2001/229

Instantie: Gerechtsdeurwaarderskantoor N. Amsterdam

Klacht: Zonder een onderzoek naar juistheid van het door executant opgegeven woonadres een incassomaatregel genomen die verzoekers op toenmalig woonadres heeft bereikt terwijl debiteur daar niet woonde.
Oordeel: niet gegrond

Verzoekers klagen erover dat het gerechtsdeurwaarderskantoor N. zonder een onderzoek naar de juistheid van het door de executant opgegeven woonadres van de debiteur, op 9 maart 2000 een incassomaatregel heeft genomen, die verzoekers op hun toenmalige woonadres heeft bereikt, terwijl de debiteur daar niet woonde.

Beoordeling

1. Verzoekers zijn per 1 mei 1999 gaan wonen in hun toenmalige woning te Amsterdam. Voorheen woonde daar de familie K. Vanaf het moment dat verzoekers hun intrek in het pand hebben genomen, ontvangen zij dagelijks post voor de familie K. Het gaat dan met name om officiële stukken als boetes van het Centraal Justitieel Incasso Bureau, post van incassoburo's en gerechtsdeurwaarders, enz. Teneinde aan de onjuiste adressering op de stukken een eind te maken, hebben verzoekers de gemeente Amsterdam verzocht een onderzoek te starten naar de verblijfplaats van de familie K. In juli 1999 krijgen zij bericht van de gemeente dat alle personen met de naam K. van het adres waar verzoekers wonen zijn uitgeschreven. Voorts hebben verzoekers aangegeven alle post retour afzender te hebben gezonden. Op 9 maart 2000 heeft gerechtsdeurwaarder T. van gerechtsdeurwaarderskantoor N. een afschrift van de betekening van het loonbeslag, dat was gelegd bij de werkgever van mevrouw K., in een gesloten envelop achtergelaten op het adres van verzoekers.

2. Verzoekers klagen erover dat het gerechtsdeurwaarderskantoor N. voormeld afschrift op hun adres heeft achtergelaten, terwijl mevrouw K. daar sinds mei 1999 niet meer woonde en/of stond ingeschreven.

3. Het gerechtsdeurwaarderskantoor acht de klacht ongegrond. Het kantoor doet voor elke procedure onderzoek naar de juistheid van het adres bij de gemeentelijke basisadministratie. Om die reden was in juli 1999 bekend dat mevrouw K. niet meer op het adres van verzoekers stond ingeschreven. Uit het oordeel van de Koninklijke Vereniging van Gerechtsdeurwaarders komt naar voren dat mevrouw K. vervolgens zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland is gedagvaard, waarna het vonnis via het openbaar ministerie is betekend. Op grond van informatie van de werkgever van mevrouw K. - aan wie zij had opgegeven nog woonachtig te zijn op het adres van verzoekers - heeft het gerechtsdeurwaarderskantoor dan ook besloten het bij de werkgever van mevrouw K. gelegd loonbeslag te betekenen op dat adres. Het afschrift van die betekening is het enige stuk dat het gerechtsdeurwaarderskantoor heeft achtergelaten op het adres van verzoekers.

4. De Nationale ombudsman is van oordeel dat het gerechtsdeurwaarderskantoor zorgvuldig heeft gehandeld. Voordat is overgegaan tot het dagvaarden van mevrouw K. heeft het gerechtsdeurwaarderskantoor het door de opdrachtgever opgegeven adres bij de gemeente geverifieerd. Daarmee heeft het voorkomen dat verzoekers verkeerd geadresseerde stukken van het gerechtsdeurwaarderskantoor hebben ontvangen en dat onnodig extra kosten zijn gemaakt. Toen bij navraag bij de werkgever bleek dat mevrouw K. bij haar werkgever het adres van verzoekers als haar woonadres had opgegeven, kon het gerechtsdeurwaarderskantoor met reden besluiten om het loonbeslag op dat adres te betekenen. Immers de mogelijkheid bestond dat de debiteur zich van het betreffende adres had laten uitschrijven, maar daar toch nog woonachtig was. Het is in dat geval niet aan het gerechtsdeurwaarderskantoor te wijten dat verzoekers een afschrift van de betekening van het loonbeslag hebben ontvangen, maar uitsluitend aan mevrouw K., die bij haar werkgever nog onder haar oude adres stond geregistreerd.

Voorts heeft het gerechtsdeurwaarderskantoor op het moment dat verzoekers schriftelijk aan het kantoor hebben laten weten dat de debiteur niet woont op het adres waar het afschrift van de betekening van het loonbeslag was achtergelaten, onverwijld schriftelijk aan verzoekers meegedeeld dat de adreswijziging inmiddels in de administratie is doorgevoerd en dat zij geen stukken meer in de zaak van mevrouw K. zullen ontvangen. Daarbij zijn ook excuses voor het ontstane ongemak aangeboden.

De onderzochte gedraging is derhalve behoorlijk.

5. De Nationale ombudsman merkt ten overvloede nog het volgende op. Verzoekers hebben in hun verzoekschrift aangegeven dat zij zich ernstig in hun privacy en bewegingsvrijheid aangetast voelden door de handelwijze van gerechtsdeurwaarders. Het was voor hen niet mogelijk om langdurig afwezig te zijn, omdat zij vreesden dat zij wederom een officieel stuk van een gerechtsdeurwaarderskantoor zouden ontvangen waarin zou worden aangekondigd dat zal worden overgegaan tot beslaglegging op zich in hun woning bevindende roerende zaken. Hoe begrijpelijk deze vrees ook was - gelet op andere stukken die verzoekers van een ander gerechtsdeurwaarderskantoor hadden ontvangen - deze kon niet gelden voor het bericht dat zij van gerechtsdeurwaarderskantoor N. hebben gekregen. Beslaglegging op het salaris van de debiteur kan nimmer bedreigend zijn voor degenen, die inmiddels op het oude adres van de debiteur wonen.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van gerechtsdeurwaarderskantoor N. is niet gegrond.

Onderzoek

Op 13 maart 2000 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer D. en mevrouw B. te Gouda, met een klacht over een gedraging van gerechtsdeurwaarderskantoor N. te Amsterdam.

Naar deze gedraging werd een onderzoek ingesteld.

In het kader van het onderzoek werd het gerechtsdeurwaarderskantoor verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben.

Tijdens het onderzoek kregen het gerechtsdeurwaarderskantoor en verzoekers de gelegenheid op de door ieder van hen verstrekte inlichtingen te reageren.

Tevens werd het gerechtsdeurwaarderskantoor een aantal specifieke vragen gesteld.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen.

Het gerechtsdeurwaarderskantoor deelde mee zich met de inhoud van het verslag te kunnen verenigen.

Verzoekers gaven binnen de gestelde termijn geen reactie.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:

A. feiten

1. Verzoekers hebben vanaf 1 mei 1999 een woning gehuurd te Amsterdam. Vanaf dat moment hebben zij een stroom van officiële stukken ontvangen voor de familie K., die voor hen in hun pand heeft gewoond. Onder deze stukken bevond zich een schriftelijk bericht van het gerechtsdeurwaarderskantoor N. Het betrof een afschrift van de betekening op 8 maart 2000 van een exploit tot het leggen van executoriaal derdenbeslag bij de werkgever van mevrouw K., dat op 9 maart 2000 in de brievenbus van verzoekers is achtergelaten.

2. Naar aanleiding van bovengenoemd bericht hebben verzoekers bij brief en faxbericht van 13 maart 2000 onder meer het volgende aan het gerechtsdeurwaarderskantoor geschreven:

"Op 9/3/2000 hebben wij een brief van u ontvangen betreffende bovenstaand dossiernummer. De brief is gericht aan K. op ons adres. Deze persoon is ons niet bekend.

Wij hebben ondertussen telefonisch contact gehad met uw kantoor. Echter gezien onze ervaringen met gerechtsdeurwaarders, lijkt het ons verstandig een en ander schriftelijk uiteen te zetten.

De boodschap die wij willen overbrengen is dat wij sinds 1 mei 1999 huurder zijn van het pand aan de (…). Tevens willen we u er op wijzen dat de gemeente Amsterdam op ons verzoek in mei 1999 een onderzoek heeft gestart naar de verblijfplaats van de familie K. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat zij niet meer woonachtig zijn aan de (…). Een schriftelijke bevestiging hiervan hebben wij afgelopen juli van de gemeente Amsterdam ontvangen. Vanaf die datum is ook een wijziging in de gemeentelijke basisadministratie doorgevoerd.

Helaas moeten we constateren dat uw kantoor ambtelijke stukken achterlaat op basis van verouderde informatie. Het is correct dat u, gelet op het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering artikel 2, lid 1, een afschrift achter moet laten op het woonadres van gerequireerde mevrouw K. Als u echter, zoals elk respectabel gerechtsdeurwaarderkantoor zou doen, de gemeentelijke basisadministratie had geraadpleegd voordat u afschriften achter laat op de (…) te Amsterdam, dan zou het feit dat mevrouw K. niet woonachtig is op dit adres aan u bekend zijn.

Wij verwachten dat u ons schriftelijk laat weten dat u af ziet van enige vervolgacties op de (…). Mocht u toch besluiten door te gaan met ons lastig vallen over deze zaak, dan stellen wij u hierbij bij voorbaat aansprakelijk voor alle mogelijke kosten (materieel en immaterieel) die voortvloeien uit alle acties die u gaat ondernemen."

3. In het verzoekschrift aan de Nationale ombudsman van 13 maart 2000 hebben verzoekers onder meer het volgende aangegeven:

"Hierbij willen wij (…) een klacht indienen over de behandeling van een zaak door het gerechtsdeurwaarderskantoor N. Onze klacht is inhoudelijk van aard. Het gerechtsdeurwaarderskantoor N. laat ambtelijke stukken achter op ons adres zonder de moeite te nemen bij de gemeentelijke basisadministratie van Amsterdam te verifiëren of de gegevens in hun administratie juist zijn.

Wij huren het pand op de (…) vanaf 1 mei 1999. Omdat de familie K. zich op dat moment niet had laten uitschrijven van ons adres en we toen al lastig gevallen werden met alle mogelijke officiële stukken van incassobureau's, gerechtsdeurwaarders, de vreemdelingenpolitie, kinderbescherming, het Justitieel Incassobureau, etc, is de gemeente Amsterdam in mei 1999 op ons verzoek gestart met een onderzoek naar de verblijfplaats van de familie K. Er is door de gemeente Amsterdam vanaf dat moment een aantekening met betrekking tot dat onderzoek in de gemeentelijke basisadministratie gemaakt. In juli 1999 kregen wij bericht van de gemeente Amsterdam dat alle personen met de naam K. van ons adres zijn uitgeschreven. De officiële stukken gericht aan de familie K. blijven echter onverminderd arriveren. Wij hebben tot op heden alle poststukken retour afzender gestuurd met de vermelding verhuisd.

Wij hebben ondertussen de Gedragsregels Koninklijke Vereniging van Gerechtsdeurwaarders opgevraagd. Naar onze mening schendt het gerechtsdeurwaarderkantoor N., gezien het feit dat de familie K. al bijna 9 maanden uitgeschreven is op ons adres, met het achterlaten van een ambtelijk stuk op ons adres regel 1 lid 1, regel 2, lid 1 en lid 2, regel 3, lid 1, regel 4, regel 5, regel 8 (in het bijzonder), regel 12, lid 1, regel 13, lid 1 en regel 17 van de Gedragsregels Koninklijke Vereniging van Gerechtsdeurwaarders.

Wij vinden het niet acceptabel dat, omdat de gerechtsdeurwaarder blijkbaar verzuimt zich in de uitoefening van zijn beroep te gedragen zoals een goed gerechtsdeurwaarder betaamd en wel overeenkomstig de normen van moraal en fatsoen (regel 1, lid 1), wij genoodzaakt zijn om schriftelijk te reageren ten einde erger dan lastig gevallen worden met een batterij van poststukken te voorkomen.

Op dit moment voelen wij ons ernstig in onze privacy en bewegingsvrijheid aangetast door de (normale?) handelwijze van de gerechtsdeurwaarders. Het is voor ons onmogelijk geworden om bijvoorbeeld op vakantie te gaan. Bij niet aanwezig zijn (en dus niet reageren) kan er immers weer een ambtelijk stuk arriveren waarin overgegaan wordt tot beslaglegging (zie ook onze klacht d.d. 16 februari 2000 inzake gerechtsdeurwaarders G.). Blijkbaar is het instellen van een gemeentelijk onderzoek, het uitschrijven op ons adres van de personen uit het gemeentelijke basisadministratie en het retourneren van post met het opschrift verhuisd niet voldoende. Graag krijgen wij van u advies over wat wij nog meer kunnen doen om deze situatie te beëindigen."

4. Het gerechtsdeurwaarderskantoor heeft in een brief van 13 maart 2000 aan verzoekers onder meer het volgende geschreven:

"In antwoord op uw faxbericht van hedenmiddag het volgende.

Het exploit van 9 maart jl. is, naar nu blijkt, abusievelijk aan het adres (…) betekend. De adreswijziging is inmiddels, na verificatie bij de GBA, in onze administratie doorgevoerd. U zult in deze zaak geen stukken meer van ons kantoor ontvangen.

Onze excuses voor het bij u kennelijk ontstane ongemak."

B. Standpunt verzoeker

Het standpunt van verzoekers staat hiervoor samengevat weergegeven onder Klacht. Verder komt het standpunt van verzoekers naar voren in de onder A. FEITEN, onder de punten 2 en 3 weergegeven brieven.

C. Standpunt gerechtsdeurwaarderskantoor N.

1. Het gerechtsdeurwaarderskantoor heeft bij brief van 4 september 2000 op de klacht van verzoekers gereageerd. Deze brief houdt onder meer het volgende in:

"De onderhavige klacht van betrokkenen is eveneens in dezelfde bewoordingen ingediend bij onze beroepsorganisatie, de Koninklijke Vereniging van Gerechtsdeurwaarders (KVG).

Een kopie van de uitspraak van de Klachtencommissie van de KVG van 24 juli 2000 sluiten wij hierbij. Wij kunnen ons met de zienswijze van de Klachtencommissie verenigen.

In de klacht zoals die door u is geformuleerd wordt naar onze mening ten onrechte over een "incassomaatregel" gesproken. In casu waren wij belast met de tenuitvoerlegging van een door de Kantonrechter te Amsterdam gewezen vonnis. Weliswaar richtte die tenuitvoerlegging zich op het verkrijgen van betaling door de schuldenaar maar de door u gebezigde term lijkt ons niet juist. Het betrof hier duidelijk een ambtshandeling, namelijk het betekenen van een ten laste van de schuldenaar gelegd loonbeslag. (art. 475 e.v. Rv.)

Met betrekking tot de specifiek gestelde vragen delen wij u mede:

1. dat elke door ons ingeleide procedure vooraf wordt gegaan door een onderzoek bij de Gemeentelijke Basisadministratie naar de juistheid van het adres van de te dagvaarden partij.

2. dat wij niet bij elke nadien volgende ambtshandeling opnieuw het adres (bij de Gemeentelijke Basisadministratie) controleren.

Er is een aantal indicatoren op grond waarvan mag worden aangenomen dat een debiteur op het opgegeven adres woonachtig is. Een daarvan is uiteraard de inschrijving bij de Gemeentelijke Basisadministratie. Andere zijn onder meer: zijn eigen verklaring of zijn reactie op hem gezonden correspondentie, maar ook verklaringen van andere officiële instellingen (uitkerende instanties) of derden (werkgevers, banken e.d.) aan wie de debiteur zijn adres heeft opgegeven en die binnen het kader van de executie verplicht zijn aan de gerechtsdeurwaarder specifieke informatie te verschaffen.

Bij twijfel, bijvoorbeeld wanneer ter plaatse wordt geconstateerd, dat de deurbordjes andere namen vermelden, wanneer er stukken via de PTT retour komen, of de nieuwe bewoner of de buren melden dat de betrokkene is verhuisd wordt een nader onderzoek ingesteld.

Niettemin kan het voorkomen, dat een bewoner van een adres, waar de debiteur voorheen woonachtig was, (nog) voor die debiteur bestemde ambtelijke stukken ontvangt. Dat is helaas niet altijd te voorkomen en vanzelfsprekend vervelend voor de nieuwe bewoner. Om die reden hebben wij klagers reeds bij brief van 13 maart 2000, d.w.z. onmiddellijk nadat wij van de klacht hadden kennis genomen, onze excuses voor het veroorzaakte ongemak aangeboden. Deze brief bevindt zich al bij de stukken. Wij tekenen nog aan dat de verzoekers slechts een enkel exploit dat bestemd was voor de debiteur van ons kantoor hebben ontvangen. Er is dus duidelijk sprake van een incident, dat zich ondanks alle zorgvuldigheid die wij betrachten heeft kunnen voordoen.

Wij zijn van mening, dat wij in deze niet onzorgvuldig of anderszins laakbaar hebben gehandeld. De Klachtencommissie van de KVG die de klacht heeft onderzocht, deelt die mening en heeft de klacht afgewezen".

2. De bij de reactie van het gerechtsdeurwaarderskantoor gevoegde uitspraak van de Koninklijke Vereniging van Gerechtsdeurwaarders van 24 juli 2000 houdt onder meer het volgende in:

"Uw klacht omschreven in uw schrijven d.d. 13 maart 2000 met bijlagen is ter beoordeling aan de Klachtencommissie van de Koninklijke Vereniging van Gerechtsdeurwaarders te Utrecht voorgelegd, nadat gerechtsdeurwaarders N. te Amsterdam -hierna te noemen N. c.s.- is verzocht hierop te reageren. (…)

De klachtencommissie leest uit uw klacht, dat u gaarne advies vraagt, wat te doen om de stroom van niet voor u bestemde ambtelijke stukken te doen stopzetten.

Uw klacht betreft namelijk het feit, dat u bij de regelmaat van de klok ambtelijke stukken ontvangt die bestemd zijn voor de vorige bewoner van het adres (…) te Amsterdam, de familie K. De onderhavige klacht betreft de gerechtsdeurwaarders N. c.s. te Amsterdam.

N. c.s. erkennen dat hen reeds in juli 1999 bekend was geworden, dat de betrokkene debiteur K. niet meer aan de (…) te Amsterdam woonachtig was. Zij hebben dan ook in de desbetreffende zaak K. 'openbaar' gedagvaard en vervolgens het vonnis op dezelfde wijze betekend, derhalve via het Openbare Ministerie en middels aankondiging in een plaatselijke courant.

Van de werkgever van K. ontving N. c.s. de informatie dat betrokkene K. (nog) woonachtig zou zijn aan de (…). Naar aanleiding van deze informatie hebben N. c.s. dan ook het door hen gelegd executoriaal derden-beslag (loonbeslag) op de (…) betekend. Thans blijken ook de gegevens van de werkgever van K. onjuist te zijn.

N. c.s. betreuren het onderhavige incident. Zij hebben in het voorafgaande traject met de nodige zorgvuldigheid gehandeld en u zeker niet met de in die fase gebrachte ambtelijke stukken lastig gevallen. N. c.s. ontkennen ten stelligste, dat u van hen een stroom van ambtelijke stukken hebt ontvangen.

Het is een gegeven van deze tijd, dat de naambordjes bij de toegangsdeuren van de diverse woningen verdwijnen, onjuist zijn en niet overeenstemmen met de huidige bewoners van de woningen, maar ook dat velen hun adreswijziging niet opgeven aan de Gemeentelijke Bevolkingsadministratie.

De inschrijving in het Bevolkingsregister is voor de gerechtsdeurwaarder een indicatie, dat een bepaald persoon op een bepaald adres woonachtig is c.q. kan zijn, doch deze inschrijving is niet altijd doorslaggevend. In het onderhavige geval was het de werkgever, die N. c.s. te kennen gaf, dat zijn werknemer K. nog steeds op het adres (…) te Amsterdam woonachtig zou zijn. Deze informatie mochten N. c.s. als betrouwbaar aannemen, te meer daar K. bij desbetreffende werkgever werkzaam was en wellicht thans nog is.

N. c.s. heeft in deze betreffende de betekening van het derden-beslag juist gehandeld en in deze valt hen niets te verwijten. N. c.s. heeft het belang van de familie K. in acht genomen en is afgegaan op de aan hen door de werkgever verstrekte informatie. Mede hierdoor was de familie K. niet zonder bekende woon- en verblijfplaats, tengevolge waarvan het volledige salaris onder het beslag zou zijn gevallen.

De Klachtencommissie adviseert de klagers om naast de reeds genomen maatregelen te weten in het Bevolkingsregister doen opnemen, dat de familie K. niet meer woonachtig is op het onderhavige adres, tevens bij de hoofdtoegangsdeur van het adres (…) een naambordje van hen te doen plaatsen.

De Klachtencommissie is dan ook van mening, dat N. c.s. ten deze niets valt te verwijten. De onderhavige situatie is veroorzaakt door de nalatigheid van de familie K. om zich te doen uitschrijven van het adres (…) en bovendien door hun verzuim om hun nieuwe adres aan de werkgever door te geven.

De Klachtencommissie is dan ook van mening, dat beklaagden N. niet klachtwaardig hebben gehandeld.

De Klachtencommissie acht de onderhavige klacht van u niet terecht en zij wijst deze dan ook af."

Achtergrond

1. Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

Art. 475:

"1. Het beslag op vorderingen die de geëxecuteerde op derden mocht hebben of uit een ten tijde van het beslag reeds bestaande rechtsverhouding rechtstreeks zal verkrijgen, en op hem toebehorende roerende zaken die onder derden mochten berusten en geen registergoederen zijn, geschiedt bij een exploit van een deurwaarder dat, behalve de gewone formaliteiten, op straffe van nietigheid inhoudt:

a. een bevel aan de derde om het verschuldigde of de zaken onder zich te houden op straffe van onwaarde van elke in weerwil van het beslag gedane betaling of afgifte;

b. een vermelding van de naam, voornaam en woonplaats van de executant en de naam en woonplaats van de geëxecuteerde;

c. een vermelding van de titel uit hoofde waarvan het beslag wordt gelegd, en een opgave van hetgeen de geëxecuteerde krachtens deze titel aan de executant verschuldigd is;

d. een keuze van woonplaats ten kantore van de deurwaarder.

2. De deurwaarder laat aan de derde-beslagene afschrift van het beslagexploit en van de executoriale titel uit hoofde waarvan het beslag wordt gelegd, alsmede een formulier in tweevoud volgens een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen model, waarop de verklaring bedoeld in artikel 476b kan worden gedaan."

Art. 475e:

"Geen beslagvrije voet geldt voor vorderingen van een schuldenaar die niet in Nederland woont of vast verblijft. Indien hij evenwel aantoont dat hij buiten deze vorderingen onvoldoende middelen van bestaan heeft, kan de kantonrechter op zijn verzoek een beslagvrije voet vaststellen voor zijn vorderingen op schuldenaren die woonplaats hebben in Nederland."

Art. 475i:

"De executant is verplicht om binnen acht dagen na het leggen van het beslag het beslagexploit aan de geëxecuteerde te doen betekenen bij gebreke waarvan de president van de rechtbank het beslag op vordering van de geëxecuteerde kan opheffen."

2. Gedragsregels Koninklijke Vereniging van Gerechtsdeurwaarders

"Regel 1:

Lid 1: De gerechtsdeurwaarder is gehouden zich in de uitoefening van zijn beroep te gedragen zoals een goed gerechtsdeurwaarder betaamt en wel overeenkomstig de normen van moraal en fatsoen. (…)

Toelichting

Regel 1 schetst de contouren van de beroepsethiek: met vakkennis, de betrouwbaarheid, de inzet en het onderscheidend vermogen van een goed gerechtsdeurwaarder dient de gerechtsdeurwaarder zijn werk te doen. De beslissingen die hij bij de uitoefening van zijn beroep aanhoudend moet nemen, zal hij steeds toetsen aan de nu geldende normen van moraal en fatsoen. Het gaat hier om normen in de ruimste zin van het woord, niet alleen om in de wet vastgelegde. Het begrip beroep omvat de ambtelijke en de niet-ambtelijke praktijk van de gerechtsdeurwaarder. (…)

Regel 2:

Lid 1: De gerechtsdeurwaarder oefent zijn beroep zodanig uit dat een goede vervulling van zijn ambtelijke verplichtingen gewaarborgd is.

Lid 2: Hij zorgt ervoor dat de inrichting en organisatie van zijn kantoor een goede uitoefening van zijn beroep mogelijk maken.

Toelichting

De regel bevestigt dat de niet-ambtelijke werkzaamheid van de gerechtsdeurwaarder de vervulling van zijn wettelijke taken niet mag belemmeren of schaden en, meer in het algemeen, dat hij zijn zaken op orde moet hebben. (…)

Regel 8:

"De gerechtsdeurwaarder onthoudt zich van het uitoefenen van druk door maatregelen aan te kondigen, die hij niet uit hoofde van zijn opdracht, de wet en de hem verstrekte titel daadwerkelijk kan nemen. (…)

Regel 12:

Lid 1: De gerechtsdeurwaarder handelt nauwgezet en zorgvuldig in financiële aangelegenheden; hij maakt geen onnodige kosten.

Toelichting

Deze regel geldt zowel ten aanzien van de opdrachtgever als ten aanzien van diens wederpartij.

Slotbepalingen

Deze gedragsregels gelden voor de gerechtsdeurwaarders en de waarnemend gerechtsdeurwaarders. (…)"

Verzoekers klagen erover dat het gerechtsdeurwaarderskantoor N. zonder een onderzoek naar de juistheid van het door de executant opgegeven woonadres van de debiteur, op 9 maart 2000 een incassomaatregel heeft genomen, die verzoekers op hun toenmalige woonadres heeft bereikt, terwijl de debiteur daar niet woonde.

Beoordeling

1. Verzoekers zijn per 1 mei 1999 gaan wonen in hun toenmalige woning te Amsterdam. Voorheen woonde daar de familie K. Vanaf het moment dat verzoekers hun intrek in het pand hebben genomen, ontvangen zij dagelijks post voor de familie K. Het gaat dan met name om officiële stukken als boetes van het Centraal Justitieel Incasso Bureau, post van incassoburo's en gerechtsdeurwaarders, enz. Teneinde aan de onjuiste adressering op de stukken een eind te maken, hebben verzoekers de gemeente Amsterdam verzocht een onderzoek te starten naar de verblijfplaats van de familie K. In juli 1999 krijgen zij bericht van de gemeente dat alle personen met de naam K. van het adres waar verzoekers wonen zijn uitgeschreven. Voorts hebben verzoekers aangegeven alle post retour afzender te hebben gezonden. Op 9 maart 2000 heeft gerechtsdeurwaarder T. van gerechtsdeurwaarderskantoor N. een afschrift van de betekening van het loonbeslag, dat was gelegd bij de werkgever van mevrouw K., in een gesloten envelop achtergelaten op het adres van verzoekers.

2. Verzoekers klagen erover dat het gerechtsdeurwaarderskantoor N. voormeld afschrift op hun adres heeft achtergelaten, terwijl mevrouw K. daar sinds mei 1999 niet meer woonde en/of stond ingeschreven.

3. Het gerechtsdeurwaarderskantoor acht de klacht ongegrond. Het kantoor doet voor elke procedure onderzoek naar de juistheid van het adres bij de gemeentelijke basisadministratie. Om die reden was in juli 1999 bekend dat mevrouw K. niet meer op het adres van verzoekers stond ingeschreven. Uit het oordeel van de Koninklijke Vereniging van Gerechtsdeurwaarders komt naar voren dat mevrouw K. vervolgens zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland is gedagvaard, waarna het vonnis via het openbaar ministerie is betekend. Op grond van informatie van de werkgever van mevrouw K. - aan wie zij had opgegeven nog woonachtig te zijn op het adres van verzoekers - heeft het gerechtsdeurwaarderskantoor dan ook besloten het bij de werkgever van mevrouw K. gelegd loonbeslag te betekenen op dat adres. Het afschrift van die betekening is het enige stuk dat het gerechtsdeurwaarderskantoor heeft achtergelaten op het adres van verzoekers.

4. De Nationale ombudsman is van oordeel dat het gerechtsdeurwaarderskantoor zorgvuldig heeft gehandeld. Voordat is overgegaan tot het dagvaarden van mevrouw K. heeft het gerechtsdeurwaarderskantoor het door de opdrachtgever opgegeven adres bij de gemeente geverifieerd. Daarmee heeft het voorkomen dat verzoekers verkeerd geadresseerde stukken van het gerechtsdeurwaarderskantoor hebben ontvangen en dat onnodig extra kosten zijn gemaakt. Toen bij navraag bij de werkgever bleek dat mevrouw K. bij haar werkgever het adres van verzoekers als haar woonadres had opgegeven, kon het gerechtsdeurwaarderskantoor met reden besluiten om het loonbeslag op dat adres te betekenen. Immers de mogelijkheid bestond dat de debiteur zich van het betreffende adres had laten uitschrijven, maar daar toch nog woonachtig was. Het is in dat geval niet aan het gerechtsdeurwaarderskantoor te wijten dat verzoekers een afschrift van de betekening van het loonbeslag hebben ontvangen, maar uitsluitend aan mevrouw K., die bij haar werkgever nog onder haar oude adres stond geregistreerd.

Voorts heeft het gerechtsdeurwaarderskantoor op het moment dat verzoekers schriftelijk aan het kantoor hebben laten weten dat de debiteur niet woont op het adres waar het afschrift van de betekening van het loonbeslag was achtergelaten, onverwijld schriftelijk aan verzoekers meegedeeld dat de adreswijziging inmiddels in de administratie is doorgevoerd en dat zij geen stukken meer in de zaak van mevrouw K. zullen ontvangen. Daarbij zijn ook excuses voor het ontstane ongemak aangeboden.

De onderzochte gedraging is derhalve behoorlijk.

5. De Nationale ombudsman merkt ten overvloede nog het volgende op. Verzoekers hebben in hun verzoekschrift aangegeven dat zij zich ernstig in hun privacy en bewegingsvrijheid aangetast voelden door de handelwijze van gerechtsdeurwaarders. Het was voor hen niet mogelijk om langdurig afwezig te zijn, omdat zij vreesden dat zij wederom een officieel stuk van een gerechtsdeurwaarderskantoor zouden ontvangen waarin zou worden aangekondigd dat zal worden overgegaan tot beslaglegging op zich in hun woning bevindende roerende zaken. Hoe begrijpelijk deze vrees ook was - gelet op andere stukken die verzoekers van een ander gerechtsdeurwaarderskantoor hadden ontvangen - deze kon niet gelden voor het bericht dat zij van gerechtsdeurwaarderskantoor N. hebben gekregen. Beslaglegging op het salaris van de debiteur kan nimmer bedreigend zijn voor degenen, die inmiddels op het oude adres van de debiteur wonen.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van gerechtsdeurwaarderskantoor N. is niet gegrond.

Onderzoek

Op 13 maart 2000 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer D. en mevrouw B. te Gouda, met een klacht over een gedraging van gerechtsdeurwaarderskantoor N. te Amsterdam.

Naar deze gedraging werd een onderzoek ingesteld.

In het kader van het onderzoek werd het gerechtsdeurwaarderskantoor verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben.

Tijdens het onderzoek kregen het gerechtsdeurwaarderskantoor en verzoekers de gelegenheid op de door ieder van hen verstrekte inlichtingen te reageren.

Tevens werd het gerechtsdeurwaarderskantoor een aantal specifieke vragen gesteld.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen.

Het gerechtsdeurwaarderskantoor deelde mee zich met de inhoud van het verslag te kunnen verenigen.

Verzoekers gaven binnen de gestelde termijn geen reactie.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:

A. feiten

1. Verzoekers hebben vanaf 1 mei 1999 een woning gehuurd te Amsterdam. Vanaf dat moment hebben zij een stroom van officiële stukken ontvangen voor de familie K., die voor hen in hun pand heeft gewoond. Onder deze stukken bevond zich een schriftelijk bericht van het gerechtsdeurwaarderskantoor N. Het betrof een afschrift van de betekening op 8 maart 2000 van een exploit tot het leggen van executoriaal derdenbeslag bij de werkgever van mevrouw K., dat op 9 maart 2000 in de brievenbus van verzoekers is achtergelaten.

2. Naar aanleiding van bovengenoemd bericht hebben verzoekers bij brief en faxbericht van 13 maart 2000 onder meer het volgende aan het gerechtsdeurwaarderskantoor geschreven:

"Op 9/3/2000 hebben wij een brief van u ontvangen betreffende bovenstaand dossiernummer. De brief is gericht aan K. op ons adres. Deze persoon is ons niet bekend.

Wij hebben ondertussen telefonisch contact gehad met uw kantoor. Echter gezien onze ervaringen met gerechtsdeurwaarders, lijkt het ons verstandig een en ander schriftelijk uiteen te zetten.

De boodschap die wij willen overbrengen is dat wij sinds 1 mei 1999 huurder zijn van het pand aan de (…). Tevens willen we u er op wijzen dat de gemeente Amsterdam op ons verzoek in mei 1999 een onderzoek heeft gestart naar de verblijfplaats van de familie K. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat zij niet meer woonachtig zijn aan de (…). Een schriftelijke bevestiging hiervan hebben wij afgelopen juli van de gemeente Amsterdam ontvangen. Vanaf die datum is ook een wijziging in de gemeentelijke basisadministratie doorgevoerd.

Helaas moeten we constateren dat uw kantoor ambtelijke stukken achterlaat op basis van verouderde informatie. Het is correct dat u, gelet op het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering artikel 2, lid 1, een afschrift achter moet laten op het woonadres van gerequireerde mevrouw K. Als u echter, zoals elk respectabel gerechtsdeurwaarderkantoor zou doen, de gemeentelijke basisadministratie had geraadpleegd voordat u afschriften achter laat op de (…) te Amsterdam, dan zou het feit dat mevrouw K. niet woonachtig is op dit adres aan u bekend zijn.

Wij verwachten dat u ons schriftelijk laat weten dat u af ziet van enige vervolgacties op de (…). Mocht u toch besluiten door te gaan met ons lastig vallen over deze zaak, dan stellen wij u hierbij bij voorbaat aansprakelijk voor alle mogelijke kosten (materieel en immaterieel) die voortvloeien uit alle acties die u gaat ondernemen."

3. In het verzoekschrift aan de Nationale ombudsman van 13 maart 2000 hebben verzoekers onder meer het volgende aangegeven:

"Hierbij willen wij (…) een klacht indienen over de behandeling van een zaak door het gerechtsdeurwaarderskantoor N. Onze klacht is inhoudelijk van aard. Het gerechtsdeurwaarderskantoor N. laat ambtelijke stukken achter op ons adres zonder de moeite te nemen bij de gemeentelijke basisadministratie van Amsterdam te verifiëren of de gegevens in hun administratie juist zijn.

Wij huren het pand op de (…) vanaf 1 mei 1999. Omdat de familie K. zich op dat moment niet had laten uitschrijven van ons adres en we toen al lastig gevallen werden met alle mogelijke officiële stukken van incassobureau's, gerechtsdeurwaarders, de vreemdelingenpolitie, kinderbescherming, het Justitieel Incassobureau, etc, is de gemeente Amsterdam in mei 1999 op ons verzoek gestart met een onderzoek naar de verblijfplaats van de familie K. Er is door de gemeente Amsterdam vanaf dat moment een aantekening met betrekking tot dat onderzoek in de gemeentelijke basisadministratie gemaakt. In juli 1999 kregen wij bericht van de gemeente Amsterdam dat alle personen met de naam K. van ons adres zijn uitgeschreven. De officiële stukken gericht aan de familie K. blijven echter onverminderd arriveren. Wij hebben tot op heden alle poststukken retour afzender gestuurd met de vermelding verhuisd.

Wij hebben ondertussen de Gedragsregels Koninklijke Vereniging van Gerechtsdeurwaarders opgevraagd. Naar onze mening schendt het gerechtsdeurwaarderkantoor N., gezien het feit dat de familie K. al bijna 9 maanden uitgeschreven is op ons adres, met het achterlaten van een ambtelijk stuk op ons adres regel 1 lid 1, regel 2, lid 1 en lid 2, regel 3, lid 1, regel 4, regel 5, regel 8 (in het bijzonder), regel 12, lid 1, regel 13, lid 1 en regel 17 van de Gedragsregels Koninklijke Vereniging van Gerechtsdeurwaarders.

Wij vinden het niet acceptabel dat, omdat de gerechtsdeurwaarder blijkbaar verzuimt zich in de uitoefening van zijn beroep te gedragen zoals een goed gerechtsdeurwaarder betaamd en wel overeenkomstig de normen van moraal en fatsoen (regel 1, lid 1), wij genoodzaakt zijn om schriftelijk te reageren ten einde erger dan lastig gevallen worden met een batterij van poststukken te voorkomen.

Op dit moment voelen wij ons ernstig in onze privacy en bewegingsvrijheid aangetast door de (normale?) handelwijze van de gerechtsdeurwaarders. Het is voor ons onmogelijk geworden om bijvoorbeeld op vakantie te gaan. Bij niet aanwezig zijn (en dus niet reageren) kan er immers weer een ambtelijk stuk arriveren waarin overgegaan wordt tot beslaglegging (zie ook onze klacht d.d. 16 februari 2000 inzake gerechtsdeurwaarders G.). Blijkbaar is het instellen van een gemeentelijk onderzoek, het uitschrijven op ons adres van de personen uit het gemeentelijke basisadministratie en het retourneren van post met het opschrift verhuisd niet voldoende. Graag krijgen wij van u advies over wat wij nog meer kunnen doen om deze situatie te beëindigen."

4. Het gerechtsdeurwaarderskantoor heeft in een brief van 13 maart 2000 aan verzoekers onder meer het volgende geschreven:

"In antwoord op uw faxbericht van hedenmiddag het volgende.

Het exploit van 9 maart jl. is, naar nu blijkt, abusievelijk aan het adres (…) betekend. De adreswijziging is inmiddels, na verificatie bij de GBA, in onze administratie doorgevoerd. U zult in deze zaak geen stukken meer van ons kantoor ontvangen.

Onze excuses voor het bij u kennelijk ontstane ongemak."

B. Standpunt verzoeker

Het standpunt van verzoekers staat hiervoor samengevat weergegeven onder Klacht. Verder komt het standpunt van verzoekers naar voren in de onder A. FEITEN, onder de punten 2 en 3 weergegeven brieven.

C. Standpunt gerechtsdeurwaarderskantoor N.

1. Het gerechtsdeurwaarderskantoor heeft bij brief van 4 september 2000 op de klacht van verzoekers gereageerd. Deze brief houdt onder meer het volgende in:

"De onderhavige klacht van betrokkenen is eveneens in dezelfde bewoordingen ingediend bij onze beroepsorganisatie, de Koninklijke Vereniging van Gerechtsdeurwaarders (KVG).

Een kopie van de uitspraak van de Klachtencommissie van de KVG van 24 juli 2000 sluiten wij hierbij. Wij kunnen ons met de zienswijze van de Klachtencommissie verenigen.

In de klacht zoals die door u is geformuleerd wordt naar onze mening ten onrechte over een "incassomaatregel" gesproken. In casu waren wij belast met de tenuitvoerlegging van een door de Kantonrechter te Amsterdam gewezen vonnis. Weliswaar richtte die tenuitvoerlegging zich op het verkrijgen van betaling door de schuldenaar maar de door u gebezigde term lijkt ons niet juist. Het betrof hier duidelijk een ambtshandeling, namelijk het betekenen van een ten laste van de schuldenaar gelegd loonbeslag. (art. 475 e.v. Rv.)

Met betrekking tot de specifiek gestelde vragen delen wij u mede:

1. dat elke door ons ingeleide procedure vooraf wordt gegaan door een onderzoek bij de Gemeentelijke Basisadministratie naar de juistheid van het adres van de te dagvaarden partij.

2. dat wij niet bij elke nadien volgende ambtshandeling opnieuw het adres (bij de Gemeentelijke Basisadministratie) controleren.

Er is een aantal indicatoren op grond waarvan mag worden aangenomen dat een debiteur op het opgegeven adres woonachtig is. Een daarvan is uiteraard de inschrijving bij de Gemeentelijke Basisadministratie. Andere zijn onder meer: zijn eigen verklaring of zijn reactie op hem gezonden correspondentie, maar ook verklaringen van andere officiële instellingen (uitkerende instanties) of derden (werkgevers, banken e.d.) aan wie de debiteur zijn adres heeft opgegeven en die binnen het kader van de executie verplicht zijn aan de gerechtsdeurwaarder specifieke informatie te verschaffen.

Bij twijfel, bijvoorbeeld wanneer ter plaatse wordt geconstateerd, dat de deurbordjes andere namen vermelden, wanneer er stukken via de PTT retour komen, of de nieuwe bewoner of de buren melden dat de betrokkene is verhuisd wordt een nader onderzoek ingesteld.

Niettemin kan het voorkomen, dat een bewoner van een adres, waar de debiteur voorheen woonachtig was, (nog) voor die debiteur bestemde ambtelijke stukken ontvangt. Dat is helaas niet altijd te voorkomen en vanzelfsprekend vervelend voor de nieuwe bewoner. Om die reden hebben wij klagers reeds bij brief van 13 maart 2000, d.w.z. onmiddellijk nadat wij van de klacht hadden kennis genomen, onze excuses voor het veroorzaakte ongemak aangeboden. Deze brief bevindt zich al bij de stukken. Wij tekenen nog aan dat de verzoekers slechts een enkel exploit dat bestemd was voor de debiteur van ons kantoor hebben ontvangen. Er is dus duidelijk sprake van een incident, dat zich ondanks alle zorgvuldigheid die wij betrachten heeft kunnen voordoen.

Wij zijn van mening, dat wij in deze niet onzorgvuldig of anderszins laakbaar hebben gehandeld. De Klachtencommissie van de KVG die de klacht heeft onderzocht, deelt die mening en heeft de klacht afgewezen".

2. De bij de reactie van het gerechtsdeurwaarderskantoor gevoegde uitspraak van de Koninklijke Vereniging van Gerechtsdeurwaarders van 24 juli 2000 houdt onder meer het volgende in:

"Uw klacht omschreven in uw schrijven d.d. 13 maart 2000 met bijlagen is ter beoordeling aan de Klachtencommissie van de Koninklijke Vereniging van Gerechtsdeurwaarders te Utrecht voorgelegd, nadat gerechtsdeurwaarders N. te Amsterdam -hierna te noemen N. c.s.- is verzocht hierop te reageren. (…)

De klachtencommissie leest uit uw klacht, dat u gaarne advies vraagt, wat te doen om de stroom van niet voor u bestemde ambtelijke stukken te doen stopzetten.

Uw klacht betreft namelijk het feit, dat u bij de regelmaat van de klok ambtelijke stukken ontvangt die bestemd zijn voor de vorige bewoner van het adres (…) te Amsterdam, de familie K. De onderhavige klacht betreft de gerechtsdeurwaarders N. c.s. te Amsterdam.

N. c.s. erkennen dat hen reeds in juli 1999 bekend was geworden, dat de betrokkene debiteur K. niet meer aan de (…) te Amsterdam woonachtig was. Zij hebben dan ook in de desbetreffende zaak K. 'openbaar' gedagvaard en vervolgens het vonnis op dezelfde wijze betekend, derhalve via het Openbare Ministerie en middels aankondiging in een plaatselijke courant.

Van de werkgever van K. ontving N. c.s. de informatie dat betrokkene K. (nog) woonachtig zou zijn aan de (…). Naar aanleiding van deze informatie hebben N. c.s. dan ook het door hen gelegd executoriaal derden-beslag (loonbeslag) op de (…) betekend. Thans blijken ook de gegevens van de werkgever van K. onjuist te zijn.

N. c.s. betreuren het onderhavige incident. Zij hebben in het voorafgaande traject met de nodige zorgvuldigheid gehandeld en u zeker niet met de in die fase gebrachte ambtelijke stukken lastig gevallen. N. c.s. ontkennen ten stelligste, dat u van hen een stroom van ambtelijke stukken hebt ontvangen.

Het is een gegeven van deze tijd, dat de naambordjes bij de toegangsdeuren van de diverse woningen verdwijnen, onjuist zijn en niet overeenstemmen met de huidige bewoners van de woningen, maar ook dat velen hun adreswijziging niet opgeven aan de Gemeentelijke Bevolkingsadministratie.

De inschrijving in het Bevolkingsregister is voor de gerechtsdeurwaarder een indicatie, dat een bepaald persoon op een bepaald adres woonachtig is c.q. kan zijn, doch deze inschrijving is niet altijd doorslaggevend. In het onderhavige geval was het de werkgever, die N. c.s. te kennen gaf, dat zijn werknemer K. nog steeds op het adres (…) te Amsterdam woonachtig zou zijn. Deze informatie mochten N. c.s. als betrouwbaar aannemen, te meer daar K. bij desbetreffende werkgever werkzaam was en wellicht thans nog is.

N. c.s. heeft in deze betreffende de betekening van het derden-beslag juist gehandeld en in deze valt hen niets te verwijten. N. c.s. heeft het belang van de familie K. in acht genomen en is afgegaan op de aan hen door de werkgever verstrekte informatie. Mede hierdoor was de familie K. niet zonder bekende woon- en verblijfplaats, tengevolge waarvan het volledige salaris onder het beslag zou zijn gevallen.

De Klachtencommissie adviseert de klagers om naast de reeds genomen maatregelen te weten in het Bevolkingsregister doen opnemen, dat de familie K. niet meer woonachtig is op het onderhavige adres, tevens bij de hoofdtoegangsdeur van het adres (…) een naambordje van hen te doen plaatsen.

De Klachtencommissie is dan ook van mening, dat N. c.s. ten deze niets valt te verwijten. De onderhavige situatie is veroorzaakt door de nalatigheid van de familie K. om zich te doen uitschrijven van het adres (…) en bovendien door hun verzuim om hun nieuwe adres aan de werkgever door te geven.

De Klachtencommissie is dan ook van mening, dat beklaagden N. niet klachtwaardig hebben gehandeld.

De Klachtencommissie acht de onderhavige klacht van u niet terecht en zij wijst deze dan ook af."

Achtergrond

1. Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

Art. 475:

"1. Het beslag op vorderingen die de geëxecuteerde op derden mocht hebben of uit een ten tijde van het beslag reeds bestaande rechtsverhouding rechtstreeks zal verkrijgen, en op hem toebehorende roerende zaken die onder derden mochten berusten en geen registergoederen zijn, geschiedt bij een exploit van een deurwaarder dat, behalve de gewone formaliteiten, op straffe van nietigheid inhoudt:

a. een bevel aan de derde om het verschuldigde of de zaken onder zich te houden op straffe van onwaarde van elke in weerwil van het beslag gedane betaling of afgifte;

b. een vermelding van de naam, voornaam en woonplaats van de executant en de naam en woonplaats van de geëxecuteerde;

c. een vermelding van de titel uit hoofde waarvan het beslag wordt gelegd, en een opgave van hetgeen de geëxecuteerde krachtens deze titel aan de executant verschuldigd is;

d. een keuze van woonplaats ten kantore van de deurwaarder.

2. De deurwaarder laat aan de derde-beslagene afschrift van het beslagexploit en van de executoriale titel uit hoofde waarvan het beslag wordt gelegd, alsmede een formulier in tweevoud volgens een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen model, waarop de verklaring bedoeld in artikel 476b kan worden gedaan."

Art. 475e:

"Geen beslagvrije voet geldt voor vorderingen van een schuldenaar die niet in Nederland woont of vast verblijft. Indien hij evenwel aantoont dat hij buiten deze vorderingen onvoldoende middelen van bestaan heeft, kan de kantonrechter op zijn verzoek een beslagvrije voet vaststellen voor zijn vorderingen op schuldenaren die woonplaats hebben in Nederland."

Art. 475i:

"De executant is verplicht om binnen acht dagen na het leggen van het beslag het beslagexploit aan de geëxecuteerde te doen betekenen bij gebreke waarvan de president van de rechtbank het beslag op vordering van de geëxecuteerde kan opheffen."

2. Gedragsregels Koninklijke Vereniging van Gerechtsdeurwaarders

"Regel 1:

Lid 1: De gerechtsdeurwaarder is gehouden zich in de uitoefening van zijn beroep te gedragen zoals een goed gerechtsdeurwaarder betaamt en wel overeenkomstig de normen van moraal en fatsoen. (…)

Toelichting

Regel 1 schetst de contouren van de beroepsethiek: met vakkennis, de betrouwbaarheid, de inzet en het onderscheidend vermogen van een goed gerechtsdeurwaarder dient de gerechtsdeurwaarder zijn werk te doen. De beslissingen die hij bij de uitoefening van zijn beroep aanhoudend moet nemen, zal hij steeds toetsen aan de nu geldende normen van moraal en fatsoen. Het gaat hier om normen in de ruimste zin van het woord, niet alleen om in de wet vastgelegde. Het begrip beroep omvat de ambtelijke en de niet-ambtelijke praktijk van de gerechtsdeurwaarder. (…)

Regel 2:

Lid 1: De gerechtsdeurwaarder oefent zijn beroep zodanig uit dat een goede vervulling van zijn ambtelijke verplichtingen gewaarborgd is.

Lid 2: Hij zorgt ervoor dat de inrichting en organisatie van zijn kantoor een goede uitoefening van zijn beroep mogelijk maken.

Toelichting

De regel bevestigt dat de niet-ambtelijke werkzaamheid van de gerechtsdeurwaarder de vervulling van zijn wettelijke taken niet mag belemmeren of schaden en, meer in het algemeen, dat hij zijn zaken op orde moet hebben. (…)

Regel 8:

"De gerechtsdeurwaarder onthoudt zich van het uitoefenen van druk door maatregelen aan te kondigen, die hij niet uit hoofde van zijn opdracht, de wet en de hem verstrekte titel daadwerkelijk kan nemen. (…)

Regel 12:

Lid 1: De gerechtsdeurwaarder handelt nauwgezet en zorgvuldig in financiële aangelegenheden; hij maakt geen onnodige kosten.

Toelichting

Deze regel geldt zowel ten aanzien van de opdrachtgever als ten aanzien van diens wederpartij.

Slotbepalingen

Deze gedragsregels gelden voor de gerechtsdeurwaarders en de waarnemend gerechtsdeurwaarders. (…)"

Publicatiedatum
Rapportnummer
2001/229