vertelde dat hij zich van het verblijf van verzoeker niets meer kon herinneren. Alles wat hij kon verklaren, leidde hij af van wat hij terug kon vinden in het registratiesysteem. Hij was op 17 april 2007 werkzaam geweest op de frontdesk van het cellencomplex Zuid-Oost. Daar komen de arrestanten binnen en daarlangs vertrekken ze ook weer. Aan de frontdesk heb je verder geen contact met de arrestanten, verklaarde Va. Vanuit de verhoorkamers kunnen politieambtenaren telefonisch contact leggen met de frontdesk. Va. kon uit de logging afleiden dat er meerdere keren was gebeld met de verpleegkundige van de GGD en dat de voice-mail was ingesproken. Later was contact gezocht met de meldkamer van de GGD om toestemming te krijgen om de medicatie te verstrekken. Hij kon zich niet herinneren of hij degene was geweest die dat contact had gelegd.

Va. gaf nog een toelichting over hoe een en ander verloopt bij arrestanten die medicijnen gebruiken of anderszins medische zorg nodig hebben. Als een arrestant binnenkomt met medicijnen, worden deze bij de frontdesk ingenomen en wordt er een aantekening op de medische lijst gemaakt. Hierop komt te staan wat voor klachten iemand heeft en welke medicijnen iemand gebruikt. Op het moment dat de verpleegkundige langskomt, neemt deze de lijst mee en gaat hij bij alle arrestanten op die lijst langs.

Als iemand direct medicijnen nodig heeft, dan wordt de verpleegkundige geraadpleegd. Als een arrestant zegt dat hij last heeft van zijn hart, vragen zij of hij medicijnen nodig heeft en of hij vaker last heeft en wat hij in die gevallen dan doet. Indien nodig wordt een arts gewaarschuwd. Het ligt er ook aan wat voor klachten iemand heeft. Bij serieuze klachten zal er sneller een arts worden gewaarschuwd. Bij spoed wordt een arts of een ambulance gebeld. Het komt ook regelmatig voor dat over meegebrachte medicijnen telefonisch contact plaatsvindt met de verpleegkundige van de GGD. Er hoeft dus niet per se gewacht te worden tot de verpleegkundige langskomt.

De verpleegkundige maakt een vaste ronde. Eerst langs het hoofdbureau, dan naar het cellencomplex Noord-West en ten slotte naar dat in Zuid-Oost. In geval van spoed wordt van deze volgorde afgeweken. Deze ronde wordt twee keer per dag gemaakt. 's Ochtends en 's avonds. Iedere dag komt er ook een arts langs om methadon te verstrekken. Er vindt heel regelmatig overleg plaats tussen de arts en de verpleegkundige over arrestanten als de verpleegkundige zijn ronde maakt.

Va. verklaarde nog dat afspraken over overbrengen naar het ziekenhuis met de projectleider worden gemaakt. Hiervan was niets terug te vinden in de logging.

10. Op 14 oktober 2009 legde politieambtenaar Sc. een telefonische verklaring af tegenover een medewerkster van Bureau Nationale ombudsman. Hij vertelde dat hij zich niet veel meer kon herinneren van wat er op 17 april 2007 was gebeurd.

Verzoeker had volgens hem hoogstwaarschijnlijk tijdens de aanhouding al aangegeven dat hij medicijnen voor zijn hart gebruikte. Hiervan hadden Sc. en zijn collega S. melding gemaakt bij een collega van het cellencomplex.

Sc. kon zich niet herinneren of verzoeker tijdens het verhoor om zijn medicijnen of om bezoek door een arts had gevraagd. Sc. kon zich wel herinneren dat verzoeker zijn medicijnen pas laat had ingenomen, omdat op een arts had moeten worden gewacht. Volgens hem was het een ander dan de arts die verzoeker zijn medicijnen kwam brengen. Mocht verzoeker hebben aangegeven dat hij zich niet goed voelde en dat een arts nodig was, dan hadden zij het verhoor gestaakt en om een arts verzocht. Daarvan was echter geen sprake geweest, aldus Sc. Hij benadrukte nog dat het verhoor te allen tijde ondergeschikt was geweest aan de gezondheidstoestand van verzoeker.

Sc. verklaarde dat hem niets bekend was over een afspraak dat verzoeker bij hartklachten naar het ziekenhuis zou worden vervoerd. Hij kon zich niet herinneren dat dit tijdens een briefing of voorbespreking ter sprake was gekomen. Volgens Sc. was verzoeker in ieder geval niet persoonlijk geobserveerd en was er ook niet bij een ziekenhuis geobserveerd. Op die manier was er in ieder geval niets over verzoekers gezondheidstoestand bekend. Wel was verzoekers woning gefotografeerd en zijn telefoon getapt, maar Sc. kon zich niet herinneren dat daaruit iets over de gezondheidstoestand van verzoeker naar voren was gekomen.

Ook verklaarde Sc. dat hij en zijn collega S. regelmatig aan verzoeker hadden gevraagd of hij zich goed voelde en of het verhoor door kon gaan. Daarop had verzoeker iedere keer geantwoord dat hij zich goed genoeg voelde om het verhoor door te laten gaan. Aan het eind van het proces-verbaal van verhoor van verzoeker was de volgende alinea opgenomen naar aanleiding van de vraag hoe verzoeker zich had gevoeld tijdens het verhoor.

"Geestelijk voelde ik mij goed, lichamelijk wat minder. Ik had het warm tijdens het verhoor. Ik merkte dat aan mijn ogen. Het is warm in deze ruimte. Ik voelde dat mijn bloeddruk hoger is dan normaal. Ik heb last van oorsuizen en ik heb geen last van mijn hart op dit moment en heb nergens pijn."

Beoordeling

Ten aanzien van het bezoek van een arts

11. Het vereiste van bijzondere zorg houdt in dat bestuursorganen aan personen die onder hun hoede zijn geplaatst de zorg verlenen waarvoor deze personen, vanwege die afhankelijke positie, op die bestuursorganen zijn aangewezen. Het vereiste houdt onder meer in dat de politie de omstandigheden moet creëren, waarin de gezondheid en het welbevinden van een burger die is aangehouden en opgehouden voor verhoor op het vlak van medische zorg zo veel mogelijk zijn gewaarborgd. In de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar is hiertoe opgenomen dat de politie met de arts overlegt in het geval er aanwijzingen zijn dat een ingeslotene medische bijstand behoeft dan wel dat er bij deze persoon medicijnen zijn aangetroffen. De politie overlegt eveneens met de arts indien de ingeslotene zelf om medische bijstand of medicijnen vraagt. Indien de ingeslotene vraagt om medische bijstand van zijn eigen arts, stelt de politie die arts daarvan op te hoogte (zie Achtergrond, onder 1.).

12. In de Ambtsinstructie staat vermeld dat een arts wordt geraadpleegd als medicijnen worden aangetroffen op de arrestant. In dit geval is toestemming verleend door een verpleegkundige om de medicatie toe te dienen en is het de verpleegkundige geweest die bij verzoeker is langs geweest. Er zijn geen aanwijzingen dat overleg met een arts heeft plaatsgevonden. Op deze wijze is dus geen arts geraadpleegd.

13. Tevens wordt volgens de Ambtsinstructie een arts geraadpleegd als een arrestant daarom vraagt. Volgens verzoeker heeft hij later op de dag, nadat het verhoor was beëindigd, aan de verhorende politieambtenaren gevraagd wanneer de arts nu zou komen. Zij adviseerden hem dat in de cel via de intercom na te vragen. Toen verzoeker dat advies opvolgde, kreeg hij van de medewerker aan de frontdesk te horen dat daarover niets bekend was, aldus verzoeker.

De politieambtenaren die verzoeker hebben verhoord, stellen dat zij met verzoeker helemaal niet over de komst van een arts hebben gesproken. De politieambtenaar die de frontdesk had bemand, kon zich niets meer herinneren van dit gesprek.

De Nationale ombudsman kan dus niet met zekerheid vaststellen of verzoeker om een arts heeft gevraagd.

14. Politieambtenaren S. en Sc. hebben verklaard dat, mocht verzoeker om een arts hebben gevraagd, zij dit zeker niet zouden hebben geweigerd als verzoeker op dat moment hartklachten zou hebben gehad. Wellicht was dan niet eens om een arts verzocht, maar was direct een ambulance opgeroepen. Ook heeft S. verklaard dat nadat verzoeker zijn medicijnen had gekregen, er geen reden (meer) was om een arts te laten komen. Bovendien hebben beide politieambtenaren verklaard dat verzoeker tijdens het verhoor steeds heeft aangegeven dat het goed genoeg met hem ging om het verhoor door te laten gaan. Hij had geen hartklachten. Ook daarom was er voor de politieambtenaren geen reden een arts te laten komen.

15. In het registratiesysteem van het cellencomplex is niet terug te vinden dat er afspraken waren gemaakt omtrent de komst van een arts. Ook de verklaring van verzoeker dat hij via de intercom had te horen gekregen dat over de komst van een arts niets bekend was, bevestigt dat hierover waarschijnlijk niets bekend was gemaakt.

16. Dat de politie zou hebben geweigerd om een arts te laten komen, is in het onderzoek niet komen vast te staan. De Nationale ombudsman acht het niet waarschijnlijk dat dit zou zijn geweigerd.

De Nationale ombudsman heeft het vermoeden dat nu verzoeker toestemming had gekregen zijn medicijnen te nemen en hij door de verpleegkundige was bezocht de politie geen reden meer zag om een arts te laten komen. De Nationale ombudsman weegt hierbij mee hetgeen hierover is bepaald in het Dienstvoorschrift Zorg voor en bejegening van ingeslotenen in cellencomplexen van het korps (zie Achtergrond, onder 2.). In eerste instantie wordt de verpleegkundige ingeschakeld, indien nodig wordt de arts gewaarschuwd.

De Nationale ombudsman is van oordeel dat de politie door geen arts te raadplegen heeft gehandeld in strijd met het vereiste van bijzondere zorg.

De onderzochte gedraging is op dit punt niet behoorlijk.

Het is de Nationale ombudsman opgevallen dat het dienstvoorschrift niet in overeenstemming is met de Ambtsinstructie ten aanzien van het raadplegen van een arts. De Nationale ombudsman doet de korpsbeheerder de aanbeveling om nader te bezien of het dienstvoorschrift in overeenstemming met de Ambtsinstructie moet worden gebracht.

Ten aanzien van het medicijngebruik

17. Ook nu wordt getoetst aan het vereiste van bijzondere zorg.

18. Vast is komen te staan dat verzoeker medicijnen had meegebracht en dat deze door de politie zijn ingenomen. Daarnaast is onbetwist dat verzoeker tijdens het verhoor diverse keren heeft gevraagd deze medicijnen te mogen innemen. Ook is duidelijk dat het lang heeft geduurd voordat uiteindelijk toestemming is verkregen van de verpleegkundige van de GGD om de medicijnen te mogen toedienen. Uit de opmerking van verzoeker dat de verpleegkundige hem vertelde dat hij degene was die toestemming had gegeven, leidt de Nationale ombudsman af dat de verpleegkundige hierover van tevoren geen overleg met een arts heeft gehad. Verzoeker heeft zijn medicijnen pas rond 11:00 uur in kunnen nemen, terwijl hij deze bij het ontbijt al had moeten slikken. Uit het registratiesysteem blijkt dat in eerste instantie de voice-mail van de verpleegkundige een aantal keren is ingesproken ten einde hem te bereiken, daarna is contact gezocht met de meldkamer van de GGD, hetgeen heeft geleid tot toestemming de medicatie te verstrekken.

19. Noch uit de registratie van het cellencomplex, noch uit die van de GGD blijkt hoe laat en hoe vaak er contact is gelegd. Ook de betrokken ambtenaren kunnen zich niet meer herinneren op welke momenten er is gevraagd om toestemming voor het verstrekken van de medicijnen.

20. De Nationale ombudsman is van oordeel dat, gezien het tijdstip van aanhouding (6:30 uur) het te lang heeft geduurd voordat verzoeker zijn medicijnen uiteindelijk mocht innemen (11:00 uur). Zoals hierboven is overwogen, is niet meer na te gaan wanneer voor het eerst om toestemming (van de verpleegkundige) is gevraagd. Dat (de verpleegkundige van) de GGD niet bereikbaar was, is de politie niet aan te rekenen. Wel had de politie in de ogen van de Nationale ombudsman eerder contact kunnen leggen met de meldkamer van de GGD ten einde op die manier toestemming te verkrijgen voor het verstrekken van de medicatie. Door pas op een later tijstip naar andere wegen te zoeken om toestemming te verkrijgen, heeft de politie tijd verloren laten gaan, hetgeen voor medicijngebruikende arrestanten essentieel kan zijn. Wel is de Nationale ombudsman de overtuiging toegedaan dat de betrokken ambtenaren het welzijn van verzoeker te allen tijde voor ogen hebben gehad tijdens verzoekers aanhouding en gedurende diens verblijf in het cellencomplex.

Ondanks dat is de Nationale ombudsman van oordeel dat de politie ten aanzien van het verstrekken van medicatie heeft gehandeld in strijd met het vereiste van bijzondere zorg.

De onderzochte gedraging is op dit punt niet behoorlijk.

De Nationale ombudsman wil over het bezoek van de verpleegkundige nog het volgende opmerken. Uit het onderzoek is gebleken dat toen verzoeker op 17 april 2007 in het cellencomplex Zuid-Oost verbleef daar niet permanent een verpleegkundige van de GGD aanwezig was.

Uit de jaarverslagen van de Commissie van Toezicht voor de Politiecellen Amsterdam-Amstelland 2004, 2005 en 2008 blijkt dat de Commissie omtrent de aanwezigheid van verpleegkundigen herhaald een aanbeveling heeft gedaan (zie Achtergrond, onder 3., 4. en 5.). Deze aanbeveling betreft de wenselijkheid dat continu een arts of verpleegkundige in de grote cellencomplexen aanwezig is. Deze aanbeveling is volgens het jaarverslag van 2005 opgevolgd: op de drie cellencomplexen is een ploeg van zes verpleegkundigen aangesteld. Zij zijn zeven dagen per week van 7:30 uur tot 23:00 uur aanwezig. Dit betekent dat er op de dag van verzoekers verblijf in het cellencomplex een verpleegkundige aanwezig zou moeten zijn geweest. Dit is in tegenspraak met de situatie zoals deze zich blijkens het onderzoek van de Nationale ombudsman in werkelijkheid voordeed. De Nationale ombudsman wil de korpsbeheerder hierop attenderen.

Ten aanzien van het overbrengen naar het ziekenhuis

21. Het vereiste van professionaliteit houdt in dat ambtenaren met een bijzondere training of opleiding jegens burgers overeenkomstig de standaarden van hun beroepsgroep handelen. Dit brengt met zich mee dat ook de informatieverstrekking binnen het korps adequaat en volledig moet zijn.

22. Politieambtenaar J. heeft gesteld dat hij met verzoeker de afspraak had gemaakt dat als deze zich onwel zou voelen, hij direct naar het ziekenhuis zou worden overgebracht. Dit zou J. ook aan de verhorende collega's S. en Sc. hebben meegedeeld. Verzoeker stelt dat zo'n afspraak niet is gemaakt.

23. Politieambtenaar S. heeft verklaard dat tijdens de voorbespreking of briefing van de zaak de gezondheidstoestand van verzoeker ter sprake was gekomen. Sc. en J. kunnen zich dat niet herinneren. S. heeft ook verklaard dat hij tijdens het verhoor diverse keren heeft aangegeven dat als verzoeker zich niet goed zou voelen hij naar het ziekenhuis zou worden gebracht. Verzoeker stelt dat dit niet het geval is.

24. S. heeft eveneens aangegeven dat hij bij de projectleider heeft gemeld dat als verzoeker zich niet goed zou voelen, hij naar het ziekenhuis vervoerd zou moeten worden. De projectleider, N., kan zich zo'n afspraak niet herinneren, evenmin als Va. die aan de frontdesk van het cellencomplex werkzaam was geweest. In het registratiesysteem was over een dergelijke afspraak niets vermeld.

25. De korpsbeheerder heeft het, met het oog op die verzuimde registratie, aannemelijk geacht dat deze afspraak wel was gemaakt, maar dat deze niet bij de dienstdoende ambtenaren van het cellencomplex bekend was.

26. De Nationale ombudsman is van oordeel dat in ieder geval bij politieambtenaar S. bekend was dat er een afspraak bestond om verzoeker over te brengen naar het ziekenhuis als de nood aan de man was. Of deze informatie van J. afkomstig was, kan de Nationale ombudsman niet met zekerheid vaststellen. Het verzuim in de registratiesystemen belet het om achteraf harde uitspraken te doen over wat wel en niet was gecommuniceerd tussen de verhorende politieambtenaren en de collega's van het cellencomplex. Echter, er zijn voldoende aanwijzingen om te kunnen oordelen dat er is tekortgeschoten in de informatieverstrekking tussen de diverse onderdelen van de politie. Dit is niet juist. Hiermee is gehandeld is strijd met het vereiste van professionaliteit.

De onderzochte gedraging is op dit punt niet behoorlijk.

De Nationale ombudsman merkt nog op dat op het moment dat het erop aankwam, de ambulance is opgeroepen en verzoeker naar het ziekenhuis is overgebracht. Hieruit leidt de Nationale ombudsman af, dat het ontbreken van voldoende communicatie er niet toe heeft geleid dat niet op adequate wijze is gehandeld toen verzoeker acute medische hulp nodig had.

II. Ten aanzien van de uitspraak van een politieambtenaar dat er contact was geweest met de GGD-arts

Bevindingen

1. Verzoeker klaagt er tevens over dat politieambtenaar J. tegenover politieambtenaar U. heeft verklaard dat hij contact had gehad met een arts van de GGD. Hiervan is volgens verzoeker niets gebleken, niet in de praktijk en niet in het registratiesysteem. Als de arts daadwerkelijk was gewaarschuwd, dan was deze wel op het cellencomplex langsgekomen. Maar verzoeker heeft de hele dag geen arts gezien. Ook bij de medewerker van het cellencomplex die verzoeker via de intercom sprak, was niets bekend over het bezoek van een arts. Daarnaast was het de verpleegkundige van de GGD die uiteindelijk rond 11:00 uur toestemming gaf voor medicijngebruik, niet de arts. Dit alles wijst er volgens verzoeker op dat er geen contact tussen J. en de GGD-arts is geweest. Dat J. had gesteld dat dit onderwerp tijdens de voorgeleiding ter sprake was gekomen, was volgens verzoeker niet juist.

2. In het verslag dat politieambtenaar U. op 22 februari 2008 had opgesteld staat te lezen dat J. met verzoeker had afgesproken dat hij een arts van de GGD zou bellen en hem zou vertellen welke medicatie verzoeker slikt en dat deze onder behandeling stond van het ziekenhuis in verband met hartklachten. De heer J. verklaarde tegenover haar dat hij met de arts had gesproken en dat deze toestemming had gegeven voor het gebruik van medicijnen door verzoeker.

3. Tegenover de klachtencommissie verklaarde politieambtenaar U. op 18 juni 2008 dat J. haar had verteld dat hij op politiebureau Meer en Vaart telefonisch een arts van de GGD zou hebben geraadpleegd en dat hij toestemming had gekregen om medicatie aan verzoeker te laten verstrekken. Zij merkte op dat verzoekers lezing hier recht tegenover stond en dat zij J. diverse keren had gevraagd deze discrepantie te verklaren. J. bleef volgens U. bij zijn verklaring.

S. verklaarde nog dat J. tegenover hem geen mededelingen had gedaan over zijn contact met een arts of over toestemming tot medicijngebruik.

De voorzitter merkte op dat er niets over dit contact met de GGD-arts was geregistreerd.

4. De klachtencommissie adviseerde de korpsbeheerder in haar advies van 16 juli 2008 om het handelen van J. niet onbehoorlijk te achten. De klachtencommissie stelde zich op het standpunt dat de verklaring van J., dat hij op de hoogte was van verzoekers gezondheidsklachten, geloofwaardig was te achten. Het optreden van J. was in zoverre niet onzorgvuldig. Wel werd hem aangerekend dat hij deze informatie niet in het politiesysteem had geregistreerd. De korpsbeheerder nam dit advies over.

5.1. De korpsbeheerder nam op 31 maart 2009 een standpunt in over de klacht die door de Nationale ombudsman was voorgelegd. Hij schreef dat op basis van de politieregistratie (mutatie van 10:43 uur over contact met de meldkamer van de GGD; N.o.) en het feitenverloop kon worden vastgesteld dat er contact met de GGD was geweest over het verstrekken van de medicijnen. Welke politieambtenaar dit contact had gehad kon volgens de korpsbeheerder niet met zekerheid worden gezegd, doch de stelling dat dit niet de heer J. zou kunnen zijn, vond in de feiten en verklaringen geen onderbouwing.

5.2. Politieambtenaar J. reageerde op 4 februari 2009 op de klacht. Deze reactie was bij het standpunt van de korpsbeheerder gevoegd. Hij schreef over dit klachtonderdeel het volgende. Nadat verzoeker was overgebracht naar het cellencomplex, had hij contact opgenomen met de meldkamer van de GGD en daar verzocht om de dienstdoende arts te spreken te krijgen. Hij wilde met hem de situatie doorspreken. Verzoeker had hem namelijk verteld dat hij medicijnen bij zich had die hij moest innemen als hij zich ziek zou gaan voelen. Met de arts had J. de hele situatie doorgesproken en hem het medicijngebruik van verzoeker uitgelegd en dat deze onder behandeling was in het ziekenhuis. J. was later door deze arts teruggebeld. Hij vertelde dat hij contact had opgenomen met het betreffende ziekenhuis en dat inderdaad was gebleken dat verzoeker daar onder behandeling stond. Ook deelde de arts mee dat de medicijnen die verzoeker bij zich had door het ziekenhuis waren voorgeschreven en dat er in voorkomende gevallen, dus bij onwel raken van verzoeker, geen bezwaar bestond tegen verstrekking ervan.

J. erkende dat hij, als verantwoordelijk hulpofficier van justitie, in gebreke was gebleven bij het muteren van het door hem gevolgde medische traject in de logging van verzoeker. Van het afleggen van tegenstrijdige verklaringen, was hij zich niet bewust. Alles was verlopen zoals hij in deze brief had omschreven en hij was dan ook van mening dat hij, met uitzondering van de logging, op juiste wijze had gehandeld.

5.3. Uit de reacties van politieambtenaren Jo., N. en B., welke door de korpsbeheerder waren meegestuurd, blijkt dat vanuit het cellencomplex door politieambtenaar Va. in de logging was gemuteerd dat er contact was geweest met de GGD. Niet met zekerheid was vast te stellen dat Va. ook degene was geweest die met de GGD had gesproken.

6. Verzoeker reageerde op het standpunt van de korpsbeheerder. In zijn brief van 28 april 2009 schreef hij dat uit de reactie van de korpsbeheerder bleek dat er onduidelijkheid bestond over wie nu wat had gedaan en wie het vervolgens had vastgelegd in het loggingsysteem. Er werd volstaan met te vermelden dat het aannemelijk was dat er contact was geweest met een arts. Verder bleek hem uit de reactie van de beslisser van dienst van het cellencomplex dat haar niets werd meegedeeld over verzoekers gezondheidstoestand en diens medicijngebruik. Dit vond verzoeker opmerkelijk gelet op hetgeen er ten aanzien van de klacht al was verklaard. Voor verzoeker stond vast dat er nu getracht werd op grond van aannames en veronderstellingen aan het gebeurde een andere wending te geven.

7. Uit de informatie die een medewerkster van Bureau Nationale ombudsman op 5 oktober 2009 in het kader van het onderzoek inwon bij de GGD bleek dat er in het loggingsysteem niets stond geregistreerd van het contact dat J. zou hebben gehad met de meldkamer.

8. Op 5 oktober 2009 legde politieambtenaar J. een verklaring af tegenover een medewerkster van Bureau Nationale ombudsman. Hierin verklaarde hij dat hij tijdens de voorgeleiding aan verzoeker had voorgesteld contact te leggen met de GGD zodat een arts bij het ziekenhuis zou kunnen navragen of verzoeker daar onder behandeling stond en een beslissing zou kunnen nemen over het verstrekken van medicijnen. Onmiddellijk na de voorgeleiding had hij contact gezocht met de GGD. Hij wist niet meer met wie hij had gesproken. Hij had aan een medewerker van de meldkamer doorgegeven wat het medische verhaal van verzoeker was en welke medicijnen hij gebruikte. Ook had hij het verzoek neergelegd dat de arts contact zou opnemen met de behandelend arts in het ziekenhuis. Zo kon een beslissing worden genomen over de medicatie. Daarna had hij niets meer van de GGD gehoord. Een terugkoppeling naar hem was niet geschied. Hij had later vernomen dat er toestemming was verleend de medicijnen te verstrekken. Hij wist niet meer van wie en hoe laat hij dat had gehoord. Het bevreemdde hem dat in de logginggegevens van de GGD niets was vermeld over zijn contact met de meldkamer van de GGD.

9. In zijn verklaring van 7 oktober 2009 gaf politieambtenaar S. aan dat hij verzoeker had aangehouden en overgebracht naar het politiebureau Meer en Vaart. Daar had hij hem voorgeleid aan de hulpofficier van justitie. Hij was niet bij de voorgeleiding gebleven en kon dus niets over een eventuele afspraak tussen J. en verzoeker met betrekking tot het bellen van een GGD-arts verklaren.

10. Politieambtenaar Sc. verklaarde op 14 oktober 2009 dat hij niet bij de voorgeleiding van verzoeker was gebleven, nadat hij en S. verzoeker hadden aangehouden. Hij kon niets verklaren over het contact tussen J. en de arts van de GGD.

Beoordeling

11. Het vereiste van actieve en adequate informatieverstrekking houdt in dat overheidsinstanties burgers met het oog op de behartiging van hun belangen actief en desgevraagd van adequate informatie voorzien. Dit vereiste brengt met zich mee dat een ambtenaar die in het kader van een klachtprocedure wordt gehoord, juiste informatie dient te verstrekken.

12. Politieambtenaar J. is er zeer duidelijk over dat hij direct na de voorgeleiding contact heeft gelegd met de GGD. Dit heeft hij tegenover U. en tot tweemaal toe tegenover de Nationale ombudsman verklaard. J. verklaart wel verschillend over of hij een arts heeft gesproken en of deze naar hem heeft teruggekoppeld over het medicijngebruik van verzoeker of niet.

13. Uit de logginggegevens van de GGD blijkt niets van enig contact tussen J. en de meldkamer van de GGD. Evenmin is in het registratiesysteem van de politie iets terug te vinden over zo'n contact.

14. Ook politieambtenaren S. en Sc. kunnen zich niets herinneren over een terugkoppeling van J. over contact met de GGD-arts over de medicatie van verzoeker. Verzoeker stelt er tegenover dat J. hem niets over heeft gezegd.

15. De korpsbeheerder liet in het midden of het J. of een ander was die contact met de meldkamer van de GGD had gelegd.

16. De Nationale ombudsman acht het, in tegenstelling tot de korpsbeheerder, gezien het tijdstip van de logging (10:43 uur) niet waarschijnlijk dat het J. was die op dat moment contact heeft gezocht met de meldkamer van de GGD. De stelligheid van J. in acht genomen dat hij direct na de voorgeleiding (tussen 6:30 uur en 7:30 uur) met iemand van de GGD heeft gesproken, acht de Nationale ombudsman het wel aannemelijk dat hij dit contact heeft gehad, ook al zijn er aanwijzingen die in de andere richting wijzen. Dat uit de gegevens van de GGD niet blijkt van enig contact, hoeft in het licht van de alom erkende gebrekkige registratie in deze zaak, niet te betekenen dat het contact er niet is geweest. Wel acht de Nationale ombudsman het niet waarschijnlijk dat J. met een arts heeft gesproken. J. heeft hierover namelijk zeer wisselend verklaard. Daarom kan niet met zekerheid worden vastgesteld dat dit contact met een arts daadwerkelijk is gelegd. Ook acht de Nationale ombudsman het niet waarschijnlijk dat J. de (eventueel) ontvangen informatie aan zijn collega's heeft doorgespeeld. Of J. met verzoeker heeft besproken dat hij contact zou leggen met de GGD laat de Nationale ombudsman in het midden, hierover lopen de meningen te zeer uiteen.

De Nationale ombudsman is, het geheel overziend, van oordeel dat er is gehandeld in strijd met het vereiste van actieve en adequate informatieverstrekking.

De onderzochte gedraging is niet behoorlijk.

III. Ten aanzien van de meerwaarde om een arts naar het politiebureau te laten komen

Bevindingen

1. Tot slot klaagt verzoeker erover dat J. stelt dat verzoeker zou hebben gezegd dat de komst van een arts geen meerwaarde zou hebben. Dit is niet waar, aldus verzoeker. Tijdens de voorgeleiding was er naast de aanhouding gesproken over de lichamelijke gesteldheid van verzoeker. Verzoeker had J. erop gewezen dat hij hartproblemen heeft en dat hij daarvoor medicijnen moet slikken. Het enige dat J. daarover had gezegd was dat deze meegebrachte medicijnen zouden worden ingenomen en dat verzoeker deze pas na komst van een arts zou mogen slikken. Er is helemaal niet gesproken over of de komst van een arts meerwaarde zou hebben. Deze opmerking van J. vernam hij pas tijdens de klachtprocedure bij de politie. Volgens verzoeker kan hij die opmerking dan ook niet hebben gemaakt. Bovendien zou het niet logisch zijn, omdat verzoeker de hele dag heeft verzocht om door een arts bezocht te worden (onder andere om zijn medicijnen te kunnen nemen). Dan zou hij toch niet zeggen dat bezoek van een arts niet nodig was, stelde verzoeker.

Daarnaast viel verzoeker erover dat J. tegenover politieambtenaar U. eerst had verklaard dat hìj, J., tegen verzoeker zou hebben gezegd dat de komst van een arts geen meerwaarde zou hebben. Vervolgens staat in het advies van de klachtencommissie te lezen dat J. in een aanvullende verklaring heeft gesteld dat het verzoeker zou zijn geweest die dit had gezegd. Deze tegenstrijdigheid in verklaringen stuitte verzoeker zeer tegen de borst.

2. In deze genoemde rapportage van U. van 22 februari 2008 staat inderdaad geschreven dat J. tegenover haar had verklaard dat hij tegen verzoeker had gezegd dat de komst van een arts geen meerwaarde zou hebben.

3. In het advies van de klachtencommissie aan de korpsbeheerder van 16 juli 2009 staat te lezen dat J. op 29 april 2008 aanvullend verklaarde niets toe te voegen te hebben aan de verklaring zoals hij die had afgelegd ten overstaan van politieambtenaar U. Hij verklaarde voorts dat verzoeker zelf had aangegeven dat een bezoek van een arts niets zou opleveren en dat het overbrengen naar het ziekenhuis, indien hij last van ziekteverschijnselen zou krijgen, het belangrijkste zou zijn. Deze afspraken waren gemaakt in het belang van verzoeker, schreef J. in die brief van 29 april 2008.

Ook was in het advies te lezen dat verzoeker stelde dat J. niet tegen hem had gezegd dat de komst van een arts geen meerwaarde zou hebben. Het was juist J. die had gezegd dat verzoeker zijn medicijnen pas mocht innemen nadat een arts verzoeker zou hebben gezien.

4.1. De korpsbeheerder gaf op 31 maart 2009 een reactie op deze klacht. Hij schreef dat J. in de door hemzelf opgemaakte rapporten van 29 april 2008 en 4 februari 2009 aangaf dat het verzoeker was die zou hebben gezegd dat de komst van een arts geen meerwaarde zou hebben. Mede gelet op de verklaring van verzoeker dat J. hem nimmer had verteld dat de komst van een arts geen meerwaarde zou hebben, is deze eigen verklaring van J. aannemelijk, aldus de korpsbeheerder.

De korpsbeheerder kon niet vaststellen waarom er een discrepantie bestond tussen het rapport van U. en de verklaringen van J. zelf. Hij achtte het evenwel onwaarschijnlijk dat J. anders heeft verklaard tegenover politieambtenaar U. Mogelijk is bij het opnemen van de verklaring van J. door U. een verschrijving gemaakt.

4.2. In de verklaring van 4 februari 2009 die de korpsbeheerder meezond, staat hierover het volgende te lezen. J. schreef dat hij tijdens de voorgeleiding met verzoeker had gesproken over zijn gezondheidsklachten. J. had daarop aangegeven dat er een arts van de GGD gewaarschuwd zou worden en dat deze arts verzoeker zou bezoeken in verband met zijn klachten. Daarop had verzoeker gezegd dat bezoek van een arts geen enkele meerwaarde zou hebben, omdat hij op dat moment geen medische klachten had, aldus J.

5. Verzoeker herhaalde in zijn reactie op het stuk van de korpsbeheerder dat hij ten stelligste betwistte dat hij had gezegd dat een arts geen toegevoegde waarde zou hebben. Nu hierover onduidelijkheid bestaat, werd door de korpsbeheerder volstaan met te vermelden dat er sprake is van een verschrijving door U., aldus verzoeker.

6. Politieambtenaar J. legde op 5 oktober 2009 een verklaring af waarin hij inging op dit klachtonderdeel. Hij vertelde dat hij tijdens de voorgeleiding over de komst van een arts had gesproken. Hij had voorgesteld direct een arts te laten komen om verzoeker te laten onderzoeken. Dit had verzoeker afgewezen, omdat hij op dat moment geen klachten had. De arts zou niets kunnen constateren. Dat verzoeker de komst van een arts niet zou hebben afgewezen, was in zijn ogen niet waar, aldus J. Hij was er niet van op de hoogte dat verzoeker de hele dag om een arts zou hebben gevraagd. Dat viel buiten J.'s gezichtsveld en verantwoordelijkheid.

7. Op 7 oktober 2009 legde politieambtenaar S. een telefonische verklaring af. Hij vertelde dat hij nadat hij verzoeker had aangehouden hem had overgebracht naar politiebureau Meer en Vaart. Daar had hij verzoeker aan hulpofficier van justitie J. voorgeleid. Hij was hier niet bijgebleven. Hij kon dan ook niets verklaren over een conversatie tussen J. en verzoeker over de meerwaarde van het laten komen van een arts naar het politiebureau of het cellencomplex.

8. Politieambtenaar Sc. verklaarde op 14 oktober 2009 dat hij niet bij de voorgeleiding aan J. aanwezig was geweest. Ook daarna had hij niet meer met J. gesproken. Hem was dus niets bekend over een eventueel gesprek tussen J. en verzoeker over de meerwaarde van het laten komen van een arts naar het politiebureau of cellencomplex.

9. Politieambtenaar U. reageerde op 15 december 2009 op het verslag van bevindingen. Zij vertelde dat zij zich niet kon herinneren wat J. precies tegen haar had gezegd. De strekking van J.'s verhaal was dat als er wat aan de hand was, verzoeker naar het ziekenhuis zou gaan. Of J. over meerwaarde van de komst van een arts had gesproken, kon zij zich niet herinneren. Wat zij wel kon vertellen was dat verzoeker zeker een arts wilde laten komen. J. had de komst van een arts niet geweigerd, maar wilde deze pas inschakelen als er wat met verzoeker aan de hand zou zijn. Bovendien zou hij verzoeker in dat geval meteen naar het ziekenhuis hebben gestuurd.

Zij realiseerde zich dat zij een en ander beter had moeten vastleggen, zodat beter te achterhalen was geweest wat er was gezegd.

Beoordeling

10. Ook nu wordt getoetst aan het vereiste van actieve en adequate informatieverstrekking.

11. Verzoeker stelt dat hij met J. tijdens de voorgeleiding niet heeft gesproken over de meerwaarde van de komst van een arts. Als erover was gesproken, dan had hij de komst van een arts zeker niet afgewezen, aldus verzoeker.

12. J. stelt dat hij tijdens de voorgeleiding wel met verzoeker heeft gesproken over de meerwaarde van de komst van een arts, maar hij heeft verschillende tegenstrijdige verklaringen afgelegd over wie gezegd zou hebben dat er geen meerwaarde zou zijn.

13. Politieambtenaar U. gaf aan dat verzoeker zeker een arts wilde laten komen. Ook vertelde zij dat J. volgens haar (pas) een arts wilde laten komen op het moment dat er wat met verzoeker aan de hand zou zijn.

14. Gelet op deze verklaringen, acht de Nationale ombudsman het aannemelijker dat het niet verzoeker is geweest die heeft gesteld dat de komst van een arts tijdens de voorgeleiding geen meerwaarde had, maar dat J. zich in die richting heeft uitgesproken. Hieruit leidt de Nationale ombudsman af dat de heer J. tegenover de klachtencommissie iets anders heeft verklaard dan tegenover mevrouw U. Daardoor heeft het aan de informatieverstrekking geschort. Het vereiste van actieve en adequate informatieverstrekking is hiermee geschonden.

De onderzochte gedraging is niet behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van het regionale politiekorps Amsterdam-Amstelland, is.

gegrond, ten aanzien van:

- het niet bezocht zijn door een GGD-arts, wegens schending van het vereiste van bijzondere zorg;

- het medicijngebruik, wegens schending van het vereiste van bijzondere zorg;

- het communiceren van de afspraak over het overbrengen naar het ziekenhuis, wegens schending van het vereiste van professionaliteit; en

- de uitspraak over het contact met een GGD-arts, wegens schending van het vereiste van actieve en adequate informatieverstrekking;

- de uitspraak over of de komst van een arts meerwaarde zou hebben of niet, wegens schending van het vereiste van actieve en adequate informatieverstrekking.

Aanbeveling

Het is de Nationale ombudsman opgevallen dat het Dienstvoorschrift Zorg voor en bejegening van ingeslotenen in cellencomplexen (Arrestantenzorg) van het regionale politiekorps Amsterdam-Amstelland van 19 december 2000, ten aanzien van de gevallen waarin een arts moet worden geraadpleegd niet overeenstemt met de Ambtsinstructie. De Nationale ombudsman doet de korpsbeheerder de aanbeveling om nader te bezien of het dienstvoorschrift in overeenstemming moet worden gebracht met de Ambtsinstructie.

Onderzoek

Op 24 september 2008 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer V. te Amstelveen, met een klacht over een gedraging van het regionale politiekorps Amsterdam-Amstelland.

Naar deze gedraging, die wordt aangemerkt als een gedraging van de beheerder van het regionale politiekorps Amsterdam-Amstelland (de burgemeester van Amsterdam), werd een onderzoek ingesteld.

In het kader van het onderzoek werd de korpsbeheerder verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben.

Daarnaast werd zes politieambtenaren de gelegenheid geboden om commentaar op de klacht te geven.

Aan een aantal politieambtenaren werden specifieke vragen gesteld. Ook werden inlichtingen ingewonnen bij de GGD.

Vervolgens werd verzoeker in de gelegenheid gesteld op de verstrekte inlichtingen te reageren.

Tevens werd de korpsbeheerder een aantal specifieke vragen gesteld.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. De reactie van betrokken ambtenaar U. gaf aanleiding het verslag aan te vullen. Verzoeker, de korpsbeheerder, de betrokken ambtenaren J., S., Sc., Va., Jo., B., N. en Su. gaven binnen de gestelde termijn geen reactie.

Informatieoverzicht

De bevindingen van het onderzoek zijn gebaseerd op de volgende informatie.

1. Verzoekschrift van 22 september 2008, met bijlagen, waaronder op deze zaak betrekking hebbende correspondentie tussen verzoeker en de korpsbeheerder over het binnentreden en de klachtbehandeling.

2. Standpunt van de korpsbeheerder van 31 maart 2009, met bijlagen, waaronder reactie van politieambtenaren J., Jo., B., en N. en mutaties van het cellencomplex.

3. Reactie van verzoeker van 28 april 2009.

4. Verklaring van verzoeker van 30 september 2009.

5. Telefonische informatie van de GGD te Amsterdam van 5 oktober 2009.

6. Verklaring van politieambtenaar J. van 5 oktober 2009.

7. Verklaring van politieambtenaar S. van 7 oktober 2009.

8. Verklaring van politieambtenaar Va. van 8 oktober 2009.

9. Verklaring van politieambtenaar Sc. van 14 oktober 2009.

10. Reactie van politieambtenaar U. op het verslag van bevindingen van 15 december 2009.

Bevindingen

Zie onder Beoordeling.

Achtergrond

1. Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar

1.1. Artikel 32

"1. In het geval er aanwijzingen zijn dat een ingeslotene medische bijstand behoeft dan wel er bij deze persoon medicijnen zijn aangetroffen, overlegt de ambtenaar met de arts. De ambtenaar overlegt eveneens met de arts indien de ingeslotene zelf om medische bijstand of medicijnen vraagt.

2. In het geval de ingeslotene vraagt om medische bijstand van zijn eigen arts, stelt de ambtenaar die arts daarvan op de hoogte. …"

1.2. Artikel 34

"1. De ambtenaar controleert de ingeslotene regelmatig met dien verstande dat:

a. in het geval de arts is gewaarschuwd, de ingeslotene ten minste elk kwartier in de cel wordt gadegeslagen;

b. in het geval medische hulp is verstrekt, de ingeslotene zo vaak wordt geobserveerd als de arts heeft voorgeschreven;

c. in het geval geen medische hulp noodzakelijk wordt geacht, de ingeslotene eenmaal per twee uur wordt gadegeslagen.

2. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, observeert de ambtenaar in de cel en aan de persoon, waarbij hij vooral acht slaat op de mate waarin de ingeslotene wekbaar en aanspreekbaar is. Personen die in een toestand geraken waarin zij niet wekbaar of aanspreekbaar zijn, worden terstond per ambulance naar een ziekenhuis vervoerd.

3. De ambtenaar registreert de observaties, bedoeld in het eerste lid."

2. Dienstvoorschrift Zorg voor en bejegening van ingeslotenen in cellencomplexen (Arrestantenzorg) van het regionale politiekorps Amsterdam-Amstelland van 19 december 2000 (laatste wijziging april 2008)

"Overweging (artikel 16 Besluit beheer regionale politiekorpsen)

Ingevolge de Korpsleidingsbesluiten 1472 van 5 februari 1998 en 1815 van 29 januari 1999 is het verzorgen van arrestanten een kerntaak van de politie.

Er is een scheiding gemaakt tussen het 'werken met' en 'het zorgen voor' ingeslotenen.

Om dit te realiseren zijn er drie centrale cellencomplexen gebouwd. Deze cellencomplexen vallen onder de verantwoording van de Dienst Executieve Ondersteuning (DEO), Bureau Arrestantenzorg en Bestuurlijke Politiezorg.

De bezetting van de cellen in de centrale cellencomplexen wordt gecoördineerd door het Coördinatiecentrum Cellen (CCC).

Het transport van ingeslotenen tussen de bureaus en de centrale cellencomplexen en vice-versa wordt verzorgd door een centraal georganiseerde transportorganisatie welke wordt aangestuurd door het Coördinatiecentrum Cellen.

Iedereen die met de politie in aanraking komt heeft recht op een professionele behandeling. Dit geldt in het bijzonder voor de mensen die tegen hun wil worden ingesloten.

Ingeslotenen hebben recht op een goede behandeling. Zij zijn immers van hun vrijheid beroofd en aan de zorg van de politie toevertrouwd. Dat houdt in dat de politie verantwoordelijk is voor hun veiligheid en relatief welbevinden. De politie draagt op professionele wijze, binnen de daarvoor geldende wettelijke en humane richtlijnen en opvattingen, zorg voor de veiligheid en het relatieve welbevinden van de aan de zorg van de politie toevertrouwde ingeslotenen en arrestanten, aldus de missie.

Als richtsnoer bij interpretatievrijheid geldt: 'Behandel ingeslotenen zoals u behandeld wilt worden'.

(…)

3. Chronologische gang van zaken bij insluiting

(…)

3.4. Bewaring goederen.

(…)

Indien tijdens de insluitingsfouillering medicijnen en/of recepten voor medicijnen worden aangetroffen wordt hiervan niet eerder gebruik gemaakt dan na toestemming van een verpleegkundige of forensisch arts van de GGD (zie punt 4.3.5.).

(…)

4. Gang van zaken met betrekking tot de verzorging

(…)

4.3. Zorgvuldigheid van verzorging

4.3.1. Controle lichamelijk welbevinden

(…)

Indien een ingeslotene medische klachten heeft wordt te allen tijde medische hulp ingeschakeld. De ingeslotene wordt in dat geval overdag éénmaal per uur gecontroleerd, tenzij een arts aangeeft dat dit in meer of mindere mate dient te gebeuren. In het geval een arts is gewaarschuwd, wordt de ingeslotene ten minste elk kwartier in de cel gecontroleerd. (artikel 34 Ambtsinstructie voor Politie, Koninklijke Marechaussee en buitengewoon opsporingsambtenaar)

(…)

Tijdens de verhoren is de verhorend ambtenaar verantwoordelijk voor de controle op het lichamelijk welbevinden van de ingeslotene.

(…)

4.3.2. Contacten met somatisch arts en psychiater (artikel 15 lid 3 Besluit beheer regionale politiekorpsen)

Indien de ingeslotene in verband met zijn lichamelijke of geestelijke toestand daarom vraagt wordt de verpleegkundige of de somatisch arts van de GGD of psychiater ingeschakeld.

(…)

De behandeling door de verpleegkundige, arts of psychiater van de ingeslotene prevaleert boven het belang van de dienst. De te hulp geroepen verpleegkundige, arts of psychiater wordt zoveel mogelijk ondersteund en voorzien van alle nuttige informatie. De aanwijzingen van de verpleegkundige, arts of psychiater dienen onverkort te worden opgevolgd. (artikel 32 Ambtsinstructie voor Politie, Koninklijke Marechaussee en buitengewoon opsporingsambtenaar)

Indien de somatisch arts van de GGD het noodzakelijk acht dat een ingeslotene voor onderzoek en/of opname naar een ziekenhuis moet worden overgebracht, dient daaraan gevolg te worden gegeven. Indien de ingeslotene wordt opgenomen in een ziekenhuis wordt de wijkteamchef of de chef van het betreffende onderdeel waarvoor de ingeslotene is ingesloten gewaarschuwd. Deze beslist of wordt voorzien in een permanente bewaking, al dan niet in uniform. Van de opname en overige bijzonderheden wordt melding gemaakt in de arrestantenadministratie. (…)

4.3.3. Verpleegkundige

Indien binnen het cellencomplex een door de GGD of andere externe geneeskundige instelling aangestelde en bevoegde verpleegkundige aanwezig is wordt een somatisch arts of psychiater niet eerder gewaarschuwd dan na onderzoek van de ingeslotene door deze verpleegkundige.

4.3.4. Melding in het geautomatiseerd systeem (X-pol)

Van het verzoek om een arts door de ingeslotene alsmede het verzoek zelve aan de arts of psychiater en het bezoek van de arts of psychiater alsook aanwijzingen met betrekking tot het omgaan met de ingeslotene dient in de arrestantenadministratie van het geautomatiseerde systeem (X-pol) te worden genomen. Medische informatie wordt in de patiëntenadministratie van de GGD opgenomen.

4.3.5. Medicijnen

Medicijnen (ook methadon) worden alleen verstrekt op voorschrift van een arts, een bevoegd verpleegkundige of een psychiater, ook al is de ingeslotene in het bezit van medicijnen bij binnenkomst. Van bezoek van de arts, de verpleegkundige en/of de psychiater en van diens instructies wordt een uitgebreide registratie bijgehouden evenals van alle medicijnverstrekkingen.

(…)

Indien in de fouillering van de ingeslotene medicijnen, recepten of briefjes van artsen worden aangetroffen dient terstond een verpleegkundige of arts te worden gewaarschuwd. (Aanbeveling Commissie Toezicht op Politiecellen 1991:3.1)"

3. Jaarverslag Commissie van Toezicht voor de Politiecellen Amsterdam-Amstelland 2004

"Aanbeveling 2:

'Nogmaals wordt gewezen op de wenselijkheid van een continu aanwezige arts of een verpleegkundige in de grote cellencomplexen.'

In het eerste jaarverslag van de Commissie, namelijk dat over 1989, werd aanbevolen: 'Verpleegkundige aanstellen voor problemen van geneeskundige aard die arrestantenverzorgers niet zelfstandig kunnen en mogen oplossen en waarvoor de komst van een arts niet noodzakelijk is.'

In het jaarverslag over 1991 werd aanbevolen:

'3.1 : Indien medicijnen, recepten of briefjes van artsen en ziekenhuizen in fouillering worden gevonden dan terstond arts waarschuwen.

4.2 : Alle bureaus waar arrestanten verblijven, dienen tweemaal per etmaal te worden bezocht door een GG&GD-arts.'

Daarna werden tot vorig jaar geen aanbevelingen op dit gebied gedaan.

Tijdens de gesprekken met de korpsleiding verklaarde deze een onderzoek te starten naar de mogelijkheden de aanbeveling op te volgen.

In het verslagjaar heeft de Commissie daar verder niets over gehoord. De aanbeveling moet dus herhaald worden.

Aanbeveling 5:

'Het is wenselijk dat alle voor de arrestantenzorg relevante informatie in de geautomatiseerde arrestantenadministratie wordt opgenomen. Zo kan bereikt worden dat bij het overdragen van een dienst of het overgaan van een arrestant naar een ander bureau bekend is wat al wel en wat niet gedaan is.'

Deze aanbeveling is op verschillende manieren gedaan vanaf het eerste verslag jaar 1989.

In bovenstaande formulering is de aanbeveling gedaan vanaf 1998.

In het verslagjaar werd vaak geconstateerd dat tal van relevante gegevens niet in de arrestantenadministratie 'gelogd' werden. Het zal duidelijk zijn dat het nodig is de aanbeveling te herhalen."

4. Jaarverslag Commissie van Toezicht voor de Politiecellen Amsterdam-Amstelland 2005

"Medische zorg

Sommige arrestanten hebben medische zorg nodig: omdat ze verwond zijn bij aanhouding, omdat ze zich onwel voelen, omdat ze medicijnen nodig hebben of omdat ze verslaafd zijn. Tot dit verslagjaar bestond de medische zorg uit het bezoek van een arts, op verzoek van een arrestant of het politiepersoneel. In het verleden werd onderscheid gemaakt tussen een 'drugsarts' voor het verstrekken van methadon aan verslaafden en een somatische arts voor de overige zaken, maar sinds enkele jaren worden beide taken door dezelfde arts vervuld.

In het jaarverslag over 2004 heeft de commissie geconcludeerd dat er op de cellencomplexen niet altijd voldoende aandacht en oplettendheid van arrestantenverzorgers is voor gezondheidsproblemen of medicijngebruik van arrestanten.

De commissie deed de aanbeveling voor een continue aanwezigheid van een arts of verpleegkundige te zorgen.

Tot grote tevredenheid van de commissie is dit verslagjaar de verpleegkundige er gekomen. Eerst als experiment, maar vanwege het succes hiervan al snel definitief. Er is een ploeg van zes ambulante verpleegkundigen aangesteld die op alle drie cellencomplexen werken. Zij zijn gedurende zeven dagen per week beschikbaar van 7.30 uur tot 23.00 uur. De eerste ervaringen zijn goed. Volgens het politiepersoneel scheelt de aanwezigheid van de verpleegkundigen veel uitzoekwerk door arrestantenverzorgers. Ook de verpleegkundigen bevalt het erg goed. Ze verlenen EHBO, adviseren arrestantenverzorgers over medische kwesties en fungeren als intermediair tussen arts, arrestantenverzorgers en arrestanten. De commissie heeft veel waardering voor deze duidelijke verbetering."

5. Jaarverslag Commissie van Toezicht voor de Politiecellen Amsterdam-Amstelland 2008

"Over de medische zorg aan arrestanten is de commissie over het algemeen tevreden. Dankzij de verpleegkundigen van de GGD die enige jaren terug zijn aangesteld op de cellencomplexen beschikken de arrestanten aldaar doorgaans over de medische zorg die zij behoeven. De verpleegkundigen verlenen de eerste medische zorg in cellencomplexen; zij werken als het ware als filter en bezien in welke gevallen zorg van de arts is geboden. Op de wijkteambureaus dienen de dienstdoende politieambtenaren indien nodig zelf een arts in te schakelen. Dit geldt uiteraard ook voor het politiepersoneel op de cellencomplexen als de verpleegkundige niet aanwezig is en zijn komst niet kan worden afgewacht. Dit leidt er soms toe dat er discussies ontstaan of de gezondheidsklachten van arrestanten inschakeling van een arts nodig maken. Hoewel de commissie zich realiseert dat niet alle klachten serieus zijn, is zij van mening dat bij twijfel een arts moet worden ingeschakeld. Uitgaande van dit principe - dat ook is vastgelegd in de Ambtsinstructie en het Dienstvoorschrift arrestantenzorg - constateert de commissie soms dat dit ten onrechte niet gebeurt.

(…)

De commissie constateert dat met de ingebruikneming van de vorig jaar aangeschafte defibrillatoren en de scholing van het personeel in het gebruik hiervan, de kwaliteit van de medische zorg wederom tot een hoger niveau is gebracht. De aanwezigheid van een verpleegkundige en de benodigde voorzieningen op de cellencomplexen laat echter onverlet dat op wijkteambureaus bij twijfelgevallen over de oprechtheid van gezondheidsklachten soms wordt besloten geen arts in te schakelen, terwijl dat in die gevallen juist wel dient te gebeuren."

Publicatiedatum
Rapportnummer
2009/289