2003/143

Rapport

Verzoeker klaagt erover dat een met naam genoemde ambtenaar van het regionale politiekorps Groningen zich op 15 juni 2000 onwillig heeft getoond een klacht over de politie van verzoeker in ontvangst te nemen en verzoeker hierbij bars te woord heeft gestaan.

Verder klaagt verzoeker erover dat de beheerder van het regionale politiekorps Groningen zijn klacht over - onder andere - het hierboven omschreven voorval bij brief van 18 december 2000 heeft afgedaan zonder het beginsel van hoor en wederhoor toe te passen.

Beoordeling

I. Algemeen

In de weken voorafgaand aan 15 juni 2000 is er meerdere keren contact geweest tussen verzoeker en ambtenaren van het regionale politiekorps Groningen. De aanleiding hiervoor was gelegen in het feit dat verzoekers pleegvader Dk1 in het ziekenhuis was opgenomen en verzoeker meende dat tijdens de ziekenhuisopname van Dk1 diens zoon Dk2 - of andere familieleden - onbevoegd goederen uit de woning van Dk1 hadden weggenomen c.q. zouden wegnemen. Het ging hierbij volgens verzoeker zowel om goederen waarvan zijn pleegvader de eigenaar was als om goederen die zijn pleegvader in bruikleen had van verzoeker en zijn zus. In verband hiermee heeft verzoeker op 1 juni 2000 namens zijn pleegvader aangifte van (poging tot) inbraak gedaan.

II. Met betrekking tot de onwil een klacht van verzoeker in ontvangst te nemen en het verzoeker bars te woord staan

1. Verzoeker klaagt erover dat ambtenaar K. van het regionale politiekorps Groningen zich op 15 juni 2000 onwillig heeft getoond een klacht over de politie van verzoeker in ontvangst te nemen en verzoeker hierbij bars te woord heeft gestaan.

2. Allereerst dient ten aanzien van dit klachtonderdeel te worden opgemerkt dat - op grond van de door verzoeker overgelegde stukken - in de klachtformulering aanvankelijk de datum 16 juni 2000 stond vermeld. Naar aanleiding van een opmerking van politieambtenaar K. is verzoeker gevraagd of zijn klacht betrekking had op het gesprek dat hij op 15 juni 2000 op het politiebureau te Haren had gevoerd met K., of op een bezoek dat hij op 16 juni 2000 aan dit politiebureau had gebracht. Verzoeker liet hierop weten dat het ging om het gesprek dat hij op 15 juni 2000 had gevoerd met K.

Zoals hiervoor staat vermeld, heeft verzoeker ook op 16 juni 2000 een bezoek gebracht aan het politiebureau te Haren. Tijdens dit bezoek, waarbij hij een klacht wilde indienen, werd hij te woord gestaan door politieambtenaar Bu. Daar Bu. op dat moment niet in de gelegenheid was de klacht op te nemen, heeft hij ervoor gezorgd dat politieambtenaar Kr. - die een leidinggevende functie bekleedt - van een ander politiebureau naar Haren kwam om verzoekers klacht op schrift te stellen.

3. Verzoeker heeft, zakelijk weergegeven, op dit punt het volgende naar voren gebracht. Hij stelt dat hij er bij zijn bezoek aan het politiebureau te Haren op 15 juni 2000 bij toeval achterkwam dat de politie geen nader onderzoek zou instellen naar aanleiding van zijn aangifte van 1 juni 2000. De reden hiervoor was gelegen in het feit dat het volgens de politie een civiele aangelegenheid betrof. Politieambtenaar K. had hem een en ander in de openbare hal van het politiebureau meegedeeld, en had hem hierbij op genante wijze te woord gestaan, aldus verzoeker. Verder had hij lang moeten aandringen voordat zijn aangifte van diefstal werd opgenomen, en had hij K. laten weten het niet eens te zijn met de beslissing van de politie dat het een civiele zaak was (zie verder Bevindingen, onder C.2.3., C.2.4. en C.5.).

4. In verband met het door hem in deze zaak verrichte interne klachtonderzoek stelde K. op 12 september 2000 een rapport op. In dit rapport schreef hij onder meer dat verzoeker op 15 juni 2000 aan het politiebureau te Haren was verschenen om aangifte te doen. K. had verzoeker hierop meegedeeld dat in overleg met justitie was besloten de zaak niet in behandeling te nemen, aangezien het een civielrechtelijke aangelegenheid betrof. Verzoeker was het hier niet mee eens en had erop gestaan aangifte te doen, aldus K. Hierop had hij getracht verzoeker ervan te overtuigen dat aangifte doen geen zin had. Na enig aandringen van verzoeker had K., om verzoeker tegemoet te komen, hoofdagent Bu. verzocht verzoekers aangifte op te nemen. Het gesprek met verzoeker had hooguit twee minuten geduurd, aldus K. Hoewel hij en verzoeker het niet met elkaar eens waren geweest, was er volgens K. geen onvertogen woord gevallen. K. schreef verder dat het weliswaar geen prettig gesprek was geweest, maar dat hij verzoeker niet op genante wijze te woord had gestaan. Ook schreef K. dat het gesprek inderdaad in de hal van het politiebureau had plaatsgevonden, maar dat deze hal leeg was zodat er geen derden getuige waren geweest van de discussie tussen hem en verzoeker. K. was van mening dat verzoekers klacht op dit punt niet gegrond was.

Tijdens het onderzoek van de Nationale ombudsman heeft politieambtenaar K. verder onder meer nog verklaard dat hij op 15 juni 2000 zijn collega Bu. verzoekers aangifte alsnog had laten opnemen, omdat dit minder tijd en moeite kostte dan langer met verzoeker te blijven discussiëren. Volgens K. reageerde verzoeker boos op zijn mededeling dat voor de politie geen taak was weggelegd wegens het civielrechtelijke karakter van de zaak. De sfeer was bedorven zonder dat een en ander escaleerde, aldus K.

5. De korpsbeheerder acht verzoekers klacht op dit punt niet gegrond. De korpsbeheerder heeft er in zijn standpunt op gewezen dat verzoeker in zijn klacht van 16 juni 2000 niet heeft vermeld dat hij de dag ervoor onheus zou zijn bejegend door K. Eerst in zijn brief aan de politie van 2 augustus 2000, waarin hij zijn klacht aanvulde, schreef verzoeker dat hij in de hal van het politiebureau te Haren op genante wijze door K. te woord was gestaan. Verder wees de korpsbeheerder erop dat verzoeker de door hem gebezigde subjectieve kwalificaties met betrekking tot de bejegening door de politie op 15 juni 2000 niet heeft onderbouwd, althans niet anders dan door te stellen dat hij het oneens is met de door de politie naar aanleiding van zijn aangiften genomen besluiten. Verder schreef de korpsbeheerder geen reden te hebben om aan de lezing van K. te twijfelen.

6. In reactie op het standpunt van de korpsbeheerder en op de verklaring die K. tijdens het onderzoek heeft afgelegd, liet verzoeker nog het volgende weten.

K. was op 15 juni 2000 nijdig geworden toen verzoeker aangaf het er niet mee eens te zijn dat zijn zaak niet verder door de politie zou worden behandeld, aldus verzoeker. Ook had K. verzoekers opmerkingen afgedaan als onzinnig geleuter over een reeds afgesloten dossier. Verzoeker vond dat het geen pas gaf dat K. hem op 15 juni 2000 maar even "zou afpoederen"; het feit dat hij en K. een verschil van mening hadden, gaf K. nog niet het recht hem laatdunkend te behandelen. Verder schreef verzoeker dat K. hem, toen hij aangaf het niet eens te zijn met de gang van zaken, min of meer belachelijk had gemaakt. K. zou hebben gezegd niet te begrijpen wat hij in zijn rolstoel helemaal vanaf het revalidatiecentrum waar hij destijds verbleef nog bij de politie te zoeken had. Verzoeker liet verder nog weten dat de sfeer tijdens het gesprek met K. op 15 juni 2000 bedorven was, omdat de politie zijns inziens een met hem gemaakte afspraak niet nakwam door geen verdere actie te ondernemen in zijn zaak. K. zou hem op een onvriendelijke hooghartige toon te verstaan hebben gegeven dat hij beter het politiebureau kon verlaten. Toen hij K. had gezegd een klacht te willen indienen wegens wanprestatie door de politie, had deze hem in de openbare ruimte van het politiebureau ronduit voor schut gezet, aldus verzoeker (zie verder Bevindingen, onder D., F.1. en F.2.).

7. Het is een vereiste van professionaliteit dat politieambtenaren in hun optreden naar burgers toe een zakelijke en objectieve houding aannemen. Ook in hun taalgebruik dienen politieambtenaren de nodige professionaliteit in acht te nemen en burgers zoveel mogelijk correct te woord te staan.

8. Op grond van hetgeen hiervoor onder II.2 tot en met II.6 staat vermeld, acht de Nationale ombudsman het niet aannemelijk dat verzoeker tijdens zijn gesprek met K. op 15 juni 2000 heeft aangegeven een klacht tegen de politie te willen indienen. Om die reden kan K. niet worden verweten dat hij zich onwillig zou hebben getoond een klacht van verzoeker in ontvangst te nemen. Verder is komen vast te staan dat K. op 15 juni 2000 pas na enig aandringen van verzoeker bereid was diens aangifte van diefstal te laten opnemen. Gezien de omstandigheden - in overleg met justitie had de politie immers reeds besloten dat de onderliggende kwestie van civielrechtelijke aard was - kan er begrip voor worden opgebracht dat K. verzoeker er eerst van heeft proberen te overtuigen dat het geen zin had om aangifte te doen. Nu K. deze aangifte alsnog, omdat verzoeker hierop stond, heeft laten opnemen, kan hem ook op dit punt geen verwijt worden gemaakt.

De onderzochte gedraging is in zoverre behoorlijk.

9. Met betrekking tot verzoekers klacht dat K. hem op 15 juni 2000 bars te woord heeft gestaan, benadrukt de Nationale ombudsman dat de wijze waarop iemand de gedraging van een ander ervaart, bij uitsluiting subjectief is, en derhalve ook moeilijk toetsbaar.

Verzoekers lezing staat op dit punt tegenover die van K. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan aan de ene lezing meer betekenis moet worden toegekend dan aan de andere. Op dit punt kan dan ook geen oordeel worden gegeven.

III. Met betrekking tot het niet toepassen van wederhoor

1. Verzoeker klaagt erover dat de beheerder van het regionale politiekorps Groningen zijn klacht over - onder andere - het hierboven onder II.1. omschreven voorval bij brief van 18 december 2000 heeft afgedaan zonder het beginsel van hoor en wederhoor toe te passen.

2. De behandeling van een klacht dient aan een aantal voorwaarden te voldoen. Deze voorwaarden zijn onder meer van belang voor het na te streven vertrouwen in de onbevooroordeeldheid van de klachtbehandelende instantie.

Zo dient het beginsel van hoor en wederhoor te worden toegepast. In overeenstemming met dit beginsel stelt het bestuursorgaan de klager en degene op wiens gedraging de klacht betrekking heeft, in de gelegenheid te worden gehoord. Van het horen van de klager kan alleen worden afgezien indien de klacht kennelijk ongegrond is dan wel indien de klager heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord.

Wanneer de reactie van degene op wiens gedraging de klacht betrekking heeft geheel aansluit bij de klacht en de daarop gegeven toelichting, is het niet noodzakelijk deze reactie opnieuw aan de klager voor te leggen. Wanneer degene op wiens gedraging de klacht betrekking heeft echter feitelijk verweer voert, dat wil zeggen de gedraging als zodanig ontkent of feiten aanvoert die de gedraging in een ander daglicht plaatsen, is er sprake van (nieuwe) gegevens waarover de klager zijn visie moet kunnen geven. Wederhoor is dan een vereiste.

3. In de Klachtenregeling Politieregio Groningen (zie Achtergrond) is het beginsel van hoor en wederhoor neergelegd in artikel 6 en houdt in dat zowel de klager als de ambtenaar in de gelegenheid wordt gesteld schriftelijk dan wel mondeling, al dan niet in elkaars tegenwoordigheid, hun standpunt toe te lichten en op elkaars verklaringen en die van eventuele getuigen te reageren.

4. Uit het onderzoek is het volgende gebleken.

Zoals hiervoor onder II.2. staat vermeld, heeft verzoeker op 16 juni 2000 op het politiebureau te Haren een klacht ingediend over de wijze waarop de politie zich in de weken daarvoor jegens hem had opgesteld. Bij brief van 2 augustus 2000 heeft verzoeker zijn klacht aangevuld en toegelicht, waarbij hij de politie verzocht hem in de gelegenheid te stellen zijn standpunt mondeling toe te lichten alvorens over zijn klacht een beslissing te nemen.

Op 12 september 2000 heeft politieambtenaar K., die intern met het onderzoek naar verzoekers klacht was belast, uitgebreid over de klacht gerapporteerd aan plaatsvervangend districtschef H. Hij maakte hiervoor gebruik van in het bedrijfsprocessensysteem van de politie aanwezige rapportages, van door verzoeker en andere betrokkenen overgelegde stukken en van een door politieambtenaar R. opgesteld rapport over zijn contacten met verzoeker. K. gaf in zijn rapportage aan van mening te zijn dat verzoekers klacht op alle punten ongegrond was.

Verzoeker heeft de burgemeester van Groningen op 8 november 2000 een brief gestuurd waarin hij zijn klacht wederom uiteenzette en toelichtte. Ook verzocht hij de burgemeester er bij de politie op aan te dringen dat zij voor 23 november 2000 haar standpunt schriftelijk aan hem kenbaar zou maken. Hij gaf hierbij aan er niets meer voor te voelen een wazige discussie met wie dan ook te voeren, waar dan na een paar maanden steggelen een even wazig compromis uit zou rollen.

Bij brief van 18 december 2000 heeft de burgemeester van Groningen verzoeker laten weten zijn klacht niet-ontvankelijk te achten aangezien het een civielrechtelijke aangelegenheid betrof.

5. De korpsbeheerder heeft zich tijdens het onderzoek van de Nationale ombudsman op het standpunt gesteld dat verzoekers klacht op dit punt ongegrond is. Hij gaf hierbij aan geen reden te hebben om te twijfelen aan de lezing die K. in zijn rapportage van 12 september 2000 had gegeven van het gesprek dat hij op 15 juni 2000 met verzoeker had gevoerd. Ook wees de korpsbeheerder erop dat verzoeker de door hem gebezigde subjectieve kwalificaties met betrekking tot de bejegening door K. niet had onderbouwd, althans niet anders had onderbouwd dan door te stellen dat hij het oneens was met de door de politie naar aanleiding van zijn aangiften genomen besluiten. Verder deelde de korpsbeheerder mee dat hij uit verzoekers brief van 8 november 2000 had afgeleid dat deze er geen prijs meer op stelde om te worden gehoord. Omdat de onverenigbare standpunten van verzoeker en de politie volstrekt helder waren, is besloten verzoekers klacht schriftelijk af te doen, aldus de korpsbeheerder.

6. De Nationale ombudsman is van oordeel dat de korpsbeheerder op grond van verzoekers uitlatingen in zijn brief van 8 november 2000 mocht concluderen dat verzoeker geen gebruik heeft willen maken van zijn recht te worden gehoord. Uit het feit dat de klager afziet van de mogelijkheid te worden gehoord, mag echter niet zonder meer worden afgeleid dat hij tevens geen gebruik wil maken van de mogelijkheid tot wederhoor. Aangezien de betrokken ambtenaar de lezing van verzoeker over - onder andere - het onder II.1 omschreven voorval heeft betwist, was er in het onderhavige geval dan ook geen aanleiding van wederhoor af te zien. Het is dan ook niet juist dat verzoeker niet in de gelegenheid is gesteld al dan niet schriftelijk te reageren op de in het kader van de interne klachtprocedure opgestelde rapportages.

De onderzochte gedraging is in zoverre niet behoorlijk.

7. Ten overvloede wijst de Nationale ombudsman op het volgende.

Van een bestuursorgaan mag worden verwacht dat het een klacht onbevooroordeeld behandelt. Dit betekent onder meer dat een klacht dient te worden behandeld door een persoon die niet bij het beklaagde politieoptreden was betrokken. Uit de op 12 september 2000 door politieambtenaar K. opgestelde rapportage (zie Bevindingen, onder C.2.6.) leidt de Nationale ombudsman af dat politieambtenaar K. bij de politie intern was belast met het onderzoek naar verzoekers klacht, terwijl de klacht deels betrekking had op zijn optreden. Dit is niet juist.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van het regionale politiekorps Groningen, die wordt aangemerkt als een gedraging van de beheerder van dit korps (de burgemeester van Groningen), is niet gegrond wat betreft de onwil om verzoekers klacht in ontvangst te nemen en gegrond wat betreft het niet toepassen van wederhoor, terwijl geen oordeel wordt gegeven wat betreft het bars te woord staan van verzoeker.

Onderzoek

Op 23 oktober 2001 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift, gedateerd 24 oktober 2001, van de heer D. te B., met een klacht over een gedraging van het regionale politiekorps Groningen. Verzoeker had zich al eerder, bij brieven van 12 januari, 19 februari, 3 april en 28 mei 2001, tot de Nationale ombudsman gewend. Zijn verzoek werd toen echter - voor wat betreft het klachtonderdeel dat hierboven onder Klacht als eerste staat vermeld - niet in onderzoek genomen in verband met de door verzoeker bij het gerechtshof te Leeuwarden aanhangig gemaakte beklagprocedure ex artikel 12 Wetboek van strafvordering (zie Bevindingen, onder A.4.). Nadat het door verzoeker gedane beklag op 17 oktober 2001 tot een beschikking van het gerechtshof had geleid (zie Bevindingen, onder A.5.), werd naar aanleiding van verzoekers brief van 24 oktober 2001 een onderzoek ingesteld naar de gedraging van het regionale politiekorps Groningen. Deze gedraging wordt aangemerkt als een gedraging van de beheerder van dit korps (de burgemeester van Groningen).

In het kader van het onderzoek werd de korpsbeheerder verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben. Tijdens het onderzoek kregen de korpsbeheerder en verzoeker de gelegenheid op de door ieder van hen verstrekte inlichtingen te reageren. Ook werd een verklaring opgenomen van betrokken politieambtenaar K. Naar aanleiding van een brief van verzoeker van 27 juli 2002 werd de aanvankelijk in de klachtformulering vermelde datum 16 juni 2000 gewijzigd in 15 juni 2000.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. De reactie van verzoeker gaf geen aanleiding het verslag te wijzigen of aan te vullen. De korpsbeheerder berichtte dat het verslag hem geen aanleiding gaf tot het maken van opmerkingen. Betrokken ambtenaar K. gaf binnen de gestelde termijn geen reactie.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:

A. feiten

1.1. Bij brieven van 12 januari en 19 februari 2001 verzocht verzoeker de Nationale ombudsman een onderzoek in te stellen in verband met het door het regionale politiekorps Groningen niet nakomen van aan hem - verzoeker - gedane toezeggingen. Na een schriftelijk en telefonisch verzoek hiertoe van de Nationale ombudsman, stuurde verzoeker op 3 april 2001 een afschrift van enkele op zijn klacht betrekking hebbende stukken aan de Nationale ombudsman. Voor zover van belang voor het onderzoek staan deze stukken hieronder vermeld.

1.2. Op 18 december 2000 schreef de burgemeester van Groningen verzoeker onder meer het volgende in reactie op een klacht die deze op 16 juni 2000 bij de politie had ingediend:

"Op basis van de aan mij door de politie ter beschikking gestelde gegevens en de inhoud van uw brieven concludeer ik dat het in deze zaak vooral gaat om goederen die al of niet rechtmatig zijn weggenomen uit de woning van uw pleegvader, de heer Dk1 (...). U bent van mening dat de goederen onrechtmatig uit de woning zijn weggenomen door de zoon van de heer Dk1, de heer Dk2. Deze zou eveneens de auto van zijn vader meegenomen hebben.

Uw klachten richten zich o.a. op het feit dat de politie geweigerd zou hebben uw aangifte ter zake op te nemen, de weigering van de politie om de woning van de heer Dk1 te verzegelen, de beoordeling dat het hier om een civielrechtelijke zaak gaat die door de politie niet in behandeling kan worden genomen en meer algemeen bent u van mening dat de politie u niet serieus heeft genomen.

Op donderdag 1 juni 2000 verscheen u op het politiebureau aan de Rademarkt te Groningen met de bedoeling om namens uw stiefvader, de heer Dk1, aangifte te doen tegen zijn zoon, de heer Dk2. U toonde daarbij een door uw stiefvader ondertekende brief d.d. 29 mei 2000 waarin deze verklaart dat zijn zoon onrechtmatig in zijn woning is geweest en het slot op de deur heeft veranderd, alsmede dat deze zijn auto zou hebben gestolen. In de brief verklaart de heer Dk1 dat u en uw echtgenote de enige bevoegde personen zijn om zijn goederen te beheren. De politie deelde u mede dat het in deze een zgn. klachtdelict betrof en dat de aangifte pas in behandeling zou kunnen worden genomen nadat door de heer Dk1 een klachtbrief zou zijn ondertekend. De politie heeft voor u een concept-klachtbrief opgesteld. Afgesproken werd dat u zorg zou dragen voor ondertekening van die klachtbrief door de heer Dk1.

Uw klacht dat de politie op 1 juni 2000 geweigerd heeft uw aangifte op te nemen is derhalve niet gegrond. De aangifte is wel degelijk opgenomen; de politie diende, alvorens verdere stappen te kunnen nemen, echter eerst de beschikking te hebben over een door Dk1 in te dienen klacht.

Uit de politiegegevens is mij gebleken dat de heer Dk2 op 24 mei 2000 zijn vader in het Martiniziekenhuis heeft bezocht. Deze heeft zijn zoon toen toestemming gegeven een nieuw slot op de deur van zijn woning te zetten en de auto veilig te stellen. De heer Dk2 heeft daarop Makelaardij Ka., de eigenaar van de woning, verzocht het slot te vervangen en Ka. heeft daar direct uitvoering aan gegeven. De nieuwe sleutels werden daarbij door Ka. aan Dk2 ter beschikking gesteld, waarna deze in de woning is geweest.

Op 1 juni 2000 kreeg de politie in de loop van de middag de melding dat er onbevoegden in de woning (...) aanwezig waren. Dat bleek de zoon van de heer Dk2 te zijn. De ter plaatse aanwezige politie besloot niet toe te staan dat er goederen uit de woning meegenomen werden omdat onduidelijk was wie gerechtigd was om de heer Dk1 te vertegenwoordigen. Zowel u als de heer Dk2 claimden die bevoegdheid. De betrokken politieman heeft daarom de sleutels van de woning onder zich gehouden. De heer Dk2 werd verzocht zich de volgende dag te vervoegen op het politiebureau te Haren. Het toen plaats gevonden hebbende gesprek bood de politie nog steeds niet de gewenste duidelijkheid over de vraag wie nu rechthebbende was op de sleutels c.q. wie bevoegd was de woning van de heer Dk1 te betreden. De sleutels werden daarom ook niet aan de heer Dk2 teruggegeven.

Op 5 juni 2000 heeft de heer Dk1 een volmacht ondertekend waarin hij verklaart dat hij met ingang van 2 juni 2000 zijn wettige zoon, de heer Dk2, met uitsluiting van ieder ander en onder intrekking van eventuele eerdere volmachten, machtigt om voor hem alle zaken te behartigen en te regelen en daartoe alle benodigde rechtshandelingen te verrichten. Eveneens op 5 juni 2000 heeft u aan de politie een concept van akte overhandigd, opgesteld door notaris B. (…) waarin stond vermeld dat u rechthebbende was met betrekking tot bepaalde goederen die in de woning van Dk1 aanwezig zouden zijn.

De politie heeft op 6 juni 2000 de heer Dk1 in het Martiniziekenhuis gehoord. Tijdens dat verhoor verklaarde deze dat hij zowel door zijn zoon als door u onder druk werd gezet en dat hij tegen zijn zin de bewuste documenten heeft ondertekend. Hij verklaarde dat zijn zoon noch u hem mochten vertegenwoordigen, en de papieren die u en zijn zoon hem in dat verband hadden laten ondertekenen achtte hij niet rechtsgeldig.

De politie heeft de zaak op 8 juni 2000 besproken met een vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie te Groningen. Het OM concludeerde dat het hier om een civielrechtelijk geschil ging, namelijk de vraag wie het eigendomsrecht had van de goederen in de woning van Dk1 en wie gerechtigd was om namens Dk1 op te treden. Omdat het een civielrechtelijk geschil betrof deelde het OM de politie mee dat zij de zaak niet verder in behandeling hoefden te nemen.

Op 14 juni 2000 heeft u met uw echtgenote, samen met de politie, nog een bezoek aan de woning (...) gebracht. Daarna heeft de betrokken politieman de sleutels van de woning in het Martiniziekenhuis overhandigd aan de heer Dk1. Mij lijkt dat de politie hier, door de sleutels aan de enige rechthebbende te geven, correct gehandeld heeft.

Op 15 juni 2000 vervoegde u zich op het politiebureau te Haren met de bedoeling aangifte te doen. Men heeft u toen uitgelegd dat dat weinig zin zou hebben omdat het in deze een civielrechtelijke aangelegenheid betrof en dat in dat verband het Openbaar Ministerie de politie al had gezegd dat de zaak niet in behandeling kon worden genomen. Toen u desondanks vast bleef houden aan uw wens om aangifte te doen heeft de politie daar alle medewerking aan verleend en uw aangifte opgenomen.

Op 16 juni 2000 vervoegde u zich op het politiebureau te Haren en verzocht daarbij de politie er zorg voor te dragen dat er nieuwe sloten op de woning van de Dk1 geplaatst werden. De politie heeft u toen laten weten niet bevoegd te zijn om de sloten te vervangen. Niet wetende wie rechtens bevoegd was om de heer Dk1 te vertegenwoordigen, u of zijn zoon, zou alleen de heer Dk1 een dergelijke opdracht kunnen geven. Dit standpunt van de politie was juist en zij zouden niet correct gehandeld hebben indien zij aan uw verzoek om de sloten te vervangen tegemoet waren gekomen.

U wilde op 16 juni tevens een klacht indienen tegen de politie. U bent daartoe toen in de gelegenheid gesteld en de inspecteur van politie, de heer Kr., is u daarbij behulpzaam geweest. Deze was echter met direct aanwezig op het bureau om u te helpen en u heeft daarom even op zijn komst moeten wachten. Die wachttijd heeft derhalve niets te maken met de door u gesuggereerde onwil aan de zijde van de politie om uw klacht op te nemen.

Op basis van het voorgaande kan ik niet anders dan concluderen dat er door de politie jegens u correct is gehandeld en er serieuze aandacht aan uw problemen is besteed. Uw klachten acht ik, omdat het hier om een civielrechtelijke aangelegenheid gaat, in het kader van de regionale klachtenregeling niet ontvankelijk. De vraag of uw zaak terecht aangemerkt wordt als civielrechtelijk is niet aan mij ter beoordeling en valt onder de bevoegdheid van het Openbaar Ministerie. Voor zover u van mening bent dat het hier wel degelijk om een strafrechtelijke zaak gaat en het Openbaar Ministerie ten onrechte weigert de zaak in behandeling te nemen, adviseer ik u daarover eventueel een klacht in te dienen bij de Hoofdofficier van Justitie te Groningen."

1.3. In een brief die verzoeker op 5 januari 2001 aan de burgemeester van Groningen stuurde, schreef hij onder meer het volgende:

"In uw brief van 18 december 2000 stelt u mij geen enkele vraag zoals, hoe, wat, welke, waar, wanneer, waardoor. Het lijkt wel dat alles wat ik heb geschreven twee keer door mij moet worden uitgelegd. Inspelen op de behoeften van de politie en van mij is een moeilijke zaak. Het zal ook best even slikken zijn voor de politie wanneer de politie in mijn kwestie toe moet geven dat er fouten zijn gemaakt. Wat is uw beweegreden, motivatie om de politie in mijn zaak in bescherming te nemen? U bent toch geen marionet? (…)

Uw vorm van communiceren is een benadering die de politie stimuleert hun eigen verantwoordelijkheid in mijn zaak aan de kant te schuiven. Uit mijn brief van 8 november 2000 blijkt dat mijn verwijt aan de politie simplistisch is (woordbreuk door de politie in mijn civiele zaak). Ik hoop dan ook dat u de moeite wilt nemen om zich nogmaals in mijn probleem te gaan verdiepen voordat u een eindoordeel velt. Het politieonderzoek zelf stelt immers niet veel voor. Er zitten tegenstrijdigheden in.

Voorbeeld 1: met ingang van 2 juni 2000 is de heer Dk2 volgens de politie met uitsluiting van ieder ander bevoegd. Op 6 juni 2000 is volgens de politie niemand meer bevoegd. Waarom toen geen actie?

Voorbeeld 2 : inzake de vraag van wie alle zaken waren concludeerde het OM dat het hier om een civielrechtelijk geschil ging. De politie had van mij op 1 juni 2000 reeds een akte (vonnis) gekregen waaruit bleek wie civielrechtelijk de eigenaren van welke zaken waren.

Vervolgens zegde de politie mij op 2 juni 2000 toe dat ik mij nergens ongerust over hoefde te maken omdat mijn zaken in de woning zouden blijven staan (dit kan ik controleerbaar aantonen door middel van een bandopname). Door nu alles te ontkennen hebben de politie en het OM hun geloofwaardigheid ernstig geschonden.

Uw stelling dat ik onterecht gesuggereerd heb dat de politie mij niet wilde helpen is onjuist. Doordat ik weigerde het politiebureau te verlaten (het maakte mij nl. niets uit hoelang ik moest wachten, als invalide in een rolstoel had ik alle tijd) moest de politie uiteindelijk wel met frisse tegenzin een collega van het hoofdbureau laten komen om mijn klacht op te nemen. Waarom onthoudt de politie u van dergelijke relevante informatie?

Waarom wordt mijn schriftelijk verzoek van 2 augustus 2000 (…) om te worden gehoord door uw ambtenaren zonder nadere motivering genegeerd. Heeft een burger er bij uw politiekorps geen recht meer op om gehoord te worden? Door mij niet te horen hebben uw politieambtenaren de rechtsgang gefrustreerd en belemmerd.

Ik voel mij door uw conclusies onder druk gezet. Ik begrijp uit uw conclusie dat u objectief gezien geen juiste beslissing kunt nemen omdat zowel u als uw politieambtenaren zich allen aan dezelfde bron laven.

(…)

Op basis van uw brief moet ik concluderen dat uw onderzoek al dan niet bewust onzorgvuldig dan wel ondeskundig is uitgevoerd. Ik verzoek u daarom mij het juiste adres te verstrekken van de Hoofdofficier van Justitie waar ik alsnog een klacht over u en de politie Groningen kan indienen.

(…)

Tot slot deel ik u nog mee dat ik mij niet door u laat imponeren. Voor mij is belangrijk dat als de waarheid uiteindelijk zegeviert geen prijs te hoog is. U mag van mijn argumenten en mijn wijze van argumenteren vinden wat u wilt, maar ik beweer nooit iets zonder argumenten en zonder het raadplegen van betrouwbare bronnen. Wat u doet is mij confronteren met onprofessionele termen, vol onjuistheden. En vervolgens verwacht u van mij dat ik op al die beledigende hooghartigheid en laatdunkendheid van de politie als een 'gentleman' reageer? Dat lijkt mij iets te veel gevraagd. Het is mijn recht dat mijn zaak serieus wordt afgehandeld. Daarom verzoek ik u nogmaals mijn zaak serieus te onderzoeken en mij het resultaat mee te delen."

2.1. Naar aanleiding van een telefonisch verzoek hiertoe overlegde verzoeker de Nationale ombudsman op 28 mei 2001 een cassetteband met een geluidsopname die hij had gemaakt van een telefoongesprek dat hij op 2 juni 2000 met de politie had gevoerd. Ook overlegde hij afschriften van enkele stukken. Voor zover van belang voor het onderzoek worden deze stukken hieronder genoemd.

2.2. In een aan het openbaar ministerie te Groningen gerichte brief van 1 april 2001 diende verzoeker een klacht in over het regionale politiekorps Groningen. Hij klaagde met name over het feit dat hij op 16 juni 2000 in de openbare ruimte van het politiebureau Groningen/Haren op een genante manier was behandeld door politieambtenaar K. Ook klaagde hij erover dat de politie hem voor de gek had gehouden en niet serieus had genomen.

2.3. De burgemeester van Groningen liet verzoeker op 17 april 2001 schriftelijk weten dat verzoekers brief van 5 januari 2001 hem geen aanleiding had gegeven tot heroverweging van zijn standpunt.

2.4. Het openbaar ministerie te Groningen stuurde verzoeker op 18 april 2001 een brief waarin stond vermeld dat verzoeker - als hij het niet eens was met de afhandeling van zijn klacht door de politie - de Nationale ombudsman kon vragen een onderzoek in te stellen naar de wijze waarop de politie zich jegens hem had gedragen. Ook wees het openbaar ministerie verzoeker erop dat hij zich op grond van het bepaalde in artikel 12 van het Wetboek van strafvordering kon wenden tot het gerechtshof te Leeuwarden als hij het niet eens was met het feit dat het openbaar ministerie geen strafrechtelijk onderzoek was gestart naar aanleiding van zijn aangifte van 1 juni 2000.

2.5. Bij brief van 19 april 2001 diende verzoeker bij het gerechtshof te Leeuwarden een klacht in over het feit dat het openbaar ministerie te Groningen geen strafrechtelijk onderzoek wilde instellen naar het functioneren van de politie in zijn zaak. Hij stelde hierbij dat hij op 16 juni 2000 in de openbare ruimte van het politiebureau Groningen/Haren op genante wijze was behandeld door politieambtenaar K. Ook vermeldde hij dat de politie hem niet serieus had genomen en zich niet aan de met hem gemaakte afspraken had gehouden.

3.1. Na een telefonisch verzoek hiertoe faxte het regionale politiekorps Groningen de Nationale ombudsman op 14 juni 2001 een afschrift van enkele stukken. Voor zover van belang voor het onderzoek worden deze stukken hieronder genoemd.

3.2. In een proces-verbaal van aangifte staat vermeld dat verzoeker op 1 juni 2000 namens zijn stiefvader Dk1 aangifte heeft gedaan van (poging tot) inbraak in de woning van Dk1 in de periode van 26 mei 2000 tot 1 juni 2001.

3.3. Op 6 juni 2000 heeft politieambtenaar R. een proces-verbaal opgemaakt met daarin een verslag van een gesprek dat hij die dag met Dk1 had gevoerd. Volgens R. had Dk1 tijdens dit gesprek verklaard dat verzoeker niet in zijn opdracht had gehandeld toen hij op 1 juni 2000 aangifte deed van inbraak in zijn woning. Ook gaf hij aan dat verzoeker niet als zijn vertegenwoordiger mocht optreden.

3.4. Op 15 juni 2000 heeft verzoeker aangifte van diefstal gedaan. In het proces-verbaal dat naar aanleiding van de aangifte is opgemaakt, staat vermeld dat volgens verzoeker in de periode van 15 mei tot 15 juni 2000 uit de woning van Dk1 goederen waren weggenomen. Dk1 had deze goederen van hem in bruikleen gekregen onder de voorwaarde dat de goederen de woning van Dk1 niet mochten verlaten, aldus verzoeker.

4. In reactie op verzoekers hiervoor genoemde brieven met bijlagen en in vervolg op enkele telefoongesprekken die verzoeker had gevoerd met een medewerkster van het Bureau Nationale ombudsman, deelde de Nationale ombudsman verzoeker bij brief van 1 oktober 2001 onder meer het volgende mee:

"U klaagt erover dat een ambtenaar van het regionale politiekorps Groningen een aan u op 2 juni 2000 gedane toezegging niet is nagekomen. U stelt dat deze politieambtenaar u in een telefoongesprek heeft toegezegd dat niemand uw spullen uit de woning van uw stiefvader zou kunnen weghalen, omdat de politie de huissleutels van uw stiefvader in bewaring zou houden. Van het hiervóór genoemde telefoongesprek van 2 juni 2000 hebt u een bandopname gemaakt. Een kopie van deze bandopname hebt u naar de Nationale ombudsman gestuurd. Uit de bandopname blijkt, dat de betrokken politieambtenaar u meedeelt dat de politie de huissleutels van uw stiefvader voorlopig onder zich zal houden.

Uit de hiervóór genoemde brieven van 19 februari, 3 april en 28 mei 2001 en de daarbij behorende bijlagen blijkt dat uw stiefvader in juni vorig jaar in het ziekenhuis verbleef. Tegenover de politie claimden zowel u als uw stiefbroer door uw stiefvader gemachtigd te zijn namens hem op te treden. Op 1 juni 2000 hebt u de politie gemeld dat er onbevoegden aanwezig waren in het huis van uw stiefvader. De politie is ter plaatse gekomen, waarna is gebleken dat een zoon van uw stiefbroer met een vriend in de woning van uw stiefvader aanwezig was. Omdat niet duidelijk was wie gerechtigd was om uw stiefvaders woning te betreden en namens hem op te treden, heeft de politie de huissleutels van uw stiefvader ingenomen en onder zich gehouden. Op 2 juni 2000 hebt u het hierboven genoemde telefoongesprek gevoerd met een ambtenaar van het regionale politiekorps Groningen. In verband met de bij de politie ontstane onduidelijkheid over door uw stiefvader aan u en uw stiefbroer afgegeven machtigingen, heeft de politie uw stiefvader op 6 juni 2000 in het ziekenhuis gehoord. Uw stiefvader heeft hierbij verklaard dat u noch uw stiefbroer hem mochten vertegenwoordigen.

Op 14 juni 2000 heeft de politie de huissleutels teruggegeven aan uw stiefvader. Niet valt in te zien wat de politie op dit punt valt te verwijten. Door de huissleutels terug te geven aan de rechtmatige bewoner van het desbetreffende pand heeft de politie niet gehandeld in strijd met hetgeen de betrokken politieambtenaar u op 2 juni 2000 telefonisch heeft meegedeeld. Ik zie dan ook geen reden om op dit punt een onderzoek in te stellen.

In de telefoongesprekken die u op 28 mei en 11 en 18 juli 2001 hebt gevoerd met (…)(medewerkster van het Bureau Nationale ombudsman; N.o.), hebt u aangegeven dat u er tevens over wenst te klagen dat een ambtenaar van het regionale politiekorps Groningen u op 16 juni 2000 op onfatsoenlijke wijze te woord heeft gestaan in de openbare ruimte van het districtsbureau Groningen/Haren van dit korps.

Uit de door u ingestuurde stukken blijkt dat u op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het hiervóór genoemde voorval, op 19 april 2001 een klacht hebt ingediend bij het gerechtshof te Leeuwarden. Het gerechtshof heeft nog niet beslist op uw klacht. De Nationale ombudsman is niet bevoegd een onderzoek in te stellen naar gedragingen waarop - zoals hier het geval is - de rechterlijke macht toeziet. Om deze reden zal ook naar dit klachtonderdeel geen onderzoek worden ingesteld."

5. Verzoeker reageerde op deze brief van de Nationale ombudsman door toezending op 24 oktober 2001 van een afschrift van een beschikking van het gerechtshof te Leeuwarden. In deze beschikking van 17 oktober 2001 staat onder meer het volgende vermeld:

"MOTIVERING

De inhoud van de klacht

1. De klacht richt zich - blijkens klagers verklaring in raadkamer - tegen de beslissing van de officier van justitie beklaagden (ambtenaren van het regionale politiekorps Groningen; N.o.) niet te vervolgen wegens het niet nakomen van gemaakte afspraken tussen klager en beklaagden.

(…)

Beoordeling

(…)

5. Het door klager gestelde feit, te weten het niet-nakomen van afspraken, is niet in enige wettelijke bepaling strafbaar gesteld.

6. Derhalve klaagt klager over het niet vervolgen van een feit dat niet strafbaar is gesteld en dient het hof klager niet ontvankelijk te verklaren in zijn klacht.

BESLISSING

Het gerechtshof:

verklaart klager niet ontvankelijk in zijn klacht."

6. Nu het gerechtshof te Leeuwarden zich in zijn beschikking niet had uitgesproken over verzoekers klacht dat hij op 16 juni 2000 onheus was bejegend door politieambtenaar K., kon de Nationale ombudsman deze klacht in onderzoek nemen.

B. Standpunt verzoeker

Het standpunt van verzoeker staat samengevat weergegeven onder Klacht.

C. Standpunt korpsbeheerder

1. In reactie op de klacht liet de korpsbeheerder bij brief van 10 januari 2002 onder meer het volgende weten:

"Op 16 juni 2000 laat de heer D. (…) een klacht op schrift stellen door inspecteur Kr., behorende tot de Regiopolitie Groningen. De heer D. is ontevreden over het staken van een onderzoek naar een (vermeende) diefstal, waarvan hij op 1 juni 2000 aangifte had gedaan, en stelt dat hij zich door de politie niet serieus genomen voelt. Op 22 juni 2000 wordt de ontvangst van de klacht van de heer D. schriftelijk bevestigd. Op 27 juli 2000 wordt de heer D. schriftelijk medegedeeld dat het in verband met de vakantieperiode niet mogelijk is zijn klacht binnen de gestelde wettelijke termijn af te handelen.

In de kern beklaagt de heer D. zich over het feit dat de politie weigert verder strafrechtelijk aandacht te besteden aan twee door hem gedane aangiften, welk besluit overigens na overleg met en in opdracht van het bevoegd gezag, het Openbaar Ministerie te Groningen, is genomen.

Op 2 augustus 2000 vult de heer D. zijn klacht schriftelijk aan. Hij schrijft dat hij in de hal van het politiebureau (te Haren) op genante wijze (beledigend, hooghartig en laatdunkend) door de heer K. te woord is gestaan. Blijkens een d.d. 8 november 2000 aan mij gerichte brief zou dit gesprek op 15 juni 2000 hebben plaatsgevonden. Inspecteur K. heeft bij brief van 12 september 2000 uitgebreid op de klachten van de heer D. gereageerd. Hij doet in deze reactie uitvoerig verslag van de wijze waarop het gesprek op 15 juni is verlopen, alsook van de wijze waarop op 16 juni 2000 de klacht van de heer D. op schrift is gesteld. Ik heb geen reden om aan de lezing van inspecteur K. te twijfelen. Ik wijs erop dat de heer D. de door hem gebezigde (subjectieve) kwalificaties met betrekking tot de bejegening door de politie op 15 en 16 juni 2000 op geen enkele wijze onderbouwt, althans niet anders dat hij het oneens is en blijft met de door de politie naar aanleiding van zijn aangiften genomen besluiten.

Aan het einde van zijn brief van 2 augustus 2000 verzoekt de heer D. om, voordat een beslissing op zijn klachten wordt genomen, in de gelegenheid te worden gesteld zijn standpunt mondeling toe te lichten.

Op 25 september 2000 richt de heer D. zich in twee brieven rechtstreeks tot mij en tot de Commissaris van de Koningin te Groningen, met verzoek aandacht aan zijn klachten te besteden. Hij is - mijns inziens ten onrechte - van mening dat de politie zijn zaak in de doofpot stopt.

Op 8 november 2000 schrijft de heer D. opnieuw een brief aan mij en stelt onder meer: 'Ik verzoek u er bij de politie op aan te dringen dat zij voor 23 november 2000 haar standpunten schriftelijk aan mij kenbaar maakt. Ik voel er niets meer voor om een wazige discussie met wie dan ook te voeren, waar dan na een paar maanden steggelen een even wazig compromis uit rolt. Ik wil voor 23 november 2000 duidelijkheid'.

Uit deze passage heb ik afgeleid dat de heer D. er geen prijs meer op stelde om te worden gehoord.

Ik heb mij na gedegen onderzoek - zowel in mijn hoedanigheid van burgemeester van de Gemeente Groningen als in mijn hoedanigheid van korpsbeheerder - persoonlijk een oordeel over de klachten van de heer D. gevormd. Omdat de onverenigbare standpunten van enerzijds de heer D. en van anderzijds de politie volstrekt helder waren, heb ik na overleg met de Commissaris van de Koningin besloten de klachten van de heer D. schriftelijk af te doen. Het resultaat daarvan is mijn uitvoerig gemotiveerde brief van 18 december 2000.

Alle dossierstukken nog eens overziende, handhaaf ik mijn eerder ingenomen standpunt dat de klachten van de heer D. met betrekking tot de door de politie genomen strafvorderlijke beslissingen kennelijk niet-ontvankelijk zijn. Om die reden heb ik de klacht niet voor advies aan de klachtenadviescommissie voorgelegd (…).

In zijn aan de Nationale Ombudsman gerichte klacht legt de heer D. het accent meer op de vermeende onheuse bejegening door de politie en op het in het kader van de klachtenprocedure niet nader gehoord zijn. Deze klachten komen mij in het licht van hetgeen ik daarover hiervoor heb gezegd ongegrond voor. Als mij aanstonds duidelijk was geweest dat de heer D. hechtte aan een beoordeling van en een beslissing op de bij u in behandeling gegeven klachten, had ik - achteraf gezien - zijn klachten zeker ook voor advies voorgelegd aan de klachtenadviescommissie. Dat laat onverlet dat het naar aanleiding van alle klachten verrichte onderzoek mijns inziens voldoende zorgvuldig is geweest."

2.1. Bij zijn reactie voegde de korpsbeheerder een aantal bijlagen. Deze bijlagen staan hieronder vermeld voor zover zij van belang zijn voor het onderzoek.

2.2. In een door politieambtenaren Kr. en V. opgemaakte mutatie van 15 juni 2000 staat onder meer het volgende vermeld:

"Rapp. werden gezonden naar het Martiniziekenhuis (…) alwaar iemand nogal lastig zou zijn. T.p. bleek dit D. te zijn. Vlgs. hem ligt zijn pleegvader in het ziekenhuis en haalt ondertussen een zoon de woning leeg. D. wilde met alle geweld met een 'vriendin' spreken die nu op bezoek was bij zijn pleegvader. Vlgs. een medewerker van de veiligheidsdienst wilde deze vriendin echter geen contact met D.

D. verklaarde reeds aan BEZ (Basiseenheid Zuid; N.o.) te zijn geweest en daar te hebben gesproken met coll. K. Gen. collega zou hem hebben verteld dat de politie niets voor hem kan doen en dat het een civiele zaak betreft. Rapp. hebben zich gezien vorenstaande niet in de zaak gemengd. Wij hebben een taxi voor D. geregeld naar (...). D. is daar namelijk tijdelijk voor revalidatie."

2.3. Op 16 juni 2000 diende verzoeker mondeling een klacht in bij het regionale politiekorps Groningen. Politieambtenaar Kr. stelde de klacht namens verzoeker op schrift. De klacht luidde onder meer als volgt:

"Hierbij wens ik, D., (…), klacht te doen tegen medewerkers van de Regiopolitie Groningen, en wel de basiseenheid Zuid. (…) Mijn klacht heb ik als volgt omschreven:

In de woning (…) staan roerende zaken die het eigendom zijn van mijn zuster en mij. Omdat op 1 juni 2000 twee door de politie aangehouden mannen bezig waren de woning te ontruimen wilde ik aangifte doen van diefstal. De politie heeft geweigerd om een proces-verbaal van aangifte op te maken. De motivering was dat de politie een onderzoek zou instellen en dat gedurende dit onderzoek niemand de woning mocht betreden. Op donderdag 15 juni 2000 kwam ik er per toeval achter dat het onderzoek was gestaakt. Na lang aandringen werd ik alsnog in de gelegenheid gesteld aangifte te doen. Door deze handelwijze van de politie heb ik schade geleden. Ik voel mij niet serieus genomen door de politie. Ook heeft de politie geweigerd mee te werken aan het verzegelen van de woning."

2.4. In een aan de politie Groningen gerichte brief van 2 augustus 2000 schreef verzoeker onder meer het volgende:

"In het kort schets ik u de door mij geleden schade tengevolge van het niet (tijdig) willen handelen van de politie.

Op 1 juni 2000 heb ik op het hoofdbureau van politie, als schriftelijk gemachtigde van mijn pleegvader de heer Dk1., aangifte gedaan wegens huisvredebreuk en diefstal van zijn auto (de schriftelijke machtiging is in uw bezit onder mutatienummer (…)). Wegens zijn opname in het Martiniziekenhuis kon mijn pleegvader zelf geen aangifte doen. Op 1 juni 2000 zijn vervolgens door de politie (de heer R.) twee mannen in de woning van mijn pleegvader aangehouden die naar hun zeggen opdracht hadden gekregen van de heer Dk2 (zoon van mijn pleegvader) om de woning leeg te halen. Deze bevoegdheid had de heer Dk2 echter niet omdat ik schriftelijk gemachtigd was om voor de roerende zaken te zorgen. Ook deze machtiging is in het bezit van de politie.

Omdat ook roerende zaken van mijn zuster en van mij werden ontvreemd uit de woning van mijn pleegvader verzocht ik de politie om proces-verbaal op te maken wegens diefstal van de roerende zaken van mijn zuster en van mij. De desbetreffende politieagenten hebben mij dit geweigerd. Mij werd de toezegging gedaan dat de woning zou worden afgesloten, de sleutels naar het politiebureau gingen zodat niemand de woning meer kon betreden. Bovendien zou er een onderzoek worden gestart. Naar aanleiding van het onderzoek door de politie kreeg ik te horen dat ik eerst moest bewijzen dat de heer Dk2 zich ervan bewust was dat hij zaken wegnam van een ander. De heer Dk2 had een gesprek gehad met de notaris (notaris Wo.) van mijn pleegvader. De notaris heeft in dit gesprek de heer Dk2 duidelijk gemaakt dat er roerende zaken in de woning aanwezig waren, welke de woning niet mochten verlaten, volgens een contract, omdat mijn pleegvader geen eigenaar van deze roerende zaken was. De heer Dk2 heeft met de notaris dusdanig ruzie gemaakt dat de notaris de heer Dk2 nooit weer op zijn kantoor wilde zien.

Nadat ik, met mijn akte van eigendom, had bewezen dat de heer Dk2 ook roerende zaken van mijn zuster en van mij bewust wegnam, kon ik weer geen aangifte doen, omdat ik moest bewijzen welke roerende zaken er uit de woning van mijn pleegvader waren ontvreemd. Dit was voor mij een onmogelijke opgave omdat de sleutels immers op het politiebureau lagen, opdat er niemand in de woning kon komen. Na lang aandringen mocht mijn echtgenote onder politiebegeleiding de woning betreden. Tot verbazing van de politie bleek dat er nog steeds onbevoegden in de woning bezig waren. Dit feit bleek uit een vrij recente krant die op tafel lag in de huiskamer van de woning. Mijn echtgenote heeft de inboedel in bijzijn van de politie bekeken en zij heeft in bijzijn van de politie enkele foto's gemaakt. Deze foto's heb ik ter hand gesteld van de politie. Na enige dagen ben ik naar het politiebureau gegaan om te informeren hoe het met het onderzoek stond. Ik werd door de heer K. in de hal (openbare ruimte) op een genante wijze te woord gestaan. De zaak was reeds door de politie afgedaan. De sleutels waren reeds teruggegeven. Het was volgens de heer K. een civiele procedure. De politie kon de zaak niet verder behandelen omdat de politie niet beschikte over de originele akte van eigendom. Mij was nooit gevraagd om de originele akte van eigendom te tonen. De originele akte (de minuut akte) kan immers nooit worden getoond. Ik heb vervolgens mijn eigendomsakte, getekend door de notaris voor afschrift, getoond. Ondanks deze eigendomsakte was de heer K. van mening dat deze zaak maar voor de civiele rechter moest worden opgelost. Ik was het niet eens met deze beslissing van de heer K. omdat mijn eigendomsakte, volgens mijn gerechtsdeurwaarder, gelijk staat aan een gerechtelijke uitspraak. Ik had dus geen civiele procedure meer nodig. Na lang aandringen werd ik uiteindelijk in staat gesteld om aangifte van diefstal te doen (…). Omdat er, volgens zeggen van de politie, met mijn aangifte niets werd gedaan wilde ik ook een klacht indienen. Immers door niets te doen heeft de politie de rechtsgang belemmerd (volgens mijn deurwaarder kan hij geen beslag meer leggen als de roerende zaken de woning hebben verlaten). De politie weigerde in eerste instantie om mee te werken met mijn wens een klacht in te dienen. Als invalide was ik op dat moment niet in staat om een schriftelijke klacht zonder hulp in te dienen. Het was voor mij, in mijn situatie als rolstoelpatiënt, extra pijnlijk om in een openbare ruimte in het politiebureau op zo'n genante wijze (beledigend, hooghartig en laatdunkend) te worden behandeld.

Ook heeft de politie (basiseenheid West, de heer Kr. en de heer V.) mij op 15 juni 2000, om 18.50 uur belet om mijn pleegvader in het ziekenhuis te bezoeken. Door dit te beletten heeft de politie de vriendin van mijn pleegvader in staat gesteld mijn pleegvader dusdanig te hersenspoelen, dat mijn pleegvader er nu van overtuigd is dat ik al zijn zaken heb gestolen. Doordat mijn pleegvader nu over onjuiste informatie beschikt wil hij niets meer met mij te maken hebben. De vriendin heeft bovendien de sleutel van de woning van mijn pleegvader aan de heer Dk2 gegeven, om de heer Dk2 in staat te stellen de woning leeg te halen. Ik kan u nader toelichten welke belangen de vriendin bij haar handelswijze heeft. De politie mag van mijn pogingen om aangifte van diefstal te doen denken wat zij wil, maar ik hoop dat de politie zich ervan bewust is dat er een morele norm is overschreden. Mij is leed en schade berokkend. Ik vind het normaal dat de politie spijt betuigt en de schade herstelt. Bovendien wijs ik u erop dat mijn schade, volgens de eigendomsakte, elke dag met ƒ 100 toeneemt. Daarom verzoek ik u deze zaak spoedig te behandelen. Voordat u een beslissing neemt verzoek ik u mij in de gelegenheid te stellen om mijn standpunt mondeling toe te lichten."

2.5. In verband met verzoekers klacht stelde hoofdagent R. op 1 september 2000 een rapport op, waarin hij onder meer het volgende heeft vermeld:

"Op 1 juni 2000 (hemelvaartsdag) omstreeks 13.00 uur kwam D. aan het politiebureau Rademarkt te Groningen om aangifte te doen van diefstal van goederen uit de woning (...) alwaar Dk1 woonachtig is. Hij deed namens Dk1 tegen diens zoon Dk2 aangifte. D. toonde mij een brief waarin stond vermeld dat hij en zijn vrouw de enige personen waren om de goederen te beheren van Dk1. Dhr Dk1 verbleef op dat moment in een ziekenhuis en was niet in staat zelf aangifte te doen. Dk2 had volgens D. al ongeveer veertig jaar lang geen contact meer gehad met zijn vader. Dk1 had bij notaris W. (…) ook geregeld wie wat zou erven bij overlijden. Dk2 had echter de sleutel van de woning van Dk1 weten te bemachtigen via de vriendin van Dk1. Volgens D. had Dk2 vervolgens een ander slot op de voordeur gezet zodat D. niet meer in de woning van Dk1 kon. Derhalve heb ik op zijn verzoek een timmerman gewaarschuwd om het slot wederom te vervangen. D. wilde de sleutels van het nieuwe slot echter niet zelf houden, doch zou ze afgeven aan de politie. Daar op dat moment alleen zekerheid bestond over het feit dat de auto van Dk1 niet meer voor diens woning (…) stond is eerst volstaan met de aangifte van diefstal van deze auto, een Renault RN 1.8 (…). Daar niet bekend was welke goederen uit de woning waren weggenomen werd in onderling overleg afgesproken dat deze aangifte op een later tijdstip zou worden aangevuld met een verklaring waarin zou worden vermeld welke goederen uit de woning waren weggenomen. Na ondertekening van deze aangifte de afspraak gemaakt dat Dk1 de bijgevoegde klacht ook zou medeondertekenen waarna deze bij de aangifte zou worden gevoegd.

Later die dag omstreeks 14.45 uur hoorden wij via de mobilofoon dat collega's werden verzocht naar genoemde woning te gaan omdat de vrouw van D. voor dit perceel stond samen met een door ons gewaarschuwde timmerman, doch op dat moment bleek dat er personen hierin aanwezig waren. Derhalve zij wij, verbalisant en collega  W. (…), ook naar deze woning gegaan. Aldaar troffen wij de zoon van Dk2 aan met zijn vriend die bezig waren goederen uit de woning te halen en mee te nemen. Aldaar heb ik telefonisch contact gehad met Dk2 en heb ik met hem afgesproken dat alle goederen in de woning zouden blijven en dat wij de sleutels van de woning zouden meenemen. Dk2 deelde verder mede dat hij onlangs aan de eigenaar van de woning, makelaar Ka. de opdracht had gegeven het slot van de voordeur te vervangen. Dk2 zou zich de volgende dag melden aan het politiebureau te Haren om de zaak verder uit te zoeken. De auto had Dk2 inderdaad onder zich. In afwachting van komend overleg werd de signalering van diefstal van deze auto ingetrokken.

Op 2 juni 2000 verscheen Dk2 aan het politiebureau Zuid te Haren en heeft hij een gesprek gehad met collega E. Collega E. kwam tot de conclusie dat verder onderzoek noodzakelijk was. De sleutels van de woning van Dk1 zijn toen niet aan diens zoon teruggegeven.

Op verzoek van D. heb ik hem op 5 juni 2000, in (...) Haren bezocht. Hij overhandigde mij een concept van een akte opgemaakt door notaris B. (…) zonder datum. Hierin stond vermeld dat D. rechthebbende was met betrekking tot bepaalde goederen welke in de woning van Dk1 zouden staan.

Op 6 juni 2000 heb ik wederom contact gehad met Dk2, daar deze de sleutels weer terug wenste van de woning (...) te Groningen.

Op 6 juni 2000 ontving ik via collega Be. werkzaam op de basiseenheid Hoogezand per fax een kopie van een volmacht ondertekend door Dk1 (senior). Hierin werd verklaard door Dk1 dat hij zijn zoon Dk2 machtigde alle zaken te behartigen en dat alle eerdere volmachten werden ingetrokken.

Op 6 juni 2000 omstreeks 13.00 uur heb ik ook een bezoek gebracht aan Dk1 in het Martiniziekenhuis te Groningen. Aldaar werd door mij van hem een verklaring opgenomen. Hij verklaarde dat niemand hem mocht vertegenwoordigen en dat hij niemand vertrouwde behalve een zekere Ba. Voor nadere bijzonderheden zie bijgevoegde verklaring. Derhalve deze zaak besproken met groepschef K. (…) en afgesproken dat deze kwestie zal worden voorgelegd voor een parketsecretaris van justitie omtrent verdere afhandeling.

Op 14 juni 2000 te 11.30 uur heb ik op verzoek van genoemde inspecteur K. samen met de vrouw van D. een bezoek gebracht in de woning. Op 14 juni 2000 gaf ik de sleutels van perceel (...) in het Martiniziekenhuis terug aan Dk1 en hij ondertekende daartoe voor ontvangst.

Hierna heb ik in opdracht K. verder geen bemoeienis gehad betreffende deze zaak."

2.6. Op 12 september 2000 schreef politieambtenaar K., groepschef van de basiseenheid Zuid, onder meer het volgende aan plaatsvervangend chef H. van het district Groningen/ Haren:

"Naar aanleiding van de door de heer D. (...) ingediende klacht d.d. 16 juni 2000 en de daarbij behorende aanvulling d.d. 2 augustus 2000, is door mij (…) een onderzoek ingesteld.

De klacht van de heer D. d.d. 16 juni 2000 richt zich met name op de volgende gebeurtenissen:

1. De politie heeft op 1 juni 2000 geweigerd om een proces-verbaal van aangifte op te maken;

2. Op 15 juni 2000 wilde de politie pas na lang aandringen aangifte opnemen;

3. De heer D. voelt zich door de politie niet serieus genomen;

4. De politie heeft geweigerd mee te werken aan de verzegeling van de woning.

In de brief van 2 augustus 2000 worden de klachten aangevuld met de volgende zaken:

5. De heer D. is het niet eens met de beslissing dat de zaak niet door de politie zal worden behandeld aangezien het een civiele aangelegenheid betrof;

6. De politie weigerde in eerste instantie mee te werken aan het indienen van een klacht;

7. Klager is op een onjuiste wijze te woord gestaan door de politiefunctionarissen;

8. De politie heeft hem belet zijn vader te bezoeken in het ziekenhuis.

Om een goed inzicht te krijgen in de gebeurtenissen die hebben geleid tot het indienen van de klacht, heb ik de hoofdagent van Regiopolitie te Groningen R. die het meest bij de zaak betrokken is geweest, verzocht rapport op te maken. Verder heb ik kennis genomen van alle rapportages in het Bedrijfsprocessensysteem van de Regiopolitie Groningen en de diverse door betrokkenen verstuurde brieven en 'bewijsstukken'. (…) Vervolgens heb ik getracht een chronologische volgorde in de gebeurtenissen aan te brengen. Daarna heb ik puntsgewijs de klacht van D. behandeld, gevolgd door mijn conclusie.

Op het adres (...) te Groningen is woonachtig de heer Dk1. Dk1 heeft een zoon, genaamd Dk2, waarmee hij tot voor kort geen contact had. Verder heeft de heer Dk1 een pleegzoon, genaamd D., zijnde voornoemde klager, waarmee hij wel veelvuldig contact heeft. In de woning van Dk1 zouden door D. geërfde goederen aanwezig zijn, afkomstig uit de nalatenschap van zijn moeder.

Op woensdag 24 mei 2000 verbleef de heer Dk1 in het Martiniziekenhuis te Groningen. Hij was daar opgenomen. Hij werd op die dag bezocht door zijn zoon Dk2. Volgens Dk2 maakte zijn vader zich zorgen over de inboedel van zijn huis en over zijn auto. Volgens Dk2 heeft zijn vader hem toen toestemming gegeven een nieuw slot op de deur van de woning te zetten en de auto veilig te stellen. Na het bezoek heeft Dk2 de eigenaar van de woning, Makelaardij Ka., opdracht gegeven het slot te vervangen, hetgeen meteen is gebeurd. Vervolgens kreeg hij de beschikking over de sleutels van het nieuwe slot, waarna hij in de woning is geweest. Kort hierna heeft hij zijn vader over de vervanging van het slot geïnformeerd.

Uit hetgeen Dk2 in de woning aantrof concludeerde hij dat de heer D. en zijn echtgenote zijn vader hadden 'uitgekleed'. De kledingkast was volgens hem bijna leeg en er zouden geldbedragen van de rekening van zijn vader zijn doorgesluisd naar die van D. en zijn echtgenote en naar een andere rekening. Ook werd hij naar zijn zeggen geconfronteerd met zaken aangaande de nalatenschap van de moeder van D. Uit diverse bescheiden, waaronder belastingaangiftes, trok Dk2 de conclusie dat zijn vader het erfdeel van de moeder van D. reeds aan D. heeft uitbetaald onder het mom van schuld om op een dergelijke manier waarschijnlijk de successierechten te ontduiken. Dk2 verklaart verder dat hij - ter veiligstelling - goederen uit de woning van zijn vader heeft gehaald. Hij heeft hierover vooraf contact gehad met de heer M. van de Regiopolitie te Hoogezand. Hij zegt in opdracht van zijn vader te hebben gehandeld.

Op maandag 29 mei 2000 heeft de heer Dk1, op verzoek van zijn pleegzoon D. een document ondertekend, waarin hij verklaart dat zijn zoon Dk2 onrechtmatig in zijn woning is geweest en het deurslot heeft veranderd, alsmede dat zijn zoon zijn auto zou hebben gestolen. In de brief stelt Dk1 verder dat de enige bevoegde persoon om zijn goederen te beheren de heer en mevrouw D. te B. zijn.

Op dinsdag 30 mei 2000 bezocht Dk2 wederom zijn vader in het ziekenhuis. Volgens Dk2 noemde zijn vader toen de heer D. een 'grote boef'.

Op donderdag 1 juni 2000 (hemelvaartsdag), omstreeks 13.00 uur verscheen de heer D. aan het politiebureau aan de Rademarkt te Groningen. Hij wilde namens zijn stiefvader Dk1 aangifte doen tegen de zoon van Dk1, genaamd Dk2. D. werd te woord gestaan door de hoofdagent van politie R. D. toonde hem toen de door Dk1 ondertekende brief. Op dat moment was het echter niet duidelijk of er daadwerkelijk goederen uit de woning waren weggenomen. Wel was de auto niet meer aanwezig. Vervolgens is hiervan door R. een aangifte opgenomen. Aangezien bedoeld feit een klachtdelict is werd door R. een concept klachtbrief opgesteld. Afgesproken werd dat D. zou zorgen voor een handtekening van Dk1.

Op donderdag 1 juni 2000 omstreeks 14.37uur werd er gebeld naar de meldkamer van de Regiopolitie Groningen dat er onbevoegden in de woning van Dk1 aanwezig waren. Blijken kon dat daar aanwezig was de zoon van Dk2, dit op verzoek van zijn vader. Door collega R. is ter plaatse een onderzoek ingesteld. Omdat er onduidelijkheid bestond over wie thans gerechtigd was om de heer Dk1 te vertegenwoordigen, werd in overleg met betrokkenen besloten de zaak te 'bevriezen'. Er mochten geen goederen uit de woning meegenomen worden en R. zou de sleutels van de woning onder zich houden.

Met Dk2 werd afgesproken dat hij zich de volgende dag zou vervoegen op het politiebureau te Haren.

Op vrijdag 2 juni 2000 verscheen Dk2, zoals afgesproken, aan het politiebureau te Haren. Hij werd te woord gestaan door de hoofdagent van Regiopolitie te Groningen E. Het probleem kon ook toen niet worden opgelost. E. besloot vooralsnog de sleutels niet terug te geven aan Dk2.

Op maandag 5 juni 2000 ondertekende Dk1 een volmacht waarin hij verklaart dat hij met ingang van 2 juni 2000 zijn wettige zoon Dk2, met uitsluiting van ieder ander en onder intrekking van eventuele eerdere volmachten, machtigt om voor hem alle zaken te behartigen en te regelen en daartoe alle benodigde rechtshandelingen te verrichten.

Op maandag 5 juni 2000 ontving de hoofdagent R. van de heer D. een concept van een akte van notaris B. (…), waarin stond vermeld dat D. rechthebbende was met betrekking tot bepaalde goederen die in de woning van Dk1 zouden staan.

Op dinsdag 6 juni 2000 heeft hoofdagent R. de heer Dk1 in het Martiniziekenhuis gehoord. Tijdens het verhoor verklaarde Dk1 dat hij zowel door zijn zoon Dk2 als door zijn pleegzoon D. onder druk wordt gezet en dat hij tegen zijn zin de bewuste documenten heeft ondertekend. Hij verklaarde dat noch Dk2 noch D. hem mogen vertegenwoordigen. Hij noemde de ondertekende papieren niet rechtsgeldig.

Op dinsdag 6 juni 2000 heeft R. de zaak met mij doorgesproken. Ik heb beslist de sleutels nog aan niemand af te geven en de zaak voor te leggen aan een vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie te Groningen (de filteraar).

Op donderdag 8 juni heb ik over deze zaak overleg gevoerd met de parketsecretaris van het Openbaar Ministerie te Groningen, dhr. F. Hij kwam met mij tot de conclusie dat er veel onduidelijkheid bestond over het eigendomsrecht van de goederen en wie er gerechtigd was om namens Dk1 op te treden. De zaak hoefde niet verder door de politie te worden behandeld omdat het een civielrechtelijke aangelegenheid was.

Op woensdag 14 juni 2000 heeft R., op mijn verzoek, samen met de echtgenote van D. nog een bezoek aan de woning gebracht.

Op woensdag 14 juni 2000 heeft hij vervolgens in het Martiniziekenhuis te Groningen de sleutels van de woning afgegeven aan de heer Dk1.

Op donderdag 15 juni 2000 verscheen de heer D. aan het bureau van politie te Haren. Hij wenste aangifte te doen. Ik heb hem vervolgens te woord gestaan en hem medegedeeld dat in overleg met justitie was besloten de zaak niet in behandeling te nemen aangezien het een civielrechtelijke aangelegenheid betrof. D. was het daar niet mee eens. Hij stond er op toch aangifte te willen doen. Om hem toch enigszins tegemoet te komen heb ik de hoofdagent van politie Bu. verzocht toch nog een aangifte op te nemen.

Op donderdag 15 juni 2000 verzocht een medewerker van het Martiniziekenhuis om de komst van de politie in verband met problemen. Blijken kon dat de heer D. daar aanwezig was met de bedoeling daar met een 'vriendin' te spreken die op bezoek was bij zijn pleegvader. Deze vrouw wilde echter geen contact met de heer D. De collega's Kr. en V. hebben ter plaatse bemiddeld en er voor gezorgd dat D. per taxi terugging naar Haren.

Op vrijdag 16 juni 2000 verscheen klager wederom aan het politiebureau te Haren. Hij wilde dat de politie aan een timmerman opdracht gaf andere sloten in de deur van de woning van Dk1 te plaatsen. Tevens wilde hij klacht doen tegen de politie. D. werd wederom te woord gestaan door Bu. Bu. heeft gezegd de opdracht om sloten te vervangen niet te kunnen geven omdat de politie daartoe niet bevoegd is. Hij wilde toen zelf een timmerman bellen en vroeg met welke timmerman de politie dit soort zaken regelt. Bu. heeft deze timmerman gebeld, waarna D. zelf nog via de telefoon een gesprek met deze man heeft gevoerd.

Aan D. is verder uitgelegd dat een klacht schriftelijk diende te worden ingediend bij de burgemeester. D. gaf aan hulp te willen bij het op schrift stellen van de klacht. Op dat moment was er niemand beschikbaar om de klacht op schrift te stellen. Bu. was daartoe zelf niet in de gelegenheid en er was tevens geen leidinggevende meer aanwezig om hiervoor zorg te dragen. (Nb: In de Basiseenheid Zuid geldt de afspraak dat een leidinggevende wordt ingeschakeld indien iemand een klacht wil doen tegen de politie of een politiemedewerker). Dit is aan D. medegedeeld. D. stond erop dat hij meteen klacht wilde doen. Bu. heeft toen gezorgd dat een leidinggevende van een ander politiebureau aan het politiebureau te Haren kwam. Deze leidinggevende, de inspecteur van politie te Groningen Kr., heeft de klacht vervolgens op schrift werd gesteld.

Ik zal nu verder ingaan op de hierboven genummerde delen van de klacht van D.

1. De politie heeft op 1 juni 2000 geweigerd om een proces-verbaal van aangifte op te nemen.

Zoals uit één van de bijlagen blijkt is er geen sprake van een weigering om proces-verbaal van aangifte op te nemen. D. is te woord gestaan door de hoofdagent R. Door R. is proces-verbaal van aangifte opgemaakt. Aangezien toen niet bekend was of er ook goederen uit de woning waren ontvreemd is in onderling overleg besloten de aangifte toe te spitsen op de vermissing van de personenauto van Dk1. Omdat door aangever als mogelijke verdachte de zoon van Dk1 werd genoemd, moet de aangifte worden vergezeld van een klacht van Dk1. Deze klacht was toen niet aanwezig. Met D. werd afgesproken dat hij de klacht, die door collega R. op schrift was gesteld, zou laten ondertekenen door Dk1. Het is mij niet duidelijk geworden waarop D. baseert dat de politie geen aangifte wilde opnemen.

2. Op 15 juni 2000 wilde de politie pas na lang aandringen aangifte opnemen.

Het is inderdaad juist dat pas na enig aandringen van D. door de hoofdagent van Regiopolitie te Groningen Bu. aangifte werd opgenomen. Zoals uit de hiervoor genoemde opsomming blijkt heb ik getracht D. er van te overtuigen dat aangifte doen geen zin had aangezien door het Openbaar Ministerie te Groningen was besloten de aangifte niet in behandeling te nemen. Het gesprek dat ik met D. voerde heeft hooguit 2 minuten geduurd. Het aandringen van D. kan dus nooit lang hebben geduurd, zoals hij aangeeft.

3. De heer D. voelt zich door de politie niet serieus genomen.

Zoals uit vorenstaande opsomming van gebeurtenissen blijkt heeft de politie veel tijd en energie gestoken in een zaak waarvan op een gegeven moment bleek dat deze op civielrechtelijke wijze diende te worden afgewerkt. Ik heb zeker niet de indruk dat de belangen van D. niet serieus zijn genomen. De politie heeft een bemiddelende rol gespeeld en heeft daarin meer dan voldoende energie gestoken. Helaas hebben we het D. niet volledig naar de zin kunnen maken.

4. De politie heeft geweigerd mee te werken aan de verzegeling van de woning.

De politie heeft de woning inderdaad niet verzegeld. Daar was ook geen enkele aanleiding voor. Bovendien ontbrak daarvoor een wettelijke basis. Het was de politie bovendien volstrekt onduidelijk wie bevoegd was namens de heer Dk1 op te treden.

5. D. is het niet eens met de beslissing dat de zaak niet door de politie zal worden behandeld aangezien het een civiele aangelegenheid betrof.

De beslissing de zaak niet in behandeling te nemen is genomen door een vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie. De politie kan daarom op dit deel van de klacht niet worden aangesproken.

6. De politie weigerde in eerste instantie mee te werken aan het indienen van een klacht.

Door de hoofdagent Bu. is op 16 juni 2000 aan D., toen dat hij aan het politiebureau te Haren verscheen, uitgelegd waarom hij op dat moment geen kans zag de klacht op schrift te stellen. Hij heeft nog aangeboden hiervoor een afspraak te maken op een ander tijdstip. Toen D. aangaf hier geen gebruik van te willen maken maar dat hij meteen iemand wilde spreken om de aangifte op schrift te stellen, heeft Bu. ervoor gezorgd dat er een inspecteur van politie van een ander politiebureau aan het bureau van de basiseenheid Zuid verscheen. Deze heeft de aangifte vervolgens op schrift gesteld. Er was in deze dus zeker geen sprake van onwil van de betrokken politiemedewerker. Er werd door hem in alle redelijkheid naar een alternatief gezocht. Toen bleek dat D. hier niet mee akkoord ging heeft hij ervoor gezorgd dat er iemand anders aan het politiebureau kwam om de klacht op schrift te stellen.

7. Klager is op een onjuiste wijze te woord gestaan door de politiefunctionarissen.

In eerste instantie beklaagt D. zich over de wijze waarop ik hem op 15 juni 2000 te woord heb gestaan. Het is inderdaad zo dat het gesprek plaatsvond in de hal van het politiebureau. Deze hal was echter leeg zodat er geen anderen getuige geweest zijn van de discussie. Bovendien was het niet mijn bedoeling met D. in discussie te gaan. Ik wilde volstaan met de mededeling dat de zaak in opdracht van het Openbaar Ministerie niet wordt onderzocht en dat het dus geen zin had om aangifte te doen. Buiten het feit dat wij het niet met elkaar eens waren, is er geen onvertogen woord gezegd. Het gesprek was niet plezierig, doch er was naar mijn inzicht geen sprake van dat ik hem op genante wijze te woord heb gestaan. Het gesprek op 16 juni 2000 dat hij met Bu. had vond ook plaats op het moment dat D. in de hal van het politiebureau stond. Bu. bevond zich toen achter de balie, zijnde de plaats waar publiek dat zich aan het bureau vervoegt normaliter te woord wordt gestaan. Er was toen ook niemand anders in de hal aanwezig. Ook toen ontstond er volgens Bu. een discussie die vergelijkbaar is met die welke ik met D. had gevoerd. Bu. heeft geprobeerd D. er van te overtuigen dat het beter uitkwam dat hij op een andere dag terug zou komen, echter toen D. dit niet wilde heeft hij aan de wens van D. voldaan. Volgens Bu. was er zeker geen sprake van een genante, beledigende, hooghartige en laatdunkende wijze van optreden van zijn kant.

8. De politie heeft hem belet zijn vader te bezoeken in het ziekenhuis.

Zoals uit de rapportage uit het dagrapport van de Regiopolitie Groningen blijkt, hebben de politiemensen. Kr. en V., op verzoek van het Martiniziekenhuis, bemiddeld bij een conflict waarbij klager D. was betrokken. D. wilde een persoon spreken die bij zijn pleegvader op bezoek was. Deze vrouw wilde echter niet met hem spreken. Kennelijk heeft D. zich hierop zodanig gedragen dat een medewerker van het ziekenhuis om de komst van de politie heeft verzocht. Beide collega's hebben in deze zaak bemiddeld. Terecht hebben zij niet aan de wens van D. voldaan. De bewuste persoon wilde immers geen gesprek met D. Wel hebben ze ervoor gezorgd dat D. het ziekenhuis verliet.

Conclusie.

Uit het onderzoek is mij niet kunnen blijken van onrechtmatig of onzorgvuldig handelen van politiefunctionarissen, immers:

- De politiemedewerker heeft op 1 juni 2000 niet geweigerd de aangifte op te nemen (1);

- De politiemedewerker gaf op 15 juni 2000 terecht aan dat het niet zinvol was een aangifte op te nemen (2);

- De heer D. is wel degelijk serieus genomen (3);

- De politiemedewerker heeft terecht geweigerd de woning te verzegelen (4);

- De beslissing de zaak niet in behandeling te nemen is niet door de politie genomen (5);

- De politie heeft medewerking verleend de klacht op schrift te stellen, waarbij de aanvankelijke 'weigering' slechts bestond uit het aan D. mededelen van de probleemsituatie op dat moment, met het doel tot een voor beiden aanvaardbare oplossing te komen, hetgeen naar mijn mening niet als onbehoorlijk kan worden aangeduid (6);

- Uit niets blijkt dat klager onbehoorlijk te woord is gestaan door Bu. (7), waarbij ik het aan de klachtencommissie overlaat een oordeel te vormen over de wijze waarop ondergetekende de heer D. heeft te woord gestaan;

- Het politieoptreden in het ziekenhuis was volkomen rechtmatig.

Naar mijn mening is de klacht van de heer D. op alle punten ongegrond.

Slotopmerking:

Bij mij bestaat de indruk dat Dk1., die 87 jaar oud is, geestelijk niet meer voldoende in staat is voor zichzelf te zorgen. Dk2 en D. betwisten nu het recht om als vertegenwoordiger van Dk1 op te mogen treden. Beiden trachten nu via de politie hun recht te halen."

2.7. Op 8 november 2000 schreef verzoeker onder meer het volgende aan de burgemeester van Groningen:

"Mijn civiele zaak is niet de kern van mijn klacht tegen de politie. In mijn civiele zaak heb ik door woordbreuk van de politie schade opgelopen. De politie begrijpt niet of wil niet begrijpen dat hun woordbreuk strafrechtelijk is en niet civiel.

De politie wist dat ik door de bewoner (...)(bedoeld wordt hier Dk1; N.o.) schriftelijk gemachtigd was om gedurende zijn opname in het Martiniziekenhuis te Groningen op zijn goederen te passen. De volmacht d.d. 29 mei 2000 is in het bezit van de politie. De politie wist dat de bewoner (...) op 29 mei 2000 een verzoek tot onderbewindstelling had gedaan en dat ik gevraagd was als bewindvoerder. De politie wist dat er bovendien ook nog sprake was van een onverdeelde boedel en dat ik volgens de verklaring van erfrecht gemachtigd was deze boedel te scheiden en te delen. De verklaring van erfrecht is in het bezit van de politie.

Bovendien wist de politie dat er in de woning ook goederen (roerende lichamelijke zaken) van mijn zuster en van mij stonden. Mevrouw W. heeft van mij op 1 juni 2000 een afschrift van de akte gekregen. Deze akte van de notaris heeft dezelfde rechtskracht als een vonnis. Met een grosse mocht ik dus de woning laten verzegelen. Ik heb deze akte aan mevrouw W. meegegeven omdat mevrouw W. en haar collega de heer R. weigerden om op 1 juni 2000 een proces-verbaal van aangifte van diefstal op te maken wegens ontvreemding van de goederen van mijn zuster en van mij uit de woning (...). Ik heb hier op 1 juni 2000 om verzocht nadat mevrouw W. en de heer R. op 1 juni 2000 twee personen hebben aangehouden in de woning (...). Deze twee personen waren in opdracht van de heer Dk2 bezig om de woning leeg te halen. Mij is op 1 juni 2000 mondeling toegezegd dat de woning zou worden afgesloten zodat er niets uit de woning kon verdwijnen en dat ik het resultaat van het politieonderzoek rustig kon afwachten. Op 2 juni 2000 is dit nog eens telefonisch door de heer E. bevestigd.

Op 15 juni 2000 ben ik bij de politie gaan informeren hoe het met het onderzoek stond. Ik werd echter op een genante manier op het politiebureau door de heer K. behandeld. Na eindeloos aandringen (ik heb gewoon geweigerd om het bureau in mijn rolstoel te verlaten) mocht ik op 15 juni 2000 aangifte van diefstal doen van de ontvreemding van de goederen van mijn zuster en van mij. Bij toeval kwam ik er toen ook achter dat de politie het onderzoek op 15 juni 2000 reeds had gestaakt. Ik besloot daarop zelf actie te ondernemen door de woning te laten verzegelen door het speciaal bedrijf S. De politie heeft het speciaal bedrijf echter dadelijk verboden om de woning te verzegelen omdat de politie in het bezit was van de sleutels en aan mij de garantie had gegeven dat er niets uit de woning zou verdwijnen. De sleutels en de reservesleutels (welke de heer Dk2 had bemachtigd van een inwonende vriendin) lagen dus op het politiebureau, zodat ik nergens bang voor hoefde te zijn. Omdat ik het niet vertrouwde heb ik een gerechtsdeurwaarder ingeschakeld en het verhuisbedrijf Mg. Groot was mijn schrik toen mijn sleutel niet meer paste, omdat het slot door de heer Dk2 ondertussen was veranderd. Na lang aandringen mocht mijn echtgenote in de week van 15 juni 2000 onder politiebegeleiding (de juiste sleutels lagen nog steeds op het politiebureau) in de woning en mijn echtgenote heeft samen met de heer R. de inventaris opgenomen. De foto's van de toen nog aanwezige goederen liggen op het politiebureau. De afspraak met de politie bleef dat ik mij niet ongerust hoefde te maken omdat de woning afgesloten bleef en de politie met de heer Dk2 de afspraak had gemaakt dat ik rustig kon wachten tot de advocaat van de heer Dk2 contact met mij opnam om alle 'misverstanden' te regelen. Na enige weken was de woning toch leeg en waren dus ook mijn goederen verdwenen.

De politie wist dat ik een vonnis (akte) had. Door woordbreuk heeft de politie mijn gerechtsdeurwaarder belemmerd om het vonnis uit te voeren. Ik moet nu een civiele procedure voeren omdat de politie mij en mijn gerechtsdeurwaarder voor de gek heeft gehouden. De afspraken met de politie kan ik controleerbaar aantonen omdat ik bandopnamen heb gemaakt van alle gesprekken met de politie. De politie moet nu niet proberen om de feiten te verdraaien. Het begint er voor mij op te lijken dat wie met misdaad omgaat er zelf door besmet raakt.

Ik verzoek u er bij de politie op aan te dringen dat zij voor 23 november 2000 haar standpunten schriftelijk aan mij kenbaar maakt. Ik voel er niets meer voor om een wazige discussie met wie dan ook te voeren, waar dan na een paar maanden steggelen een even wazig compromis uit rolt. Ik wil voor 23 november 2000 duidelijkheid. Samenvattend ben ik van mening dat door de politie woordbreuk is gepleegd waardoor ik aanzienlijke schade oploop. Ik heb volgens deskundige adviezen het volste recht om desnoods in een strafzaak tegen de politie schade te verhalen op de politie. Daarbij heb ik het geluk dat ik hulp heb van het Bureau Slachtofferhulp en de pers."

D. Reactie verzoeker

Verzoeker reageerde op 27 juli 2002 schriftelijk op het standpunt van de korpsbeheerder en op de hem telefonisch door een medewerkster van het Bureau Nationale ombudsman gestelde vraag of het in het eerste klachtonderdeel genoemde voorval had plaatsgevonden op 15 of op 16 juni 2000. Verzoeker schreef in zijn brief onder meer het volgende:

"Bevindingen

Brief van 10 januari 2002 van de korpsbeheerder (…)

'De omschreven kern van de zaak is onjuist'

In de kern van de zaak heb ik mij beklaagd over het gebrek aan communicatie door de politie, naar mij toe, waardoor de politie in mijn situatie een lelijke uitglijder heeft gemaakt. Naar mijn mening had de politie mij op 14 juni 2000 duidelijk moeten maken dat zij zich niet aan de afspraken van 1 juni 2000 zou houden.

Ik ging er steeds vanuit dat de politie naar mij toe integer, transparant en vertrouwenwekkend was. De heer K. deelde mij bij mijn bezoek op 15 juni 2000 pas mee dat op grond van 'hun' beoordeling, ik niets meer bij de politie te zoeken had. Toen ik de heer K. eraan herinnerde dat wat je belooft je dit wel op tijd moet kunnen waarmaken en dat het niet nakomen van de gemaakte afspraken voor mij dramatische gevolgen had werd de heer K. nijdig. Mijn opmerkingen werden afgedaan als onzinnig geleuter over een reeds afgesloten dossier. Toen ik de heer K. daarop aansprak dat ik er steeds vanuit was gegaan dat de politie voor mij integer, transparant en vertrouwenwekkend was en dat ik daarom dergelijke uitglijders niet zou accepteren werd ik onheus behandeld.

'Wazige discussie'

Dat op grond van deze passage ik niet meer ben gehoord getuigt naar mijn idee dat de korpsbeheerder in de praktijk niet is opgewassen voor dit soort taken. De korpsbeheerder had moeten beseffen dat deze zaak hierdoor van incident naar incident hobbelde.

'Onheuse behandeling'

Het accent van mijn klacht mag dan wel naar de Nationale ombudsman op de onheuse behandeling gericht zijn, ik handhaaf mijn stelling dat de politie in mijn situatie veel heeft beloofd maar de belofte weer even snel is vergeten. Dat de politie hier niets meer van wil weten getuigt naar mijn idee dat de politie een bureaucratische organisatie is vol angsthazen, die bang zijn dat bij het eerste incidentje hun kop eraf gaat.

Tussenconclusie:

Het verrichte onderzoek door de politie is onzorgvuldig geweest. Om hun gezicht te redden heeft de heer K. mij op een onheuse manier te verstaan gegeven dat ik niets meer te zoeken had bij de politie. Mijn beweringen kan ik controleerbaar aantonen door middel van een bandopname.

Brief van 02 juni 2000 van de heer Dk2

ENKELE CITATEN UIT DEZE BRIEF

(…)

'Er veel geld is doorgesluisd t.n.v. D.'

De politie confronteerde mij met feiten dat de heer Dk2 een heel ander verhaal heeft. De politie is zonder meer in de valkuil van de heer Dk2 gelopen, waardoor ik door de politie onheus werd behandeld. De politie heeft geen enkele poging gedaan de feiten te onderzoeken op waarheid. Ik kan controleerbaar aantonen dat de familie Dk alle geuite beschuldigingen in de mondelinge behandeling in kort geding (…) heeft moeten intrekken.

(…)

Tussenconclusie:

De politie heeft zich door de heer Dk2 een rad voor ogen laten draaien. Ik kwam daardoor bij de politie in een kwaad daglicht te staan. Dit heeft de politie, in de persoon van de heer K., duidelijk naar mij doen blijken.

Brief van 12 september 2000. basiseenheid zuid

(…)

'Op donderdag 15 juni 2000 verscheen de heer D. aan het bureau van de politie te Haren. Ik heb hem vervolgens te woord gestaan en hem medegedeeld dat in overleg met justitie was besloten de zaak niet verder in behandeling te nemen'

'Medegedeeld'

Naar mijn mening had de politie met mij moeten overleggen dat het OM van mening was dat het een civielrechtelijke aangelegenheid betrof en dat de politie daarom de afspraken niet meer zou nakomen. Ik vind het schandalig dat ik bij toeval van de heer K. moet vernemen dat de politie de afspraken niet was nagekomen.

(…)

CONCLUSIES

(…)

Geloofwaardigheid verklaringen Dk2

Dat de politie is afgegaan op de verklaringen van zoon Dk2 en geen rekening heeft willen houden met mijn verklaringen, onderbouwd met o.a. een notariële akte, getuigt naar mijn mening van de onwil van de politie, om in mijn situatie, een serieus onderzoek in te stellen. Dat ik dit onvermogen ter sprake bracht zat de heer K. blijkbaar dwars.

(…)

Geloofwaardigheid van mijn verklaringen

Ik ben van mening dat de politie niet kan volstaan met mij aan te horen. De politie had ook naar mij moeten luisteren. Aan de hand van mijn verklaringen en bewijsstukken had de politie met mij een gesprek kunnen aangaan. Ik ben, op mijn eigen verzoek, uitsluitend in de beginfase slechts één keer door de politie ondervraagd. Ik ben echter nooit in de gelegenheid gesteld door de politie om gehoord te worden. Zonder mij daarvan in kennis te stellen en zonder mij te horen is door de politie een beslissing genomen. Het geeft in dit kader geen pas dat de heer K. mij op 15 juni 2000 maar even zou afpoederen in de hal van het politiebureau.

EINDCONCLUSIE

Onheus behandeld door de heer K.

Het is naar mijn mening niet juist geweest dat de heer K., nadat ik bij toeval op 15 juni 2000 bij de politie langs kwam, mij te 'verstaan' gaf dat niet was gebleken van onrechtmatig of onzorgvuldig handelen door de politie. Dat de heer K. dan niet kan verdragen dat ik daar anders over denk geeft de heer K. nog niet het recht om mij dan zo 'laagdunkend' te behandelen.

Toen ik de heer K. daarop aansprak dat ik niet akkoord ging met de gang van zaken werd ik min of meer belachelijk gemaakt door de heer K. De heer K. begreep niet wat ik helemaal vanaf het revalidatiecentrum (…) (in mijn rolstoel) nog bij de politie te zoeken had. De heer K. vond mijn probleem maar geleuter. De zaak was voor de heer K. afgedaan, ik kon gaan.

Ik heb geen getuigen van mijn beweringen. Ik denk dat ik voldoende aannemelijk heb gemaakt dat er wel sprake is geweest van 'onheus' optreden door de heer K."

e. verklaring politieambtenaar K.

Politieambtenaar K. verklaarde op 27 augustus 2002 telefonisch tegenover een medewerkster van het Bureau Nationale ombudsman, voor zover van belang voor het onderzoek, het volgende:

"Op 15 juni 2000 heb ik de heer D. te woord gestaan in de openbare wachtruimte van het politiebureau te Haren. Destijds was ik als groepschef werkzaam op dat bureau. Omdat het ruim twee jaar geleden is, kan ik mij niet meer precies herinneren wat er is besproken. Wel weet ik dat de heer D. die dag aangifte wilde doen van diefstal.

In de weken voor 15 juni 2000 had de politie meermalen bemoeienis gehad met de heer D. en enkele van zijn familieleden. Er was, meen ik, binnen de familie onenigheid over de eigendom van bepaalde goederen. Ook was er onduidelijkheid over wie de stiefvader van de heer D. mocht vertegenwoordigen. Op 8 juni 2000 is over de zaak overleg geweest tussen justitie en politie. Justitie was van mening dat het een civielrechtelijke aangelegenheid was. Voor de politie was daarom in beginsel geen taak meer weggelegd. Ik kan mij niet herinneren of de heer D. op 15 juni 2000 al wist dat justitie had besloten dat het een civielrechtelijke zaak was, en dat er in strafrechtelijke zin geen actie zou worden ondernomen op een eerdere aangifte van hem. Toen de heer D. op 15 juni 2000 weer aangifte wilde doen, heb ik hem in ieder geval meegedeeld wat het standpunt van justitie was. Ook heb ik aanvankelijk gezegd dat het geen zin had weer een aangifte op te nemen. Aangezien de heer D. bleef aandringen, heb ik een collega, de heer Bu., een aangifte laten opnemen. Langer met de heer D. blijven discussiëren zou meer tijd en energie hebben gekost dan het opnemen van de aangifte, vandaar.

De heer D. had een heel andere kijk op de zaken dan ik. Zoals gezegd vond justitie, en ik ook, dat het hier om een civielrechtelijke aangelegenheid in familiekring ging waarbij voor de politie geen taak meer was weggelegd. De heer D. was hier verbolgen over. Hij reageerde boos op hetgeen ik hem meedeelde. We hadden duidelijk een verschil van mening. Je zou kunnen zeggen dat de sfeer bedorven was, maar de zaak is zeker niet geëscaleerd. Ik heb de heer D. zo netjes mogelijk te woord gestaan. Ik vond dat hij onredelijk reageerde. Hij begon hard te praten, zelfs een beetje te schreeuwen.

Als de heer D. zegt dat ik hem op barse toon te woord heb gestaan, ben ik het niet met hem eens. Ik heb gewoon geprobeerd mijn standpunt duidelijk te maken. Op een gegeven moment ben ik misschien wat korter geworden in mijn antwoorden. Volgens mij heb ik niet op barse toon iets in de trant van 'Wat doet u hier?' gezegd. Ik schiet niet snel uit mijn slof, dat ligt niet in mijn aard.

Het gesprek heeft volgens mij hooguit enkele minuten geduurd. Er waren geen getuigen aanwezig. Als er meer mensen in de wachtruimte aanwezig waren geweest, zou ik het gesprek niet daar maar in een aparte ruimte hebben gevoerd.

Als u mij vraagt of mijn dienst er bijna opzat toen de heer D. op het politiebureau kwam, zeg ik u dat ik mij dit niet kan herinneren. Áls mijn dienst er al bijna opzat, zal dit geen invloed hebben gehad op de wijze waarop ik de heer D. te woord heb gestaan. Ik werk zo vaak langer door dan ik volgens het dienstrooster zou hoeven."

F. Nadere reactie verzoeker

1. Bij brief van 26 oktober 2002 reageerde verzoeker onder meer als volgt op de verklaring van politieambtenaar K.:

"De door de heer K. bedoelde 'andere kijk op de zaken' betreft de verbintenisscheppende overeenkomst met de politie. Er was naar mijn mening terdege een taak voor de politie weggelegd om mij op een fatsoenlijke manier te woord te staan en uit te leggen hoe de afspraak door de politie alsnog nog kon worden nagekomen. Mijn zaken waren op dat moment nog steeds in woning van Dk1 aanwezig. De politie had mij immers verzekerd dat er niets met mijn zaken kon gebeuren. Geen wonder dat de sfeer was bedorven. De heer K. verklaart dat hij op een gegeven moment 'misschien wat korter in zijn antwoorden is geworden'. Het kwam er gewoon op neer dat ik niets meer bij de politie had te zoeken. Ik werd op een onvriendelijke hooghartige toon dringend te verstaan gegeven dat ik beter het politiebureau kon verlaten. De politie had geen boodschap meer aan de afspraak.

De politie streeft naar een toename van het aantal plichtsgetrouwe burgers. Door zelf echter niet toe te geven wat zij mij heeft misdaan, doet de politie alsof zij belangrijker is dan ik. Naar mijn mening heeft de politie een hoop uit te leggen."

2. In een bijlage bij zijn brief schreef verzoeker verder nog onder meer het volgende:

Waar het allemaal om draaide

is de Verbintenisscheppende overeenkomst, artikel 6.5.1.1. NBW, welke ik met de politie had en de daarna naar mijn mening 'onbehoorlijke' behandeling door de politie in de persoon van de heer K.

Als gevolg van de rechtshandeling is de politie met mij een verbintenis aangegaan welke niet éénzijdig door de politie teniet kan gaan. De afspraak was dat de politie de sleutels op het politiebureau zou bewaren totdat er een bewindvoerder voor Dk1 was benoemd. Wederzijdse advocaten moesten zich volgens de politie eerst maar eens buigen over deze zaak. Ik hoefde mij helemaal niet ongerust te maken over mijn zaken, de sleutels bleven op het politiebureau, afspraak was afspraak. De politie straalde voor mij vertrouwen en integriteit uit. Echter al bij de eerste hobbel kon de politie haar afspraak al niet meer nakomen. De heer K. kon blijkbaar niet verdragen dat ik de politie daarop aansprak. Ik ben er van overtuigd dat de politie onderling heeft afgesproken dat zij zich, indien zij in mijn zaak ter verantwoording worden geroepen, zich collectief dement houden (wij weten het niet meer). Bij een ieder die mijn gehele rapport bestudeert moet toch wel ernstig twijfel zijn ontstaan over de waarden en (gedrags)normen van de politie.

Tussenconclusie

Ik vind het onjuist dat de heer K. mij in de openbare ruimte van het politie bureau te verstaan heeft gegeven dat de zaak gesloten is. Op deze manier ga je niet met klanten om. Ik vind deze gang van zaken onbehoorlijk.

De juiste vertaalslag

De politie in de persoon van de heer K. kan het zich blijkbaar niet herinneren. Het lijkt wel een stoomcursus in ontkennen en vrijwillige dementie. Ik vind het echter een plicht van de politie dat zij zich herinnert wat zich heeft afgespeeld in de hal van de basiseenheid zuid. Ik vind dat het de morele plicht van de politie is het vermogen te hebben om de waarheid onder ogen te zien, ook als dat nadeel oplevert. Ik vind dat de politie ergens voor staat. Dat de politie deze woorden, ergens voor staan, niet meer herkent, getuigt naar mijn mening dat de politie in mijn zaak niet meer serieus kan worden genomen.

De juiste vertaalslag is dat de heer K. het niet accepteerde dat ik de politie erop aansprak dat een ieder afspraken dient na te komen. Ik was van mening dat de politie een hoop had uit te leggen. De heer K. voelde er niets voor deze zaak nieuw leven in te blazen. De heer K. werd meer dan onvriendelijk toen ik hem meedeelde dat ik een klacht wilde indienen wegens een wanprestatie door de politie. Ik werd daarop in de openbare ruimte van de basiseenheid zuid ronduit voor schut gezet. Ik voelde mij een debiel die verhaal kwam halen. Voor de juiste toedracht verwijs ik u naar hetgeen dat ik u reeds heb geschreven.

Tussenconclusie

Ik vind het treurig te moeten vernemen dat de politie zich van deze zaak probeert te distingeren (distantiëren; N.o.) door nu te stellen 'ik kan het mij niet herinneren'.

Eindconclusie:

Uit de tot dusver verschenen rapporten van de politie concludeer ik dat het enige dat de politie interesseert is dat zij zelf niet in de problemen komt. Ten aanzien van mij is een wanprestatie geleverd."

Achtergrond

Artikel 6 van de Klachtenregeling Politieregio Groningen:

"1.Over de klacht worden in elk geval gehoord:

a. de klager;

b. de ambtenaar;

c. eventuele getuigen.

De klager en de ambtenaar worden in de gelegenheid gesteld schriftelijk dan wel mondeling, al dan niet in elkaars tegenwoordigheid, hun standpunt toe te lichten en op elkaars verklaringen en die van eventuele getuigen te reageren.

Van de gesprekken worden verslagen gemaakt. De klager en de ambtenaar ontvangen een exemplaar van deze verslagen."

Instantie: Regiopolitie Groningen

Klacht:

Onwil om verzoekers klacht in ontvangst te nemen.

Oordeel:

Niet gegrond

Instantie: Regiopolitie Groningen

Klacht:

Verzoeker hierbij bars te woord gestaan.

Oordeel:

Geen oordeel

Instantie: Regiopolitie Groningen

Klacht:

Klacht hierover bij brief afgedaan zonder beginsel van hoor en wederhoor toe te passen.

Oordeel:

Gegrond