2002/090

Instantie: Kandidaat-gerechtsdeurwaarder Rotterdam

Klacht: Schriftelijk stuk overhandigd aan een 17-jarige medewerkster van verzoeker zonder rekening te houden met de privacy van de medewerker op wiens loon beslag werd gelegd.
Oordeel: gegrond

Verzoeker klaagt erover dat een kandidaat-gerechtsdeurwaarder, toegevoegd aan gerechtsdeurwaarder X, op 4 augustus 1999 in het kader van een onder hem gelegd loonbeslag een schriftelijk stuk heeft overhandigd aan een 17-jarige medewerkster van verzoeker zonder rekening te houden met de privacy van de medewerker op wiens loon beslag werd gelegd.

Beoordeling

1. Op 4 augustus 1999 betekende kandidaat-gerechtsdeurwaarder S., toegevoegd aan gerechtsdeurwaarder X, een loonbeslag aan het kantoor van verzoeker, L. b.v. te Rotterdam. Het loonbeslag was gelegd onder verzoeker op het loon van een van de werknemers van L. b.v.

Kandidaat-gerechtsdeurwaarder S. overhandigde het betreffende exploot met bijlagen aan een 17-jarige medewerkster van L. b.v. Het exploot zat niet in een enveloppe, en was zodoende voor een ieder leesbaar. In het exploot met bijlagen stonden onder meer de gegevens van de crediteur en debiteur, en de hoogte van de vordering vermeld.

2. Verzoeker klaagt erover dat de kandidaat-gerechtsdeurwaarder het stuk heeft overhandigd aan een 17-jarige medewerkster van verzoeker zonder rekening te houden met de privacy van de medewerker op wiens loon beslag was gelegd.

3. De gerechtsdeurwaarder deelde in reactie op de klacht mee dat het betreffende exploot op de in de wet voorgeschreven wijze was betekend. Om welke reden degene aan wie het exploot was gelaten niet tot in ontvangstname daarvan bevoegd zou zijn geweest, was de deurwaarder niet duidelijk.

4. De betrokken kandidaat-gerechtsdeurwaarder S. verklaarde dat het betekenen van loonbeslagen onder een werkgever op het loon van een van de werknemers tot de dagelijkse praktijk van een deurwaarderskantoor behoort. Aan het loonbeslag is een aantal stukken gehecht, waaronder het betreffende rechterlijk vonnis en een door de werkgever in te vullen verklaring.

De deurwaarder maakt van de betekening van zo'n loonbeslag proces-verbaal op, waarin wordt opgenomen bij wie de deurwaarder het stuk heeft achtergelaten. Bij grote ondernemingen waar de deurwaarder met zekere regelmaat per bezoek meerdere loonbeslagen komt betekenen, is niet zelden de receptie aangewezen om de stukken in ontvangst te nemen. Het gebeurt ook dat iemand van personeelszaken of de directie de stukken in ontvangst komt nemen. Het is aan de werkgever om te bepalen wie de deurwaarder te woord staat, en de stukken in ontvangst neemt.

De betrokken kandidaat-gerechtsdeurwaarder verklaarde verder dat zij zichzelf voorafgaand aan de betekening altijd kenbaar maakt als deurwaarder; dat zij de reden van haar komst meedeelt, en dat zij vraagt met wie zij een en ander kan afhandelen. Dat had zij ook in dit geval gedaan.

De mevrouw die S. te woord had gestaan, en die de stukken in ontvangst had genomen, had geenszins de indruk gegeven dat zij niet begreep wie S. was, en waarvoor S. kwam. Ook op grond van haar uiterlijke verschijning had S. geen reden om te veronderstellen dat zij de onderneming in dezen niet kon vertegenwoordigen.

Volgens S. deelde de betrokken medewerkster haar mee dat zij de stukken aan haar kon afgeven, althans woorden van gelijke strekking. Hierop had S. haar het betreffende loonbeslag overhandigd.

Indien degene die S. te woord staat, stelt dat hij of zij niet bevoegd is om de stukken in ontvangst te nemen, of niet begrijpt waarover het gaat, terwijl er niemand anders is die de stukken in ontvangst kan nemen, betekent S. de stukken conform artikel 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.; (oud)/artikel 47 Rv. (nieuw); zie achtergrond, onder 1.). In zo'n geval worden de stukken in een enveloppe achtergelaten. Dat doet zij ook als wordt geweigerd de stukken in ontvangst te nemen.

In dit geval bestond er geen enkele reden voor een betekening conform artikel 2 Rv. (oud).

Ten aanzien van de klacht merkte S. nog op dat als de directie van een onderneming niet wil dat bepaalde medewerkers de deurwaarder juist wel of niet te woord staan, het op de weg ligt van de directie om het personeel dienaangaande te instrueren.

S. benadrukte ten slotte dat het exploot door haar conform de voorschriften der wet was betekend.

5. Tijdens het onderzoek van de Nationale ombudsman bleek dat verzoeker zijn klacht ook had voorgelegd aan de Registratiekamer (thans: College Bescherming Persoonsgegevens; zie achtergrond, onder 6.). De Registratiekamer overwoog in deze zaak dat bij de betekening tevens rekening dient te worden gehouden met een adequate invulling van het grondwettelijk uitgangspunt dat de persoonlijke levenssfeer van de debiteur niet onevenredig mag worden geschaad. Rekening houden met de persoonlijke levenssfeer van de debiteur is de invulling van de regel dat met de nodige zorgvuldigheid wordt omgegaan met de deurwaarder ter beschikking staande persoonsgegevens.

Indien voor de betekening geen lid van het management dan wel een functionaris die verantwoordelijkheid draagt voor de financiële administratie beschikbaar is, stelt de Registratiekamer zich bij de invulling van de genoemde zorgvuldigheid voor ogen dat maatregelen worden genomen om de persoonlijke levenssfeer van betrokkene niet onevenredig te schaden. Dit kan al eenvoudig worden bereikt door bijvoorbeeld een enveloppe te gebruiken die bestemd is voor de juiste functionaris binnen het bedrijf. Het achterlaten van een gerechtelijk stuk zonder aanvullende maatregelen bij derden die geen kennis hoeven te krijgen van de inhoud van het stuk, getuigt niet van de nodige zorgvuldigheid, aldus de Registratiekamer.

6. De Koninklijke Vereniging van Gerechtsdeurwaarders (KVG) bracht in deze zaak naar voren dat het door de Registratiekamer weergegeven standpunt geen houvast vindt in de wet of de dagelijkse praktijk.

Buiten de grote bedrijven zoals Shell, Philips e.d. zijn er weinig bedrijven, welke een bijzondere persoon hebben aangewezen, belast met de ontvangst van deurwaardersexploten. Dit betekent dat bij andere bedrijven de deurwaarder nagenoeg bijna altijd vraagt naar een persoon die ofwel de personeelsadministratie, ofwel de boekhouding onder zijn hoede heeft. Bij vele bedrijven welke niets hebben geregeld bestaat een gemiddelde onwil enig exploot te aanvaarden en vaak zendt men de deurwaarder van het kastje-naar-de-muur totdat deze daaraan een eind maakt door het exploot te betekenen aan een der werknemers ten kantore van de derdebeslagene.

In het onderhavige geval blijkt dat de toegevoegd-kandidaat-gerechtsdeurwaarder bij het betreden van het bedrijf aan degene die haar te woord stond heeft gezegd: "Ik ben deurwaarder en ik kom voor een loonbeslag. Met wie kan ik dit bespreken?". Daarop heeft de aangesprokene gereageerd met de mededeling: "U kunt het stuk aan mij betekenen". Niet valt in te zien om welke reden deze werkwijze onzorgvuldig is te noemen. De zienswijze dat vervolgens het exploot in een enveloppe dient te worden achtergelaten, vindt geen steun in de wet.

Nu in de wet (bijvoorbeeld artikel 4 sub 12 Rv. (oud)/artikel 61 Rv. (nieuw); zie achtergrond, onder 1.) een aantal zaken geregeld worden waarbij de gerechtsdeurwaarder het exploot onder gesloten enveloppe dient achter te laten, staat daarmee a contrario vast dat in andere gevallen hem zulks niet is toegestaan.

Bovendien kan achterlating in een enveloppe tot problemen leiden. Bijvoorbeeld wanneer bij exploot een vonnis wordt betekend, waarvan de beroepstermijn kort nadien verstrijkt en waarvan de enveloppe blijft liggen totdat de directeur van vakantie is teruggekeerd en daarna te laat wordt geopend.

De KVG onderschrijft de stelling dat de deurwaarder zorgvuldig moet optreden. Dit zou bijvoorbeeld inhouden dat hij niet gerechtigd is aan meerdere personen het doel van zijn missie kenbaar te maken indien zulks niet noodzakelijk is. Eén personeelslid volstaat. Hierbij dient wel te worden bedacht dat bekendheid met de schuld binnen het bedrijf de consequentie is van het gedrag van de schuldenaar, aldus de KVG.

7. Op grond van artikel 4 sub 3 Rv. (oud)/artikel 50 Rv. (nieuw) dient de betekening van exploten ten aanzien van besloten vennootschappen te worden gedaan aan het kantoor van de rechtspersoon of aan de persoon of woonplaats van een der bestuurders (zie achtergrond, onder 1.).

Indien de deurwaarder er niet in slaagt het exploot op een van deze wijzen te betekenen, kan - ingevolge artikel 2 Rv. (oud)/artikel 47 Rv. (nieuw) - betekening plaatsvinden via de brievenbus (door middel van een gesloten enveloppe) of, indien zelfs dat niet mogelijk is, via de post (zie Achtergrond, onder 1.).

De strekking van deze bepalingen is zoveel mogelijk te waarborgen dat de stukken te bestemder plaatse komen. De betekening op grond van artikel 2 Rv. (oud)/artikel 47 Rv. (nieuw) heeft eenzelfde rechtskracht als de betekening conform artikel 4 sub 3 Rv. (oud)/artikel 50 Rv. (nieuw). Niettemin volgt uit het wettelijk systeem dat artikel 4 sub 3 Rv. (oud)/artikel 50 Rv. (nieuw) prevaleert boven artikel 2 Rv. (oud)/artikel 47 Rv. (nieuw). Ook wordt wel verdedigd dat indien in artikel 4 Rv. (oud) meer dan één mogelijkheid voor betekening is aangegeven, deze mogelijkheden dienen te worden uitgeput alvorens die van artikel 2 Rv. (oud) worden toegepast (zie Achtergrond, onder 2.). In de jurisprudentie van de Hoge Raad lijkt deze stellingname echter niet te worden gevolgd (zie achtergrond, onder 3.).

8. Regel 4 van de Gedragsregels van de KVG bepaalt dat de gerechtsdeurwaarder geheim houdt hetgeen hij in de uitoefening van zijn beroep verneemt, tenzij de zorgvuldige uitoefening van zijn beroep vereist dat hij zijn kennis deelt met derden. Deze regel dient met name ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen. Wanneer de gerechtsdeurwaarder zijn kennis deelt met derden dient hij dit te doen na zorgvuldige afweging van de belangen van betrokkenen (zie achtergrond, onder 4.).

Artikel 7, eerste lid van het reglement Persoonsregistratie van de KVG schrijft voor dat - tenzij met uitdrukkelijke toestemming van de geregistreerde - de gerechtsdeurwaarder uit zijn persoonsregistratie gegevens verstrekt aan rechtstreeks bij de zaak betrokken derden uitsluitend voor zover nodig en onvermijdelijk bij het verrichten van de bij of krachtens de Wet en/of door de opdrachtgever opgedragen taken en werkzaamheden (zie achtergrond, onder 5.).

9. De Nationale ombudsman is met de betrokken kandidaat-gerechtsdeurwaarder van oordeel dat op de leiding van een onderneming de verantwoordelijkheid rust om het personeel zodanig te instrueren dat exploten afkomstig van een gerechtsdeurwaarder in ontvangst worden genomen door personeel dat daartoe geschikt kan worden geacht. Voorts onderschrijft de Nationale ombudsman het standpunt van de KVG dat uit het wettelijk systeem volgt dat een betekening conform artikel 4 sub 3 Rv. (oud)/artikel 50 Rv. (nieuw) prevaleert boven een betekening conform artikel 2 Rv. (oud)/artikel 47 Rv. (nieuw).

Dit laat evenwel onverlet dat, gelet op hetgeen hiervóór onder 8. is vermeld, de gerechtsdeurwaarder bij de uitoefening van zijn taak de privacy van betrokkenen zoveel mogelijk dient te beschermen. Gelet hierop mag van de gerechtsdeurwaarder worden verwacht dat hij bij de betekening van een vertrouwelijk stuk, zoals een exploot inzake een loonbeslag, voor de overhandiging van het betreffende exploot, eerst vraagt naar een leidinggevende of een functionaris die verantwoordelijkheid draagt voor de financiële administratie en/of de personeelsadministratie. Een en ander voor zover er geen vaste afspraken bestaan met de betreffende onderneming over de overhandiging van zulke exploten.

Uit de verklaring van de betrokken kandidaat-gerechtsdeurwaarder blijkt dat zij niet eerst heeft gevraagd naar een leidinggevende of een functionaris die verantwoordelijkheid draagt voor de financiële administratie en/of de personeelsadministratie. Dit is niet juist. Door alleen af te gaan op de mededeling van de betreffende medewerkster dat de stukken aan haar konden worden afgegeven, heeft de kandidaat-gerechtsdeurwaarder met betrekking tot de privacy van de betrokken debiteur niet voldoende zorgvuldigheid betracht.

De onderzochte gedraging is daarmee in zoverre niet behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van kandidaat-gerechtsdeurwaarder S., die wordt aangemerkt als een gedraging van gerechtsdeurwaarder X, is gegrond.

Onderzoek

Op 9 augustus 1999 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van L. b.v. te Rotterdam, ingediend door de heer H. te Rotterdam, met een klacht over een gedraging van een kandidaat-gerechtsdeurwaarder te Rotterdam.

Naar deze gedraging, die wordt aangemerkt als een gedraging van gerechtsdeurwaarder X, werd een onderzoek ingesteld.

In het kader van het onderzoek werd de gerechtsdeurwaarder verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben. Tevens werd informatie ingewonnen bij de KVG. De betrokken kandidaat-gerechtsdeurwaarder werd telefonisch gehoord.

Tijdens het onderzoek kregen betrokkenen de gelegenheid op de door ieder van hen verstrekte inlichtingen te reageren.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. Verzoeker gaf binnen de gestelde termijn geen reactie. De gerechtsdeurwaarder deelde mee zich met de inhoud van het verslag te kunnen verenigen.

De reactie van de KVG gaf aanleiding het verslag aan te vullen.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:

A. feiten

1. Op 4 augustus 1999 betekende kandidaat-gerechtsdeurwaarder S., toegevoegd aan gerechtsdeurwaarder X, een loonbeslag aan het kantoor van verzoeker, L. b.v. te Rotterdam. Het loonbeslag was gelegd onder verzoeker op het loon van een van de werknemers van L. b.v.

Kandidaat-gerechtsdeurwaarder S. overhandigde het betreffende exploot met bijlagen aan een 17-jarige medewerkster van L. b.v. Het exploot zat niet in een enveloppe, en was zodoende voor een ieder leesbaar. In het exploot met bijlagen stonden onder meer de gegevens van de crediteur en debiteur, en de hoogte van de vordering vermeld.

2. Op 5 augustus 2000 diende verzoeker de volgende klacht in bij gerechtsdeurwaarderskantoor Y te Rotterdam:

"Op 4 augustus jl. is aan ons kantoor een stuk overhandigd door S. toegevoegd kandidaat deurwaarder. Dit stuk betreft een beslaglegging op het loon van een van onze medewerkers.

Waar ik mij uitermate aan heb gestoord is het volgende:

Genoemd stuk is hier afgegeven (zonder enveloppe of enige andere vorm van bescherming) aan een 17-jarige medewerkster.

Ik ben van mening dat u (ongeacht hetgeen de wet in deze voorschrijft) iemands privacy dient te respecteren en als zodanig niet een stuk met zoveel vertrouwelijke informatie zomaar aan de eerste de beste zonder enige bescherming kan en mag afgeven.

Daar mij aan uw kantoor te kennen werd gegeven dat dit nu eenmaal de procedure was en dat jullie niet gehouden zijn om deze stukken op een behoorlijke manier te beschermen tegen inzage door niet direct betrokkenen, zie ik mij genoodzaakt om een klacht te deponeren bij de Nationale ombudsman. (…)

Ik verzoek u langs deze weg bij voorbaat uw werkwijze in deze te herzien en alle correspondentie in deze zaak in het vervolg met inachtneming van de privacy af te handelen."

3. Op 2 november 2000 deelde verzoeker de Nationale ombudsman mee dat het gerechtsdeurwaarderskantoor nooit op zijn brief had gereageerd.

B. Standpunt verzoeker

Het standpunt van verzoeker staat samengevat weergegeven onder Klacht.

C. Standpunt Gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder deelde in reactie op de klacht het volgende mee:

"…In antwoord op uw brief van 8 december jl. delen wij u mede dat de klacht door ons niet gegrond wordt geacht. Het betreffende exploot is op de in de Wet voorgeschreven wijze betekend. Waarom degene aan wie het exploot is gelaten niet tot in ontvangstname daarvan bevoegd zou zijn, was en is de exploiterend deurwaarder niet duidelijk…"

D. Verklaring kandidaat-Gerechtsdeurwaarder S.

Op 21 februari 2000 verklaarde kandidaat-gerechtsdeurwaarder S. telefonisch tegenover een medewerker van het Bureau Nationale ombudsman onder meer - zakelijk weergegeven - het volgende:

"Op 4 augustus 1999 heb ik aan het adres van verzoeker een loonbeslag betekend.

Het betekenen van loonbeslagen onder een werkgever op het loon van een van de werknemers behoort tot de dagelijkse praktijk van een deurwaarderskantoor. Aan het loonbeslag zijn een aantal stukken gehecht, waaronder het betreffende rechterlijk vonnis en een door de werkgever in te vullen verklaring.

De deurwaarder maakt van de betekening van zo'n loonbeslag proces-verbaal op, waarin wordt opgenomen bij wie de deurwaarder het stuk heeft achtergelaten. Bij grote ondernemingen waar de deurwaarder met zekere regelmaat per bezoek meerdere loonbeslagen komt betekenen, is niet zelden de receptie aangewezen om de stukken in ontvangst te nemen. Het gebeurt ook dat iemand van personeelszaken of de directie de stukken in ontvangst komt nemen. Het is aan de werkgever om te bepalen wie de deurwaarder te woord staat, en de stukken in ontvangst neemt.

Voorafgaand aan de betekening maak ik mijzelf altijd kenbaar als deurwaarder, deel ik de reden van mijn komst mee, en vraag met wie ik een en ander kan afhandelen. Dat heb ik ook in dit geval gedaan. Gelet op het vertrouwelijke karakter van de stukken wordt hierbij vanzelfsprekend niet meteen meegedeeld op wiens loon beslag wordt gelegd.

De mevrouw die mij te woord heeft gestaan, en die de stukken in ontvangst heeft genomen, gaf geenszins de indruk dat zij niet begreep wie ik was, en waarvoor ik kwam. Ook op grond van haar uiterlijke verschijning had ik geen reden om te veronderstellen dat zij de onderneming in dezen niet kon vertegenwoordigen.

Zij deelde mij mee dat ik stukken aan haar kon afgeven, althans woorden van gelijke strekking. Hierop heb ik haar het betreffende loonbeslag overhandigd.

Als degene die mij te woord staat, stelt dat hij of zij niet bevoegd is om de stukken in ontvangst te nemen, of niet begrijpt waarover het gaat, terwijl er niemand anders is om mij te woord te staan, beteken ik de stukken conform artikel 2 Rechtsvordering. In zo'n geval worden de stukken in een enveloppe achtergelaten. Dat doe ik ook als wordt geweigerd de stukken in ontvangst te nemen.

In dit geval bestond er geen enkele reden voor een betekening conform artikel 2 Rechtsvordering.

Ten aanzien van de klacht wil ik nog opmerken dat het hier mijns inziens een intern probleem van de onderneming betreft. Als de directie niet wil dat bepaalde medewerkers de deurwaarder juist wel of niet te woord staan, ligt het volgens mij op de weg van de directie om het personeel dienaangaande te instrueren.

Ik benadruk dat het exploot door mij conform de voorschriften der Wet is betekend."

E. Reactie verzoeker

Verzoeker deelde in reactie op het standpunt van de gerechtsdeurwaarder, en de verklaring van de betrokken kandidaat-gerechtsdeurwaarder het volgende mee:

"…Met de uiting van mevrouw S., over het feit dat onze medewerkers geïnstrueerd moeten worden met betrekking tot het in ontvangst nemen van gerechtelijke stukken, kan ik me vinden. Dit heb ik, zeker naar aanleiding van deze hele situatie, dan ook met nadruk doorgegeven aan ons personeel.

Neemt niet weg - ondanks dat mevrouw S. vindt dat ze volgens de wet te werk is gegaan - dat ik van mening ben dat de werkwijze die wordt gebruikt niet door de beugel kan. Op deze manier worden te persoonlijke gegevens kenbaar gemaakt aan derden. Destijds was er inderdaad geen aparte receptie aanwezig maar er kan bij de deur gevraagd worden naar iemand van de directie. Een enveloppe is het minste wat er gebruikt kan worden bij dergelijke stukken…"

F. Nadere informatie KVG

1. Bij brief van 16 mei 2000 verzocht de substituut-ombudsman de KVG te Utrecht de volgende inlichtingen te verstrekken:

"…Ik verzoek u ten behoeve van het onderzoek naar deze klacht aan te geven of er, naast de bepalingen van Rechtsvordering, gedragsregels of richtlijnen bestaan die zien op de betekening van stukken door deurwaarders.

Voor zover er geen schriftelijke gedragsregels bestaan, verzoek ik u uiteen te zetten hoe een deurwaarder naar de eigen groepsnorm dient te handelen bij de betekening van een loonbeslag onder een werkgever…"

2. De KVG reageerde hierop als volgt:

"…Naar aanleiding van uw schrijven (…) zenden wij u bijgaand een exemplaar van de gedragsregels van de Koninklijke Vereniging van Gerechtsdeurwaarders (zie Achtergrond, onder 4.; N.o.).

Behalve de in deze gedragsregels neergelegde bepalingen en de van toepassing zijnde wettelijke regelingen, bestaan er geen aanvullende bepalingen die betrekking hebben op de betekening van stukken door gerechtsdeurwaarders…"

G. REACTIE kvg OP HET VERSLAG VAN BEVINDINGEN

Na uitkomst van het verslag van bevindingen (art. 25 Wet Nationale ombudsman) in deze zaak reageerde de KVG hierop als volgt:

"…Uit de door u weergegeven wettelijke bepalingen, literatuur en jurisprudentie blijkt dat de Wetgever een open opdracht aan de gerechtsdeurwaarder heeft verleend. Daaruit blijkt de juistheid van het inzicht dat de deurwaarder zijn exploot betekent aan de persoon van de bestuurder van een publiekrechtelijke of ander rechtspersoon of ten kantore en dat ten aanzien van de laatste betekeningsvorm geen specifieke bepaling in de Wet is opgenomen.

Het door de Registratiekamer weergegeven standpunt (zie Achtergrond, onder 6.; N.o.) vindt geen houvast in de Wet of de dagelijkse praktijk. Afgezien van de tientallen varianten, afhankelijk van de samenstelling en grootte van enig bedrijf, is het onder deurwaarders een bekend fenomeen dat de gedachte dat uitsluitend betekend kan worden aan een bestuurder/directeur, geen optie. Indien de deurwaarder de directeur te spreken vraagt volgt normaliter de opmerking dat de directeur wel wat anders te doen heeft dan deurwaarders te ontvangen of er wordt duidelijk gemaakt dat tevoren een afspraak wordt gemaakt. De redelijkheid van die gebruikelijke reactie is goed te verstaan.

Buiten de grote bedrijven zoals Shell, Philips e.d. zijn er weinig bedrijven, welke een bijzondere persoon hebben aangewezen, belast met de ontvangst van deurwaardersexploiten.

Dit betekent dat bij andere bedrijven de deurwaarder nagenoeg bijna altijd vraagt naar een persoon die ofwel de personeelsadministratie, ofwel de boekhouding onder zijn hoede heeft. Bij vele bedrijven - zoals het onderhavige - welke niets hebben geregeld bestaat een gemiddelde onwil enig exploot te aanvaarden ("Ik teken niets") en vaak zendt men de deurwaarder van het kastje-naar-de-muur totdat deze daaraan een eind maakt door het exploot te betekenen zoals de Wet verlangt en wel aan een der werknemers ten kantore van de derdebeslagene. In het onderhavige geval blijkt dat de toegevoegd-kandidaat-gerechtsdeurwaarder bij het betreden van het bedrijf aan degene die haar te woord stond heeft gezegd: "Ik ben deurwaarder en ik kom voor een loonbeslag. Met wie kan ik dit bespreken?". Daarop heeft de aangesprokene gereageerd met de mededeling: "U kunt het stuk aan mij betekenen". Het valt niet in te zien dat deze werkwijze onzorgvuldig is te noemen.

De zienswijze dat vervolgens het exploot in een enveloppe dient te worden achtergelaten vindt, zoals eerder gezegd, geen steun in de Wet.

Nu in de Wet (bijvoorbeeld artikel 2 sub 2, artikel 4 sub 12 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) een aantal zaken geregeld worden waarbij de gerechtsdeurwaarder het exploot onder gesloten enveloppe dient achter te laten, staat daarmee a contrario vast dat in andere gevallen hem zulks niet is toegestaan. Bovendien wijzen wij op het volgende. Achterlating in een enveloppe kan tot problemen leiden. Een voorbeeld is een exploot waarbij een vonnis wordt betekend, waarvan de beroepstermijn kort nadien verstrijkt en waarvan de enveloppe blijft liggen totdat de directeur van vakantie is teruggekeerd en daarna te laat wordt geopend en dit alles vanwege de door de gerechtsdeurwaarder opgewekte angst dat kennisneming door anderen een schending van een norm zou zijn.

Wij zijn het ermee eens dat de deurwaarder zorgvuldig moet optreden. Dit zou bijvoorbeeld inhouden dat hij niet gerechtigd is aan meerdere personen het doel van zijn missie kenbaar te maken indien zulks niet noodzakelijk is. Eén personeelslid volstaat. Er moet wel worden bedacht dat de schuldenaar die bij vonnis is veroordeeld tot betaling van een geldsom en die willens en wetens aan die veroordeling niet voldoet en aan wie dat vonnis is betekend met bevel om aan de inhoud van het vonnis te voldoen en aan wie tevens in het kader van artikel 475g Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is gevraagd de bronnen van inkomsten op te geven en ten aanzien van wie vervolgens ingevolge sub 3 van dat artikel aan de werkgeefster is gevraagd of deze periodieke betaling verschuldigd was aan die schuldenaar, weet dat loonbeslag aan de orde komt. Zeker op grond van de eerdere aanzeggingen dat daartoe zal worden overgegaan. Dan is bekendheid met die schuld binnen dat bedrijf de consequentie van het gedrag van de schuldenaar.

Indien het standpunt van de Registratiekamer valide zou zijn staat daarmee vast dat zij de wettelijke regeling niet juist acht. Als de deurwaarder evenwel anders handelen moet dient een wetswijziging plaats te vinden. Wij vrezen er evenwel voor dat verfijning niet tot verbetering leidt.

Wij constateren een spanningsveld tussen Wet en praktijk enerzijds en inzichten van de Registratiekamer anderzijds doch wij menen niet dat in het onderhavige geval onzorgvuldig is gehandeld. Afgezien van alles: het is verstandig eerst inzicht in de praktijk te verwerven alvorens men een oordeel geeft. Dit lijkt te hebben ontbroken."

Achtergrond

1. Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (oud en nieuw)

Op 1 januari 2002 is het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gewijzigd door de inwerkingtreding van de Wet tot herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken. De onderzochte gedraging in deze zaak wordt beoordeeld naar het recht dat destijds gold. Voor de goede orde staan onderstaand wel de nieuwe bepalingen opgenomen die corresponderen met de relevante bepalingen zoals die van toepassing waren ten tijde van de onderzochte gedraging.

Artikel 2 (oud):

"1. Indien de deurwaarder noch aan de gedaagde in persoon, noch aan een huisgenoot afschrift kan laten, laat hij een afschrift aan de woonplaats achter in een gesloten envelop. Indien ook dat feitelijk onmogelijk is, bezorgt hij terstond een afschrift ter post. De deurwaarder maakt, in het laatste geval tevens onder vermelding van de reden der feitelijke onmogelijkheid, van deze handelingen melding in het exploit.

2. Op de envelop waarin het afschrift ingevolge het eerste lid wordt achtergelaten of ter post bezorgd, worden de naam en de woonplaats van de gedaagde vermeld. De envelop vermeldt tevens de naam, de hoedanigheid, het kantooradres en het telefoonnummer van de deurwaarder, alsmede een aanduiding dat de inhoud de onmiddellijke aandacht behoeft."

Artikel 47 (nieuw):

"1. Indien de deurwaarder aan geen van de in artikel 46, eerste lid, bedoelde personen afschrift kan laten, laat hij een afschrift aan de woonplaats achter in een gesloten envelop. Indien ook dat feitelijk onmogelijk is, bezorgt hij terstond een afschrift ter post. De deurwaarder maakt, zowel in het ene als het andere geval tevens onder vermelding van de reden van de feitelijke onmogelijkheid, van deze handelingen melding in het exploot.

2. Op de envelop waarin het afschrift ingevolge het eerste lid wordt achtergelaten of ter post wordt bezorgd, worden vermeld de naam en de woonplaats van degene voor wie het exploot is bestemd. De envelop vermeldt tevens de naam, de hoedanigheid, het kantooradres en het telefoonnummer van de deurwaarder, alsmede een aanduiding dat de inhoud de onmiddellijke aandacht behoeft."

Artikel 4 (oud):

"De dagvaardingen en alle andere exploiten zullen gedaan worden op de wijze als volgt:

(…)

3°. Ten aanzien van andere regtspersonen aan den persoon of de woonplaats van een der bestuurders en, na de ontbinding, van een der vereffenaars, of aan hun zetel of kantoor;

(…)

12°. Ten aanzien van hen die verblijven in een gebouwd onroerend goed of gedeelte daarvan, indien het exploit een vordering tot ontruiming daarvan betreft door anderen dan gebruikers of gewezen gebruikers krachtens een persoonlijk of zakelijk recht, zonder dat de naam en de woonplaats van degenen voor wie het exploit bestemd is, alsmede de persoon aan wie afschrift wordt gelaten, worden vermeld, op de wijze als vermeld in artikel 2, met dien verstande dat voor "aan de woonplaats" in het eerste lid van dat artikel wordt gelezen: ter plaatse, en dat degenen voor wie het exploit bestemd is, daarin en op de envelop waarin een afschrift wordt achtergelaten of ter post bezorgd, worden aangeduid als zij die verblijven in het betreffende onroerend goed of gedeelte daarvan. Voorts wordt een uittreksel van het exploit ten spoedigste bekend gemaakt in een landelijk dagblad of in een dagblad verschijnend in de streek waarin het onroerend goed gelegen is onder vermelding van naam en adres van de deurwaarder of van de advocaat van wie afschrift van het exploit verkregen kan worden."

Artikel 50 (nieuw):

"Ten aanzien van andere rechtspersonen geschiedt de betekening aan hun kantoor of aan de persoon of de woonplaats van een van de bestuurders. Na de ontbinding geschiedt zij aan het kantoor, de persoon of de woonplaats van een van de vereffenaars. Indien afschrift van het exploot wordt gelaten aan een bestuurder, of, na de ontbinding, aan een vereffenaar, is het exploot gedaan aan de rechtspersoon in persoon."

Artikel 61 (nieuw):

"Ten aanzien van hen die verblijven in een gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan, indien het exploot een vordering tot ontruiming daarvan door anderen dan gebruikers of gewezen gebruikers krachtens een persoonlijk of zakelijk recht betreft, zonder dat de naam en de woonplaats van degenen voor wie het exploot is bestemd, alsmede de persoon aan wie afschrift wordt gelaten, worden vermeld, geschiedt de betekening op de wijze als vermeld in artikel 47, met dien verstande dat voor «aan de woonplaats» in het eerste lid van dat artikel wordt gelezen: ter plaatse, en dat degenen voor wie het exploot bestemd is, daarin en op de envelop waarin een afschrift wordt achtergelaten of ter post wordt bezorgd, worden aangeduid als: zij die verblijven in de desbetreffende onroerende zaak of een gedeelte daarvan. Voorts wordt een uittreksel van het exploot zo spoedig mogelijk bekend gemaakt in een landelijk dagblad of in een dagblad verschijnend in de streek waarin de onroerende zaak gelegen is, onder vermelding van naam en kantooradres van de deurwaarder of van de advocaat van wie afschrift van het exploot kan worden verkregen."

2. Handboek Burgerlijke Rechtsvordering, Kluwer (losbladig)

Aantekening 1 op artikel 2 (Suppl. 207 (december 1991)):

"Gelijk wij bij art. 1 reeds opmerkten is het de strekking van de artikelen welke de betekening van exploten regelen, zoveel mogelijk te waarborgen dat deze te bestemder plaatse komen. Terwijl nu art. 4 allerlei gevallen regelt, waarin zich bijzondere situaties voordoen met betrekking tot degenen, tot wie een exploot is gericht -rechtspersonen, boedel, zwervers, vreemdelingen - schrijft art. 2 als algemeen beginsel, ter onderstreping van art. 1 eerste lid, voor dat de deurwaarder allereerst moet trachten de gedaagde in persoon of - aan zijn woonstede - een huisgenoot te bereiken. Slaagt hij daarin niet, dan vertrouwde de wet er in de vroegere redactie op, dat tussenkomst van de burgemeester en de gemeentelijke bevolkingsadministratie ertoe zou leiden dat het exploot uiteindelijk de persoon, aan wie het was gericht, zou bereiken. In de huidige redactie is dat vertrouwen, al of niet terecht of te optimistisch, doorgeschoven naar de postdiensten. (…)

De in dit artikel toegelaten betekening aan een huisgenoot of via terpostbezorging of achterlating in een gesloten envelop is niet van minderwaardig gehalte, doch heeft eenzelfde rechtskracht als de betekening in persoon."

Aantekening 2 op artikel 2 (Suppl. 207 (december 1991)):

"Mede op grond van deze ratio is aan te nemen dat het artikel het oog heeft op alle exploten, niet slechts op de dagvaarding in strikte zin, zulks overeenkomstig het opschrift dezer afdeling."

Aantekening 1 op artikel 4 (Suppl. 208 (januari 1992)):

"Allereerst dient te worden opgemerkt, dat het artikel betrekking heeft op alle exploten, dus ook die, welke bij sommaties, aanzeggingen en beslagen te pas komen. In art. 4 heeft de wet een rijke casuïstiek ontplooid, en, het grote belang van een juiste betekening onderstrepend, zich uitgeput in allerlei mogelijkheden teneinde een zo groot mogelijke zekerheid te verkrijgen, dat het exploot zijn bestemming bereikt.(*2) Het komt ons voor, dat art. 4 en 2 elkaars complement vormen(*3); dat de reeks voorschriften in art. 4 telkens moet worden aangevuld met de regeling van art. 2. nl. dat telkens, waar een woonplaats of kantoor bij gebreke van de bepaaldelijk genoemde persoon wordt vermeld, betekening kan plaatsvinden aan een 'huisgenoot' (…) en dat eerst wanneer zodanig huisgenoot niet aanwezig is, wederom naar toepassing van art. 2 wordt gegrepen, door alsdan het exploot ter post te bezorgen. Hieruit volgt weder, dat de regeling van art. 4 prevaleert boven die van art. 2 en dat dus, indien in eerstvermeld artikel meer dan één mogelijkheid is aangegeven (…) deze mogelijkheden dienen te worden uitgeput alvorens die van art. 2 wordt toegepast.

(…)

(*2) (…) HR 12 januari 1979, NJ 1979, 290 (WHH): `De voorschriften van de eerste afdeling van de eerste titel van boek I W.v.B.Rv. over de betekening van exploten van dagvaarding hebben onder meer de strekking te bevorderen dat de gedaagde een afschrift van het exploit in handen zal krijgen (…)

(*3) Dit volgt eerder uit het wetssysteem dan uit analogie, zoals Hof Leeuwarden 12 januari 1921, W 10 675 meent."

Aantekening 4 op artikel 4 (Suppl. 196 (december 1990)):

"Als men de enigszins dubbelzinnige redactie herleidt tot een redelijke proportie, dan blijkt dat ook bij deze rechtspersonen de betekening geschiedt aan een der bestuurders in persoon of te zijner woning - het behoeft dus niet te zijn de voorzitter van het bestuur -, dan wel aan het kantoor der rechtspersoon. (*1) Vóór de Wet van 2 juli 1934, Stb. 347, tot opheffing van de bestaande onderscheiding tussen handelsdaden en niet-handelsdaden en tussen kooplieden en niet-kooplieden werd betekening eerst aan het kantoor voorgeschreven, en eerst bij ontbreken van een kantoor aan de persoon of ter woonplaatse van een bestuurder; hieruit leidt Van Rossem, derde druk, aant. 5 op art. 4 - voor dat geval niet ten onrechte - af, dat alsdan bij het niet-aantreffen van een bevoegd persoon ten kantore, betekening overeenkomstig art. 2 moet geschieden. In de huidige redactie echter dienen alle mogelijkheden van art. 4 te worden uitgeput, alvorens art. 2 kan worden toegepast. (*2)

(…)

(*1) Voor geval het een NV of BV ontbreekt aan een kantoor, bestuurder of vereffenaar: zie art. 4sub7,4c alinea. Het 'kantoor' behoeft niet samen te vallen met de statutaire zetel; zie noot-Bloembergen onder HR 21 april 1972, NJ 1973, 16.

(*2) Rb. Arnhem 13 juli 1967, NJ 1968, 215. De in de tekst verdedigde mening is naar het oordeel van Cleveringa (annotatie in De Praktijkgids 1968, 474) 'niet onaannemelijk'; implicite is zij ook weergegeven in Van Rossem-Cleveringa, aant. 5 en 6 op art. 4. De mening wordt echter bestreden door Teekens in De Gerechtsdeurwaarder, 78e jrg. (1968), blz. 73 e.v. Dat de wetgever zeer bewust in 1934 het stelsel van betekeningen aan rechtspersonen en vennootschappen heeft willen wijzigen en aanpassen aan het stelsel, dat reeds voor betekeningen aan de staat, openbare rechtspersonen en (destijds afzonderlijk genoemd) de gemeenten was voorgeschreven, volgt uit de memorie van toelichting, op dit punt aldus luidend: 'Afgezien van de wijziging, die deze nieuwe terminologie (nl. van 'vennootschappen van koophandel' in 'vennootschappen' -F.J.) noodig maakt, dienen in de nrs. 2-4 van art. 4 Rv. tegelijkertijd eenige correcties (curs. van ons -F.J.) te worden aangebracht'. De regering beschouwde dus nadrukkelijk het thans bestaande betekeningsvoorschrift als een verbetering van het oude systeem, en zij is daarin niet door het parlement tegengesproken. Daaruit is dan onomstotelijk af te leiden, dat de huidige volgorde niet een vrije keuze inhoudt, maar een volgorde van voorkeur, geheel strokend met het doel van deze voorschriften, als in aant. 1 omschreven. Niet genoeg kan het belang van een juiste en doeltreffende betekening worden onderstreept. In andere zin dan hier verdedigd: de A-G Berger in zijn incidentele conclusie ad HR 23 april 1971, NJ 1971, 345, echter zonder gemotiveerde weerlegging van de hier weergegeven wetshistorische argumentatie. Het arrest bespreekt de hier aangeroerde vraag niet. Zou echter - naar Teekens in De Gerechtsdeurwaarder 1971, blz. 150 e.v. veronderstelt - de Hoge Raad door het verstek te verlenen implicite de mening van de advocaat-generaal hebben gedeeld, dan zouden wij dat betreuren omdat daarmede min of meer een premie wordt verleend aan de gemakzucht van enkele (overbelaste) deurwaarders. Inderdaad is de Hoge Raad op deze verkeerde weg voortgegaan bij rolbeschikking van 2 oktober 1981, NJ 1982, 101."

3. Jurisprudentie Hoge Raad

3.1. HR 23 april 1971, NJ 1971/345:

"[Essentie] (…)

Het exploit van dagvaarding van de NV waarbij de deurwaarder zijn exploit doet ten woonhuize van haar directeur en, vervolgens, dat de deurwaarder "afschrift dezes laat aan de door het hoofd van het plaatselijk bestuur van de gemeente 's-Gravenhage daartoe aangewezen ambtenaar, tot wie de deurwaarder zich terstond heeft vervoegd en die het origineel voor gezien" heeft getekend, "zijnde toch ter plaatse vermeld niemand aangetroffen aan wie rechtsgeldig afschrift kon worden gelaten". Moest het exploit van dagvaarding vermelden, dat de deurwaarder ten aanzien van de naamloze vennootschap de dagvaarding niet overeenkomstig art. 4 aanhef en sub 3e Rv. heeft kunnen doen aan de zetel of aan het kantoor der naamloze vennootschap? HR, ter terechtzitting van 2 oktober 1970 het door eiseres gevraagde verstek verlenend tegen de niet verschenen verweerster, de NV Rubber Import Company, beantwoordt deze vraag implicite ontkennend.

(…)

1. Incidentele conclusie Adv.-Gen. Mr. Berger.

M.b.t. de in deze zaak uitgebrachte dagvaarding, waarop de gedaagde partij ter zitting niet is verschenen, kan twijfel rijzen of zij op rechtsgeldige wijze is uitgebracht. De dagvaarding is uitgebracht aan een naamloze vennootschap, blijkens vermelding in het exploit gevestigd te 's-Gravenhage, terwijl op deze vermelding in het exploit oorspronkelijk volgde "aldaar te haren kantore aan de Veenkade no. 28a mijn exploit doende". In het exploit echter is de vermelding van het kantooradres doorgehaald en achter de woorden "mijn exploit doende" is ingevoegd: "ten woonhuize van haar directeur H.C. Hagen aan de Maastrichtsestraat 71 te Scheveningen, gemeente 's-Gravenhage", terwijl in het exploit op deze invoeging volgt de passage: "en afschrift dezes latende aan de door het Hoofd van het Plaatselijk Bestuur van opgemelde gemeente daartoe aangewezen ambtenaar, tot wie ik mij terstond heb vervoegd en die het origineel dezes voor "gezien" heeft getekend; zijnde toch ter plaatse voormeld niemand aangetroffen, aan wie rechtsgeldig afschrift kon worden gelaten".

Uit het exploit blijkt dus niet, dat de deurwaarder heeft getracht de dagvaarding aan het kantoor van de NV te betekenen, waaruit kan worden afgeleid, dat de deurwaarder, nadat hij ten woonhuize van de directeur niemand had aangetroffen, zonder meer de weg van art. 2 Rv. heeft gevolgd ter betekening van het onderhavig exploit. M.a.w.: er kan hier van worden uitgegaan, dat de deurwaarder, alvorens de weg van art. 2 Rv. te volgen, niet alle mogelijkheden ter betekenis van het exploit aan de rechtspersoon vermeld in art. 4 sub 3 Rv. heeft uitgeput.

Nu wordt ten aanzien van art. 4 Rv. verdedigd, dat de deurwaarder, indien hem ter betekening van een dagvaarding meer mogelijkheden worden geboden, eerst al deze mogelijkheden dient na te gaan, alvorens de weg van art. 2 Rv. te mogen volgen. Voor de onderhavige zaak zou dat medebrengen, dat ook een vergeefse tocht naar het kantoor van de NV expressis verbis had moeten vermeld zijn, omdat anders niet is na te gaan of de deurwaarder inderdaad alle mogelijkheden ter betekening van het onderhavig exptoit heeft uitgeput alvorens het uit te brengen, zoals hij blijkens de vermelding in het exploit heeft gedaan. In de Kluwer-uitgave "Burgerlijke Rechtsvordering" (biz. 25) verdedigt Jansen met een verwijzing naar aantekening 5 op art. 4 Rv. in Van Rossem-Cleveringa, dat in de huidige redactie van gemeld artikel alle mogelijkheden dienen te worden uitgeput, alvorens art. 2 kan worden toegepast. Ik neem aan dat tevens bedoeld is dat uit het exploit moet blijken, dat die mogelijkheden zijn uitgeput. In noot 1 verwijst Jansen naar Rb. Arnhem 13 juli 1967, NJ I968 no. 215, welk vonnis echter niet als steun voor de door hem verdedigde opvatting kan dienen, omdat het is gewezen door dezelfde Mr. Jansen als lid van de Enkelvoudige Kamer. Vorenvermelde noot vervolgt:

"De in de tekst verdedigde mening is naar het oordeel van Cleveringa (annotatie in de Praktijkgids I968 no. 474) "niet onaannemelijk"; zij wordt bestreden door Teekens in de Gerechtsdeurwaarder, 78e jrg, (168), biz. 73 e.v. Dat de wetgever zeer bewust het stelsel van betekeningen aan rechtspersonen en vennootschappen heeft willen wijzigen en aanpassen aan het stelsel, dat reeds voor betekeningen aan de Staat, openbare rechtspersonen en (destijds afzonderlijk genoemd) de gemeenten was voorgeschreven, volgt uit de MvT, op dit punt aldus luidende:

"Afgezien van de wijziging, die deze nieuwe terminologie (nl. van "vennootschappen van koophandel" in "vennootschappen" - F.J.) nodig maakt, dienen in de nos.Z - 4 van art. 4 Rv. tegelijkertijd eenige correcties te worden aangebracht".

De Regering beschouwde dus nadrukkelijk het thans bestaand betekeningsvoorschrift als een verbetering van het oude systeem, en zij is daarin niet door het parlement tegengesproken, Daaruit is dan onomstotelijk af te leiden, dat de huidige volgorde niet een vrije keuze inhoudt, maar een volgorde van voorkeur, geheel strokende met het doel van deze voorschriften, als in aant. 1 omschreven. Niet genoeg kan het belang van een juiste en doeltreffende betekening worden onderstreept". De argumentatie van Jansen kan mij echter in het geheel niet overtuigen. In de door Jansen bedoelde wetswijziging, nog minder in de aanhaling uit de MvT kan ik grond zien, dat de wetgever in art.4 Rv. geen vrije keuze uit de betekeningsmogelijkheden ten aanzien van vennootschappen heeft gewild, M.i. heeft de wetgever met de wijziging bij de wet van 2 juli I934 veeleer beoogd ook bij vennootschappen de deurwaarder een mogelijkheid tot keuze te bieden tot het uitbrengen van de dagvaarding (zie: Teekens in zijn hoger vermeld artikel).

De bovenvermelde noot van Cleveringa (waarin de annotator de vraag openlaat "of Jansens stelling wel in allen dele steeds even sterk klemt") staat onder een vonnis van de Ktr. te Arnhem d.d. 10 juni I968 betreffende een beslag. De deurwaarder had het exploit betekend op een zaterdag aan het kantoor der vennootschap en daar niemand aangetroffen hebbend de weg van art. 2 Rv. gevolgd. De Ktr. acht het beslag nietig, omdat hij de inachtneming van de in art. 4 sub 4 Rv. aangegeven volgorde van zo wezenlijke betekenis acht voor de geldigheid van het beslag, "dat, nu in het onderhavige geval deze volgorde niet is nageleefd, het gelegde beslag als nietig moet worden aangemerkt". Hoewel ik in het gegeven geval begrip kan opbrengen voor de beslissing van de Ktr, berust zij, naar het mij voorkomt, niet op de wet. In de wet zelf valt niet te lezen, dat de in art. 4 Rv, aangegeven volgorde van zo wezenlijke betekenis is, dat niet inachtneming tot nietigheid van het exploit moet leiden. Hierbij zij opgemerkt, dat de Ktr een 'nog stringentere eis stelt dan Jansen. Wil laatstgenoemde, als ik het goed zie, in de wet slechts lezen, dat alle gegeven mogelijkheden moeten worden uitgeput alvorens de weg van art. 2 Rv. mag worden ingeslagen, in het aangehaalde vonnis van de Ktr. wordt als vereiste voor de geldigheid van het uitgebrachte exploit bovendien nog gesteld, dat de in art. 4 gegeven volgorde in acht wordt genomen. Toegegeven kan worden dat een juiste en doeltreffende betekening van het grootste belang is, doch daarin kan geen grond worden gevonden om meer in de wet te lezen dan wat er in staat. Men mag van de deurwaarder verwachten, dat hij zich inspant het exploit in de juiste handen te doen geraken, maar van die inspanningen behoeft uit het exploit niet meer te blijken dan dat hij het exploit heeft betekend overeenkomstig een der hem daartoe in art, 4 Rv. gegeven mogelijkheden en vervolgens wanneer hij daarbij in het in art. 2 Rv. voorziene geval komt te verkeren, handelt, zoals in die bepaling is voorgeschreven.

Ik moge concluderen tot verstekverlening."

3.2. HR 12 januari 1979, NJ 1979/290:

"De voorschriften van de eerste afd. van de eerste titel van Boek 1 Rv. over de betekening van exploten van dagvaarding hebben o.m. de strekking te bevorderen dat de gedaagde een afschrift van het exploot in handen zal krijgen."

3.3. HR 2 oktober 1981, NJ 1982/101:

"[Essentie] Verstekverlening. Aan BV uitgebracht dagvaardingsexploit dat is gedaan met toepassing van art. 2 Rv zonder dat eerst alle mogelijkheden van art. 4 aanhef en onder 3 e Rv zijn geprobeerd.

(…)

Conclusie Adv.-Gen. Mr Ten Kate.

Uit het overgelegde dagvaardingsexploit blijkt slechts, dat de deurwaarder gepoogd heeft het exploit aan het kantoor van de gedaagde BV uit te brengen. Aangezien hij - voor zover dit uit het op het overgelegde exploit niet bepaald gemakkelijk leesbaar geplaatste stempel op te maken valt - ter plaatse niemand heeft aangetroffen aan wie hij rechtsgeldig afschrift kon laten, heeft hij vervolgens art. 2 Rv toegepast. Uit het exploit blijkt derhalve niet, dat de deurwaarder, alvorens hiertoe over te gaan, nog geprobeerd heeft de dagvaarding op een van de andere wijzen te betekenen, die in art. 4 onder 3e Rv genoemd zijn. Volgens Van Rossum-Cleveringa 1 (1972), noot 10a bij aant. 5 op art. 4 (p. 87) gaat dit te ver; vgl. overigens p. 22.

Zo ook Jansen in Kluwers losbladige "Burgerlijke Rechtsvordering", Boek l, aant. 4 op art. 4, p. 22b/23, waarbij noot 1 op p. 23 met kritiek op na te melden arrest.

Uw Raad heeft evenwel in een vergelijkbaar geval op uitvoerige concl. van Mr Berger verstek verleend.

Men zie onder HR 23 april 1971, NJ 1971, 345.

Ik meen met verwijzing naar voormelde concl. te mogen volstaan en concludeer dienovereenkomstig tot verstekverlening.

HR verleent verstek."

4. Gedragsregels van de Koninklijke Vereniging van Gerechtsdeurwaarders (KVG)

Regel 4:

"De gerechtsdeurwaarder houdt geheim hetgeen hij in de uitoefening van zijn beroep verneemt, tenzij de zorgvuldige uitoefening van zijn beroep vereist dat hij zijn kennis met derden deelt.

Toelichting

Uiteraard is de gerechtsdeurwaarder verplicht tot geheimhouding; dit met name tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen. De goede uitoefening van zijn ambt zal in een aantal gevallen, bijvoorbeeld ter voorkoming van kosten, betekenen dat de geheimhoudingsplicht niet kan gelden. Wanneer de gerechtsdeurwaarder zijn kennis met derden deelt zal hij dit doen na zorgvuldige afweging van de belangen van betrokkenen."

5. Reglement Persoonsregistratie KVG van 27 april 1996

Artikel 7:

"1. Tenzij met uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de geregistreerde, worden uit de persoonsregistratie uitsluitend aan de volgende personen of instanties gegevens verstrekt:

a. aan opdrachtgevers van de Gerechtsdeurwaarder voor zover nodig en onvermijdelijk in het kader van de verstrekte opdracht en ter verantwoording van verrichte werkzaamheden;

b. aan debiteuren van opdrachtgevers voor zover nodig en onvermijdelijk bij het verrichten van de bij of krachtens de Wet en/of door de opdrachtgever opgedragen taken en werkzaamheden;

c. aan Kantongerechten, voor zover nodig voor de uitvoering van opdrachten;

d. aan rechtstreeks bij de zaak betrokken derden, zoals andere Gerechtsdeurwaarders, openbare registers, banken, e.a. uitsluitend voor zover nodig en onvermijdelijk bij het verrichten van de bij of krachtens de Wet en/of door de opdrachtgever opgedragen taken en werkzaamheden;

e. aan derden op diens schriftelijk verzoek voor zover deze verstrekking niet anders voortvloeit dan uit het doel van de persoonsregistratie en voor zover de persoonlijke levenssfeer van de geregistreerde niet onevenredig wordt geschaad.

2. Verstrekking van gegevens vindt niet plaats indien de houder weet of redelijkerwijs kan aannemen dat de gegevens door de verzoeker in ruimere kring zullen worden bekend gemaakt of zullen worden benut voor een doel niet in overeenstemming met het doel van de registratie.

3. Verstrekking van gegevens vindt niet plaats indien en voorzover het verstrekken in strijd zou komen met de geheimhoudingsplicht van de Gerechtsdeurwaarder."

6. Standpunt Registratiekamer

6.1. Bij brief van 18 oktober 1999 heeft verzoeker zijn klacht voorgelegd aan de Registratiekamer (thans: College Bescherming Persoonsgegevens).

6.2. Op 2 december 1999 deelde de Registratiekamer gerechtsdeurwaarderskantoor Y te Rotterdam naar aanleiding van verzoekers klacht het volgende mee:

"…Bij brief van 18 oktober 1999 heeft de heer H. geklaagd over de wijze waarop een gerechtelijk stuk (loonbeslag) werd aangeboden. De klacht behelst, kort weergegeven, het volgende. Op 4 augustus 1999 werd aan het kantoor waar de heer H. directeur is een gerechtelijk stuk door (…) S. -toegevoegd kandidaat deurwaarder- aan een medewerkster overhandigd. Het stuk zat niet in een envelop en was voor een ieder leesbaar. De heer H. is van mening dat deze wijze van aanbieden niet getuigt van de nodige zorgvuldigheid met betrekking tot de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van betrokkene.

Naar aanleiding van de klacht heeft de Registratiekamer u bij brief van 29 oktober 1999 enkele vragen gesteld. Bij brief van 15 november 1999 heeft u bericht dat het betreffende stuk overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is betekend. U schrijft dat het u niet vrij staat hiervan af te wijken.

Bij het aanbieden van gerechtelijke stukken gelden -zoals u terecht stelt- de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Echter, bij de betekening dient tevens rekening gehouden te worden met een adequate invulling van het grondwettelijk uitgangspunt dat de persoonlijke levenssfeer van de debiteur niet onevenredig mag worden geschaad. Rekening houden met de persoonlijke levenssfeer van de debiteur is de invulling van de regel dat met de nodige zorgvuldigheid wordt omgegaan met de deurwaarder ter beschikking staande persoonsgegevens. Dit bepaalt voor een niet onbelangrijk deel de mate waarin er tevens sprake is van een verantwoorde uitvoering van de rechtspraktijk. Ik verwijs u o.a. naar het reglement persoonsregistratie dat door de Koninklijke Vereniging van Gerechtsdeurwaarders (KVG) op 27 april 1996 is vastgesteld.

Van de KVG heeft de Registratiekamer begrepen dat het gebruikelijk is dat 'het loonbeslag' wordt aangeboden aan een lid van het management dan wel aan die functionaris binnen het bedrijf waar de debiteur werkzaam is die verantwoordelijkheid draagt voor de financiële administratie. Daarbij staat de vertrouwelijkheid van het stuk steeds centraal. Afhankelijk van de situatie dient te worden beslist op welke wijze het stuk wordt achtergelaten.

De Registratiekamer stelt zich bij de invulling van de hierboven genoemde zorgvuldigheid voor ogen dat, indien geen van de hierboven genoemde functionarissen beschikbaar is, maatregelen worden genomen om de persoonlijke levenssfeer van betrokkene niet onevenredig te schaden. Dit kan al eenvoudig worden bereikt door bijvoorbeeld een envelop te gebruiken die bestemd is voor de juiste functionaris binnen het bedrijf.

Het achterlaten van een gerechtelijk stuk zonder aanvullende maatregelen bij derden die geen kennis hoeven te krijgen van de inhoud van het stuk, getuigt niet van de nodige zorgvuldigheid.

De Registratiekamer geeft u ter overweging uw werkwijze in deze aan te passen. Een afschrift van de brief zal worden gezonden aan klager en de KVG…"

6.3. De gerechtsdeurwaarder reageerde hierop bij brief van 8 december 1999 onder meer als volgt:

"Helaas is de door u in overweging gegeven werkwijze in strijd met de wettelijke bepalingen, zodat het ons niet vrij staat deze dienovereenkomstig aan te passen.

Er is dan ook geen sprake van dat dezerzijds onzorgvuldig is gehandeld."

6.4. Op 3 februari 2000 reageerde de Registratiekamer hierop als volgt:

"…Bij brief van 8 december 1999 geeft u schriftelijk uw reactie op het standpunt van de Registratiekamer zoals verwoord in de brief aan u d.d. 2 december 1999 (…). In uw brief geeft u aan de door u gehanteerde werkwijze overeenkomstig is met de wettelijke bepalingen en dat u daar niet van kan afwijken. U geeft aan het standpunt van de Registratiekamer niet te delen.

De Registratiekamer heeft daarvan kennis genomen maar ziet geen reden om haar standpunt te wijzigen.

Uw verweer dat de door uw kantoor gehanteerde werkwijze overeenkomstig de wettelijke bepalingen geschied, is reeds in uw vorige brief van 15 november 1999 genoemd. Het verweer is vervolgens in het antwoord van de Registratiekamer verwerkt en in perspectief geplaatst…"

6.5. Vervolgens deelde de gerechtsdeurwaarder de Registratiekamer op 15 februari 2000 het volgende mee:

"…Wat u blijkens uw brief van 2 december jl. voorstelt is in strijd met de wet en dus onuitvoerbaar. Kennelijk beschikt u niet over voldoende kennis van de materie en heeft u zich evenmin voldoende geïnformeerd omtrent de exacte gang van zaken ter gelegenheid van de betekening van het betreffende stuk, om een oordeel omtrent de door ons gehanteerde werkwijze te kunnen vellen.

Het is voor ons kantoor absoluut onacceptabel dat u de klager en de KVG derhalve heeft bericht dat wij niet de nodige zorgvuldigheid in acht zouden hebben genomen.

Gaarne vernemen wij u of u uw standpunt wilt herzien. In het ontkennende geval beraden wij ons over nader te nemen stappen…"

6.6. Ten slotte deelde de Registratiekamer de gerechtsdeurwaarder bij brief van 24 februari 2000 het volgende mee:

"…Bij brief van 15 februari 2000 geeft u nogmaals uw reactie op het standpunt van de Registratiekamer zoals verwoord in de brief aan u d.d. 2 december 1999 (…).

Zoals de Registratiekamer u reeds eerder heeft bericht, dient bij de betekening van stukken tevens rekening gehouden te worden met de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene.

De Registratiekamer heeft in haar brief van 2 december 1999 niet geconcludeerd dat er i.c. sprake zou zijn van onzorgvuldig handelen.

Verdere correspondentie over deze zaak neemt de Registratiekamer voor kennisneming aan…"

Verzoeker klaagt erover dat een kandidaat-gerechtsdeurwaarder, toegevoegd aan gerechtsdeurwaarder X, op 4 augustus 1999 in het kader van een onder hem gelegd loonbeslag een schriftelijk stuk heeft overhandigd aan een 17-jarige medewerkster van verzoeker zonder rekening te houden met de privacy van de medewerker op wiens loon beslag werd gelegd.

Beoordeling

1. Op 4 augustus 1999 betekende kandidaat-gerechtsdeurwaarder S., toegevoegd aan gerechtsdeurwaarder X, een loonbeslag aan het kantoor van verzoeker, L. b.v. te Rotterdam. Het loonbeslag was gelegd onder verzoeker op het loon van een van de werknemers van L. b.v.

Kandidaat-gerechtsdeurwaarder S. overhandigde het betreffende exploot met bijlagen aan een 17-jarige medewerkster van L. b.v. Het exploot zat niet in een enveloppe, en was zodoende voor een ieder leesbaar. In het exploot met bijlagen stonden onder meer de gegevens van de crediteur en debiteur, en de hoogte van de vordering vermeld.

2. Verzoeker klaagt erover dat de kandidaat-gerechtsdeurwaarder het stuk heeft overhandigd aan een 17-jarige medewerkster van verzoeker zonder rekening te houden met de privacy van de medewerker op wiens loon beslag was gelegd.

3. De gerechtsdeurwaarder deelde in reactie op de klacht mee dat het betreffende exploot op de in de wet voorgeschreven wijze was betekend. Om welke reden degene aan wie het exploot was gelaten niet tot in ontvangstname daarvan bevoegd zou zijn geweest, was de deurwaarder niet duidelijk.

4. De betrokken kandidaat-gerechtsdeurwaarder S. verklaarde dat het betekenen van loonbeslagen onder een werkgever op het loon van een van de werknemers tot de dagelijkse praktijk van een deurwaarderskantoor behoort. Aan het loonbeslag is een aantal stukken gehecht, waaronder het betreffende rechterlijk vonnis en een door de werkgever in te vullen verklaring.

De deurwaarder maakt van de betekening van zo'n loonbeslag proces-verbaal op, waarin wordt opgenomen bij wie de deurwaarder het stuk heeft achtergelaten. Bij grote ondernemingen waar de deurwaarder met zekere regelmaat per bezoek meerdere loonbeslagen komt betekenen, is niet zelden de receptie aangewezen om de stukken in ontvangst te nemen. Het gebeurt ook dat iemand van personeelszaken of de directie de stukken in ontvangst komt nemen. Het is aan de werkgever om te bepalen wie de deurwaarder te woord staat, en de stukken in ontvangst neemt.

De betrokken kandidaat-gerechtsdeurwaarder verklaarde verder dat zij zichzelf voorafgaand aan de betekening altijd kenbaar maakt als deurwaarder; dat zij de reden van haar komst meedeelt, en dat zij vraagt met wie zij een en ander kan afhandelen. Dat had zij ook in dit geval gedaan.

De mevrouw die S. te woord had gestaan, en die de stukken in ontvangst had genomen, had geenszins de indruk gegeven dat zij niet begreep wie S. was, en waarvoor S. kwam. Ook op grond van haar uiterlijke verschijning had S. geen reden om te veronderstellen dat zij de onderneming in dezen niet kon vertegenwoordigen.

Volgens S. deelde de betrokken medewerkster haar mee dat zij de stukken aan haar kon afgeven, althans woorden van gelijke strekking. Hierop had S. haar het betreffende loonbeslag overhandigd.

Indien degene die S. te woord staat, stelt dat hij of zij niet bevoegd is om de stukken in ontvangst te nemen, of niet begrijpt waarover het gaat, terwijl er niemand anders is die de stukken in ontvangst kan nemen, betekent S. de stukken conform artikel 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.; (oud)/artikel 47 Rv. (nieuw); zie achtergrond, onder 1.). In zo'n geval worden de stukken in een enveloppe achtergelaten. Dat doet zij ook als wordt geweigerd de stukken in ontvangst te nemen.

In dit geval bestond er geen enkele reden voor een betekening conform artikel 2 Rv. (oud).

Ten aanzien van de klacht merkte S. nog op dat als de directie van een onderneming niet wil dat bepaalde medewerkers de deurwaarder juist wel of niet te woord staan, het op de weg ligt van de directie om het personeel dienaangaande te instrueren.

S. benadrukte ten slotte dat het exploot door haar conform de voorschriften der wet was betekend.

5. Tijdens het onderzoek van de Nationale ombudsman bleek dat verzoeker zijn klacht ook had voorgelegd aan de Registratiekamer (thans: College Bescherming Persoonsgegevens; zie achtergrond, onder 6.). De Registratiekamer overwoog in deze zaak dat bij de betekening tevens rekening dient te worden gehouden met een adequate invulling van het grondwettelijk uitgangspunt dat de persoonlijke levenssfeer van de debiteur niet onevenredig mag worden geschaad. Rekening houden met de persoonlijke levenssfeer van de debiteur is de invulling van de regel dat met de nodige zorgvuldigheid wordt omgegaan met de deurwaarder ter beschikking staande persoonsgegevens.

Indien voor de betekening geen lid van het management dan wel een functionaris die verantwoordelijkheid draagt voor de financiële administratie beschikbaar is, stelt de Registratiekamer zich bij de invulling van de genoemde zorgvuldigheid voor ogen dat maatregelen worden genomen om de persoonlijke levenssfeer van betrokkene niet onevenredig te schaden. Dit kan al eenvoudig worden bereikt door bijvoorbeeld een enveloppe te gebruiken die bestemd is voor de juiste functionaris binnen het bedrijf. Het achterlaten van een gerechtelijk stuk zonder aanvullende maatregelen bij derden die geen kennis hoeven te krijgen van de inhoud van het stuk, getuigt niet van de nodige zorgvuldigheid, aldus de Registratiekamer.

6. De Koninklijke Vereniging van Gerechtsdeurwaarders (KVG) bracht in deze zaak naar voren dat het door de Registratiekamer weergegeven standpunt geen houvast vindt in de wet of de dagelijkse praktijk.

Buiten de grote bedrijven zoals Shell, Philips e.d. zijn er weinig bedrijven, welke een bijzondere persoon hebben aangewezen, belast met de ontvangst van deurwaardersexploten. Dit betekent dat bij andere bedrijven de deurwaarder nagenoeg bijna altijd vraagt naar een persoon die ofwel de personeelsadministratie, ofwel de boekhouding onder zijn hoede heeft. Bij vele bedrijven welke niets hebben geregeld bestaat een gemiddelde onwil enig exploot te aanvaarden en vaak zendt men de deurwaarder van het kastje-naar-de-muur totdat deze daaraan een eind maakt door het exploot te betekenen aan een der werknemers ten kantore van de derdebeslagene.

In het onderhavige geval blijkt dat de toegevoegd-kandidaat-gerechtsdeurwaarder bij het betreden van het bedrijf aan degene die haar te woord stond heeft gezegd: "Ik ben deurwaarder en ik kom voor een loonbeslag. Met wie kan ik dit bespreken?". Daarop heeft de aangesprokene gereageerd met de mededeling: "U kunt het stuk aan mij betekenen". Niet valt in te zien om welke reden deze werkwijze onzorgvuldig is te noemen. De zienswijze dat vervolgens het exploot in een enveloppe dient te worden achtergelaten, vindt geen steun in de wet.

Nu in de wet (bijvoorbeeld artikel 4 sub 12 Rv. (oud)/artikel 61 Rv. (nieuw); zie achtergrond, onder 1.) een aantal zaken geregeld worden waarbij de gerechtsdeurwaarder het exploot onder gesloten enveloppe dient achter te laten, staat daarmee a contrario vast dat in andere gevallen hem zulks niet is toegestaan.

Bovendien kan achterlating in een enveloppe tot problemen leiden. Bijvoorbeeld wanneer bij exploot een vonnis wordt betekend, waarvan de beroepstermijn kort nadien verstrijkt en waarvan de enveloppe blijft liggen totdat de directeur van vakantie is teruggekeerd en daarna te laat wordt geopend.

De KVG onderschrijft de stelling dat de deurwaarder zorgvuldig moet optreden. Dit zou bijvoorbeeld inhouden dat hij niet gerechtigd is aan meerdere personen het doel van zijn missie kenbaar te maken indien zulks niet noodzakelijk is. Eén personeelslid volstaat. Hierbij dient wel te worden bedacht dat bekendheid met de schuld binnen het bedrijf de consequentie is van het gedrag van de schuldenaar, aldus de KVG.

7. Op grond van artikel 4 sub 3 Rv. (oud)/artikel 50 Rv. (nieuw) dient de betekening van exploten ten aanzien van besloten vennootschappen te worden gedaan aan het kantoor van de rechtspersoon of aan de persoon of woonplaats van een der bestuurders (zie achtergrond, onder 1.).

Indien de deurwaarder er niet in slaagt het exploot op een van deze wijzen te betekenen, kan - ingevolge artikel 2 Rv. (oud)/artikel 47 Rv. (nieuw) - betekening plaatsvinden via de brievenbus (door middel van een gesloten enveloppe) of, indien zelfs dat niet mogelijk is, via de post (zie Achtergrond, onder 1.).

De strekking van deze bepalingen is zoveel mogelijk te waarborgen dat de stukken te bestemder plaatse komen. De betekening op grond van artikel 2 Rv. (oud)/artikel 47 Rv. (nieuw) heeft eenzelfde rechtskracht als de betekening conform artikel 4 sub 3 Rv. (oud)/artikel 50 Rv. (nieuw). Niettemin volgt uit het wettelijk systeem dat artikel 4 sub 3 Rv. (oud)/artikel 50 Rv. (nieuw) prevaleert boven artikel 2 Rv. (oud)/artikel 47 Rv. (nieuw). Ook wordt wel verdedigd dat indien in artikel 4 Rv. (oud) meer dan één mogelijkheid voor betekening is aangegeven, deze mogelijkheden dienen te worden uitgeput alvorens die van artikel 2 Rv. (oud) worden toegepast (zie Achtergrond, onder 2.). In de jurisprudentie van de Hoge Raad lijkt deze stellingname echter niet te worden gevolgd (zie achtergrond, onder 3.).

8. Regel 4 van de Gedragsregels van de KVG bepaalt dat de gerechtsdeurwaarder geheim houdt hetgeen hij in de uitoefening van zijn beroep verneemt, tenzij de zorgvuldige uitoefening van zijn beroep vereist dat hij zijn kennis deelt met derden. Deze regel dient met name ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen. Wanneer de gerechtsdeurwaarder zijn kennis deelt met derden dient hij dit te doen na zorgvuldige afweging van de belangen van betrokkenen (zie achtergrond, onder 4.).

Artikel 7, eerste lid van het reglement Persoonsregistratie van de KVG schrijft voor dat - tenzij met uitdrukkelijke toestemming van de geregistreerde - de gerechtsdeurwaarder uit zijn persoonsregistratie gegevens verstrekt aan rechtstreeks bij de zaak betrokken derden uitsluitend voor zover nodig en onvermijdelijk bij het verrichten van de bij of krachtens de Wet en/of door de opdrachtgever opgedragen taken en werkzaamheden (zie achtergrond, onder 5.).

9. De Nationale ombudsman is met de betrokken kandidaat-gerechtsdeurwaarder van oordeel dat op de leiding van een onderneming de verantwoordelijkheid rust om het personeel zodanig te instrueren dat exploten afkomstig van een gerechtsdeurwaarder in ontvangst worden genomen door personeel dat daartoe geschikt kan worden geacht. Voorts onderschrijft de Nationale ombudsman het standpunt van de KVG dat uit het wettelijk systeem volgt dat een betekening conform artikel 4 sub 3 Rv. (oud)/artikel 50 Rv. (nieuw) prevaleert boven een betekening conform artikel 2 Rv. (oud)/artikel 47 Rv. (nieuw).

Dit laat evenwel onverlet dat, gelet op hetgeen hiervóór onder 8. is vermeld, de gerechtsdeurwaarder bij de uitoefening van zijn taak de privacy van betrokkenen zoveel mogelijk dient te beschermen. Gelet hierop mag van de gerechtsdeurwaarder worden verwacht dat hij bij de betekening van een vertrouwelijk stuk, zoals een exploot inzake een loonbeslag, voor de overhandiging van het betreffende exploot, eerst vraagt naar een leidinggevende of een functionaris die verantwoordelijkheid draagt voor de financiële administratie en/of de personeelsadministratie. Een en ander voor zover er geen vaste afspraken bestaan met de betreffende onderneming over de overhandiging van zulke exploten.

Uit de verklaring van de betrokken kandidaat-gerechtsdeurwaarder blijkt dat zij niet eerst heeft gevraagd naar een leidinggevende of een functionaris die verantwoordelijkheid draagt voor de financiële administratie en/of de personeelsadministratie. Dit is niet juist. Door alleen af te gaan op de mededeling van de betreffende medewerkster dat de stukken aan haar konden worden afgegeven, heeft de kandidaat-gerechtsdeurwaarder met betrekking tot de privacy van de betrokken debiteur niet voldoende zorgvuldigheid betracht.

De onderzochte gedraging is daarmee in zoverre niet behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van kandidaat-gerechtsdeurwaarder S., die wordt aangemerkt als een gedraging van gerechtsdeurwaarder X, is gegrond.

Onderzoek

Op 9 augustus 1999 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van L. b.v. te Rotterdam, ingediend door de heer H. te Rotterdam, met een klacht over een gedraging van een kandidaat-gerechtsdeurwaarder te Rotterdam.

Naar deze gedraging, die wordt aangemerkt als een gedraging van gerechtsdeurwaarder X, werd een onderzoek ingesteld.

In het kader van het onderzoek werd de gerechtsdeurwaarder verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben. Tevens werd informatie ingewonnen bij de KVG. De betrokken kandidaat-gerechtsdeurwaarder werd telefonisch gehoord.

Tijdens het onderzoek kregen betrokkenen de gelegenheid op de door ieder van hen verstrekte inlichtingen te reageren.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. Verzoeker gaf binnen de gestelde termijn geen reactie. De gerechtsdeurwaarder deelde mee zich met de inhoud van het verslag te kunnen verenigen.

De reactie van de KVG gaf aanleiding het verslag aan te vullen.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:

A. feiten

1. Op 4 augustus 1999 betekende kandidaat-gerechtsdeurwaarder S., toegevoegd aan gerechtsdeurwaarder X, een loonbeslag aan het kantoor van verzoeker, L. b.v. te Rotterdam. Het loonbeslag was gelegd onder verzoeker op het loon van een van de werknemers van L. b.v.

Kandidaat-gerechtsdeurwaarder S. overhandigde het betreffende exploot met bijlagen aan een 17-jarige medewerkster van L. b.v. Het exploot zat niet in een enveloppe, en was zodoende voor een ieder leesbaar. In het exploot met bijlagen stonden onder meer de gegevens van de crediteur en debiteur, en de hoogte van de vordering vermeld.

2. Op 5 augustus 2000 diende verzoeker de volgende klacht in bij gerechtsdeurwaarderskantoor Y te Rotterdam:

"Op 4 augustus jl. is aan ons kantoor een stuk overhandigd door S. toegevoegd kandidaat deurwaarder. Dit stuk betreft een beslaglegging op het loon van een van onze medewerkers.

Waar ik mij uitermate aan heb gestoord is het volgende:

Genoemd stuk is hier afgegeven (zonder enveloppe of enige andere vorm van bescherming) aan een 17-jarige medewerkster.

Ik ben van mening dat u (ongeacht hetgeen de wet in deze voorschrijft) iemands privacy dient te respecteren en als zodanig niet een stuk met zoveel vertrouwelijke informatie zomaar aan de eerste de beste zonder enige bescherming kan en mag afgeven.

Daar mij aan uw kantoor te kennen werd gegeven dat dit nu eenmaal de procedure was en dat jullie niet gehouden zijn om deze stukken op een behoorlijke manier te beschermen tegen inzage door niet direct betrokkenen, zie ik mij genoodzaakt om een klacht te deponeren bij de Nationale ombudsman. (…)

Ik verzoek u langs deze weg bij voorbaat uw werkwijze in deze te herzien en alle correspondentie in deze zaak in het vervolg met inachtneming van de privacy af te handelen."

3. Op 2 november 2000 deelde verzoeker de Nationale ombudsman mee dat het gerechtsdeurwaarderskantoor nooit op zijn brief had gereageerd.

B. Standpunt verzoeker

Het standpunt van verzoeker staat samengevat weergegeven onder Klacht.

C. Standpunt Gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder deelde in reactie op de klacht het volgende mee:

"…In antwoord op uw brief van 8 december jl. delen wij u mede dat de klacht door ons niet gegrond wordt geacht. Het betreffende exploot is op de in de Wet voorgeschreven wijze betekend. Waarom degene aan wie het exploot is gelaten niet tot in ontvangstname daarvan bevoegd zou zijn, was en is de exploiterend deurwaarder niet duidelijk…"

D. Verklaring kandidaat-Gerechtsdeurwaarder S.

Op 21 februari 2000 verklaarde kandidaat-gerechtsdeurwaarder S. telefonisch tegenover een medewerker van het Bureau Nationale ombudsman onder meer - zakelijk weergegeven - het volgende:

"Op 4 augustus 1999 heb ik aan het adres van verzoeker een loonbeslag betekend.

Het betekenen van loonbeslagen onder een werkgever op het loon van een van de werknemers behoort tot de dagelijkse praktijk van een deurwaarderskantoor. Aan het loonbeslag zijn een aantal stukken gehecht, waaronder het betreffende rechterlijk vonnis en een door de werkgever in te vullen verklaring.

De deurwaarder maakt van de betekening van zo'n loonbeslag proces-verbaal op, waarin wordt opgenomen bij wie de deurwaarder het stuk heeft achtergelaten. Bij grote ondernemingen waar de deurwaarder met zekere regelmaat per bezoek meerdere loonbeslagen komt betekenen, is niet zelden de receptie aangewezen om de stukken in ontvangst te nemen. Het gebeurt ook dat iemand van personeelszaken of de directie de stukken in ontvangst komt nemen. Het is aan de werkgever om te bepalen wie de deurwaarder te woord staat, en de stukken in ontvangst neemt.

Voorafgaand aan de betekening maak ik mijzelf altijd kenbaar als deurwaarder, deel ik de reden van mijn komst mee, en vraag met wie ik een en ander kan afhandelen. Dat heb ik ook in dit geval gedaan. Gelet op het vertrouwelijke karakter van de stukken wordt hierbij vanzelfsprekend niet meteen meegedeeld op wiens loon beslag wordt gelegd.

De mevrouw die mij te woord heeft gestaan, en die de stukken in ontvangst heeft genomen, gaf geenszins de indruk dat zij niet begreep wie ik was, en waarvoor ik kwam. Ook op grond van haar uiterlijke verschijning had ik geen reden om te veronderstellen dat zij de onderneming in dezen niet kon vertegenwoordigen.

Zij deelde mij mee dat ik stukken aan haar kon afgeven, althans woorden van gelijke strekking. Hierop heb ik haar het betreffende loonbeslag overhandigd.

Als degene die mij te woord staat, stelt dat hij of zij niet bevoegd is om de stukken in ontvangst te nemen, of niet begrijpt waarover het gaat, terwijl er niemand anders is om mij te woord te staan, beteken ik de stukken conform artikel 2 Rechtsvordering. In zo'n geval worden de stukken in een enveloppe achtergelaten. Dat doe ik ook als wordt geweigerd de stukken in ontvangst te nemen.

In dit geval bestond er geen enkele reden voor een betekening conform artikel 2 Rechtsvordering.

Ten aanzien van de klacht wil ik nog opmerken dat het hier mijns inziens een intern probleem van de onderneming betreft. Als de directie niet wil dat bepaalde medewerkers de deurwaarder juist wel of niet te woord staan, ligt het volgens mij op de weg van de directie om het personeel dienaangaande te instrueren.

Ik benadruk dat het exploot door mij conform de voorschriften der Wet is betekend."

E. Reactie verzoeker

Verzoeker deelde in reactie op het standpunt van de gerechtsdeurwaarder, en de verklaring van de betrokken kandidaat-gerechtsdeurwaarder het volgende mee:

"…Met de uiting van mevrouw S., over het feit dat onze medewerkers geïnstrueerd moeten worden met betrekking tot het in ontvangst nemen van gerechtelijke stukken, kan ik me vinden. Dit heb ik, zeker naar aanleiding van deze hele situatie, dan ook met nadruk doorgegeven aan ons personeel.

Neemt niet weg - ondanks dat mevrouw S. vindt dat ze volgens de wet te werk is gegaan - dat ik van mening ben dat de werkwijze die wordt gebruikt niet door de beugel kan. Op deze manier worden te persoonlijke gegevens kenbaar gemaakt aan derden. Destijds was er inderdaad geen aparte receptie aanwezig maar er kan bij de deur gevraagd worden naar iemand van de directie. Een enveloppe is het minste wat er gebruikt kan worden bij dergelijke stukken…"

F. Nadere informatie KVG

1. Bij brief van 16 mei 2000 verzocht de substituut-ombudsman de KVG te Utrecht de volgende inlichtingen te verstrekken:

"…Ik verzoek u ten behoeve van het onderzoek naar deze klacht aan te geven of er, naast de bepalingen van Rechtsvordering, gedragsregels of richtlijnen bestaan die zien op de betekening van stukken door deurwaarders.

Voor zover er geen schriftelijke gedragsregels bestaan, verzoek ik u uiteen te zetten hoe een deurwaarder naar de eigen groepsnorm dient te handelen bij de betekening van een loonbeslag onder een werkgever…"

2. De KVG reageerde hierop als volgt:

"…Naar aanleiding van uw schrijven (…) zenden wij u bijgaand een exemplaar van de gedragsregels van de Koninklijke Vereniging van Gerechtsdeurwaarders (zie Achtergrond, onder 4.; N.o.).

Behalve de in deze gedragsregels neergelegde bepalingen en de van toepassing zijnde wettelijke regelingen, bestaan er geen aanvullende bepalingen die betrekking hebben op de betekening van stukken door gerechtsdeurwaarders…"

G. REACTIE kvg OP HET VERSLAG VAN BEVINDINGEN

Na uitkomst van het verslag van bevindingen (art. 25 Wet Nationale ombudsman) in deze zaak reageerde de KVG hierop als volgt:

"…Uit de door u weergegeven wettelijke bepalingen, literatuur en jurisprudentie blijkt dat de Wetgever een open opdracht aan de gerechtsdeurwaarder heeft verleend. Daaruit blijkt de juistheid van het inzicht dat de deurwaarder zijn exploot betekent aan de persoon van de bestuurder van een publiekrechtelijke of ander rechtspersoon of ten kantore en dat ten aanzien van de laatste betekeningsvorm geen specifieke bepaling in de Wet is opgenomen.

Het door de Registratiekamer weergegeven standpunt (zie Achtergrond, onder 6.; N.o.) vindt geen houvast in de Wet of de dagelijkse praktijk. Afgezien van de tientallen varianten, afhankelijk van de samenstelling en grootte van enig bedrijf, is het onder deurwaarders een bekend fenomeen dat de gedachte dat uitsluitend betekend kan worden aan een bestuurder/directeur, geen optie. Indien de deurwaarder de directeur te spreken vraagt volgt normaliter de opmerking dat de directeur wel wat anders te doen heeft dan deurwaarders te ontvangen of er wordt duidelijk gemaakt dat tevoren een afspraak wordt gemaakt. De redelijkheid van die gebruikelijke reactie is goed te verstaan.

Buiten de grote bedrijven zoals Shell, Philips e.d. zijn er weinig bedrijven, welke een bijzondere persoon hebben aangewezen, belast met de ontvangst van deurwaardersexploiten.

Dit betekent dat bij andere bedrijven de deurwaarder nagenoeg bijna altijd vraagt naar een persoon die ofwel de personeelsadministratie, ofwel de boekhouding onder zijn hoede heeft. Bij vele bedrijven - zoals het onderhavige - welke niets hebben geregeld bestaat een gemiddelde onwil enig exploot te aanvaarden ("Ik teken niets") en vaak zendt men de deurwaarder van het kastje-naar-de-muur totdat deze daaraan een eind maakt door het exploot te betekenen zoals de Wet verlangt en wel aan een der werknemers ten kantore van de derdebeslagene. In het onderhavige geval blijkt dat de toegevoegd-kandidaat-gerechtsdeurwaarder bij het betreden van het bedrijf aan degene die haar te woord stond heeft gezegd: "Ik ben deurwaarder en ik kom voor een loonbeslag. Met wie kan ik dit bespreken?". Daarop heeft de aangesprokene gereageerd met de mededeling: "U kunt het stuk aan mij betekenen". Het valt niet in te zien dat deze werkwijze onzorgvuldig is te noemen.

De zienswijze dat vervolgens het exploot in een enveloppe dient te worden achtergelaten vindt, zoals eerder gezegd, geen steun in de Wet.

Nu in de Wet (bijvoorbeeld artikel 2 sub 2, artikel 4 sub 12 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) een aantal zaken geregeld worden waarbij de gerechtsdeurwaarder het exploot onder gesloten enveloppe dient achter te laten, staat daarmee a contrario vast dat in andere gevallen hem zulks niet is toegestaan. Bovendien wijzen wij op het volgende. Achterlating in een enveloppe kan tot problemen leiden. Een voorbeeld is een exploot waarbij een vonnis wordt betekend, waarvan de beroepstermijn kort nadien verstrijkt en waarvan de enveloppe blijft liggen totdat de directeur van vakantie is teruggekeerd en daarna te laat wordt geopend en dit alles vanwege de door de gerechtsdeurwaarder opgewekte angst dat kennisneming door anderen een schending van een norm zou zijn.

Wij zijn het ermee eens dat de deurwaarder zorgvuldig moet optreden. Dit zou bijvoorbeeld inhouden dat hij niet gerechtigd is aan meerdere personen het doel van zijn missie kenbaar te maken indien zulks niet noodzakelijk is. Eén personeelslid volstaat. Er moet wel worden bedacht dat de schuldenaar die bij vonnis is veroordeeld tot betaling van een geldsom en die willens en wetens aan die veroordeling niet voldoet en aan wie dat vonnis is betekend met bevel om aan de inhoud van het vonnis te voldoen en aan wie tevens in het kader van artikel 475g Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is gevraagd de bronnen van inkomsten op te geven en ten aanzien van wie vervolgens ingevolge sub 3 van dat artikel aan de werkgeefster is gevraagd of deze periodieke betaling verschuldigd was aan die schuldenaar, weet dat loonbeslag aan de orde komt. Zeker op grond van de eerdere aanzeggingen dat daartoe zal worden overgegaan. Dan is bekendheid met die schuld binnen dat bedrijf de consequentie van het gedrag van de schuldenaar.

Indien het standpunt van de Registratiekamer valide zou zijn staat daarmee vast dat zij de wettelijke regeling niet juist acht. Als de deurwaarder evenwel anders handelen moet dient een wetswijziging plaats te vinden. Wij vrezen er evenwel voor dat verfijning niet tot verbetering leidt.

Wij constateren een spanningsveld tussen Wet en praktijk enerzijds en inzichten van de Registratiekamer anderzijds doch wij menen niet dat in het onderhavige geval onzorgvuldig is gehandeld. Afgezien van alles: het is verstandig eerst inzicht in de praktijk te verwerven alvorens men een oordeel geeft. Dit lijkt te hebben ontbroken."

Achtergrond

1. Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (oud en nieuw)

Op 1 januari 2002 is het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gewijzigd door de inwerkingtreding van de Wet tot herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken. De onderzochte gedraging in deze zaak wordt beoordeeld naar het recht dat destijds gold. Voor de goede orde staan onderstaand wel de nieuwe bepalingen opgenomen die corresponderen met de relevante bepalingen zoals die van toepassing waren ten tijde van de onderzochte gedraging.

Artikel 2 (oud):

"1. Indien de deurwaarder noch aan de gedaagde in persoon, noch aan een huisgenoot afschrift kan laten, laat hij een afschrift aan de woonplaats achter in een gesloten envelop. Indien ook dat feitelijk onmogelijk is, bezorgt hij terstond een afschrift ter post. De deurwaarder maakt, in het laatste geval tevens onder vermelding van de reden der feitelijke onmogelijkheid, van deze handelingen melding in het exploit.

2. Op de envelop waarin het afschrift ingevolge het eerste lid wordt achtergelaten of ter post bezorgd, worden de naam en de woonplaats van de gedaagde vermeld. De envelop vermeldt tevens de naam, de hoedanigheid, het kantooradres en het telefoonnummer van de deurwaarder, alsmede een aanduiding dat de inhoud de onmiddellijke aandacht behoeft."

Artikel 47 (nieuw):

"1. Indien de deurwaarder aan geen van de in artikel 46, eerste lid, bedoelde personen afschrift kan laten, laat hij een afschrift aan de woonplaats achter in een gesloten envelop. Indien ook dat feitelijk onmogelijk is, bezorgt hij terstond een afschrift ter post. De deurwaarder maakt, zowel in het ene als het andere geval tevens onder vermelding van de reden van de feitelijke onmogelijkheid, van deze handelingen melding in het exploot.

2. Op de envelop waarin het afschrift ingevolge het eerste lid wordt achtergelaten of ter post wordt bezorgd, worden vermeld de naam en de woonplaats van degene voor wie het exploot is bestemd. De envelop vermeldt tevens de naam, de hoedanigheid, het kantooradres en het telefoonnummer van de deurwaarder, alsmede een aanduiding dat de inhoud de onmiddellijke aandacht behoeft."

Artikel 4 (oud):

"De dagvaardingen en alle andere exploiten zullen gedaan worden op de wijze als volgt:

(…)

3°. Ten aanzien van andere regtspersonen aan den persoon of de woonplaats van een der bestuurders en, na de ontbinding, van een der vereffenaars, of aan hun zetel of kantoor;

(…)

12°. Ten aanzien van hen die verblijven in een gebouwd onroerend goed of gedeelte daarvan, indien het exploit een vordering tot ontruiming daarvan betreft door anderen dan gebruikers of gewezen gebruikers krachtens een persoonlijk of zakelijk recht, zonder dat de naam en de woonplaats van degenen voor wie het exploit bestemd is, alsmede de persoon aan wie afschrift wordt gelaten, worden vermeld, op de wijze als vermeld in artikel 2, met dien verstande dat voor "aan de woonplaats" in het eerste lid van dat artikel wordt gelezen: ter plaatse, en dat degenen voor wie het exploit bestemd is, daarin en op de envelop waarin een afschrift wordt achtergelaten of ter post bezorgd, worden aangeduid als zij die verblijven in het betreffende onroerend goed of gedeelte daarvan. Voorts wordt een uittreksel van het exploit ten spoedigste bekend gemaakt in een landelijk dagblad of in een dagblad verschijnend in de streek waarin het onroerend goed gelegen is onder vermelding van naam en adres van de deurwaarder of van de advocaat van wie afschrift van het exploit verkregen kan worden."

Artikel 50 (nieuw):

"Ten aanzien van andere rechtspersonen geschiedt de betekening aan hun kantoor of aan de persoon of de woonplaats van een van de bestuurders. Na de ontbinding geschiedt zij aan het kantoor, de persoon of de woonplaats van een van de vereffenaars. Indien afschrift van het exploot wordt gelaten aan een bestuurder, of, na de ontbinding, aan een vereffenaar, is het exploot gedaan aan de rechtspersoon in persoon."

Artikel 61 (nieuw):

"Ten aanzien van hen die verblijven in een gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan, indien het exploot een vordering tot ontruiming daarvan door anderen dan gebruikers of gewezen gebruikers krachtens een persoonlijk of zakelijk recht betreft, zonder dat de naam en de woonplaats van degenen voor wie het exploot is bestemd, alsmede de persoon aan wie afschrift wordt gelaten, worden vermeld, geschiedt de betekening op de wijze als vermeld in artikel 47, met dien verstande dat voor «aan de woonplaats» in het eerste lid van dat artikel wordt gelezen: ter plaatse, en dat degenen voor wie het exploot bestemd is, daarin en op de envelop waarin een afschrift wordt achtergelaten of ter post wordt bezorgd, worden aangeduid als: zij die verblijven in de desbetreffende onroerende zaak of een gedeelte daarvan. Voorts wordt een uittreksel van het exploot zo spoedig mogelijk bekend gemaakt in een landelijk dagblad of in een dagblad verschijnend in de streek waarin de onroerende zaak gelegen is, onder vermelding van naam en kantooradres van de deurwaarder of van de advocaat van wie afschrift van het exploot kan worden verkregen."

2. Handboek Burgerlijke Rechtsvordering, Kluwer (losbladig)

Aantekening 1 op artikel 2 (Suppl. 207 (december 1991)):

"Gelijk wij bij art. 1 reeds opmerkten is het de strekking van de artikelen welke de betekening van exploten regelen, zoveel mogelijk te waarborgen dat deze te bestemder plaatse komen. Terwijl nu art. 4 allerlei gevallen regelt, waarin zich bijzondere situaties voordoen met betrekking tot degenen, tot wie een exploot is gericht -rechtspersonen, boedel, zwervers, vreemdelingen - schrijft art. 2 als algemeen beginsel, ter onderstreping van art. 1 eerste lid, voor dat de deurwaarder allereerst moet trachten de gedaagde in persoon of - aan zijn woonstede - een huisgenoot te bereiken. Slaagt hij daarin niet, dan vertrouwde de wet er in de vroegere redactie op, dat tussenkomst van de burgemeester en de gemeentelijke bevolkingsadministratie ertoe zou leiden dat het exploot uiteindelijk de persoon, aan wie het was gericht, zou bereiken. In de huidige redactie is dat vertrouwen, al of niet terecht of te optimistisch, doorgeschoven naar de postdiensten. (…)

De in dit artikel toegelaten betekening aan een huisgenoot of via terpostbezorging of achterlating in een gesloten envelop is niet van minderwaardig gehalte, doch heeft eenzelfde rechtskracht als de betekening in persoon."

Aantekening 2 op artikel 2 (Suppl. 207 (december 1991)):

"Mede op grond van deze ratio is aan te nemen dat het artikel het oog heeft op alle exploten, niet slechts op de dagvaarding in strikte zin, zulks overeenkomstig het opschrift dezer afdeling."

Aantekening 1 op artikel 4 (Suppl. 208 (januari 1992)):

"Allereerst dient te worden opgemerkt, dat het artikel betrekking heeft op alle exploten, dus ook die, welke bij sommaties, aanzeggingen en beslagen te pas komen. In art. 4 heeft de wet een rijke casuïstiek ontplooid, en, het grote belang van een juiste betekening onderstrepend, zich uitgeput in allerlei mogelijkheden teneinde een zo groot mogelijke zekerheid te verkrijgen, dat het exploot zijn bestemming bereikt.(*2) Het komt ons voor, dat art. 4 en 2 elkaars complement vormen(*3); dat de reeks voorschriften in art. 4 telkens moet worden aangevuld met de regeling van art. 2. nl. dat telkens, waar een woonplaats of kantoor bij gebreke van de bepaaldelijk genoemde persoon wordt vermeld, betekening kan plaatsvinden aan een 'huisgenoot' (…) en dat eerst wanneer zodanig huisgenoot niet aanwezig is, wederom naar toepassing van art. 2 wordt gegrepen, door alsdan het exploot ter post te bezorgen. Hieruit volgt weder, dat de regeling van art. 4 prevaleert boven die van art. 2 en dat dus, indien in eerstvermeld artikel meer dan één mogelijkheid is aangegeven (…) deze mogelijkheden dienen te worden uitgeput alvorens die van art. 2 wordt toegepast.

(…)

(*2) (…) HR 12 januari 1979, NJ 1979, 290 (WHH): `De voorschriften van de eerste afdeling van de eerste titel van boek I W.v.B.Rv. over de betekening van exploten van dagvaarding hebben onder meer de strekking te bevorderen dat de gedaagde een afschrift van het exploit in handen zal krijgen (…)

(*3) Dit volgt eerder uit het wetssysteem dan uit analogie, zoals Hof Leeuwarden 12 januari 1921, W 10 675 meent."

Aantekening 4 op artikel 4 (Suppl. 196 (december 1990)):

"Als men de enigszins dubbelzinnige redactie herleidt tot een redelijke proportie, dan blijkt dat ook bij deze rechtspersonen de betekening geschiedt aan een der bestuurders in persoon of te zijner woning - het behoeft dus niet te zijn de voorzitter van het bestuur -, dan wel aan het kantoor der rechtspersoon. (*1) Vóór de Wet van 2 juli 1934, Stb. 347, tot opheffing van de bestaande onderscheiding tussen handelsdaden en niet-handelsdaden en tussen kooplieden en niet-kooplieden werd betekening eerst aan het kantoor voorgeschreven, en eerst bij ontbreken van een kantoor aan de persoon of ter woonplaatse van een bestuurder; hieruit leidt Van Rossem, derde druk, aant. 5 op art. 4 - voor dat geval niet ten onrechte - af, dat alsdan bij het niet-aantreffen van een bevoegd persoon ten kantore, betekening overeenkomstig art. 2 moet geschieden. In de huidige redactie echter dienen alle mogelijkheden van art. 4 te worden uitgeput, alvorens art. 2 kan worden toegepast. (*2)

(…)

(*1) Voor geval het een NV of BV ontbreekt aan een kantoor, bestuurder of vereffenaar: zie art. 4sub7,4c alinea. Het 'kantoor' behoeft niet samen te vallen met de statutaire zetel; zie noot-Bloembergen onder HR 21 april 1972, NJ 1973, 16.

(*2) Rb. Arnhem 13 juli 1967, NJ 1968, 215. De in de tekst verdedigde mening is naar het oordeel van Cleveringa (annotatie in De Praktijkgids 1968, 474) 'niet onaannemelijk'; implicite is zij ook weergegeven in Van Rossem-Cleveringa, aant. 5 en 6 op art. 4. De mening wordt echter bestreden door Teekens in De Gerechtsdeurwaarder, 78e jrg. (1968), blz. 73 e.v. Dat de wetgever zeer bewust in 1934 het stelsel van betekeningen aan rechtspersonen en vennootschappen heeft willen wijzigen en aanpassen aan het stelsel, dat reeds voor betekeningen aan de staat, openbare rechtspersonen en (destijds afzonderlijk genoemd) de gemeenten was voorgeschreven, volgt uit de memorie van toelichting, op dit punt aldus luidend: 'Afgezien van de wijziging, die deze nieuwe terminologie (nl. van 'vennootschappen van koophandel' in 'vennootschappen' -F.J.) noodig maakt, dienen in de nrs. 2-4 van art. 4 Rv. tegelijkertijd eenige correcties (curs. van ons -F.J.) te worden aangebracht'. De regering beschouwde dus nadrukkelijk het thans bestaande betekeningsvoorschrift als een verbetering van het oude systeem, en zij is daarin niet door het parlement tegengesproken. Daaruit is dan onomstotelijk af te leiden, dat de huidige volgorde niet een vrije keuze inhoudt, maar een volgorde van voorkeur, geheel strokend met het doel van deze voorschriften, als in aant. 1 omschreven. Niet genoeg kan het belang van een juiste en doeltreffende betekening worden onderstreept. In andere zin dan hier verdedigd: de A-G Berger in zijn incidentele conclusie ad HR 23 april 1971, NJ 1971, 345, echter zonder gemotiveerde weerlegging van de hier weergegeven wetshistorische argumentatie. Het arrest bespreekt de hier aangeroerde vraag niet. Zou echter - naar Teekens in De Gerechtsdeurwaarder 1971, blz. 150 e.v. veronderstelt - de Hoge Raad door het verstek te verlenen implicite de mening van de advocaat-generaal hebben gedeeld, dan zouden wij dat betreuren omdat daarmede min of meer een premie wordt verleend aan de gemakzucht van enkele (overbelaste) deurwaarders. Inderdaad is de Hoge Raad op deze verkeerde weg voortgegaan bij rolbeschikking van 2 oktober 1981, NJ 1982, 101."

3. Jurisprudentie Hoge Raad

3.1. HR 23 april 1971, NJ 1971/345:

"[Essentie] (…)

Het exploit van dagvaarding van de NV waarbij de deurwaarder zijn exploit doet ten woonhuize van haar directeur en, vervolgens, dat de deurwaarder "afschrift dezes laat aan de door het hoofd van het plaatselijk bestuur van de gemeente 's-Gravenhage daartoe aangewezen ambtenaar, tot wie de deurwaarder zich terstond heeft vervoegd en die het origineel voor gezien" heeft getekend, "zijnde toch ter plaatse vermeld niemand aangetroffen aan wie rechtsgeldig afschrift kon worden gelaten". Moest het exploit van dagvaarding vermelden, dat de deurwaarder ten aanzien van de naamloze vennootschap de dagvaarding niet overeenkomstig art. 4 aanhef en sub 3e Rv. heeft kunnen doen aan de zetel of aan het kantoor der naamloze vennootschap? HR, ter terechtzitting van 2 oktober 1970 het door eiseres gevraagde verstek verlenend tegen de niet verschenen verweerster, de NV Rubber Import Company, beantwoordt deze vraag implicite ontkennend.

(…)

1. Incidentele conclusie Adv.-Gen. Mr. Berger.

M.b.t. de in deze zaak uitgebrachte dagvaarding, waarop de gedaagde partij ter zitting niet is verschenen, kan twijfel rijzen of zij op rechtsgeldige wijze is uitgebracht. De dagvaarding is uitgebracht aan een naamloze vennootschap, blijkens vermelding in het exploit gevestigd te 's-Gravenhage, terwijl op deze vermelding in het exploit oorspronkelijk volgde "aldaar te haren kantore aan de Veenkade no. 28a mijn exploit doende". In het exploit echter is de vermelding van het kantooradres doorgehaald en achter de woorden "mijn exploit doende" is ingevoegd: "ten woonhuize van haar directeur H.C. Hagen aan de Maastrichtsestraat 71 te Scheveningen, gemeente 's-Gravenhage", terwijl in het exploit op deze invoeging volgt de passage: "en afschrift dezes latende aan de door het Hoofd van het Plaatselijk Bestuur van opgemelde gemeente daartoe aangewezen ambtenaar, tot wie ik mij terstond heb vervoegd en die het origineel dezes voor "gezien" heeft getekend; zijnde toch ter plaatse voormeld niemand aangetroffen, aan wie rechtsgeldig afschrift kon worden gelaten".

Uit het exploit blijkt dus niet, dat de deurwaarder heeft getracht de dagvaarding aan het kantoor van de NV te betekenen, waaruit kan worden afgeleid, dat de deurwaarder, nadat hij ten woonhuize van de directeur niemand had aangetroffen, zonder meer de weg van art. 2 Rv. heeft gevolgd ter betekening van het onderhavig exploit. M.a.w.: er kan hier van worden uitgegaan, dat de deurwaarder, alvorens de weg van art. 2 Rv. te volgen, niet alle mogelijkheden ter betekenis van het exploit aan de rechtspersoon vermeld in art. 4 sub 3 Rv. heeft uitgeput.

Nu wordt ten aanzien van art. 4 Rv. verdedigd, dat de deurwaarder, indien hem ter betekening van een dagvaarding meer mogelijkheden worden geboden, eerst al deze mogelijkheden dient na te gaan, alvorens de weg van art. 2 Rv. te mogen volgen. Voor de onderhavige zaak zou dat medebrengen, dat ook een vergeefse tocht naar het kantoor van de NV expressis verbis had moeten vermeld zijn, omdat anders niet is na te gaan of de deurwaarder inderdaad alle mogelijkheden ter betekening van het onderhavig exptoit heeft uitgeput alvorens het uit te brengen, zoals hij blijkens de vermelding in het exploit heeft gedaan. In de Kluwer-uitgave "Burgerlijke Rechtsvordering" (biz. 25) verdedigt Jansen met een verwijzing naar aantekening 5 op art. 4 Rv. in Van Rossem-Cleveringa, dat in de huidige redactie van gemeld artikel alle mogelijkheden dienen te worden uitgeput, alvorens art. 2 kan worden toegepast. Ik neem aan dat tevens bedoeld is dat uit het exploit moet blijken, dat die mogelijkheden zijn uitgeput. In noot 1 verwijst Jansen naar Rb. Arnhem 13 juli 1967, NJ I968 no. 215, welk vonnis echter niet als steun voor de door hem verdedigde opvatting kan dienen, omdat het is gewezen door dezelfde Mr. Jansen als lid van de Enkelvoudige Kamer. Vorenvermelde noot vervolgt:

"De in de tekst verdedigde mening is naar het oordeel van Cleveringa (annotatie in de Praktijkgids I968 no. 474) "niet onaannemelijk"; zij wordt bestreden door Teekens in de Gerechtsdeurwaarder, 78e jrg, (168), biz. 73 e.v. Dat de wetgever zeer bewust het stelsel van betekeningen aan rechtspersonen en vennootschappen heeft willen wijzigen en aanpassen aan het stelsel, dat reeds voor betekeningen aan de Staat, openbare rechtspersonen en (destijds afzonderlijk genoemd) de gemeenten was voorgeschreven, volgt uit de MvT, op dit punt aldus luidende:

"Afgezien van de wijziging, die deze nieuwe terminologie (nl. van "vennootschappen van koophandel" in "vennootschappen" - F.J.) nodig maakt, dienen in de nos.Z - 4 van art. 4 Rv. tegelijkertijd eenige correcties te worden aangebracht".

De Regering beschouwde dus nadrukkelijk het thans bestaand betekeningsvoorschrift als een verbetering van het oude systeem, en zij is daarin niet door het parlement tegengesproken, Daaruit is dan onomstotelijk af te leiden, dat de huidige volgorde niet een vrije keuze inhoudt, maar een volgorde van voorkeur, geheel strokende met het doel van deze voorschriften, als in aant. 1 omschreven. Niet genoeg kan het belang van een juiste en doeltreffende betekening worden onderstreept". De argumentatie van Jansen kan mij echter in het geheel niet overtuigen. In de door Jansen bedoelde wetswijziging, nog minder in de aanhaling uit de MvT kan ik grond zien, dat de wetgever in art.4 Rv. geen vrije keuze uit de betekeningsmogelijkheden ten aanzien van vennootschappen heeft gewild, M.i. heeft de wetgever met de wijziging bij de wet van 2 juli I934 veeleer beoogd ook bij vennootschappen de deurwaarder een mogelijkheid tot keuze te bieden tot het uitbrengen van de dagvaarding (zie: Teekens in zijn hoger vermeld artikel).

De bovenvermelde noot van Cleveringa (waarin de annotator de vraag openlaat "of Jansens stelling wel in allen dele steeds even sterk klemt") staat onder een vonnis van de Ktr. te Arnhem d.d. 10 juni I968 betreffende een beslag. De deurwaarder had het exploit betekend op een zaterdag aan het kantoor der vennootschap en daar niemand aangetroffen hebbend de weg van art. 2 Rv. gevolgd. De Ktr. acht het beslag nietig, omdat hij de inachtneming van de in art. 4 sub 4 Rv. aangegeven volgorde van zo wezenlijke betekenis acht voor de geldigheid van het beslag, "dat, nu in het onderhavige geval deze volgorde niet is nageleefd, het gelegde beslag als nietig moet worden aangemerkt". Hoewel ik in het gegeven geval begrip kan opbrengen voor de beslissing van de Ktr, berust zij, naar het mij voorkomt, niet op de wet. In de wet zelf valt niet te lezen, dat de in art. 4 Rv, aangegeven volgorde van zo wezenlijke betekenis is, dat niet inachtneming tot nietigheid van het exploit moet leiden. Hierbij zij opgemerkt, dat de Ktr een 'nog stringentere eis stelt dan Jansen. Wil laatstgenoemde, als ik het goed zie, in de wet slechts lezen, dat alle gegeven mogelijkheden moeten worden uitgeput alvorens de weg van art. 2 Rv. mag worden ingeslagen, in het aangehaalde vonnis van de Ktr. wordt als vereiste voor de geldigheid van het uitgebrachte exploit bovendien nog gesteld, dat de in art. 4 gegeven volgorde in acht wordt genomen. Toegegeven kan worden dat een juiste en doeltreffende betekening van het grootste belang is, doch daarin kan geen grond worden gevonden om meer in de wet te lezen dan wat er in staat. Men mag van de deurwaarder verwachten, dat hij zich inspant het exploit in de juiste handen te doen geraken, maar van die inspanningen behoeft uit het exploit niet meer te blijken dan dat hij het exploit heeft betekend overeenkomstig een der hem daartoe in art, 4 Rv. gegeven mogelijkheden en vervolgens wanneer hij daarbij in het in art. 2 Rv. voorziene geval komt te verkeren, handelt, zoals in die bepaling is voorgeschreven.

Ik moge concluderen tot verstekverlening."

3.2. HR 12 januari 1979, NJ 1979/290:

"De voorschriften van de eerste afd. van de eerste titel van Boek 1 Rv. over de betekening van exploten van dagvaarding hebben o.m. de strekking te bevorderen dat de gedaagde een afschrift van het exploot in handen zal krijgen."

3.3. HR 2 oktober 1981, NJ 1982/101:

"[Essentie] Verstekverlening. Aan BV uitgebracht dagvaardingsexploit dat is gedaan met toepassing van art. 2 Rv zonder dat eerst alle mogelijkheden van art. 4 aanhef en onder 3 e Rv zijn geprobeerd.

(…)

Conclusie Adv.-Gen. Mr Ten Kate.

Uit het overgelegde dagvaardingsexploit blijkt slechts, dat de deurwaarder gepoogd heeft het exploit aan het kantoor van de gedaagde BV uit te brengen. Aangezien hij - voor zover dit uit het op het overgelegde exploit niet bepaald gemakkelijk leesbaar geplaatste stempel op te maken valt - ter plaatse niemand heeft aangetroffen aan wie hij rechtsgeldig afschrift kon laten, heeft hij vervolgens art. 2 Rv toegepast. Uit het exploit blijkt derhalve niet, dat de deurwaarder, alvorens hiertoe over te gaan, nog geprobeerd heeft de dagvaarding op een van de andere wijzen te betekenen, die in art. 4 onder 3e Rv genoemd zijn. Volgens Van Rossum-Cleveringa 1 (1972), noot 10a bij aant. 5 op art. 4 (p. 87) gaat dit te ver; vgl. overigens p. 22.

Zo ook Jansen in Kluwers losbladige "Burgerlijke Rechtsvordering", Boek l, aant. 4 op art. 4, p. 22b/23, waarbij noot 1 op p. 23 met kritiek op na te melden arrest.

Uw Raad heeft evenwel in een vergelijkbaar geval op uitvoerige concl. van Mr Berger verstek verleend.

Men zie onder HR 23 april 1971, NJ 1971, 345.

Ik meen met verwijzing naar voormelde concl. te mogen volstaan en concludeer dienovereenkomstig tot verstekverlening.

HR verleent verstek."

4. Gedragsregels van de Koninklijke Vereniging van Gerechtsdeurwaarders (KVG)

Regel 4:

"De gerechtsdeurwaarder houdt geheim hetgeen hij in de uitoefening van zijn beroep verneemt, tenzij de zorgvuldige uitoefening van zijn beroep vereist dat hij zijn kennis met derden deelt.

Toelichting

Uiteraard is de gerechtsdeurwaarder verplicht tot geheimhouding; dit met name tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen. De goede uitoefening van zijn ambt zal in een aantal gevallen, bijvoorbeeld ter voorkoming van kosten, betekenen dat de geheimhoudingsplicht niet kan gelden. Wanneer de gerechtsdeurwaarder zijn kennis met derden deelt zal hij dit doen na zorgvuldige afweging van de belangen van betrokkenen."

5. Reglement Persoonsregistratie KVG van 27 april 1996

Artikel 7:

"1. Tenzij met uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de geregistreerde, worden uit de persoonsregistratie uitsluitend aan de volgende personen of instanties gegevens verstrekt:

a. aan opdrachtgevers van de Gerechtsdeurwaarder voor zover nodig en onvermijdelijk in het kader van de verstrekte opdracht en ter verantwoording van verrichte werkzaamheden;

b. aan debiteuren van opdrachtgevers voor zover nodig en onvermijdelijk bij het verrichten van de bij of krachtens de Wet en/of door de opdrachtgever opgedragen taken en werkzaamheden;

c. aan Kantongerechten, voor zover nodig voor de uitvoering van opdrachten;

d. aan rechtstreeks bij de zaak betrokken derden, zoals andere Gerechtsdeurwaarders, openbare registers, banken, e.a. uitsluitend voor zover nodig en onvermijdelijk bij het verrichten van de bij of krachtens de Wet en/of door de opdrachtgever opgedragen taken en werkzaamheden;

e. aan derden op diens schriftelijk verzoek voor zover deze verstrekking niet anders voortvloeit dan uit het doel van de persoonsregistratie en voor zover de persoonlijke levenssfeer van de geregistreerde niet onevenredig wordt geschaad.

2. Verstrekking van gegevens vindt niet plaats indien de houder weet of redelijkerwijs kan aannemen dat de gegevens door de verzoeker in ruimere kring zullen worden bekend gemaakt of zullen worden benut voor een doel niet in overeenstemming met het doel van de registratie.

3. Verstrekking van gegevens vindt niet plaats indien en voorzover het verstrekken in strijd zou komen met de geheimhoudingsplicht van de Gerechtsdeurwaarder."

6. Standpunt Registratiekamer

6.1. Bij brief van 18 oktober 1999 heeft verzoeker zijn klacht voorgelegd aan de Registratiekamer (thans: College Bescherming Persoonsgegevens).

6.2. Op 2 december 1999 deelde de Registratiekamer gerechtsdeurwaarderskantoor Y te Rotterdam naar aanleiding van verzoekers klacht het volgende mee:

"…Bij brief van 18 oktober 1999 heeft de heer H. geklaagd over de wijze waarop een gerechtelijk stuk (loonbeslag) werd aangeboden. De klacht behelst, kort weergegeven, het volgende. Op 4 augustus 1999 werd aan het kantoor waar de heer H. directeur is een gerechtelijk stuk door (…) S. -toegevoegd kandidaat deurwaarder- aan een medewerkster overhandigd. Het stuk zat niet in een envelop en was voor een ieder leesbaar. De heer H. is van mening dat deze wijze van aanbieden niet getuigt van de nodige zorgvuldigheid met betrekking tot de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van betrokkene.

Naar aanleiding van de klacht heeft de Registratiekamer u bij brief van 29 oktober 1999 enkele vragen gesteld. Bij brief van 15 november 1999 heeft u bericht dat het betreffende stuk overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is betekend. U schrijft dat het u niet vrij staat hiervan af te wijken.

Bij het aanbieden van gerechtelijke stukken gelden -zoals u terecht stelt- de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Echter, bij de betekening dient tevens rekening gehouden te worden met een adequate invulling van het grondwettelijk uitgangspunt dat de persoonlijke levenssfeer van de debiteur niet onevenredig mag worden geschaad. Rekening houden met de persoonlijke levenssfeer van de debiteur is de invulling van de regel dat met de nodige zorgvuldigheid wordt omgegaan met de deurwaarder ter beschikking staande persoonsgegevens. Dit bepaalt voor een niet onbelangrijk deel de mate waarin er tevens sprake is van een verantwoorde uitvoering van de rechtspraktijk. Ik verwijs u o.a. naar het reglement persoonsregistratie dat door de Koninklijke Vereniging van Gerechtsdeurwaarders (KVG) op 27 april 1996 is vastgesteld.

Van de KVG heeft de Registratiekamer begrepen dat het gebruikelijk is dat 'het loonbeslag' wordt aangeboden aan een lid van het management dan wel aan die functionaris binnen het bedrijf waar de debiteur werkzaam is die verantwoordelijkheid draagt voor de financiële administratie. Daarbij staat de vertrouwelijkheid van het stuk steeds centraal. Afhankelijk van de situatie dient te worden beslist op welke wijze het stuk wordt achtergelaten.

De Registratiekamer stelt zich bij de invulling van de hierboven genoemde zorgvuldigheid voor ogen dat, indien geen van de hierboven genoemde functionarissen beschikbaar is, maatregelen worden genomen om de persoonlijke levenssfeer van betrokkene niet onevenredig te schaden. Dit kan al eenvoudig worden bereikt door bijvoorbeeld een envelop te gebruiken die bestemd is voor de juiste functionaris binnen het bedrijf.

Het achterlaten van een gerechtelijk stuk zonder aanvullende maatregelen bij derden die geen kennis hoeven te krijgen van de inhoud van het stuk, getuigt niet van de nodige zorgvuldigheid.

De Registratiekamer geeft u ter overweging uw werkwijze in deze aan te passen. Een afschrift van de brief zal worden gezonden aan klager en de KVG…"

6.3. De gerechtsdeurwaarder reageerde hierop bij brief van 8 december 1999 onder meer als volgt:

"Helaas is de door u in overweging gegeven werkwijze in strijd met de wettelijke bepalingen, zodat het ons niet vrij staat deze dienovereenkomstig aan te passen.

Er is dan ook geen sprake van dat dezerzijds onzorgvuldig is gehandeld."

6.4. Op 3 februari 2000 reageerde de Registratiekamer hierop als volgt:

"…Bij brief van 8 december 1999 geeft u schriftelijk uw reactie op het standpunt van de Registratiekamer zoals verwoord in de brief aan u d.d. 2 december 1999 (…). In uw brief geeft u aan de door u gehanteerde werkwijze overeenkomstig is met de wettelijke bepalingen en dat u daar niet van kan afwijken. U geeft aan het standpunt van de Registratiekamer niet te delen.

De Registratiekamer heeft daarvan kennis genomen maar ziet geen reden om haar standpunt te wijzigen.

Uw verweer dat de door uw kantoor gehanteerde werkwijze overeenkomstig de wettelijke bepalingen geschied, is reeds in uw vorige brief van 15 november 1999 genoemd. Het verweer is vervolgens in het antwoord van de Registratiekamer verwerkt en in perspectief geplaatst…"

6.5. Vervolgens deelde de gerechtsdeurwaarder de Registratiekamer op 15 februari 2000 het volgende mee:

"…Wat u blijkens uw brief van 2 december jl. voorstelt is in strijd met de wet en dus onuitvoerbaar. Kennelijk beschikt u niet over voldoende kennis van de materie en heeft u zich evenmin voldoende geïnformeerd omtrent de exacte gang van zaken ter gelegenheid van de betekening van het betreffende stuk, om een oordeel omtrent de door ons gehanteerde werkwijze te kunnen vellen.

Het is voor ons kantoor absoluut onacceptabel dat u de klager en de KVG derhalve heeft bericht dat wij niet de nodige zorgvuldigheid in acht zouden hebben genomen.

Gaarne vernemen wij u of u uw standpunt wilt herzien. In het ontkennende geval beraden wij ons over nader te nemen stappen…"

6.6. Ten slotte deelde de Registratiekamer de gerechtsdeurwaarder bij brief van 24 februari 2000 het volgende mee:

"…Bij brief van 15 februari 2000 geeft u nogmaals uw reactie op het standpunt van de Registratiekamer zoals verwoord in de brief aan u d.d. 2 december 1999 (…).

Zoals de Registratiekamer u reeds eerder heeft bericht, dient bij de betekening van stukken tevens rekening gehouden te worden met de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene.

De Registratiekamer heeft in haar brief van 2 december 1999 niet geconcludeerd dat er i.c. sprake zou zijn van onzorgvuldig handelen.

Verdere correspondentie over deze zaak neemt de Registratiekamer voor kennisneming aan…"

Publicatiedatum
Rapportnummer
2002/090