1999/366

Instantie: kandidaat gerechtsdeurwaarder Geldermalsen

Klacht: Bejegening bij executie vonnis waarbij verzoekster is veroordeeld tot betalen geldsom .
Oordeel: niet gegrond
Op 23 oktober 1998 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van mevrouw S. te Tiel, met een klacht over een gedraging van een gerechtsdeurwaarder te Nijmegen en een gerechtsdeurwaarder te Geldermalsen. Voor zover de klacht betrekking had op een gedraging van een gerechtsdeurwaarder te Nijmegen, bleek bij onderzoek dat verzoekster in een klachtprocedure bij de Koninklijke vereniging van gerechtsdeurwaarders te dier zake in het ongelijk was gesteld. De Nationale ombudsman stelde op 4 mei 1999 vast dat verzoekster in het kader van die klachtenprocedure een correcte en duidelijke uitleg had gekregen en stelde voorts vast dat het desbetreffende klachtonderdeel kennelijk ongegrond was. Nadat verzoekster enkele nadere vragen over het resterende klachtonderdeel had beantwoord werd op 21 juni 1999 een onderzoek naar deze gedraging ingesteld. Op grond van de door verzoekster verstrekte gegevens werd de klacht als volgt geformuleerd:Verzoekster klaagt over een handelwijze van een met naam genoemde kandidaat gerechtsdeurwaarder, die is toegevoegd aan de gerechtsdeurwaarder J.H.H.P. van den Bosch te Geldermalsen, bij de executie van een vonnis van de kantonrechter te Leeuwarden waarbij verzoekster is veroordeeld tot het betalen van een geldsom. Met name klaagt zij erover dat de kandidaat gerechtsdeurwaarder op 21 juli 1998 haar aan de deur niet correct heeft bejegend door zijn boosheid in de vorm van scheldwoorden te uiten, omdat een bedrag van ƒ 281,65 nog niet was voldaan. BEVOEGDHEID De Nationale ombudsman acht zich bevoegd gedragingen van gerechtsdeurwaarders te onderzoeken, voor zover die de uitvoering van hun wettelijke taken betreffen. In het jaarverslag 1998 staat over dit onderwerp onder meer het volgende vermeld (Jaarverslag 1998, TK 1998-1999, 26 445, 1-2, p. 110):"Ook gerechtsdeurwaarders worden, voor zover zij ambtshandelingen verrichten, door de Nationale ombudsman aangemerkt als bestuursorgaan. Zij zijn bij die taakuitoefening immers met openbaar gezag bekleed. Aangezien gerechtsdeurwaarders niet van de werking van de WNo zijn uitgezonderd, is de Nationale ombudsman sinds de op 30 juni 1998 in werking getreden wijziging van de WNo (zie Jaarverslag 1998 hoofdstuk 2,  2.1.2.1) bevoegd om hun gedragingen te onderzoeken voor zover het gaat om de uitvoering van taken die tot het domeinmonopolie van de gerechtsdeurwaarder behoren: het uitbrengen van exploiten, de tenuitvoerlegging van vonnissen en akten, en gerechtswerkzaamheden. Wat deze gerechtswerkzaamheden betreft, is de Nationale ombudsman overigens alleen bevoegd voor zover deze werkzaamheden niet onder verantwoordelijkheid van een rechter worden verricht. Op werkzaamheden van deurwaarders die niet tot hun ambtelijke taken kunnen worden gerekend, zoals bijvoorbeeld de uitoefening van het incassobedrijf en het verlenen van rechtsbijstand, is de WNo niet van toepassing. "

Onderzoek

In het kader van het onderzoek werd de gerechtsdeurwaarder verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben. Tevens werd de betrokken ambtenaar een aantal specifieke vragen gesteld. Vervolgens werd verzoekster bij toezending van het verslag van bevindingen in de gelegenheid gesteld op de verstrekte inlichtingen te reageren. Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. Noch verzoekster noch de gerechtsdeurwaarder gaf binnen de gestelde termijn een reactie.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:A.       FEITENVerzoekster is bij vonnis van de kantonrechter te Leeuwarden van 3 april 1998 veroordeeld tot betaling van een geldsom aan de eiser in de desbetreffende procedure. Namens deze eiser trof een gerechtsdeurwaarder te Nijmegen maatregelen ter executie van het vonnis. In het kader van de executie werd gerechtsdeurwaarder J.H.H.P. van den Bosch te Geldermalsen verzocht een gerechtelijk stuk aan verzoekster te betekenen. Op 21 juli 1998 betekende D., als toegevoegd kandidaat deurwaarder werkzaam voor de gerechtsdeurwaarder Van den Bosch, dit stuk in persoon aan verzoekster.B.       STANDPUNT VERZOEKSTER1. Het standpunt van verzoekster staat samengevat weergegeven onder klacht.2. In antwoord op vragen van de Nationale ombudsman deelde verzoekster onder meer het volgende mee:"Het wordt blijkbaar normaal gevonden, dat als iemand een rekening van ƒ 2300,93 betaald heeft, echter door een fout van de gerechtsdeurwaarder zelf nog een rekening van ƒ281,65 krijgt, die niet gelijk betaalt, opnieuw een deurwaarder aan de deur krijgt met scheldkanonnades. Het is moeilijk om na zo lange tijd precies weer te geven wat (de deurwaarder; N.o.) zei, maar zijn toon liet niets te raden over. Na afloop van zijn tirade zijn toon wat matigend, zei hij: 'Ik doe ook maar mijn werk'. Ik was met stomheid geslagen."C.       STANDPUNT GERECHTSDEURWAARDER1. In reactie op de klacht deelde de gerechtsdeurwaarder, in een brief die was mede- ondertekend door D., onder meer het volgende mee:"(Verzoekster; N.o.) beweert dat ik haar onheus bejegend zou hebben tijdens de betening van een rechterlijke uitspraak op 21 juli 1998. Voor alle duidelijkheid wil ik echter stellen dat mijn kandidaat D. deze ambtshandeling heeft verricht (...). Het betrof hier een zogenaamde "losse" opdracht, d.w.z. een zaak die niet door mijn kantoor verder zou worden afgewikkeld.. ontkent desgevraagd, dat hij (verzoekster; N.o.) onheus zou hebben bejegend laat staan haar heeft uitgescholden. Dit druist regelrecht in tegen de door mij en door mijn medewerkers gebruikelijke handelwijze. (Verzoekster; N.o.) kan zich ook niet precies herinneren wat er bij deze gelegenheid is gezegd. Hieruit mag men de conclusie trekken dat er van een onheuse bejegening dan wel van een scheldpartij geen sprake is geweest, daar indien een en ander wel zou hebben plaatsgevonden men zich dat in de regel zeer goed kan herinneren, ook na verloop van wat langere tijd. Mede namens mijn kandidaat ben ik van mening, dat (verzoekster; N.o.) geen enkele reden kan hebben om een klacht bij u te deponeren."

Beoordeling

1. Verzoekster klaagt over een handelwijze van een met naam genoemde kandidaat gerechtsdeurwaarder, die is toegevoegd aan de gerechtsdeurwaarder J.H.H.P. van den Bosch te Geldermalsen, bij de executie van een vonnis van de kantonrechter te Leeuwarden waarbij verzoekster is veroordeeld tot het betalen van een geldsom. Met name klaagt zij erover dat de kandidaat gerechtsdeurwaarder op 21 juli 1998 haar aan de deur niet correct heeft bejegend door zijn boosheid in de vorm van scheldwoorden te uiten, omdat een bedrag van ƒ 281,65 nog niet was voldaan.2. Verzoekster was niet in staat een nauwkeuriger beschrijving te geven van hetgeen de deurwaarder op 21 juli 1998 tegen haar had gezegd. De deurwaarder ontkende dat sprake was geweest van een onheuse bejegening of het gebruik van scheldwoorden.3. Gelet op het bovenstaande is niet gebleken dat de door verzoekster gestelde gedraging heeft plaatsgehad. Daarmee kan niet worden geoordeeld dat de kandidaat gerechtsdeurwaarder zich niet behoorlijk heeft gedragen.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van de kandidaat gerechtsdeurwaarder, die wordt aangemerkt als een gedraging van de gerechtsdeurwaarder J.H.H.P. van den Bosch, is niet gegrond.
Op 23 oktober 1998 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van mevrouw S. te Tiel, met een klacht over een gedraging van een gerechtsdeurwaarder te Nijmegen en een gerechtsdeurwaarder te Geldermalsen. Voor zover de klacht betrekking had op een gedraging van een gerechtsdeurwaarder te Nijmegen, bleek bij onderzoek dat verzoekster in een klachtprocedure bij de Koninklijke vereniging van gerechtsdeurwaarders te dier zake in het ongelijk was gesteld. De Nationale ombudsman stelde op 4 mei 1999 vast dat verzoekster in het kader van die klachtenprocedure een correcte en duidelijke uitleg had gekregen en stelde voorts vast dat het desbetreffende klachtonderdeel kennelijk ongegrond was. Nadat verzoekster enkele nadere vragen over het resterende klachtonderdeel had beantwoord werd op 21 juni 1999 een onderzoek naar deze gedraging ingesteld. Op grond van de door verzoekster verstrekte gegevens werd de klacht als volgt geformuleerd: Verzoekster klaagt over een handelwijze van een met naam genoemde kandidaat gerechtsdeurwaarder, die is toegevoegd aan de gerechtsdeurwaarder J.H.H.P. van den Bosch te Geldermalsen, bij de executie van een vonnis van de kantonrechter te Leeuwarden waarbij verzoekster is veroordeeld tot het betalen van een geldsom. Met name klaagt zij erover dat de kandidaat gerechtsdeurwaarder op 21 juli 1998 haar aan de deur niet correct heeft bejegend door zijn boosheid in de vorm van scheldwoorden te uiten, omdat een bedrag van ƒ 281,65 nog niet was voldaan. BEVOEGDHEID De Nationale ombudsman acht zich bevoegd gedragingen van gerechtsdeurwaarders te onderzoeken, voor zover die de uitvoering van hun wettelijke taken betreffen. In het jaarverslag 1998 staat over dit onderwerp onder meer het volgende vermeld (Jaarverslag 1998, TK 1998-1999, 26 445, 1-2, p. 110): "Ook gerechtsdeurwaarders worden, voor zover zij ambtshandelingen verrichten, door de Nationale ombudsman aangemerkt als bestuursorgaan. Zij zijn bij die taakuitoefening immers met openbaar gezag bekleed. Aangezien gerechtsdeurwaarders niet van de werking van de WNo zijn uitgezonderd, is de Nationale ombudsman sinds de op 30 juni 1998 in werking getreden wijziging van de WNo (zie Jaarverslag 1998 hoofdstuk 2,  2.1.2.1) bevoegd om hun gedragingen te onderzoeken voor zover het gaat om de uitvoering van taken die tot het domeinmonopolie van de gerechtsdeurwaarder behoren: het uitbrengen van exploiten, de tenuitvoerlegging van vonnissen en akten, en gerechtswerkzaamheden. Wat deze gerechtswerkzaamheden betreft, is de Nationale ombudsman overigens alleen bevoegd voor zover deze werkzaamheden niet onder verantwoordelijkheid van een rechter worden verricht. Op werkzaamheden van deurwaarders die niet tot hun ambtelijke taken kunnen worden gerekend, zoals bijvoorbeeld de uitoefening van het incassobedrijf en het verlenen van rechtsbijstand, is de WNo niet van toepassing. "

Onderzoek

In het kader van het onderzoek werd de gerechtsdeurwaarder verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben. Tevens werd de betrokken ambtenaar een aantal specifieke vragen gesteld. Vervolgens werd verzoekster bij toezending van het verslag van bevindingen in de gelegenheid gesteld op de verstrekte inlichtingen te reageren. Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. Noch verzoekster noch de gerechtsdeurwaarder gaf binnen de gestelde termijn een reactie.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt: A.       FEITEN Verzoekster is bij vonnis van de kantonrechter te Leeuwarden van 3 april 1998 veroordeeld tot betaling van een geldsom aan de eiser in de desbetreffende procedure. Namens deze eiser trof een gerechtsdeurwaarder te Nijmegen maatregelen ter executie van het vonnis. In het kader van de executie werd gerechtsdeurwaarder J.H.H.P. van den Bosch te Geldermalsen verzocht een gerechtelijk stuk aan verzoekster te betekenen. Op 21 juli 1998 betekende D., als toegevoegd kandidaat deurwaarder werkzaam voor de gerechtsdeurwaarder Van den Bosch, dit stuk in persoon aan verzoekster. B.       STANDPUNT VERZOEKSTER 1. Het standpunt van verzoekster staat samengevat weergegeven onder klacht. 2. In antwoord op vragen van de Nationale ombudsman deelde verzoekster onder meer het volgende mee: "Het wordt blijkbaar normaal gevonden, dat als iemand een rekening van ƒ 2300,93 betaald heeft, echter door een fout van de gerechtsdeurwaarder zelf nog een rekening van ƒ281,65 krijgt, die niet gelijk betaalt, opnieuw een deurwaarder aan de deur krijgt met scheldkanonnades. Het is moeilijk om na zo lange tijd precies weer te geven wat (de deurwaarder; N.o.) zei, maar zijn toon liet niets te raden over. Na afloop van zijn tirade zijn toon wat matigend, zei hij: 'Ik doe ook maar mijn werk'. Ik was met stomheid geslagen." C.       STANDPUNT GERECHTSDEURWAARDER 1. In reactie op de klacht deelde de gerechtsdeurwaarder, in een brief die was mede- ondertekend door D., onder meer het volgende mee: "(Verzoekster; N.o.) beweert dat ik haar onheus bejegend zou hebben tijdens de betening van een rechterlijke uitspraak op 21 juli 1998. Voor alle duidelijkheid wil ik echter stellen dat mijn kandidaat D. deze ambtshandeling heeft verricht (...). Het betrof hier een zogenaamde "losse" opdracht, d.w.z. een zaak die niet door mijn kantoor verder zou worden afgewikkeld. . ontkent desgevraagd, dat hij (verzoekster; N.o.) onheus zou hebben bejegend laat staan haar heeft uitgescholden. Dit druist regelrecht in tegen de door mij en door mijn medewerkers gebruikelijke handelwijze. (Verzoekster; N.o.) kan zich ook niet precies herinneren wat er bij deze gelegenheid is gezegd. Hieruit mag men de conclusie trekken dat er van een onheuse bejegening dan wel van een scheldpartij geen sprake is geweest, daar indien een en ander wel zou hebben plaatsgevonden men zich dat in de regel zeer goed kan herinneren, ook na verloop van wat langere tijd. Mede namens mijn kandidaat ben ik van mening, dat (verzoekster; N.o.) geen enkele reden kan hebben om een klacht bij u te deponeren."

Beoordeling

1. Verzoekster klaagt over een handelwijze van een met naam genoemde kandidaat gerechtsdeurwaarder, die is toegevoegd aan de gerechtsdeurwaarder J.H.H.P. van den Bosch te Geldermalsen, bij de executie van een vonnis van de kantonrechter te Leeuwarden waarbij verzoekster is veroordeeld tot het betalen van een geldsom. Met name klaagt zij erover dat de kandidaat gerechtsdeurwaarder op 21 juli 1998 haar aan de deur niet correct heeft bejegend door zijn boosheid in de vorm van scheldwoorden te uiten, omdat een bedrag van ƒ 281,65 nog niet was voldaan. 2. Verzoekster was niet in staat een nauwkeuriger beschrijving te geven van hetgeen de deurwaarder op 21 juli 1998 tegen haar had gezegd. De deurwaarder ontkende dat sprake was geweest van een onheuse bejegening of het gebruik van scheldwoorden. 3. Gelet op het bovenstaande is niet gebleken dat de door verzoekster gestelde gedraging heeft plaatsgehad. Daarmee kan niet worden geoordeeld dat de kandidaat gerechtsdeurwaarder zich niet behoorlijk heeft gedragen.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van de kandidaat gerechtsdeurwaarder, die wordt aangemerkt als een gedraging van de gerechtsdeurwaarder J.H.H.P. van den Bosch, is niet gegrond.
Publicatiedatum
Rapportnummer
1999/366