2020/040 Manier waarop politie man aanhoudt na niet identificeren is niet ongepast

Rapport

Verzoeker heeft als bijrijder van een personenauto zijn autogordel niet om. Hij krijgt daarvoor een bekeuring van politieagenten X en Y. Hij heeft geen identiteitsbewijs bij zich en loopt na een woordenwisseling met de agenten naar binnen bij het nabijgelegen kantoor van zijn eigen bedrijf. In het pand wordt hij uiteindelijk, na een worsteling met de betrokken politieagenten, aangehouden en geboeid overgebracht naar het politiebureau.

Verzoeker klaagt er over dat de politieambtenaren hem met geweld hebben aangehouden en hem hebben geboeid. Ook klaagt hij over de wijze waarop de politiechef zijn klacht heeft behandeld.

De lezingen van verzoeker en de betrokken agenten X en Y over wat er precies is gebeurd verschillen van elkaar. Verzoeker geeft aan dat hij niet echt tegenwerkte maar ook niet echt meewerkte aan het vaststellen van zijn identiteit. Hij geeft verder aan dat hij het niet juist vindt dat de politie gelijk geweld heeft gebruikt bij zijn aanhouding en hem geboeid heeft overgebracht naar het politiebureau. Hij heeft niet gehoord dat hij was aangehouden. Er is ook niet met hem gepraat.

De betrokken politieagenten verklaren dat zij beiden op verschillende momenten aan verzoeker hebben gevraagd om een identiteitsbewijs te tonen of iets anders waar zijn naam op stond. Op enig moment hebben zij gezegd dat als hij bleef weigeren om mee te werken aan het vaststellen van zijn identiteit hij zou worden aangehouden en overgebracht naar het politiebureau.

Vervolgens hebben zij in het pand een aantal keer tegen hem gezegd dat hij moest meewerken aan zijn aanhouding. Verzoeker zei dat hij dat niet zou gaan doen. Uiteindelijk hebben zij hem beiden tegelijk beetgepakt. Na wat verzet lukte het om hem de handboeien om te doen.

De Nationale ombudsman heeft gevraagd aan X en Y of het niet mogelijk was om langer met verzoeker te praten over zijn gebrek aan medewerking en de eventuele gevolgen daarvan. Beiden verklaarden dat verzoeker diverse keren is verteld dat hij moest meewerken, zowel aan de eerdere identiteitsvaststelling als aan de latere aanhouding.

Oordeel

De Nationale ombudsman vindt de beslissing om verzoeker aan te houden om zijn identiteit op het politiebureau te onderzoeken goed voorstelbaar. Het is van belang dat de identiteit van iemand kan worden vastgesteld voor het uitschrijven van een bekeuring. Dan is het immers zeker dat de juiste persoon de bekeuring krijgt. Ook het gebruikte geweld is niet meer dan noodzakelijk geweest. De Nationale ombudsman acht het hier echter aannemelijk dat de betrokken agenten eerst met woorden hebben geprobeerd om verzoeker mee te laten werken. Op enig moment zal dan ook de daad bij het woord gevoegd moeten worden. In deze situatie acht de Nationale ombudsman het gebruik van enig fysiek geweld onoverkomelijk.