2009/285

Instantie: Beheerder regiopolitie Gelderland-Midden

Klacht: Verwachtingen gewekt dat de klacht gegrond zou worden verklaard, maar uiteindelijk ongegrond verklaard.
Oordeel: niet gegrond

Instantie: Regiopolitie Gelderland Zuid

Klacht: Onvoldoende en/of onjuist geïnformeerd over de positie van getuigen die door de politie worden verhoord en wat er met hun verklaringen gebeurt, en de verwachtingen die zijn gewekt over het niet bekend maken van verzoekers identiteit niet gehonoreerd.
Oordeel: gegrond

Verzoekers zijn door de politie als getuigen gehoord over de moord op een vrouw door haar man. Allen behoren tot de Koerdische gemeenschap in dezelfde stad. Na veroordeling van de man en zijn twee broers zijn verzoekers en hun kinderen uitgescholden en bedreigd door familie van de daders, werd hun winkel geboycot en hebben zij uiteindelijk moeten verhuizen.

Verzoekers hebben de betrokken rechercheurs gezegd dat zij bang waren om te verklaren; ze wilden niet dat de verdachten hun verklaring zouden kunnen lezen. Zij klagen erover dat de politie hen onvoldoende heeft geïnformeerd over hun positie als getuige en verwachtingen heeft gewekt over het vertrouwelijk omgaan met hun personalia.

De rechercheurs hadden de angst bij verschillende getuigen opgemerkt, maar nadat zij uitleg hadden gegeven en hen hadden gerustgesteld , hebben verzoekers aan het verhoor meegewerkt. Uit de klachtbehandeling door het politiekorps leidde de Nationale ombudsman af dat de politiemensen niet hadden verteld dat geen wettelijke verplichting bestaat om tegenover de politie te verklaren en verder dat de politie vindt dat zij die informatie ook niet hoeft te geven. De Nationale ombudsman is het daar niet mee eens. Getuigen verdienen erkenning als personen aan wie (grond)rechten toekomen en - zo benadrukt de Nationale ombudsman vanuit zijn taak - die overeenkomstig vereisten van behoorlijkheid moeten worden behandeld. Daartoe behoort dat zij evenwichtig worden geïnformeerd, opdat zij weten waar zij aan toe zijn en zonodig worden beschermd. Verzoekers verkeerden in een kwetsbare positie; daarvoor hebben de politiemensen onvoldoende oog gehad en zij hebben verzoekers onvoldoende geïnformeerd. Daarbij heeft de Nationale ombudsman overwogen dat uit artikel 6 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens voor politie en justitie een plicht voortvloeit grondrechten van getuigen te bewaken.

De klacht was gegrond wegens schending van het beginsel van fair play.

De Nationale ombudsman deed aan de korpsbeheerder de aanbeveling om met verzoekers te overleggen over een passende vorm van compensatie.

Verzoekers' klacht over de klachtbehandeling door het politiekorps was niet gegrond.

Verzoekers klagen over het optreden van ambtenaren van het regionale politiekorps Gelderland-Midden die betrokken zijn geweest bij het verhoor van verzoekers als getuigen in een strafzaak. Met name klagen verzoekers erover dat zij onvoldoende en/of onjuist zijn geïnformeerd over de positie van getuigen die door de politie worden verhoord en wat er met hun verklaringen gebeurt, en dat de verwachtingen die zijn gewekt over het niet bekend maken van hun identiteit niet zijn gehonoreerd.

Daarnaast klagen verzoekers erover dat de korpsbeheerder van het regionale politiekorps Gelderland-Midden verwachtingen heeft gewekt dat de klacht gegrond zou worden verklaard, maar uiteindelijk deze ongegrond heeft verklaard.

Beoordeling

Algemeen

Op 27 december 2000 werd in de woonplaats van verzoekers een vrouw van Koerdische afkomst vermoord. Daags na de steekpartij met dodelijke afloop hoorde de politie enkele ooggetuigen. Zij vertelden dat zij de echtgenoot van de vrouw en zijn broer hadden zien steken met een mes. De echtgenoot verklaarde enkele dagen later tegenover de politie dat hij zijn vrouw had gestoken omdat zij hem had vernederd. Het verhoor van een andere getuige wees kort daarna uit dat de echtgenoot, de al genoemde broer en een tweede broer enkele dagen voor de moord hadden besproken dat de problemen rond de vrouw moesten worden opgelost. Zij moest gedood worden, om de eer van de echtgenoot en zijn familie te redden.

De (tweede) broer die niet bij de steekpartij aanwezig was, werkte in de winkel van verzoekers, die zelf ook van Koerdische afkomst zijn. Zij werden in het kader van het strafrechtelijk onderzoek naar de moord gehoord door ambtenaren van het regionale politiekorps Gelderland-Midden. Op 15 januari 2001 werd mevrouw B. op het politiebureau als getuige gehoord. De heer B. werd wegens verblijf in het buitenland pas op 24 januari 2001 door de politie gehoord, eveneens als getuige. Beiden legden in aanwezigheid van een tolk een verklaring af. De verklaringen van verzoekers maakten deel uit van het dossier van de strafzaak en worden hierna onder 2. besproken.

De echtgenoot van het slachtoffer en de bij de steekpartij betrokken broer werden in 2001 veroordeeld wegens moord. Vanwege zijn rol bij de voorbereiding en besluitvorming werd de andere broer in 2002 veroordeeld tot 14 jaar gevangenisstraf wegens medeplegen van moord.

Verzoekers en hun kinderen waren vanaf 2001 het slachtoffer van herhaalde bedreigingen uit de (familie)kring rond de daders. Klanten werden bedreigd en bleven weg uit hun winkel. Verzoekers hebben schuldsanering aangevraagd. Verzoekers gaven bij de politie aan dat zij slachtoffer waren van eerwraak. Mutaties uit het

bedrijfsprocessensysteem van de politie en rapportages uit de interne klachtbehandeling lieten zien dat deze problematiek is onderkend door de politie en verschillende andere instanties, samenwerkend in het Veiligheidshuis. Volgens verzoekers leidde dit niet tot een oplossing. Het Schadefonds Geweldsmisdrijven kende in deze kwestie een uitkering toe voor immateriële schade.

Verzoekers waren ontevreden over de politie en hebben zich op 2 maart 2004 gewend tot de Nationale ombudsman. Omdat nog geen interne klachtbehandeling had plaatsgevonden, stuurde de Nationale ombudsman de klacht door naar het regionale politiekorps. De korpsbeheerder verklaarde hun klacht op 23 juli 2007 ongegrond, waarna verzoekers hun klacht nogmaals aan de Nationale ombudsman hebben voorgelegd.

I. De klacht over het verhoor door de politie en toezeggingen daarbij

Bevindingen

1. Verzoekers stelden dat politieambtenaren hen tijdens het getuigenverhoor toezegden dat zij anoniem een verklaring konden afleggen.

Mevrouw B. stelde dat ze tijdens het verhoor zei dat het voor haar van het grootste belang is dat haar mogelijk belastende verklaring tegen (één van) de verdachten, alsmede haar personalia, niet kenbaar worden gemaakt aan de verdachten. Dit omdat anders haar privéleven en haar zakelijke leven alsmede het leven van haar gezin aan gevaar zouden worden blootgesteld.

Volgens verzoekers zegden de verbalisanten mevrouw B. toe dat haar verklaring, alsmede haar personalia, uit het dossier van de verdachten zouden worden gehouden. Hetzelfde was aan verzoeker in het vooruitzicht gesteld. Dit gebeurde niet en de verdachten in de strafzaak hebben kennis genomen van de verklaringen van verzoekers omdat deze in het dossier aanwezig waren. Hierdoor raakte het leven van verzoekers ontwricht en zagen zij zich gedwongen om hun zaak te sluiten.

2. Het proces-verbaal dat is opgemaakt van verzoeksters verhoor op 15 januari 2001, vermeldt allereerst wat zij heeft verteld over de contacten tussen haar en de familie waarin de moord plaatsvond. Daaruit blijkt dat de man die bij verzoekers in de winkel werkt, broer is van de twee mannen die op dat moment al waren aangehouden. Eén daarvan is de echtgenoot van het slachtoffer, de ander woont in dezelfde flat als verzoekers. De drie broers spreken elkaar wel in de winkel. Verzoekster verklaarde ook over de problemen tussen het latere slachtoffer en de (schoon)familie van die vrouw. Verder beantwoordde verzoekster vragen over een mes dat uit de winkel vermist was.

Ook verzoeker verklaarde tegenover de politie over wat hij anderen over die problemen had horen zeggen. De problemen hadden al geleid tot een steekpartij, waarbij de betreffende familie betrokken was en tot de ontvoering naar Irak van een kind uit de familie.

De heer B. overhandigde tenslotte een petitie die hij in zijn functie als bestuurslid van het Koerdisch centrum in zijn woonplaats had ontvangen. In die petitie, die was ondertekend door 55 mensen van Koerdische afkomst, werd onder meer afkeer uitgesproken over de moord.

Beide processen-verbaal sluiten af met een noot van de verbalisant dat de personalia van de ingeschakelde Irakees/Koerdische tolk bekend zijn bij de leider van het opsporingsonderzoek.

Informatie uit de interne klachtbehandeling

3. De twee ambtenaren die in het strafrechtelijk onderzoek verklaringen hadden afgenomen, werden in 2005 gehoord door Bureau Interne Zaken (BIZ) van het korps. Dit waren rechercheur BS. en rechercheur G. BIZ hoorde ook de bij het strafrechtelijk onderzoek betrokken tolken.

3.1. Rechercheur BS. verklaarde tegenover BIZ als volgt. Zijn collega G. verhoorde verzoekers. Hij herinnerde zich niets meer van deze specifieke verhoren, noch van enige terughoudendheid bij getuigen om een verklaring af te leggen. Hij kon zich ook niet herinneren dat getuigen hier hun zorg over uitspraken. BS. dacht dat alle getuigen zonder veel problemen een verklaring aflegden. Hij had nog nooit toezeggingen gedaan aan getuigen om hun personalia en verklaring uit het verdachtendossier te houden. Hij werkte sinds 2000 bij de recherche. Hij verklaarde wel ervaring te hebben met getuigen die tijdens een onderzoek angst hadden om een verklaring af te leggen. Hij deed hierbij de ervaring op dat als hij goed en duidelijk uitlegde wat de procedure is en wat de waarde van een getuigenverklaring is, dat de getuige dan alsnog een verklaring aflegde. Hij had nog nooit meegemaakt dat een getuige geen verklaring aflegde.

3.2. Rechercheur G. verklaarde tegenover BIZ als volgt. Hij had in het strafrechtelijk onderzoek naar de moord meerdere getuigen gehoord. Hij kon zich het verhoor van verzoeker niet herinneren. Het verhoor van verzoekster kon hij zich wel herinneren. Hij kon zich verder herinneren dat de meeste getuigen hun afschuw uitspraken over de moord maar dit liever niet op papier wilden zetten. Hij wist ook nog dat enkele getuigen bang waren. G. verklaarde dat door het schetsen van de procedures en het appelleren op hun verantwoordelijkheidsgevoel, getuigen alsnog een verklaring aflegden. G. verklaarde dat er geen toezeggingen zijn gedaan dat de verklaringen en personalia uit het verdachtendossier werden gehouden. Hij werkte op het moment van de verklaring zo'n 5 à 6 jaar als rechercheur en hij had dit nog nooit tegen een getuige gezegd omdat hij wist dat het niet zijn bevoegdheid was om hierover te beslissen.

G. verklaarde verder dat hij in verband met een melding in februari 2005 met verzoekster heeft gesproken. Zij vertelde dat zij hun zaak waren kwijtgeraakt als gevolg van hun getuigenverklaringen. G. kon zich gezien zijn ervaringen tijdens het strafrechtelijke onderzoek naar de moord wel voorstellen welke problemen zij mogelijk ondervond. Daarnaast was eerwraak op dat moment nadrukkelijk in de media onder de aandacht. Hij heeft vervolgens contact opgenomen met het Veiligheidshuis om te proberen een oplossing te bewerkstelligen. Uiteindelijk is gebleken dat verzoekster niet geholpen kon worden omdat ze te hoge eisen stelde aan een oplossing.

3.3. De tolk die aanwezig was geweest bij de verhoren van verzoekers verklaarde als volgt. Hij kon zich herinneren dat alle getuigen in het onderzoek angst hadden om tegenover de politie een verklaring af te leggen. Hij kon zich herinneren dat alle getuigen bij aanvang van het verhoor werd verteld dat ze niet verplicht waren een verklaring af te leggen. De tolk kon zich tevens herinneren dat de rechercheurs tijdens het onderzoek gemerkt hadden dat er veel angst bij de getuigen was. Voor zover de tolk zich kon herinneren, is er aan de beide verzoekers geen toezegging gedaan dat hun verklaringen en hun personalia uit het verdachtendossier zouden worden gehouden. De tolk kon zich geen enkel verhoor in het strafrechtelijk onderzoek herinneren waarin dat wel het geval was. De tolk verklaarde dat hij het zich wel herinnerd zou hebben als er wel dergelijke toezeggingen zouden zijn gedaan.

4. Van de zitting van de klachtencommissie (van regiopolitie Gelderland-Midden) op 4 juli 2006 is een verslag gemaakt. Daaruit vermeldt de Nationale ombudsman hier wat niet al hierboven bij 2. en 3. is genoemd. Verzoekster verklaarde dat haar wel degelijk duidelijk was verteld door de verhorende rechercheurs dat alles geheim zou blijven. Ze had alles verteld wat ze wist. Later kwam de familie van de moordenaar bij haar en vroeg wat ze gedaan had.

BS. verklaarde dat al een verdachte was opgepakt op het moment dat de heer en mevrouw B. werden gehoord als getuigen.

G. vertelde dat aan de hand van de verklaring van mevrouw B. een verdere verdachte was aangehouden en voorts - kennelijk over de getuigenverhoren - :

"Er is door ons (BS. en G.; N.o.) ruim de tijd genomen om de mensen uit te leggen wat de bedoeling was en ze gerust te stellen. Er is niet van uitgegaan dat er problemen zouden ontstaan."

5. De korpsbeheerder achtte de klacht niet gegrond en verwees voor de motivering van dit oordeel naar het advies van de klachtencommissie.

Deze stelde voorop:

"… dat de zaak waarin klagers als getuigen werden gehoord als zeer ernstig was te bestempelen; er was immers een moord gepleegd waardoor de rechtsorde in hoge mate geschokt was. Het was daarbij zaak dat ten spoedigste overgegaan kon worden tot het aanhouden van een of meerdere verdachten en dat de zaak tot klaarheid kwam. Naar het oordeel van de klachtencommissie paste daarin niet dat de verhorende ambtenaren in die fase van het onderzoek getuigen erop wezen dat zij geen gehoor hoefden te geven aan een oproep om als getuige een verklaring af te leggen. Dit in het licht van het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering dat niet-meewerkende getuigen zelfs gedwongen kunnen worden een verklaring af te leggen. De door de verhorende ambtenaren BS. en G. gemaakte afweging van belangen acht de klachtencommissie dan ook alleszins verdedigbaar en onder de geschetste omstandigheden juist. De klachtencommissie adviseert de klacht op dit punt dan ook ongegrond te verklaren.

Met betrekking tot de andere punten is de klachtencommissie van oordeel dat klagers een verzoek ter waarborging van hun anonimiteit zelf aan de orde hadden moeten en kunnen stellen. Van de verhorende politiemensen had niet verwacht behoeven te worden dat zij de getuigen op rechtens alle mogelijkheden dus ook op die waarborging van anonimiteit hadden moeten attenderen. Klagers als getuigen maakten immers deel uit van een grote groep getuigen die in deze ernstige zaak in het kader van het gerechtelijk vooronderzoek zijn gehoord en redelijkerwijs kon niet op voorhand worden aangenomen dat zij als bedreigde getuigen dienden te worden aangemerkt. Naar het oordeel van de klachtencommissie is eerst in de loop van het strafrechtelijk onderzoek de focus in de strafzaak mede gericht geworden op het aspect eerwraak. Doch toen bleek dat bedoelde eerwraakzaak niet klagers persoonlijk en evenmin hun familie betrof, vormde dit een extra argument voor BS. en G. om klagers niet te wijzen op de mogelijkheid van het hen verlenen van de status van bedreigde getuige. Deze naar het oordeel van de klachtencommissie juiste opstelling laat zich ook goed verklaren uit het gegeven dat het klagers waren die tijdens hun verhoren een lijst aan de politie hebben overgelegd met namen van landgenoten die evenals zij eerwraak afkeurden. Daarmee hebben klagers impliciet zelf hun anonimiteit opgeheven. In dit verband acht de klachtencommissie het ook een terechte gang van zaken zoals BS. en G. op de zitting van 4 juli 2006 verklaarden dat zij voor en tijdens de verhoren van de getuigen inlichtingen hebben ingewonnen omtrent eerwraak zodat zij - BS. en G. - op een goede wijze bedoelde belangenafweging konden maken.

De klachtencommissie is van oordeel dat uit de stukken niet blijkt van schending van de informatieplicht jegens klagers. Uit geen enkele, door klagers ondertekende, verklaring valt op te maken dat richting klagers toezeggingen zijn gedaan hun namen uit het dossier te laten en ook niet dat er sprake van zou zijn geweest dat klagers daarom verzocht hebben. Van de zijde van de politie had, gezien het bovenstaande, ook niet verwacht mogen worden dat zij hieromtrent contact opgenomen zou hebben met de officier van justitie…"

Op grond van het vorenstaande adviseerde de klachtencommissie en besloot de korpsbeheerder de klacht(en) ongegrond te verklaren.

Procedure Nationale ombudsman

6. De advocaat van verzoekers voerde bij het indienen van de klacht bij de Nationale ombudsman het volgende aan ter aanvulling van het standpunt van verzoekers.

"…De verbalisanten hadden verzoekers moeten wijzen op het recht dat zij op het moment van verhoor in het geheel geen verklaring hoefden af te leggen, totdat de rechterlijke macht hierover een oordeel had geveld, nu zij duidelijk hebben gesteld dat zij geen verklaring wilden afleggen omdat zij - juridisch geformuleerd - zich zodanig bedreigd achtten, dat op dat moment redelijkerwijs moest worden aangenomen dat voor het leven, de gezondheid of de veiligheid dan wel de ontwrichting van het gezinsleven of het sociaal-economisch bestaan van verzoekers moest worden gevreesd, althans dat verzoekers deze mening in ieder geval waren toegedaan, en dat verzoekers in deze bedreiging reden zagen geen verklaring te willen afleggen. De verbalisanten hadden verzoekers erop moeten wijzen dat in dat soort gevallen de rechterlijke macht moet beslissen of aan hen de status van bedreigde getuigen kon worden verleend en/of dat zij alsnog een verklaring moeten afleggen ten overstaan van de rechter-commissaris. ..."

Hij voerde verder aan dat het uit een oogpunt van zorgvuldigheid op de weg van de verhorende rechercheurs had gelegen te onderzoeken of leven, gezondheid, veiligheid dan wel gezinsleven of sociaal-economisch bestaan van verzoekers werd bedreigd en om contact op te nemen met de zaaksofficier. Deze had immers bij de rechter-commissaris een vordering kunnen doen tot het anoniem horen van getuigen. Zou zo'n vordering niet zijn gedaan of gehonoreerd, dan hadden de verbalisanten uitdrukkelijk aan verzoekers moeten vragen of zij niettemin (verder) wilden verklaren en hen erop wijzen dat daartoe geen verplichting bestond. Door dit na te laten hebben de verbalisanten tevens in strijd met de zorgvuldigheid jegens verzoekers gehandeld.

7. In haar reactie op de klacht bleef de korpsbeheerder bij haar standpunt dat de klacht op alle onderdelen ongegrond is. Verzoekers zijn niet onjuist of onvolledig geïnformeerd over hun positie als getuige en er is geen garantie gegeven voor anonimiteit. Alle getuigen waren wel angstig om te verklaren, maar de verklaringen zijn uiteindelijk in vrijheid afgelegd.

Beoordeling

8. Uit de bevindingen van het onderzoek leidt de Nationale ombudsman af dat verzoekster en hoogst waarschijnlijk ook verzoeker bij gelegenheid van hun verhoor door de politie hebben kenbaar gemaakt dat zij bang waren om over de moord te vertellen.

De Nationale ombudsman heeft weinig exacte informatie over wat tussen verzoekers en de politie is besproken bij aanvang van hun verhoren. In de betreffende processen-verbaal is daarover niets te vinden. Pas jaren later hebben de bij de verhoren aanwezige personen daarover een en ander verteld in het kader van de interne klachtprocedure.

Daaruit maakt de Nationale ombudsman op dat bij de verhorende politiemensen bekend was dat (vele van) de te horen personen bang waren om te verklaren en/of huiverig waren voor het vastleggen van hun woorden op papier.

De kern van de klacht betreft de wijze waarop de verhorend rechercheurs hiermee zijn omgegaan. Hebben zij zich op de hoogte gesteld van de achtergrond van deze angst, hebben zij naar oplossingen gezocht, hebben zij verzoekers goed geïnformeerd?

9. De Nationale ombudsman toetst hierbij aan het beginsel van fair play. Dit houdt voor bestuursorganen in dat zij burgers de mogelijkheid geven hun processuele kansen te benutten. Dat betekent onder meer dat personen die in een opsporingsonderzoek door de politie worden gehoord met het oog op het verkrijgen van informatie (hierna te noemen: getuigen), worden geïnformeerd over hun (rechts)positie.

In dit kader is voorts van belang dat bij opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten niet alleen grondrechten van verdachten en slachtoffers, maar ook die van getuigen in het gedrang kunnen komen. Het kan daarbij bijvoorbeeld gaan om het recht op leven, op lichamelijke integriteit, op privacy. De getuige dient te worden beschermd tegen inbreuken daarop. Daartoe is onder andere een wettelijke regeling betreffende anonieme c.q. bedreigde getuigen ontworpen (Achtergrond, nr. 2). Verder heeft het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in 1996 met zoveel woorden overwogen dat het aan bij de strafrechtspleging betrokken instanties is om ook de grondrechten van getuigen te bewaken (arrest Doorson, Achtergrond, nr. 1).

10. De informatie van rechercheur G. wijst erop dat hij op de uitingen van vrees bij de getuigen heeft gereageerd met uitleg van procedures, vertellen wat de bedoeling was, geruststellen en appelleren aan het verantwoordelijkheidsgevoel van de getuigen. Deze hebben toen alsnog een verklaring afgelegd, aldus G.

Misschien is G. aldus tot op zekere hoogte tegemoetgekomen aan de bij verzoekers aanwezige behoefte aan informatie. Zouden zij bijvoorbeeld bevreesd zijn geweest voor een confrontatie met de verdachten ("kruisverhoor"), dan kon uitleg over de gang van zaken in het politieonderzoek en ter zitting - waar een treffen tussen getuigen en verdachten veelal kan worden vermeden - als afdoende worden beschouwd. De Nationale ombudsman is echter van oordeel dat uitleg geen passend antwoord is op uitingen van vrees voor represailles buiten de rechtszaal of het politiebureau. De weinige gegevens over wat de rechercheurs verzoekers in de aanloop naar het verhoor hebben verteld wijzen erop dat hun inspanningen primair gericht zijn geweest op het verkrijgen van medewerking van de verschillende getuigen, op het opsporen van andere dan de al aangehouden verdachten, op bewijsgaring.

De Nationale ombudsman vindt geen aanwijzingen dat de rechercheurs verzoeker hebben gewezen op hun recht niet aan politieonderzoek mee te werken. Kennelijk hebben zij zich niet bekommerd om de gevolgen voor de getuigen (waaronder verzoekers) van die medewerking, althans hebben niet daarnaar gehandeld. Zij lijken zich niet (voldoende) te hebben gerealiseerd dat op grond van het EVRM beschermde belangen van getuigen niet onnodig in gevaar mogen worden gebracht. Intussen was er reden om daar minimaal bij stil te staan:

- niet alleen verzoekers, maar ook andere getuigen uitten bedenkingen tegen een politieverhoor en het vastleggen daarvan;

- verzoekers en de familie waarin de moord werd gepleegd, behoorden niet alleen tot dezelfde Koerdische gemeenschap, maar waren bovendien aan elkaar gerelateerd als bewoners van hetzelfde flatgebouw, winkelier-klant en werkgever-werknemer.

11. Ook de overwegingen van de klachtcommissie, overgenomen door de korpsbeheerder in haar besluit op verzoekers klacht, wijzen in de richting van onvoldoende oog voor de positie van verzoekers.

De commissie spreekt van een afweging door de verhorende rechercheurs van belangen: enerzijds het belang van ophelderen van een ernstig levensdelict en aanhouden van verdachten, en anderzijds het belang van de getuigen om niet te verklaren. Deze afweging resulteerde in het niet meedelen aan de getuigen dat zij geen gehoor hoefden te geven aan een oproep om een verklaring af te leggen. De commissie is het hiermee eens en verwijst naar het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering dat niet-meewerkende getuigen gedwongen kunnen worden een verklaring af te leggen (hierboven Bevindingen, nr. 5).

12. De Nationale ombudsman vindt deze redenering niet juist.

Alleen voor getuigen die door de strafrechter worden opgeroepen geldt dat zij verplicht zijn te verschijnen en als regel ook dat zij verplicht zijn om te verklaren. Keerzijde is dat voor bepaalde situaties wettelijke uitzonderingen bestaan, bijvoorbeeld voor verschoningsgerechtigden. Verder zijn in de afgelopen 15 à 20 jaar diverse bepalingen in het Wetboek van Strafvordering opgenomen die mede tot doel hebben om in het EVRM en/of Grondwet toegekende grondrechten van getuigen te beschermen.

Personen aan wie door de politie wordt verzocht om als getuigen te worden gehoord mogen weg blijven en zijn niet verplicht vragen te beantwoorden. Omdat bij de politie geen spreekplicht bestaat, zijn bepalingen over gevallen waarin de getuige bij de politie mag zwijgen overbodig. De getuige echter die in de veronderstelling verkeert dat hij tegenover de politie moet spreken, valt in dit systeem tussen wal en schip (vergelijk Nationale ombudsman-rapport 2009/128). Voor een getuige die represailles te vrezen heeft, betekent dit dat hij door onwetendheid in een gevaarlijke situatie kan komen te verkeren; het is aan de politie om dit te voorkomen.

De Nationale ombudsman is dan ook van oordeel dat de politie heeft gehandeld in strijd met het vereiste van fair play, door het verhoor van verzoekers door te zetten zonder verzoekers goed over hun (rechts)positie te informeren of de nodige voorzieningen ter bescherming te treffen.

De onderzochte gedraging is niet behoorlijk.

Deze beoordeling vormt voor de Nationale ombudsman aanleiding om een aanbeveling te doen.

II. De klacht over de klachtbehandeling en het daarbij gewekte vertrouwen

Bevindingen

1. Chronologisch feitenoverzicht

Verzoekers wendden zich op 2 maart 2004 tot de Nationale ombudsman. Die stuurde de klacht op 10 mei 2004 door naar de korpsbeheerder voor behandeling.

Op 23 juli 2004 werd het Bureau Interne Zaken (BIZ) van het korps verzocht een intern onderzoek naar de klacht te doen. In de BIZ-rapportage staat onder meer dat in verband met prioriteitstelling pas in april 2005 kon worden begonnen met het onderzoek. Bij afronding van het onderzoek meldde BIZ eind april 2005 aan de korpschef dat de zaak verder als klacht kon worden afgedaan.

Na rappel van de advocaat van verzoekers bevestigde de korpsbeheerder op 3 juni 2005 aan verzoekers dat de klacht van verzoekers in behandeling genomen zou worden conform de Klachtenregeling politie Gelderland-Midden. De advocaat van verzoekers stuurde op 14 februari 2006 opnieuw een rappel omdat er niet conform gemaakte afspraken een onderhoud zou plaatsvinden. Op 8 maart 2006 vond er een gesprek plaats tussen de klachtbehandelaar van de politie en verzoekers.

Op 4 juli 2006 behandelde de klachtencommissie de klacht ter zitting. De klachtencommissie constateerde dat zij op basis van de voorhanden gegevens en stukken niet tot een goed onderbouwd advies kon komen en vroeg de korpsbeheerder om aanvullende stukken. Het betrof de verklaringen van verzoekers ten tijde van het strafrechtelijke onderzoek, een verklaring van de betrokken tolk, en mutaties die voor de behandeling van de klacht van belang kunnen zijn.

Op 20 oktober 2006 bracht de klachtencommissie advies uit aan de korpsbeheerder. In dit advies moest de klachtencommissie vaststellen

"dat de korpsbeheerder in het geheel niet aan haar verzoek heeft voldaan, zelfs niet nadat nadien nog meerdere malen zowel mondeling alsook eenmaal schriftelijk gewezen is op het belang van bedoelde stukken en dat er aan het niet voldoen door de klachtencommissie daaraan die consequenties zullen kunnen worden verbonden die haar geraden voorkomen".

Het advies strekte tot gegrondverklaring van de klacht van verzoekers dat de politie de gedane toezeggingen dat hun identiteit als getuige in de strafzaak geheim zou blijven, niet is nagekomen.

Op 27 februari 2007 herinnerde de advocaat van verzoekers de korpsbeheerder eraan dat er nog steeds geen inhoudelijke reactie op de klacht was. Zij informeerde verzoekers op 19 april 2007 dat er opnieuw een hoorzitting zou plaatsvinden van de klachtencommissie omdat een aanvullend advies werd gevraagd. De korpsbeheerder heeft de gevraagde informatie alsnog aangeleverd en de klachtencommissie gevraagd om op basis van deze nieuwe feiten een nieuw advies uit te brengen.

Op 22 mei 2007 hield de klachtencommissie haar tweede zitting.

Op 7 juni 2007 ontving de korpsbeheerder het 'Aanvullende advies' van de klachtencommissie. Op basis van de nieuwe informatie adviseerde de klachtencommissie om de klachten ongegrond te verklaren. Op 23 juli 2007 oordeelde de korpsbeheerder over de klacht en informeerde verzoekers over haar standpunt. Beide adviezen van de klachtencommissie werden eveneens aan verzoeker gezonden. De korpsbeheerder achtte de klachten ongegrond en verwees daarvoor naar het (tweede) advies van de klachtencommissie.

2. Standpunt van verzoekers

Verzoekers zijn van mening dat zij mochten vertrouwen op een positieve uitspraak van de korpsbeheerder. Uit het eerste advies aan de korpsbeheerder bleek dat geadviseerd wordt de primaire klacht van cliënten gegrond te verklaren én dat de korpsbeheerder door de klachtencommissie met niet misverstane bewoordingen op de (zeer) ruime overschrijding van de behandelingstermijnen wordt gewezen.

Hun advocaat schreef voorts:

"…Alhoewel (verzoekers) beseffen dat aan een (ruime) termijnoverschrijving door een bestuursorgaan in een procedure op zich volgens de bestuursrechtelijke jurisprudentie geen rechtsgevolgen kunnen worden verbonden, neemt deze gang van zaken naar het oordeel van cliënten niet weg dat met deze handelwijze, of beter gezegd het nalaten, van de korpsbeheerder bij (verzoekers) het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de korpsbeheerder het advies om de primaire klacht van cliënten gegrond te verklaren zou overnemen. Dit gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt op de behandelingstermijnen van het bepaalde in artikel 9 van de klachtenregeling politie Gelderland-Midden.

Immers het had op de weg van de korpsbeheerder gelegen dat in het geval zij het niet met dit advies eens was geweest, binnen de termijn die artikel 9 van de klachtenregeling politie Gelderland-Midden (zie Achtergrond; N.o.), cliënten hierover te berichten. Door dit na te laten en het advies onaangetast te laten voor een periode die ook door de klachtencommissie in haar "aanvullend advies" als verbazingwekkend wordt gezien, heeft bij cliënten het gerechtvaardigd vertrouwen doen ontstaan dat de korpsbeheerder het advies van de klachtencommissie van oktober 2006 zou volgen. Cliënten hebben een zeer ruime tijd met de gedachte geleefd dat hun klacht gegrond zou worden verklaard. …"

De advocaat stelde eveneens dat de korpsbeheerder in de brief waarbij zij de beslissing op de klacht toezond, weliswaar excuses aanbood voor de termijn van afhandeling van de klacht, maar niet motiveerde waarom het gerechtvaardigd vertrouwen van verzoekers in het advies van oktober 2006 niet gehonoreerd is. De korpsbeheerder had dit wel moeten motiveren, nu het vertrouwensbeginsel in dit soort procedures een feit van algemene bekendheid is.

Daarnaast schreef de advocaat dat de korpsbeheerder niet via een omweg een voor de politie negatief advies van oktober 2006 (waaraan cliënten zoals hiervoor gemotiveerd een gerechtvaardigd vertrouwen hebben kunnen ontlenen dat het advies zou worden opgevolgd) alsnog kan omzeilen door (in flagrante strijd met artikel 9 van de klachtenregeling politie Gelderland-Midden) nadere stukken over te leggen en een positief advies te verkrijgen.

3. Standpunt korpsbeheerder

In antwoord op een verzoek van de Nationale ombudsman om te reageren op deze klacht merkte de korpsbeheerder op dat door haar geen vertrouwen kan zijn gewekt dat de klacht gegrond zou worden verklaard. Daartoe voerde zij aan dat het eerste advies van de commissie niet was gestoeld op enige inhoudelijke grond, maar slechts op het ontbreken van voldoende informatie. Bovendien is het advies waarin de klacht gegrond werd geacht pas met het definitieve besluit op de klacht aan verzoekers toegezonden. De stelling dat verzoekers maandenlang in de veronderstelling hebben verkeerd dat hun klacht gegrond zou worden verklaard, kan dan ook geen stand houden, aldus de korpsbeheerder.

Zij is het niet met verzoekers eens dat zij op grond van artikel 9 van de klachtenregeling binnen twee weken met verzoekers in contact had moeten treden indien zij het niet eens was met het (eerste) advies.

Ten slotte herhaalde de korpsbeheerder haar excuses voor de veel te lange duur van de klachtbehandeling.

Beoordeling

4. Het vereiste van rechtszekerheid houdt onder meer in dat gerechtvaardigde verwachtingen van burgers en organisaties jegens bestuursorganen door die bestuursorganen worden gehonoreerd. Zo'n verwachting kan bijvoorbeeld betreffen de inhoud van een op handen zijnde beslissing van het bestuursorgaan.

5. Allereerst moet worden bezien op basis waarvan bij verzoekers het vertrouwen is ontstaan dat hun klacht gegrond zou worden geacht.

De Nationale ombudsman is het met de korpsbeheerder eens dat dit niet (de tekst van) het eerste advies van 20 oktober 2006 kan zijn geweest, immers verzoekers waren daar niet eerder mee bekend dan met de beslissing zelf. Overigens, als verzoekers wel eerder hadden geweten van de inhoud van dat advies, dan nog zou een daarvan afwijkende beslissing van de korpsbeheerder in beginsel geen schending van het vertrouwensbeginsel hebben opgeleverd. De korpsbeheerder is immers niet aan een advies van de commissie gebonden. Dat vloeit voort uit de term "advies", maar blijkt ook uit artikel 9:16 Awb welke bepaling een motiveringsplicht formuleert voor het geval een bestuursorgaan in zijn beslissing op een klacht afwijkt van het advies. (Zie Achtergrond, nr. 3.)

6. Misschien heeft het almaar uitblijven van een beslissing verzoekers hoop gegeven op een voor hen gunstige afloop van de klachtprocedure. De lange duur vormt op zich echter geen omstandigheid waarop een gerechtvaardigde verwachting van een bepaalde uitkomst van de procedure kan worden gebaseerd.

7. Ten slotte kan de Nationale ombudsman verzoekers intermediair niet volgen waar deze zich beroept op artikel 9 van de klachtenregeling van het politiekorps. In aanvulling op de regels voor klachtafhandeling van hoofdstuk 9 Algemene wet bestuursrecht geeft deze bepaling in de leden 1 tot en met 3 enige voorschriften voor de eerste fase van klachtbehandeling. (Zie Achtergrond, nr. 4.) Kort na ontvangst van de klacht moet mondeling contact worden opgenomen met het oog op de mogelijkheid van een informele oplossing. Over de fase waarin de klachtencommissie wordt ingeschakeld ter voorbereiding van de beslissing van de korpsbeheerder staat in artikel 9 in feite niet meer dan dat hoor en wederhoor moet plaatsvinden. De Nationale ombudsman vindt hierin geen aanwijzing dat het inwinnen van nadere gegevens of het nogmaals vragen van advies niet behoorlijk zou zijn.

De onderzochte gedraging is behoorlijk.

SLOTBESCHOUWING

Verzoekers zijn in januari 2001 door de politie gehoord als getuige in het kader van een onderzoek naar een moord binnen de Koerdische gemeenschap, waartoe zij zelf ook behoren. Hun verklaring is bekend geworden bij familie van de daders. Deze heeft verzoekers belaagd en bedreigd, zo ernstig dat verzoekers hun winkel hebben moeten sluiten en zijn verhuisd. Dat verzoekers voor dit soort consequenties beducht waren, hadden zij al bij aanvang van hun verhoor aan de betrokken rechercheurs laten weten. Mededelingen van de rechercheurs hadden verzoekers ertoe gebracht toch te vertellen over de moord.

Nadat zij in de problemen waren gekomen door hun bijdrage aan het opsporingsonderzoek, hebben verzoekers in 2004 klachten over de politie ingediend. De behandeling heeft ongekend lang geduurd: ruim drie jaren. Voor verzoekers betekende dit dat zij extra lang in onzekerheid verkeerden over de afloop en voor de intermediair, die zich telkens op de hoogte moest stellen van de voortgang, extra werk. Een ander gevolg was, dat sinds de bewuste verhoren al bijna zeven jaren waren verstreken voordat de Nationale ombudsman de zaak eind 2007 kon opstarten. Voor verder onderzoek naar de toedracht was het toen te laat. Dit rapport geeft dan ook minder dan de Nationale ombudsman zou wensen antwoord op vragen over de gebeurtenissen waarover verzoekers de Nationale ombudsman hebben benaderd. Meer aandacht is er in dit rapport voor de kwestie die in de klacht wordt aangesneden: de positie van de getuige in het opsporingsonderzoek en meer in het bijzonder de wijze waarop de politie omgaat met personen die zij als getuige wil horen.

Getuigen verdienen erkenning als personen aan wie (grond)rechten toekomen en - zo benadrukt de Nationale ombudsman vanuit zijn taak - die overeenkomstig vereisten van behoorlijkheid moeten worden behandeld. Daartoe behoort dat zij evenwichtig worden geïnformeerd opdat zij weten waar zij aan toe zijn en zo nodig worden beschermd. Deze zaak wijst erop dat dit uitgangspunt nog niet (althans niet in de betrokken regio) tot de politiepraktijk was doorgedrongen, niet in het onderzoek naar de moord in 2000, maar ook niet ten tijde van de beoordeling van de klacht door de politie in 2006.

De korpsbeheerder stelde immers voorop dat een zeer ernstig misdrijf was gepleegd dat snel moest worden opgelost en dat het in die situatie niet paste getuigen erop te wijzen dat ze niet hoefden te verklaren. Ook wijst de redenering van de korpsbeheerder erop dat zij niet snel van rechercheurs verlangt dat deze getuigen attenderen op de mogelijkheid tot waarborging van anonimiteit. Of de bedreigingen en dergelijke uit de kring rond de daders verzoekers bespaard zouden zijn gebleven wanneer de politie de mogelijke consequenties voor verzoekers van hun medewerking aan het politieonderzoek serieuzer had genomen, is achteraf moeilijk in te schatten.

Zoals hierboven is toegelicht rekent de Nationale ombudsman het de politie aan dat zij verzoekers ontoereikend hebben geïnformeerd en onvoldoende oog hebben gehad voor hun kwetsbare positie. Verzoekers hebben, nadat een beroep was gedaan op hun verantwoordelijkheidsgevoel, bijgedragen aan het onderzoek naar een zeer ernstig misdrijf. Voor deze dienst aan het algemeen belang hebben zij een hoge prijs moeten betalen. De Nationale ombudsman verwacht van de korpsbeheerder dat zij daar iets tegenover stelt.

Aanbeveling

De Nationale ombudsman geeft de korpsbeheerder in overweging om met verzoekers (en hun advocaat) aan tafel te gaan om te bekijken op welke wijze een passende vorm van compensatie kan worden geboden voor de ontoereikende reactie van de politie op de kwetsbare positie van verzoekers.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van het regionale politiekorps Gelderland-Midden - het optreden jegens verzoekers als getuigen - is gegrond, wegens schending van het beginsel van fair play.

De klacht over de onderzochte gedraging van de beheerder van het regionale politiekorps Gelderland-Midden - betreffende de klachtbehandeling - is ongegrond.

Onderzoek

Op 2 maart 2004 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer en mevrouw B. te Arnhem, met een klacht over een gedraging van het regionale politiekorps Gelderland-Midden te Arnhem. De Nationale ombudsman verwees hen in eerste instantie naar de beheerder van dat korps, omdat zij de klacht daar nog niet hadden ingediend. Nadat de interne klachtbehandeling op 11 juli 2007 was afgerond met een beslissing van de korpsbeheerder, wendden verzoekers zich opnieuw tot de Nationale ombudsman. De Nationale ombudsman stelde een onderzoek in.

Op basis van de gegevens die door verzoekers en de korpsbeheerder waren verstrekt stelde de Nationale ombudsman een verslag van bevindingen samen dat werd gestuurd aan korpsbeheerder, verzoekers en betrokken ambtenaren.

Nadien werd aan de bevindingen de reactie van de korpsbeheerder op de klacht toegevoegd. Van de zijde van verzoekers werd geen reactie ontvangen.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen.

De korpsbeheerder deelde mee zich met de inhoud van het verslag te kunnen verenigen.

De advocaat van verzoekers gaf binnen de gestelde termijn geen reactie.

INFORMATIEOVERZICHT

De bevindingen van het onderzoek zijn gebaseerd op de volgende informatie.

Verzoekschrift 2004

brief van verzoekers aan advocaat, 22 februari 2004;

brief van verzoekers aan Nationale ombudsman, 2 maart 2004.

Oriënterend feitenonderzoek Bureau Interne Zaken (BIZ)

proces-verbaal melding delict;

proces-verbaal van verhoor van verzoekers;

verklaring van betrokken ambtenaren en tolk;

rapport, 18 april 2005;

interne memo over BIZ rapport;

samenvattingen recherche van de getuigenverklaringen.

Dossier interne klachtbehandeling

klachtrapportage van de behandelaar, 8 maart 2006;

toelichting van advocaat op de klacht, 4 juli 2006;

verzoek van klachtencommissie aan korpsbeheerder om aanvullende stukken, 7 juli 2006;

advies van klachtencommissie, 23 oktober 2006;

rapport van de klachtinspecteur, 19 december 2006;

aanvullend advies van de klachtencommissie, 7 juni 2007;

oordeel van de korpsbeheerder, 11 juli 2007;

brief advocaat aan korpsbeheerder, rappel reactie, 18 mei 2005;

brief korpsbeheerder aan advocaat, ontvangstbevestiging, 3 juni 2005;

brief advocaat aan korpsbeheerder, rappel reactie, 14 februari 2006;

overige correspondentie (uitnodigingen, bevestigingen, etc.).

Verzoekschrift 2007

verzoekschrift, 30 augustus 2007;

aanvulling op het verzoekschrift, 26 oktober 2007 met bijlagen (dossier en beslissing Schadefonds Geweldsmisdrijven);

reactie korpsbeheerder , 28 november 2008.

Achtergrond

1. Europees Hof voor de Rechten van de Mens, uitspraak van 26 maart 1996 (Doorson vs. Nederland), paragraaf 70

"It is true that Article 6 does not explicitly require the interests of witnesses in general, and those of victims called upon to testify in particular, to be taken into consideration. However, their life, liberty or security of person may be at stake, as may interests coming generally within the ambit of Article 8 of the Convention. Such interests of witnesses and victims are in principle protected by other, substantive provisions of the Convention, which imply that Contracting States should organise their criminal proceedings in such a way that those interests are not unjustifiably imperilled. Against this background, principles of fair trial also require that in appropriate cases the interests of the defence are balanced against those of witnesses or victims called upon to testify."

2. Wetgeving inzake bedreigde getuigen

2.1. Passage over dit onderwerp in: "Het Nederlands strafprocesrecht" door G.J.M. Corstens (4e druk 2002, blz. 314-315, idem 6e druk 2008, blz. 341-342)

"(In artikelen 226a e.v. Wetboek van Strafvordering) is aangegeven welke procedure moet worden gevolgd om bedreigde getuigen door de rechter-commissaris te laten horen. Meestal zal het initiatief van de officier van justitie uitgaan. Die kan in een eerder stadium al aan de getuige hebben toegezegd dat zijn anonimiteit zal worden gerespecteerd. In zo'n geval zal hij vorderen dat de getuige anoniem zal worden gehoord. De rechter-commissaris kan daartoe dan een bevel geven. Eventueel kan de rechter-commissaris dit ook ambtshalve of op verzoek van de verdachte doen. De rechter-commissaris moet vaststellen dat aan twee cumulatieve eisen is voldaan: a) de getuige of een andere persoon kan zich, met het oog op de door de getuige af te leggen verklaring, zodanig bedreigd achten dat, naar redelijkerwijze moet worden aangenomen, voor het leven, de gezondheid of de veiligheid dan wel de ontwrichting van het gezinsleven of het sociaal-economisch bestaan van die getuige of die andere persoon moet worden gevreesd en b) de getuige heeft te kennen gegeven wegens deze bedreiging geen verklaring te willen afleggen (art. 226a lid 1). In de memorie van toelichting is de sub a omschreven eis verduidelijkt. Als voorbeelden van gronden voor vrees voor ontwrichting van het gezinsleven zijn genoemd: een bedreiging heeft betrekking op vernieling of beschadiging van de gezinswoning of op openbaarmaking van voor andere gezinsleden schokkende gegevens, zoals homoseksuele gerichtheid, biologische afstamming dan wel incestueuze of buitenechtelijke relaties. Vrees voor ontwrichting van het sociaal-economisch bestaan kan er zijn als de bedreiging vernieling of beschadiging van een bedrijf, kantoor of winkel, stelselmatige intimidatie van clientèle of openbaarmaking van gegevens die tot ontslag kunnen leiden, betreft. Het moet meer zijn dan overlast. In het laatste geval is er alleen de mogelijkheid van verhulling van bepaalde personalia (art. 190 lid 2)."

2.2. Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat leidde tot invoering van artikelen 226a e.v. Sv (Kamerstukken 1991-1992, 22483, nr.3)

De minister van Justitie onderscheidt in deze memorie drie belangen die in het geding zijn bij regeling van het fenomeen bedreigde of anonieme getuige in het strafproces

(blz. 3-4):

- waarheidsvinding, het belang van doelmatig opsporen vervolgen en berechten van strafbare feiten;

- het recht van de verdachte om getuigen te ondervragen, artikel 6 lid 1 EVRM (Europees Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens; N.o.);

- het belang van de getuige om geen ernstig nadeel te ondervinden van het nakomen van een wettelijke plicht, namelijk het afleggen van een getuigenverklaring.

In een uitwerking van het derde punt worden drie in het EVRM beschermde rechten genoemd: het recht op leven, op persoonlijke vrijheid/veiligheid en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer/het privé-leven. De eerbiediging van die rechten kan positieve verplichtingen voor staten impliceren:

"In de zaak X en Y tegen Nederland heeft het EHRM beslist dat onder <privé-leven> ook valt het treffen van maatregelen ter verzekering van dit recht, zelfs in de sfeer van verhoudingen tussen particulieren onderling. Nu de wet allerlei verplichtingen voor een getuige bevat (verschijningsplicht, spreekplicht, plicht om de eed af te leggen), waarvan de naleving door allerlei dwangmiddelen (bevel tot medebrenging, inverzekeringstelling, gijzeling) kan worden afgedwongen, is de Staat gehouden het leven, de veiligheid en de gezondheid van bedreigde getuigen in geval van nakoming van die verplichtingen te beschermen. Eén van de maatregelen die de Staat in dit opzicht kan nemen, is het creëren van strafbepalingen. Voorts kan worden gedacht aan de garantie van de anonimiteit van de getuige in het strafproces. De keuze van de middelen die de bescherming van de getuige moeten garanderen, valt in beginsel binnen de beleidsvrijheid van de verdragsstaten, met dien verstande dat het middel wel aan het effectiviteitsvereiste dient te voldoen." (blz. 4).

De minister wijst er echter ook op dat de bescherming van bedreigde getuigen niet onbegrensd is; artikel 8 lid 2 EVRM opent immers de mogelijkheid van inmenging - onder bepaalde omstandigheden - in het privé-leven. (blz. 5).

In antwoord op de vraag in hoeverre de overheid bij een ernstige bedreiging jegens een getuige deze persoon kan verplichten te verklaren vermeldt de memorie:

"Er moet sprake zijn van een redelijke verhouding tussen het te dienen belang (het voorkomen van strafbare feiten onderscheidenlijk het recht op een eerlijk proces) en het gebruikte middel (de verplichting om in geval van een ernstige bedreiging getuigenis af te leggen). Het proportionaliteitsvereiste zou kunnen resulteren in de verplichting van de Staat om, nadat een ernstige bedreiging is vastgesteld, de anonimiteit van de getuige zoveel mogelijk te waarborgen. Voorts zou dit vereiste kunnen meebrengen dat moet worden gedifferentieerd al naar gelang de ernst van het strafbare feit dat object van vervolging is. Het anoniem verhoren van een getuige vermindert weliswaar de bedreiging doch neemt deze niet helemaal weg. De getuige blijft risico lopen. (…) Naast het proportionaliteitscriterium wordt in de literatuur nog een ander criterium aangelegd: het subsidiariteitscriterium. De inmenging moet voorts vrijwel het enige middel zijn om het beoogde belang te verwezenlijken. Als de bewijsvoering zonder het gebruik van anonieme getuigen kan worden rond gemaakt, dient zulks te geschieden. Een anoniem verhoor van een getuige is dan niet meer strikt noodzakelijk." (blz. 6).

Over de voorwaarden voor erkenning als bedreigde getuige schrijft de minister (blz. 18-19):

"Ik stel mij op het standpunt dat in het licht van het bepaalde in artikel 6, derde lid onder d, EVRM de identiteit van een getuige alleen dan ter gelegenheid van zijn verhoor verborgen gehouden mag worden indien aan strenge voorwaarden is voldaan. Het enkele bestaan van een bedreiging lijkt mij daartoe niet voldoende. De bedreiging dient fundamentele rechten of belangen van de getuige, zoals zijn leven (zie bijv. art. 2, eerste lid EVRM), zijn gezondheid (zie bijv. art. 11 Grondwet), zijn veiligheid (zie bijv. art. 5, eerste lid, EVRM), de ontwrichting van zijn gezinsleven (zie bijv. art. 8 EVRM) of zijn sociaal-economisch bestaan (zie bijv. art. 20, eerste lid, Grondwet), te raken."

Het door de minister gegeven voorbeeld van dat laatste is aangehaald door Corstens (zie hierboven, nr. 2.1.).

3. Algemene wet bestuursrecht

Artikel 9:14

"Bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan wordt een persoon of commissie belast met de behandeling van en de advisering over klachten.

Het bestuursorgaan kan de persoon of commissie slechts in het algemeen instructies geven."

Artikel 9:15

"Bij het bericht van ontvangst, bedoeld in artikel 9:6, wordt vermeld dat een persoon of commissie over de klacht zal adviseren.

Het horen geschiedt door de in artikel 9:14 bedoelde persoon of commissie. Indien een commissie is ingesteld, kan deze het horen opdragen aan de voorzitter of een lid van de commissie.

De persoon of commissie beslist over de toepassing van artikel 9:10, tweede lid.

De persoon of commissie zendt een rapport van bevindingen, vergezeld van het advies en eventuele aanbevelingen, aan het bestuursorgaan. Het rapport bevat het verslag van het horen".

Artikel 9:16

"Indien de conclusies van het bestuursorgaan afwijken van het advies, wordt in de conclusies de reden voor die afwijking vermeld en wordt het advies meegezonden met de kennisgeving, bedoeld in artikel 9:12."

4. Klachtenregeling regiokorps Gelderland-Midden (2004)

Artikel 9

1. "Binnen twee weken na de ontvangst van een klacht wordt overleg gevoerd met de klager. Dit overleg dient er onder andere toe om vast te stellen of de klacht door middel van bemiddeling kan worden afgehandeld, en om vast te stellen in hoeverre de klacht voor verdere behandeling in aanmerking komt.

2. Van het voeren van overleg, als in het vorige lid bedoeld, kan worden afgezien indien de korpsbeheerder van oordeel is dat zulks in het desbetreffende geval niet zinvol is.

3. Indien overleg of bemiddeling leidt tot een oplossing waarmee de klager tevreden is, wordt de klacht niet verder behandeld. De klager en degene op wiens gedraging de klacht betrekking heeft, worden schriftelijk geïnformeerd over de beëindiging van de klachtbehandeling.

4. In de gevallen waarin de klager door overleg of bemiddeling niet tevreden gesteld is, handelt de korpsbeheerder de klacht formeel af.

5. Bij de formele afhandeling van de klacht wordt recht gedaan aan het beginsel van hoor en wederhoor; de klager en degene op wiens gedraging de klacht betrekking heeft, worden geïnformeerd over elkaars standpunt en krijgen de gelegenheid daar op te reageren. …"

Publicatiedatum
Rapportnummer
2009/285