1999/297

Instantie: Belastingdienst/Particulieren/Ondernemingen Alkmaar

Klacht: Ter invordering aanslag inkomstenbelasting loonvordering op uitkering ingesteld, terwijl verzoeker nooit aanslag noch aanmaning heeft ontvangen.
Oordeel: gegrond
Op 11 november 1998 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer L. te Den Helder, met een klacht over een gedraging van de Belastingdienst/Particulieren/Ondernemingen Alkmaar. Verzoeker had al eerder, op 4 september 1998, een klacht ingediend maar deze werd niet in onderzoek genomen omdat niet was voldaan aan het kenbaarheidsvereiste. Naar deze gedraging, die wordt aangemerkt als een gedraging van de Minister van Financi n, werd een onderzoek ingesteld. Op grond van de door verzoeker verstrekte gegevens werd de klacht als volgt geformuleerd:Verzoeker klaagt erover dat de Belastingdienst/Particulieren/Ondernemingen Alkmaar ter invordering van de aan hem opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (ib/pvv) 1996 bij zijn uitkeringsinstantie (Gak Nederland BV) een loonvordering heeft ingesteld. Hij vindt dit niet juist omdat hij - naar zijn zeggen - nooit de onderhavige aanslag heeft ontvangen, en evenmin voorafgaand aan de betekening van het dwangbevel een aanmaning heeft ontvangen.

Achtergrond

INVORDERINGSWET 1990 (Wet van 30 mei 1990, Stb. 222) Artikel 11:"Indien de belastingschuldige een belastingaanslag niet binnen de gestelde termijn betaalt, maant de ontvanger hem schriftelijk aan om alsnog binnen tien dagen na de dagtekening van de aanmaning te betalen, onder kennisgeving dat de belastingschuldige anders door de middelen bij de wet bepaald tot betaling zal worden gedwongen. De aanmaning kan betrekking hebben op verschillende belastingaanslagen." Artikel 12:"Indien de belastingschuldige na de aanmaning in gebreke blijft, kan de invordering van de belastingaanslag geschieden bij een door de ontvanger uit te vaardigen dwangbevel. Het dwangbevel kan betrekking hebben op verschillende belastingaanslagen." Artikel 14:"Het dwangbevel levert een executoriale titel op, die met toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan worden tenuitvoergelegd."

Onderzoek

In het kader van het onderzoek werd de Belastingdienst/Particulieren/Ondernemingen Alkmaar (hierna: de Belastingdienst) verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben. Tevens werd de Belastingdienst een aantal specifieke vragen gesteld. Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. De Belastingdienst deelde mee zich met de inhoud van het verslag te kunnen verenigen. Verzoeker gaf binnen de gestelde termijn geen reactie.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:A.       FEITEN1. Op 18 juni 1998 betekende de Belastingdienst een dwangbevel aan verzoeker betreffende een aanslag ib/pvv 1996. Verzoeker zond het dwangbevel terug aan de Belastingdienst. In de begeleidende brief van 3 juli 1998 schreef verzoeker het volgende:"...Hierbij zend ik U het door U bij mij aangeleverde dwangbevel retour. Van de inspecteur heb ik, nadat ik nagenoeg mijn gehele administratie aan hem heb opgezonden, niets meer gehoord. Ook geen definitieve aanslag. Uw dwangbevel is het eerste stuk, dat ik onder ogen kom nadat ik mijn gegevens heb opgezonden. Als ik een definitieve aanslag ontvangen zou hebben, zou ik hiertegen direct bezwaar hebben aangetekend, aangezien ik er van uitga, dat ik met een uitkering, een hypotheekrente en enkele andere kosten, zoals tandheelkundige hulp voor mijn dochter, geen 50% van mijn inkomen aan belasting hoef te betalen. Zoals U het stelt in Uw dwangbevel, zou dit wel het geval zijn. Ik sluit U dan ook mijn correspondentie met de inspecteur als kopie bij. Hopende U hiermede van dienst te zijn geweest en dat deze zaak tot tevredenheid opgelost zal worden, verblijf ik,..."2. Op 17 augustus 1998 werd in verband met verzoekers belastingschuld beslag gelegd op zijn auto. Bij brief van 28 augustus 1998 diende verzoeker een klacht in bij de Nationale ombudsman over de Belastingdienst/Particulieren/Ondernemingen Alkmaar (hierna: de Belastingdienst). Verzoeker berichtte onder meer het volgende:"...Op 4 november 1997 deed de Belastingdienst Particulieren/Ondernemingen Alkmaar, vestiging Den Helder, mij een verzoek toekomen, om mijn gegevens inzake de door mij opgegeven aftrekposten, aan hen toe te zenden. (...) Hieraan heb ik op 14 november 1997 voldaan. (...) Op 1 maart 1998 heb ik de Inspectie te Alkmaar verzocht mij de door mij toegezonden stukken te retourneren. (...) Dit verzoek heb ik op 23 april herhaald. (...) Tot 16 juni 1998 heb ik niets van de Belastingdienst mogen vernemen. Toen werd bij mij een aanmaning bezorgd. Deze heb ik aan de Ontvanger geretourneerd, omdat ik GEEN aanslag of ander schrijven van de Inspecteur heb ontvangen. (...) Tot mijn grote ontsteltenis echter, vond ik bij terugkomst van vakantie een Proces-verbaal aan, waarin mij werd medegedeeld, dat ik niet wilde betalen en er dus een beslaglegging had plaats gevonden. Ik stel echter, dat ik niet KAN betalen, als ik geen aanslag heb ontvangen en ook na het indienen van mijn administratie, niets heb ontvangen. Als ik wel een aanslag zou hebben ontvangen, dan zou ik onmiddellijk bezwaar hebben aangetekend. Omdat ik echter niets wist, kon ik dit dus niet doen. Een oorzaak voor de ontstane problemen zou kunnen zijn, dat de Inspectie Den Helder per 1 januari 1998 is verhuisd naar Alkmaar, terwijl ikzelf ook in december 1997/januari 1998 ben verhuisd. Ik ben echter van mening, dat ik aan de mij opgelegde verplichtingen heb voldaan, door de gewenste bescheiden aan de Inspectie Den Helder toe te zenden. Derhalve is de onderhavige beslaglegging ongegrond. Voor zover ik kan beoordelen, gaat de verantwoordelijkheid voor mijn eigendommen over op de Inspectie, het is hun verzoek dat dit wordt gedaan, op het moment van ter post bezorging..."3. In het kader van het kenbaarheidsvereiste stuurde de Nationale ombudsman op 9 september 1998 verzoekers brief, na overleg met verzoeker, door naar de Belastingdienst. Verzoeker had ook zelf reeds een brief - met dagtekening 28 augustus 1998 - aan de Belastingdienst gezonden. Die brief had de volgende inhoud:"...Heden trof ik bij terugkomst van vakantie genoemd procesverbaal aan. Op 3 juli heb ik U reeds de door U toegezonden aanmaning aan U geretourneerd, omdat ik van mening ben, dat de genoemde aanslag ten onrechte is opgelegd. In dat schrijven deelde ik U ook mede, dat ik NIMMER een aanslag o.i.d. van U heb ontvangen, zodat ik dus ook niet aan betaling zou kunnen denken. Ik heb naar aanleiding van deze kwestie een klacht ingediend bij de Nationale Ombudsman te Den Haag en hen telefonisch om raad gevraagd. Vandaar dat ik U, op advies van de Nationale Ombudsman, alsnog om UITSTEL van betaling wil verzoeken, tot deze kwestie is opgelost. Volgens de Belastingwet, mag de belastingplichtige renten van hypotheek, renten op schulden, kosten voor de uitgave van ziekte etc. als aftrekpost rente van schulden en aftrekpost buitengewone lasten op zijn inkomen in mindering brengen. Dit is in mijn geval NIET gebeurd. Aangezien ik VOLDAAN heb aan de VERPLICHTING jegens de Inspecteur, door mijn gehele administratie, op zijn verzoek, op 14 november 1997 aan hem toe te zenden, meen ik dat een en ander op een misverstand berust. Alhoewel ik natuurlijk enkele stukken mis, omdat ik deze niet retour heb ontvangen en hiervan slechts een exemplaar in mijn bezit had, meen ik dat ik eventueel nog steeds de meeste kosten kan aantonen..."4. De Belastingdienst stuurde verzoeker vervolgens op 15 september 1998 een brief met de volgende inhoud:"...Ik heb een brief van de Ombudsman ontvangen, waaruit blijkt dat het aan hem gerichte verzoekschrift aan mij is doorgezonden opdat ik op uw bezwaren kan reageren. Deze brief heb ik als bezwaarschrift tegen de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1996 in behandeling genomen. Blijkens de mij ter beschikking staande gegevens is uw belastbare inkomen van 1996 vastgesteld zonder rekening te houden met een aftrek i.v.m. rente van schulden en kosten van geldleningen. Ook is geen rekening gehouden met een aftrek van buitengewone lasten. Deze correctie op uw aangegeven belastbare inkomen is aangebracht omdat stukken, die ter inzage zijn gevraagd, niet zijn ontvangen. Volgens uw mededelingen zijn de gevraagde stukken wel opgezonden. Om tot vaststelling van een aanslag te komen waarbij wel rekening wordt gehouden met de rente van schulden en de buitengewone lasten stel ik u alsnog in de gelegenheid om de benodigde stukken ter inzage te zenden en onderstaande vragen te beantwoorden. Aftrekpost: rente van schulden U brengt rente van schulden en kosten van geldleningen in aftrek. Graag ontvang ik van u:- een specificatie van het afgetrokken bedrag; - de contracten/overeenkomsten en betalingsbewijzen, dan wel de jaaropgaven, waaruit de betaalde rente blijkt. Als er sprake is van renterestitutie, bijvoorbeeld bij vervroegde aflossing, verzoek ik u ook deze bewijsstukken mee te sturen. Aftrekpost buitengewone lasten: uitgaven voor ziekte en dergelijke Ik verzoek u mij alle rekeningen en betalingsbewijzen van de tandartskosten en de kosten ziekenfonds te sturen. Van de kosten i.v.m. het overlijden van de grootmoeder verzoek ik u een specificatie te zenden en de betalingsbewijzen. Zijn er meerdere erfgenamen? Zo ja, hebben deze eveneens bijgedragen in de overlijdenskosten? Zo neen, waarom niet? Graag ontvang ik uw schriftelijke reactie v r 25 september 1998 in bijgevoegde portvrije retourenvelop. (...) Nadat ik de aanvullende informatie heb ontvangen, zal ik het bezwaarschrift verder beoordelen. Als ik daarna nog vragen heb, stuur ik u opnieuw een verzoek om informatie. Kan ik het bezwaarschrift afdoen, dan ontvangt u enige tijd later de uitspraak..." Omdat verzoeker niet op de bovengenoemde brief reageerde rappelleerde de Belastingdienst verzoeker bij brief van 29 september 1998. Beide brieven van de Belastingdienst waren correct geadresseerd. 5. Bij brief van 15 oktober 1998 wees de Belastingdienst verzoekers bezwaar tegen de aanslag ib/pvv 1996 af, omdat verzoeker niet de gewenste informatie had verstrekt. Ook deze brief was correct geadresseerd. De Belastingdienst stelde vervolgens op 23 oktober 1998 een loonvordering in bij het Gak, de uitkeringsinstantie van verzoeker.B.       STANDPUNT VERZOEKERVoor het standpunt van verzoeker wordt verwezen naar de klachtsamenvatting onder

Klacht

en naar zijn brief van 28 augustus 1998, weergegeven onder A. 1. Verzoeker deelde verder mee dat hij niets meer had vernomen van de Belastingdienst, nadat zijn klacht door de Nationale ombudsman was doorgestuurd naar de Belastingdienst. Telefonisch deelde verzoeker nog aan een medewerker van de Nationale ombudsman mee dat hij geen aanslag of aanmaning had ontvangen, nadat hij de door de Belastingdienst op 4 november 1997 gevraagde gegevens betreffende zijn aangifte over 1996 op 14 november 1997 had verzonden.C.       STANDPUNT BELASTINGDIENST1. In reactie op de klacht berichtte de Belastingdienst het volgende:"...De aanslag inkomstenbelasting 1996 (...) is gedagtekend 29 januari 1998 en is op 14 januari 1998 gezonden naar de belastingplichtige. De aanslag had uiterlijk op 29 maart betaald moeten zijn. Dit is niet gebeurd. Vervolgens werd op 20 april 1998 een aanmaning naar de belastingplichtige gezonden. Deze aanmaning werd kennelijk op 3 juli 1998 door hem teruggezonden omdat hij van mening was dat de aanslag ten onrechte was opgelegd (...). Door mij is niets ontvangen; wellicht is de aanmaning naar Apeldoorn geretourneerd. Op 18 juni 1998 heeft de deurwaarder een dwangbevel (...) in een gesloten envelop op het genoemde adres achtergelaten. Op 3 juli 19998 stuurt de belastingplichtige het dwangbevel terug (...). Op 6 augustus 1998 stuurt de aanslagregelend ambtenaar een brief met het verzoek telefonisch contact op te nemen (...). Hierop wordt niet gereageerd.

Omstreeks die tijd speelt er ook iets m.b.t. een andere fiscale affaire, namelijk een niet betaalde aanslag motorrijtuigenbelasting. Op 17 augustus 1998 wordt door de deurwaarder in verband daarmee beslag gelegd op de auto van de belastingplichtige en de datum van openbare verkoop vastgesteld op 5 oktober 1998 (...). (Er vindt in die periode telefonisch contact plaats tussen de Nationale ombudsman en de Belastingdienst Alkmaar voor een toelichting op de gebeurtenissen. Er wordt duidelijk gemaakt dat deze beslaglegging niets te maken heeft met de aanslag IB 1996). De aangekondigde openbare verkoop kon niet plaatsvinden omdat de auto door de belastingplichtige aan het beslag werd onttrokken (...). Op 28 augustus 1998 schrijft de belastingplichtige een brief aan de Nationale ombudsman (...). Op 9 september 1998 wordt die brief naar mij gezonden met het verzoek de brief als een bezwaarschrift aan te merken (...). Op 11 september 1998 wordt uitstel van betaling verleend totdat op het bezwaarschrift is beslist. Op 15 september 1998 schrijft de behandelaar van het bezwaarschrift een brief aan de belastingplichtige met het verzoek informatie te verschaffen (...). Op 29 september 1998 wordt dit verzoek herhaald (...). Nadat weer geen reactie werd ontvangen wordt de belastingplichtige bij uitspraak van 15 oktober 1998 niet ontvankelijk verklaard en werd het bezwaar afgewezen (...). Op dezelfde datum wordt het verleende uitstel ingetrokken en de invordering voortgezet. De belanghebbende betaalde niet. Omdat inmiddels zoals hiervoor reeds vermeld een verkoop van een in beslag genomen auto was mislukt omdat de auto door de belastingplichtige aan het beslag was onttrokken (...), en er geen andere vermogensbestanddelen bekend waren, werd op 23 oktober 1998 een loonvordering ingesteld bij de instantie van wie de belastingplichtige een uitkering ontvangt (...). Op 12 november 1998 is de belastingplichtige op de hoogte gesteld van de loonvordering. In deze brief wordt de mogelijkheid van verzet genoemd. De belanghebbende reageerde niet op deze brief. De brief werd (samen met 2 andere) op 7 januari 1999 door ons retour ontvangen. (...). In reactie op de klacht kan op deze plaats al vast worden geconstateerd dat de belanghebbende in ieder geval w l een aanmaning heeft ontvangen; o.a. in (verzoekers brief van 28 augustus 1998 aan de Nationale ombudsman; N.o.) schrijft de belanghebbende immers zelf dat hij de aanmaning heeft ontvangen en geretourneerd. (...)

De belanghebbende woonde op het adres (A: N.o.); hij is blijkens de Gemeentelijke basisadministratie op 8 januari 1998 gaan wonen op het adres (B; N.o.). De mutatie in GBA en dus tevens in het Belastingdienstsysteem BvR heeft op 16 januari 1998 plaats gevonden (...). Het aanslagbiljet is op of na 14 januari 1998 verzonden en zal gezien genoemde data naar alle waarschijnlijkheid naar het vorige woonadres van de belanghebbende zijn gezonden. Als regel worden door PTT Post als gevolg van een verhuizing foutief geadresseerde brieven gedurende minimaal 1 maand doorgezonden naar het nieuwe adres. Mij is niet bekend dat dit in Den Helder anders gaat. Ik ga er dus vanuit dat in de maand volgend op belanghebbendes verhuizing de verkeerd geadresseerde brieven (dus ook het aanslagbiljet IB 1996) door de PTT bij het nieuwe adres zijn bezorgd. De verhuizing van de vestiging Den Helder van de Belastingdienst (omstreeks eind december 1998 (bedoeld wordt 1997; N.o.)) heeft geen invloed gehad, omdat de aanslagbiljetten centraal vanuit Apeldoorn worden verzonden. De aanmaning is op 20 april 1998, dus geruime tijd na de verwerking van het nieuwe adres, uit een centraal bestand verzonden en moet dus het correcte adres hebben gedragen. Overigens stelt de belastingplichtige in zijn brieven (...) dat hij de aanmaning heeft geretourneerd. Daaruit concludeer ik dat de aanmaning in ieder geval door hem is ontvangen. Over de postbezorging op belanghebbendes adres in het algemeen kan ik weinig opmerken. Ons zijn in ieder geval geen klachten bekend over de postbezorging in genoemde straat. (...) De door de belastingplichtige op 14 november 1997 verzonden gegevens zijn door de Belastingdienst niet ontvangen. De reden is mij niet bekend. Overigens heeft de belastingplichtige ook niet gereageerd op een op 1 december 1997 verzonden kennisgeving van afwijking op de aangifte (...). Ik ga er van uit dat de belanghebbende deze brief heeft ontvangen (correct geadresseerd op oude adres). Op belanghebbendes brief van 1 maart 1998 is door de aanslagregelende ambtenaar middels een brief van 26 maart 1998 gereageerd (...). De brief van 23 april 1998 is door mij niet ontvangen. Wel heeft de belastingplichtige later een kopie van deze brief gevoegd bij zijn brief van 3 juli 1998. Daarop is gereageerd middels een brief van de aanslagregelend ambtenaar, gedateerd 6 augustus 1998 (...). De in de uitspraak van 15 oktober 1998 bedoelde herhaalde verzoeken betreffen de brief d.d. 15 september 1998 (...) en de brief d.d. 29 september 1998 (...). Beide keren werd door de belanghebbende niet gereageerd. Bij brief van 6 augustus 1998 (...) werd de belanghebbende uitgenodigd telefonisch contact op te nemen. Ook van die mogelijkheid heeft hij geen gebruik gemaakt. Tenslotte wil ik nog een recente ervaring melden, die in dit overzicht lijkt te passen. Op 7 januari 1999 ontvingen wij drie aan de belanghebbende (op het correcte adres) geadresseerde brieven terug. De brieven waren voorzien van een sticker met de tekst: "Retour afzender verkeerd bezorgd"(...). Het betreft een brief inzake de heffing d.d. 15 september 1998 (...) en twee brieven inzake de invordering d.d. 20 augustus 1998 (uitstel betaling) resp. 12 november 1998 (mededeling loonbeslag, zie ook eerder). Ik neem aan dat de belanghebbende deze retourzending zelf heeft verricht (de PTT gebruikt andere stickers). De reden ken ik niet. (...) Indien de opgevoerde kosten alsnog aannemelijk worden gemaakt ben ik bereid de aanslag alsnog ambtshalve te herzien. Overigens heb ik de belanghebbende daartoe reeds in de gelegenheid gesteld toen ik op uw verzoek zijn aan u gerichte brief d.d. 28 augustus 1998 als bezwaarschrift in behandeling heb genomen. Maar ook toen heeft hij niet gereageerd. (...) (...) Op de brief van 3 juli 1998 is gereageerd middels de brief van 3 augustus 1998, waarin de belastingplichtige uitgenodigd werd telefonisch contact op te nemen teneinde een en ander te kunnen bespreken. Zoals reeds eerder gememoreerd werd ook op die uitnodiging niet ingegaan. Conclusie Het bovenstaande overziend kom ik tot de volgende conclusies. a. Ik heb geen verklaring voor het feit dat sommige brieven aan n van de belanghebbende in het ongerede raken. b. De belanghebbende reageert niet altijd adequaat op de brieven waarvan vast staat dat hij ze in ieder geval w l heeft ontvangen; het onbeantwoord laten of retourzenden van brieven kan vervelende consequenties hebben, waar de Belastingdienst geen schuld aan heeft. c. De Belastingdienst heeft in ruime mate getracht om de gegevens boven water te krijgen die eventueel zouden kunnen leiden tot een verlaging van de aanslag IB 1996. Dat een inhoudelijke beoordeling van de gestelde aftrekpost tot op de dag van vandaag achterwege is gebleven, is niet aan de Belastingdienst te wijten. d. Terecht is na het afwijzen van het bezwaarschrift de invordering voortgezet; de betwiste loonvordering was het enige middel, nu de belanghebbende het enige andere vermogensbestanddeel dat daarvoor in aanmerking kwam heeft onttrokken aan het beslag. De Belastingdienst heeft ook bij het instellen van de loonvordering correct en zorgvuldig gehandeld. Ik ben daarom van mening dat belanghebbendes klacht ongegrond is ..."2. Naar aanleiding van nadere vragen deelde de Belastingdienst nog onder meer het volgende mee:"(De zesde alinea van mijn eerdere reactie; N.o.) is onjuist voor zover daar wordt gezegd dat het beslag op 17 augustus 1998 direct ten behoeve van de (motorrijtuigenbelasting; N.o.) werd gelegd; het beslag werd oorspronkelijk gelegd voor de (inkomstenbelasting 1996; N.o.), en daarna cumulatief voor de (motorrijtuigenbelasting; N.o.) (...) Tenslotte nog een opmerking over het al dan niet juist geadresseerd zijn van het aanslagbiljet. In mijn eerdere brief d.d. 18 januari 1999 schreef ik (...) dat het aanslagbiljet op of na 14 januari 1998 is verzonden. Dit was gebaseerd op een beredeneerde schatting (dagtekening minus 14 dagen). Navraag bij het CBA over de wijze waarop de archiefgegevens uitgelegd moeten worden, leidde tot de conclusie dat de verzenddatum 20 januari 1998 was. Nu de verhuizing op 16 januari 1998 in de adresseringssystemen is verwerkt, zou het aanslagbiljet dus in beginsel op het juiste, nieuwe adres moeten zijn geadresseerd. Mede gezien het feit dat er een weekeinde tussen zit durf ik hier geen 100% zekerheid over te geven. Ik zou mijn opmerking als volgt willen herformuleren:Het aanslagbiljet is op 20 januari 1998 verzonden en zal waarschijnlijk naar belanghebbendes nieuwe adres zijn verzonden..." De Belastingdienst verstrekte bij zijn ambtsbericht onder meer afschriften van de brieven van 6 maart, 26 maart, 15 september, 29 september, 15 oktober en 12 november 1998. Deze brieven waren correct geadresseerd. De Belastingdienst verstrekte voorts afschriften van de enveloppen waarop een blanco sticker was geplakt met de getypte mededeling "Retour afzender verkeerd bezorgd". Deze sticker bevatte geen enkele verwijzing naar PTT Post.

D.       REACTIE VERZOEKER

Nadat verzoeker stelde dat hij een brief van de Nationale ombudsman niet had ontvangen, met daarin een aantal vragen en een verzoek om een reactie op het standpunt van de Belastingdienst, stuurde de Nationale ombudsman deze brief opnieuw per aangetekende post naar verzoeker. Verzoeker haalde deze aangetekende brief niet af.

Beoordeling

1. Verzoeker klaagt erover dat de Belastingdienst/Particulieren/ Ondernemingen Alkmaar (hierna: de Belastingdienst) op 23 oktober 1998 ter invordering van de aan hem opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (ib/pvv) 1996 bij zijn uitkeringsinstantie (Gak Nederland BV) een loonvordering heeft ingesteld. Hij vindt dit niet juist omdat hij - naar zijn zeggen - nooit de bewuste aanslag heeft ontvangen, en evenmin voorafgaand aan de betekening van het dwangbevel een aanmaning heeft ontvangen.2. In reactie op de klacht stelt de Belastingdienst dat aan verzoeker wel voorafgaand aan de betekening van het dwangbevel een aanslag en een aanmaning zijn verzonden, op respectievelijk 20 januari en 20 april 1998. De aanslag is waarschijnlijk verzonden naar het huidige woonadres van verzoeker, enkele dagen nadat de wijziging van zijn woonadres wegens verhuizing in het gegevensbestand van de Belastingdienst was gemuteerd. De aanmaning is naar het correcte adres verzonden en verzoeker heeft gesteld dat hij deze aanmaning heeft teruggezonden aan de Belastingdienst, aldus de Belastingdienst.3. Dat verzoeker, zoals hij schrijft in zijn brief aan de Belastingdienst van 28 augustus 1998, de aanmaning van de Belastingdienst op 3 juli 1998 heeft teruggezonden, wordt niet aannemelijk geacht. Verzoeker zal het dwangbevel hebben bedoeld. In zijn brief aan de Belastingdienst van 3 juli 1998 geeft hij immers aan dat het dwangbevel het eerste stuk is dat hij heeft ontvangen. Het dwangbevel heeft hij op 3 juli 1998 aan de Belastingdienst geretourneerd. Dit dwangbevel is door de Belastingdienst retour ontvangen, en niet de aanmaning. Het wordt onwaarschijnlijk geacht dat verzoeker zowel de aanmaning als het dwangbevel op dezelfde dag, maar met separate post, heeft teruggezonden. Met verzoekers brief van 3 juli 1998 was de Belastingdienst op de hoogte van het feit dat verzoeker stelde de aanmaning met betrekking tot de aanslag over 1996 niet te hebben ontvangen. Desondanks is de Belastingdienst er niet toe overgegaan verzoeker, voor alle zekerheid, nogmaals een aanmaning - voorwaarde voor een correcte dwanginvordering - toe te zenden. Nu dit niet is gebeurd had de Belastingdienst niet mogen voortgaan met de dwanginvordering door middel van een loonvordering bij het Gak. Dat dit pas is gebeurd nadat de Belastingdienst verzoeker nog op 15 en 29 september 1998 in de gelegenheid had gesteld om alsnog zijn aangifte over 1996 aan te vullen, doet aan het voorgaande niet af. De onderzochte gedraging is niet behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van de Belastingdienst/Particulieren/Ondernemingen Alkmaar, die wordt aangemerkt als een gedraging van de Minister van Financi n, is gegrond.
Op 11 november 1998 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer L. te Den Helder, met een klacht over een gedraging van de Belastingdienst/Particulieren/Ondernemingen Alkmaar. Verzoeker had al eerder, op 4 september 1998, een klacht ingediend maar deze werd niet in onderzoek genomen omdat niet was voldaan aan het kenbaarheidsvereiste. Naar deze gedraging, die wordt aangemerkt als een gedraging van de Minister van Financi n, werd een onderzoek ingesteld. Op grond van de door verzoeker verstrekte gegevens werd de klacht als volgt geformuleerd: Verzoeker klaagt erover dat de Belastingdienst/Particulieren/Ondernemingen Alkmaar ter invordering van de aan hem opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (ib/pvv) 1996 bij zijn uitkeringsinstantie (Gak Nederland BV) een loonvordering heeft ingesteld. Hij vindt dit niet juist omdat hij - naar zijn zeggen - nooit de onderhavige aanslag heeft ontvangen, en evenmin voorafgaand aan de betekening van het dwangbevel een aanmaning heeft ontvangen.

Achtergrond

INVORDERINGSWET 1990 (Wet van 30 mei 1990, Stb. 222) Artikel 11: "Indien de belastingschuldige een belastingaanslag niet binnen de gestelde termijn betaalt, maant de ontvanger hem schriftelijk aan om alsnog binnen tien dagen na de dagtekening van de aanmaning te betalen, onder kennisgeving dat de belastingschuldige anders door de middelen bij de wet bepaald tot betaling zal worden gedwongen. De aanmaning kan betrekking hebben op verschillende belastingaanslagen." Artikel 12: "Indien de belastingschuldige na de aanmaning in gebreke blijft, kan de invordering van de belastingaanslag geschieden bij een door de ontvanger uit te vaardigen dwangbevel. Het dwangbevel kan betrekking hebben op verschillende belastingaanslagen." Artikel 14: "Het dwangbevel levert een executoriale titel op, die met toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan worden tenuitvoergelegd."

Onderzoek

In het kader van het onderzoek werd de Belastingdienst/Particulieren/Ondernemingen Alkmaar (hierna: de Belastingdienst) verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben. Tevens werd de Belastingdienst een aantal specifieke vragen gesteld. Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. De Belastingdienst deelde mee zich met de inhoud van het verslag te kunnen verenigen. Verzoeker gaf binnen de gestelde termijn geen reactie.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt: A.       FEITEN 1. Op 18 juni 1998 betekende de Belastingdienst een dwangbevel aan verzoeker betreffende een aanslag ib/pvv 1996. Verzoeker zond het dwangbevel terug aan de Belastingdienst. In de begeleidende brief van 3 juli 1998 schreef verzoeker het volgende: "...Hierbij zend ik U het door U bij mij aangeleverde dwangbevel retour. Van de inspecteur heb ik, nadat ik nagenoeg mijn gehele administratie aan hem heb opgezonden, niets meer gehoord. Ook geen definitieve aanslag. Uw dwangbevel is het eerste stuk, dat ik onder ogen kom nadat ik mijn gegevens heb opgezonden. Als ik een definitieve aanslag ontvangen zou hebben, zou ik hiertegen direct bezwaar hebben aangetekend, aangezien ik er van uitga, dat ik met een uitkering, een hypotheekrente en enkele andere kosten, zoals tandheelkundige hulp voor mijn dochter, geen 50% van mijn inkomen aan belasting hoef te betalen. Zoals U het stelt in Uw dwangbevel, zou dit wel het geval zijn. Ik sluit U dan ook mijn correspondentie met de inspecteur als kopie bij. Hopende U hiermede van dienst te zijn geweest en dat deze zaak tot tevredenheid opgelost zal worden, verblijf ik,..." 2. Op 17 augustus 1998 werd in verband met verzoekers belastingschuld beslag gelegd op zijn auto. Bij brief van 28 augustus 1998 diende verzoeker een klacht in bij de Nationale ombudsman over de Belastingdienst/Particulieren/Ondernemingen Alkmaar (hierna: de Belastingdienst). Verzoeker berichtte onder meer het volgende: "...Op 4 november 1997 deed de Belastingdienst Particulieren/Ondernemingen Alkmaar, vestiging Den Helder, mij een verzoek toekomen, om mijn gegevens inzake de door mij opgegeven aftrekposten, aan hen toe te zenden. (...) Hieraan heb ik op 14 november 1997 voldaan. (...) Op 1 maart 1998 heb ik de Inspectie te Alkmaar verzocht mij de door mij toegezonden stukken te retourneren. (...) Dit verzoek heb ik op 23 april herhaald. (...) Tot 16 juni 1998 heb ik niets van de Belastingdienst mogen vernemen. Toen werd bij mij een aanmaning bezorgd. Deze heb ik aan de Ontvanger geretourneerd, omdat ik GEEN aanslag of ander schrijven van de Inspecteur heb ontvangen. (...) Tot mijn grote ontsteltenis echter, vond ik bij terugkomst van vakantie een Proces-verbaal aan, waarin mij werd medegedeeld, dat ik niet wilde betalen en er dus een beslaglegging had plaats gevonden. Ik stel echter, dat ik niet KAN betalen, als ik geen aanslag heb ontvangen en ook na het indienen van mijn administratie, niets heb ontvangen. Als ik wel een aanslag zou hebben ontvangen, dan zou ik onmiddellijk bezwaar hebben aangetekend. Omdat ik echter niets wist, kon ik dit dus niet doen. Een oorzaak voor de ontstane problemen zou kunnen zijn, dat de Inspectie Den Helder per 1 januari 1998 is verhuisd naar Alkmaar, terwijl ikzelf ook in december 1997/januari 1998 ben verhuisd. Ik ben echter van mening, dat ik aan de mij opgelegde verplichtingen heb voldaan, door de gewenste bescheiden aan de Inspectie Den Helder toe te zenden. Derhalve is de onderhavige beslaglegging ongegrond. Voor zover ik kan beoordelen, gaat de verantwoordelijkheid voor mijn eigendommen over op de Inspectie, het is hun verzoek dat dit wordt gedaan, op het moment van ter post bezorging..." 3. In het kader van het kenbaarheidsvereiste stuurde de Nationale ombudsman op 9 september 1998 verzoekers brief, na overleg met verzoeker, door naar de Belastingdienst. Verzoeker had ook zelf reeds een brief - met dagtekening 28 augustus 1998 - aan de Belastingdienst gezonden. Die brief had de volgende inhoud: "...Heden trof ik bij terugkomst van vakantie genoemd procesverbaal aan. Op 3 juli heb ik U reeds de door U toegezonden aanmaning aan U geretourneerd, omdat ik van mening ben, dat de genoemde aanslag ten onrechte is opgelegd. In dat schrijven deelde ik U ook mede, dat ik NIMMER een aanslag o.i.d. van U heb ontvangen, zodat ik dus ook niet aan betaling zou kunnen denken. Ik heb naar aanleiding van deze kwestie een klacht ingediend bij de Nationale Ombudsman te Den Haag en hen telefonisch om raad gevraagd. Vandaar dat ik U, op advies van de Nationale Ombudsman, alsnog om UITSTEL van betaling wil verzoeken, tot deze kwestie is opgelost. Volgens de Belastingwet, mag de belastingplichtige renten van hypotheek, renten op schulden, kosten voor de uitgave van ziekte etc. als aftrekpost rente van schulden en aftrekpost buitengewone lasten op zijn inkomen in mindering brengen. Dit is in mijn geval NIET gebeurd. Aangezien ik VOLDAAN heb aan de VERPLICHTING jegens de Inspecteur, door mijn gehele administratie, op zijn verzoek, op 14 november 1997 aan hem toe te zenden, meen ik dat een en ander op een misverstand berust. Alhoewel ik natuurlijk enkele stukken mis, omdat ik deze niet retour heb ontvangen en hiervan slechts een exemplaar in mijn bezit had, meen ik dat ik eventueel nog steeds de meeste kosten kan aantonen..." 4. De Belastingdienst stuurde verzoeker vervolgens op 15 september 1998 een brief met de volgende inhoud: "...Ik heb een brief van de Ombudsman ontvangen, waaruit blijkt dat het aan hem gerichte verzoekschrift aan mij is doorgezonden opdat ik op uw bezwaren kan reageren. Deze brief heb ik als bezwaarschrift tegen de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1996 in behandeling genomen. Blijkens de mij ter beschikking staande gegevens is uw belastbare inkomen van 1996 vastgesteld zonder rekening te houden met een aftrek i.v.m. rente van schulden en kosten van geldleningen. Ook is geen rekening gehouden met een aftrek van buitengewone lasten. Deze correctie op uw aangegeven belastbare inkomen is aangebracht omdat stukken, die ter inzage zijn gevraagd, niet zijn ontvangen. Volgens uw mededelingen zijn de gevraagde stukken wel opgezonden. Om tot vaststelling van een aanslag te komen waarbij wel rekening wordt gehouden met de rente van schulden en de buitengewone lasten stel ik u alsnog in de gelegenheid om de benodigde stukken ter inzage te zenden en onderstaande vragen te beantwoorden. Aftrekpost: rente van schulden U brengt rente van schulden en kosten van geldleningen in aftrek. Graag ontvang ik van u: - een specificatie van het afgetrokken bedrag; - de contracten/overeenkomsten en betalingsbewijzen, dan wel de jaaropgaven, waaruit de betaalde rente blijkt. Als er sprake is van renterestitutie, bijvoorbeeld bij vervroegde aflossing, verzoek ik u ook deze bewijsstukken mee te sturen. Aftrekpost buitengewone lasten: uitgaven voor ziekte en dergelijke Ik verzoek u mij alle rekeningen en betalingsbewijzen van de tandartskosten en de kosten ziekenfonds te sturen. Van de kosten i.v.m. het overlijden van de grootmoeder verzoek ik u een specificatie te zenden en de betalingsbewijzen. Zijn er meerdere erfgenamen? Zo ja, hebben deze eveneens bijgedragen in de overlijdenskosten? Zo neen, waarom niet? Graag ontvang ik uw schriftelijke reactie v r 25 september 1998 in bijgevoegde portvrije retourenvelop. (...) Nadat ik de aanvullende informatie heb ontvangen, zal ik het bezwaarschrift verder beoordelen. Als ik daarna nog vragen heb, stuur ik u opnieuw een verzoek om informatie. Kan ik het bezwaarschrift afdoen, dan ontvangt u enige tijd later de uitspraak..." Omdat verzoeker niet op de bovengenoemde brief reageerde rappelleerde de Belastingdienst verzoeker bij brief van 29 september 1998. Beide brieven van de Belastingdienst waren correct geadresseerd. 5. Bij brief van 15 oktober 1998 wees de Belastingdienst verzoekers bezwaar tegen de aanslag ib/pvv 1996 af, omdat verzoeker niet de gewenste informatie had verstrekt. Ook deze brief was correct geadresseerd. De Belastingdienst stelde vervolgens op 23 oktober 1998 een loonvordering in bij het Gak, de uitkeringsinstantie van verzoeker. B.       STANDPUNT VERZOEKER Voor het standpunt van verzoeker wordt verwezen naar de klachtsamenvatting onder

Klacht

en naar zijn brief van 28 augustus 1998, weergegeven onder A. 1. Verzoeker deelde verder mee dat hij niets meer had vernomen van de Belastingdienst, nadat zijn klacht door de Nationale ombudsman was doorgestuurd naar de Belastingdienst. Telefonisch deelde verzoeker nog aan een medewerker van de Nationale ombudsman mee dat hij geen aanslag of aanmaning had ontvangen, nadat hij de door de Belastingdienst op 4 november 1997 gevraagde gegevens betreffende zijn aangifte over 1996 op 14 november 1997 had verzonden. C.       STANDPUNT BELASTINGDIENST 1. In reactie op de klacht berichtte de Belastingdienst het volgende: "...De aanslag inkomstenbelasting 1996 (...) is gedagtekend 29 januari 1998 en is op 14 januari 1998 gezonden naar de belastingplichtige. De aanslag had uiterlijk op 29 maart betaald moeten zijn. Dit is niet gebeurd. Vervolgens werd op 20 april 1998 een aanmaning naar de belastingplichtige gezonden. Deze aanmaning werd kennelijk op 3 juli 1998 door hem teruggezonden omdat hij van mening was dat de aanslag ten onrechte was opgelegd (...). Door mij is niets ontvangen; wellicht is de aanmaning naar Apeldoorn geretourneerd. Op 18 juni 1998 heeft de deurwaarder een dwangbevel (...) in een gesloten envelop op het genoemde adres achtergelaten. Op 3 juli 19998 stuurt de belastingplichtige het dwangbevel terug (...). Op 6 augustus 1998 stuurt de aanslagregelend ambtenaar een brief met het verzoek telefonisch contact op te nemen (...). Hierop wordt niet gereageerd.

Omstreeks die tijd speelt er ook iets m.b.t. een andere fiscale affaire, namelijk een niet betaalde aanslag motorrijtuigenbelasting. Op 17 augustus 1998 wordt door de deurwaarder in verband daarmee beslag gelegd op de auto van de belastingplichtige en de datum van openbare verkoop vastgesteld op 5 oktober 1998 (...). (Er vindt in die periode telefonisch contact plaats tussen de Nationale ombudsman en de Belastingdienst Alkmaar voor een toelichting op de gebeurtenissen. Er wordt duidelijk gemaakt dat deze beslaglegging niets te maken heeft met de aanslag IB 1996). De aangekondigde openbare verkoop kon niet plaatsvinden omdat de auto door de belastingplichtige aan het beslag werd onttrokken (...). Op 28 augustus 1998 schrijft de belastingplichtige een brief aan de Nationale ombudsman (...). Op 9 september 1998 wordt die brief naar mij gezonden met het verzoek de brief als een bezwaarschrift aan te merken (...). Op 11 september 1998 wordt uitstel van betaling verleend totdat op het bezwaarschrift is beslist. Op 15 september 1998 schrijft de behandelaar van het bezwaarschrift een brief aan de belastingplichtige met het verzoek informatie te verschaffen (...). Op 29 september 1998 wordt dit verzoek herhaald (...). Nadat weer geen reactie werd ontvangen wordt de belastingplichtige bij uitspraak van 15 oktober 1998 niet ontvankelijk verklaard en werd het bezwaar afgewezen (...). Op dezelfde datum wordt het verleende uitstel ingetrokken en de invordering voortgezet. De belanghebbende betaalde niet. Omdat inmiddels zoals hiervoor reeds vermeld een verkoop van een in beslag genomen auto was mislukt omdat de auto door de belastingplichtige aan het beslag was onttrokken (...), en er geen andere vermogensbestanddelen bekend waren, werd op 23 oktober 1998 een loonvordering ingesteld bij de instantie van wie de belastingplichtige een uitkering ontvangt (...). Op 12 november 1998 is de belastingplichtige op de hoogte gesteld van de loonvordering. In deze brief wordt de mogelijkheid van verzet genoemd. De belanghebbende reageerde niet op deze brief. De brief werd (samen met 2 andere) op 7 januari 1999 door ons retour ontvangen. (...). In reactie op de klacht kan op deze plaats al vast worden geconstateerd dat de belanghebbende in ieder geval w l een aanmaning heeft ontvangen; o.a. in (verzoekers brief van 28 augustus 1998 aan de Nationale ombudsman; N.o.) schrijft de belanghebbende immers zelf dat hij de aanmaning heeft ontvangen en geretourneerd. (...)

De belanghebbende woonde op het adres (A: N.o.); hij is blijkens de Gemeentelijke basisadministratie op 8 januari 1998 gaan wonen op het adres (B; N.o.). De mutatie in GBA en dus tevens in het Belastingdienstsysteem BvR heeft op 16 januari 1998 plaats gevonden (...). Het aanslagbiljet is op of na 14 januari 1998 verzonden en zal gezien genoemde data naar alle waarschijnlijkheid naar het vorige woonadres van de belanghebbende zijn gezonden. Als regel worden door PTT Post als gevolg van een verhuizing foutief geadresseerde brieven gedurende minimaal 1 maand doorgezonden naar het nieuwe adres. Mij is niet bekend dat dit in Den Helder anders gaat. Ik ga er dus vanuit dat in de maand volgend op belanghebbendes verhuizing de verkeerd geadresseerde brieven (dus ook het aanslagbiljet IB 1996) door de PTT bij het nieuwe adres zijn bezorgd. De verhuizing van de vestiging Den Helder van de Belastingdienst (omstreeks eind december 1998 (bedoeld wordt 1997; N.o.)) heeft geen invloed gehad, omdat de aanslagbiljetten centraal vanuit Apeldoorn worden verzonden. De aanmaning is op 20 april 1998, dus geruime tijd na de verwerking van het nieuwe adres, uit een centraal bestand verzonden en moet dus het correcte adres hebben gedragen. Overigens stelt de belastingplichtige in zijn brieven (...) dat hij de aanmaning heeft geretourneerd. Daaruit concludeer ik dat de aanmaning in ieder geval door hem is ontvangen. Over de postbezorging op belanghebbendes adres in het algemeen kan ik weinig opmerken. Ons zijn in ieder geval geen klachten bekend over de postbezorging in genoemde straat. (...) De door de belastingplichtige op 14 november 1997 verzonden gegevens zijn door de Belastingdienst niet ontvangen. De reden is mij niet bekend. Overigens heeft de belastingplichtige ook niet gereageerd op een op 1 december 1997 verzonden kennisgeving van afwijking op de aangifte (...). Ik ga er van uit dat de belanghebbende deze brief heeft ontvangen (correct geadresseerd op oude adres). Op belanghebbendes brief van 1 maart 1998 is door de aanslagregelende ambtenaar middels een brief van 26 maart 1998 gereageerd (...). De brief van 23 april 1998 is door mij niet ontvangen. Wel heeft de belastingplichtige later een kopie van deze brief gevoegd bij zijn brief van 3 juli 1998. Daarop is gereageerd middels een brief van de aanslagregelend ambtenaar, gedateerd 6 augustus 1998 (...). De in de uitspraak van 15 oktober 1998 bedoelde herhaalde verzoeken betreffen de brief d.d. 15 september 1998 (...) en de brief d.d. 29 september 1998 (...). Beide keren werd door de belanghebbende niet gereageerd. Bij brief van 6 augustus 1998 (...) werd de belanghebbende uitgenodigd telefonisch contact op te nemen. Ook van die mogelijkheid heeft hij geen gebruik gemaakt. Tenslotte wil ik nog een recente ervaring melden, die in dit overzicht lijkt te passen. Op 7 januari 1999 ontvingen wij drie aan de belanghebbende (op het correcte adres) geadresseerde brieven terug. De brieven waren voorzien van een sticker met de tekst: "Retour afzender verkeerd bezorgd"(...). Het betreft een brief inzake de heffing d.d. 15 september 1998 (...) en twee brieven inzake de invordering d.d. 20 augustus 1998 (uitstel betaling) resp. 12 november 1998 (mededeling loonbeslag, zie ook eerder). Ik neem aan dat de belanghebbende deze retourzending zelf heeft verricht (de PTT gebruikt andere stickers). De reden ken ik niet. (...) Indien de opgevoerde kosten alsnog aannemelijk worden gemaakt ben ik bereid de aanslag alsnog ambtshalve te herzien. Overigens heb ik de belanghebbende daartoe reeds in de gelegenheid gesteld toen ik op uw verzoek zijn aan u gerichte brief d.d. 28 augustus 1998 als bezwaarschrift in behandeling heb genomen. Maar ook toen heeft hij niet gereageerd. (...) (...) Op de brief van 3 juli 1998 is gereageerd middels de brief van 3 augustus 1998, waarin de belastingplichtige uitgenodigd werd telefonisch contact op te nemen teneinde een en ander te kunnen bespreken. Zoals reeds eerder gememoreerd werd ook op die uitnodiging niet ingegaan. Conclusie Het bovenstaande overziend kom ik tot de volgende conclusies. a. Ik heb geen verklaring voor het feit dat sommige brieven aan n van de belanghebbende in het ongerede raken. b. De belanghebbende reageert niet altijd adequaat op de brieven waarvan vast staat dat hij ze in ieder geval w l heeft ontvangen; het onbeantwoord laten of retourzenden van brieven kan vervelende consequenties hebben, waar de Belastingdienst geen schuld aan heeft. c. De Belastingdienst heeft in ruime mate getracht om de gegevens boven water te krijgen die eventueel zouden kunnen leiden tot een verlaging van de aanslag IB 1996. Dat een inhoudelijke beoordeling van de gestelde aftrekpost tot op de dag van vandaag achterwege is gebleven, is niet aan de Belastingdienst te wijten. d. Terecht is na het afwijzen van het bezwaarschrift de invordering voortgezet; de betwiste loonvordering was het enige middel, nu de belanghebbende het enige andere vermogensbestanddeel dat daarvoor in aanmerking kwam heeft onttrokken aan het beslag. De Belastingdienst heeft ook bij het instellen van de loonvordering correct en zorgvuldig gehandeld. Ik ben daarom van mening dat belanghebbendes klacht ongegrond is ..." 2. Naar aanleiding van nadere vragen deelde de Belastingdienst nog onder meer het volgende mee: "(De zesde alinea van mijn eerdere reactie; N.o.) is onjuist voor zover daar wordt gezegd dat het beslag op 17 augustus 1998 direct ten behoeve van de (motorrijtuigenbelasting; N.o.) werd gelegd; het beslag werd oorspronkelijk gelegd voor de (inkomstenbelasting 1996; N.o.), en daarna cumulatief voor de (motorrijtuigenbelasting; N.o.) (...) Tenslotte nog een opmerking over het al dan niet juist geadresseerd zijn van het aanslagbiljet. In mijn eerdere brief d.d. 18 januari 1999 schreef ik (...) dat het aanslagbiljet op of na 14 januari 1998 is verzonden. Dit was gebaseerd op een beredeneerde schatting (dagtekening minus 14 dagen). Navraag bij het CBA over de wijze waarop de archiefgegevens uitgelegd moeten worden, leidde tot de conclusie dat de verzenddatum 20 januari 1998 was. Nu de verhuizing op 16 januari 1998 in de adresseringssystemen is verwerkt, zou het aanslagbiljet dus in beginsel op het juiste, nieuwe adres moeten zijn geadresseerd. Mede gezien het feit dat er een weekeinde tussen zit durf ik hier geen 100% zekerheid over te geven. Ik zou mijn opmerking als volgt willen herformuleren: Het aanslagbiljet is op 20 januari 1998 verzonden en zal waarschijnlijk naar belanghebbendes nieuwe adres zijn verzonden..." De Belastingdienst verstrekte bij zijn ambtsbericht onder meer afschriften van de brieven van 6 maart, 26 maart, 15 september, 29 september, 15 oktober en 12 november 1998. Deze brieven waren correct geadresseerd. De Belastingdienst verstrekte voorts afschriften van de enveloppen waarop een blanco sticker was geplakt met de getypte mededeling "Retour afzender verkeerd bezorgd". Deze sticker bevatte geen enkele verwijzing naar PTT Post.

D.       REACTIE VERZOEKER

Nadat verzoeker stelde dat hij een brief van de Nationale ombudsman niet had ontvangen, met daarin een aantal vragen en een verzoek om een reactie op het standpunt van de Belastingdienst, stuurde de Nationale ombudsman deze brief opnieuw per aangetekende post naar verzoeker. Verzoeker haalde deze aangetekende brief niet af.

Beoordeling

1. Verzoeker klaagt erover dat de Belastingdienst/Particulieren/ Ondernemingen Alkmaar (hierna: de Belastingdienst) op 23 oktober 1998 ter invordering van de aan hem opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (ib/pvv) 1996 bij zijn uitkeringsinstantie (Gak Nederland BV) een loonvordering heeft ingesteld. Hij vindt dit niet juist omdat hij - naar zijn zeggen - nooit de bewuste aanslag heeft ontvangen, en evenmin voorafgaand aan de betekening van het dwangbevel een aanmaning heeft ontvangen. 2. In reactie op de klacht stelt de Belastingdienst dat aan verzoeker wel voorafgaand aan de betekening van het dwangbevel een aanslag en een aanmaning zijn verzonden, op respectievelijk 20 januari en 20 april 1998. De aanslag is waarschijnlijk verzonden naar het huidige woonadres van verzoeker, enkele dagen nadat de wijziging van zijn woonadres wegens verhuizing in het gegevensbestand van de Belastingdienst was gemuteerd. De aanmaning is naar het correcte adres verzonden en verzoeker heeft gesteld dat hij deze aanmaning heeft teruggezonden aan de Belastingdienst, aldus de Belastingdienst. 3. Dat verzoeker, zoals hij schrijft in zijn brief aan de Belastingdienst van 28 augustus 1998, de aanmaning van de Belastingdienst op 3 juli 1998 heeft teruggezonden, wordt niet aannemelijk geacht. Verzoeker zal het dwangbevel hebben bedoeld. In zijn brief aan de Belastingdienst van 3 juli 1998 geeft hij immers aan dat het dwangbevel het eerste stuk is dat hij heeft ontvangen. Het dwangbevel heeft hij op 3 juli 1998 aan de Belastingdienst geretourneerd. Dit dwangbevel is door de Belastingdienst retour ontvangen, en niet de aanmaning. Het wordt onwaarschijnlijk geacht dat verzoeker zowel de aanmaning als het dwangbevel op dezelfde dag, maar met separate post, heeft teruggezonden. Met verzoekers brief van 3 juli 1998 was de Belastingdienst op de hoogte van het feit dat verzoeker stelde de aanmaning met betrekking tot de aanslag over 1996 niet te hebben ontvangen. Desondanks is de Belastingdienst er niet toe overgegaan verzoeker, voor alle zekerheid, nogmaals een aanmaning - voorwaarde voor een correcte dwanginvordering - toe te zenden. Nu dit niet is gebeurd had de Belastingdienst niet mogen voortgaan met de dwanginvordering door middel van een loonvordering bij het Gak. Dat dit pas is gebeurd nadat de Belastingdienst verzoeker nog op 15 en 29 september 1998 in de gelegenheid had gesteld om alsnog zijn aangifte over 1996 aan te vullen, doet aan het voorgaande niet af. De onderzochte gedraging is niet behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van de Belastingdienst/Particulieren/Ondernemingen Alkmaar, die wordt aangemerkt als een gedraging van de Minister van Financi n, is gegrond.
Publicatiedatum
Rapportnummer
1999/297