2002/355

Rapport

Verzoekster klaagt er over dat het college van burgemeester en wethouders van Boarnsterhim tot het moment waarop zij zich tot de Nationale ombudsman heeft gewend (30 juni 2002) nog geen conceptbesluit heeft voorgelegd aan de gemeenteraad inzake de in december 2000 en januari 2001 ingediende verzoeken om planschade ex artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

Beoordeling

I. Inleiding

1. Leden van verzoekster hebben in de periode december 2000 en januari 2001 verzoeken om planschade ex artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO; zie Achtergrond) ingediend bij de gemeente Boarnsterhim.

2. De gemeente Boarnsterhim hanteert bij verzoeken om planschade de Procedureverordening Planschadevergoeding Boarnsterhim (zie Bevindingen, onder 3.2. en 4.). Volgens deze procedureverordening wordt binnen zes weken na ontvangst van een verzoek om planschade de ontvankelijkheid getoetst en worden de raadsstukken voorbereid. Vervolgens wordt er door de gemeenteraad binnen zestien tot twintig weken een besluit genomen of het schadeverzoek al dan niet aan de adviescommissie wordt voorgelegd. De advisering door de adviescommissie vindt vervolgens binnen 26 weken plaats en zodra het advies is ontvangen wordt er binnen tien weken een besluit genomen op de aanvraag om schadevergoeding. Wel wordt aangegeven dat de genoemde termijnen indicatief zijn. Globaal gesproken zou de procedure ruim een jaar in beslag nemen.

II. Ten aanzien van de klacht

1. Verzoekster klaagt er over dat het college van burgemeester en wethouders van Boarnsterhim tot het moment waarop zij zich tot de Nationale ombudsman heeft gewend (30 juni 2002) nog geen conceptbesluit heeft voorgelegd aan de gemeenteraad inzake de in december 2000 en januari 2001 ingediende verzoeken om planschade ex artikel 49 WRO.

2. Het college van burgemeester en wethouders heeft aan de voorzitter van verzoekster op 26 juni 2001 meegedeeld dat het verzoek om planschade door omstandigheden niet de hoogste prioriteit heeft gekregen, maar dat de gemeente het verzoek inmiddels weer had opgepakt. Dit betekende echter dat de advisering en besluitvorming inzake het planschadeverzoek meer tijd zou vergen dan bij ontvangst van het verzoek was voorzien.

3. Vervolgens liet het college van burgemeester en wethouders op 15 oktober 2001 de voorzitter van verzoekster weten dat het planschadeverzoek aanleiding is geweest om leden van de schadebeoordelingscommissie te verzoeken een offerte uit te brengen, inzake de advisering van het verzoek. Daarna zou het advies worden voorgelegd aan de gemeenteraad, waarbij er vanuit werd gegaan dat de gemeenteraad uiterlijk in vergadering van 15 januari 2002 zou besluiten om de schadebeoordelingscommissie wel of geen opdracht te verlenen voor advisering.

Bij brief van 11 januari 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders de voorzitter van verzoekster laten weten dat het verzoek niet op 15 januari 2002 aan de gemeenteraad zou worden voorgelegd, en dat het streven nu was om het verzoek in de raadsvergadering van 16 april 2002 voor te leggen.

Vervolgens heeft het college van burgemeester en wethouders de voorzitter van verzoekster op 27 februari 2002 meegedeeld dat de gemeente, gezien het grote aantal aanvragen, eerst een vooronderzoek zou gaan instellen. Dit betekende dat het verzoek niet in de raadsvergadering van 16 april 2002 zou worden behandeld.

4. Het college van burgemeester en wethouders heeft de Nationale ombudsman in reactie op de klacht laten weten dat zij in december 2000 en januari 2001 totaal 37 verzoeken om planschade ex artikel 49 WRO heeft ontvangen.

Normaliter wordt een verzoek om planschade ongeveer binnen een jaar tot anderhalf jaar afgehandeld. Bij een groter aantal planschadeverzoeken kan deze termijn langer zijn.

Daarbij komt dat in de periode januari 2001 tot september 2001 binnen de gemeente een reorganisatie heeft plaatsgevonden waardoor de verzoeken niet tijdig zijn opgepakt. Verder is het voorstel aangehouden in verband met de omvangrijke kosten die met de behandeling van de planschadeverzoeken gepaard gaan. Gelet op deze omvangrijke kosten heeft het college besloten een onderzoek te doen naar de mogelijkheden om een ander onderzoeksbureau in te schakelen dan het onderzoeksbureau dat normaliter bij de afhandeling van planschadeverzoeken is betrokken.

5. Gebleken is dat het college van burgemeester en wethouders in eerste instantie de verzoeken om planschade heeft laten liggen. Uit het door de gemeente aan de Nationale ombudsman verstrekte chronologische overzicht blijkt dat de gemeente pas in september 2001 (verdere) actie heeft ondernomen naar aanleiding van de binnengekomen verzoeken. Verder blijkt uit dit overzicht dat de gemeente op 12 oktober 2001 offertes heeft opgevraagd aan de schadebeoordelingscommissie en dat deze offertes op 23 en 24 oktober 2001 zijn ontvangen. Vervolgens heeft de gemeente de voorzitter van verzoekster op 27 februari 2002 laten weten dat eerst een vooronderzoek zou worden ingesteld alvorens de verzoeken in de gemeenteraad zouden worden behandeld. Uit de reactie van de gemeente aan de Nationale ombudsman van 28 augustus 2002 blijkt verder dat het vooronderzoek in juli 2002 is afgerond en dat het college van burgemeester en wethouders in de vergadering van 13 augustus 2002 heeft besloten dat er ruimte bestaat om een ander bureau in de hand te nemen bij de behandeling van planschadeverzoeken (zie Bevindingen, onder C.2).

6. Uit het vorenstaande volgt dat de termijnen die normaliter gemoeid zijn met de afhandeling van planschadeverzoeken ruimschoots zijn overschreden. Het feit dat er hier sprake is van een groot aantal, te weten 37, verzoeken om planschade, doet aan het vorenstaande niet af. Temeer daar het college van burgemeester en wethouders in januari 2001 reeds bekend was, dat er 37 verzoeken om planschade waren ingediend. De termijn die ligt tussen de ontvangst van de verzoeken om planschade in december 2000 en januari 2001 en het in behandeling nemen van deze verzoeken in september 2001 is te lang. Dat dit mede is te wijten aan een reorganisatie binnen de gemeente kan deze lange termijn wellicht verklaren maar niet rechtvaardigen.

Ook valt niet in te zien waarom het vooronderzoek vijf maanden in beslag heeft moeten nemen en dat pas op 13 augustus 2002 werd besloten, dat de gemeente ook de ruimte heeft om een ander bureau in de hand te nemen. Dit geldt temeer nu, zoals door de gemeente wordt aangegeven, het verdere traject na deze beslissing nog 44 weken in beslag kan nemen, hetgeen inhoudt dat op z'n vroegst medio 2003 een beslissing op de planschadeverzoeken kan worden verwacht. Door zijn handelwijze heeft het college van burgemeester en wethouders onvoldoende oog gehad voor het belang van de leden van verzoekster bij een voortvarende afhandeling van de verzoeken om planschade.

De onderzochte gedraging is niet behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van het college van burgemeester en wethouders van Boarnsterhim, is gegrond.

Onderzoek

Op 2 juli 2002 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift, gedateerd 30 juni 2002, van X te Y, ingediend door de heer Ha. te Y, met een klacht over een gedraging van de gemeente Boarnsterhim.

Naar deze gedraging, die wordt aangemerkt als een gedraging van het college van burgemeester en wethouders van Boarnsterhim, werd een onderzoek ingesteld.

In het kader van het onderzoek werd het college van burgemeester en wethouders van Boarnsterhim verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. Verzoekster deelde mee zich met de inhoud van het verslag te kunnen verenigen. De reactie van het college van burgemeester en wethouders van Boarnsterhim gaf aanleiding het verslag aan te vullen.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:

A. feiten

1. De heer Ha. is voorzitter van X (hierna: verzoekster). Leden van verzoekster, waaronder de heer Ha., dienden in de periode december 2000 en januari 2001 een verzoek om planschade ex artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO, zie Achtergrond) in bij de gemeente Boarnsterhim.

2. In zijn verzoek om planschade ex artikel 49 WRO van 23 januari 2001 gaf de heer Ha. het volgende aan:

“…Hierbij dien ik een verzoek in om planschade als bedoeld in artikel 49, aanhef en onder a, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening met betrekking tot de bij mij in eigendom en gebruik zijnde woning (….) te Y.

Ik ben van mening, dat mijn woning in een slechtere situatie terecht is gekomen, als gevolg van het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan “Yn'e Lijte”, waardoor de bouw van een te smalle brug over de Nauwe Galle o/Grou mogelijk is geworden.

De bouw van deze brug was onder het vorige bestemmingsplan niet mogelijk.

De uit deze planologische verslechtering voortvloeiende planschade komt naar mijn mening voor rekening van de gemeente.

De schade is een gevolg van moeilijker bereikbaarheid, wachttijden enz.

Mijn woning ondergaat daardoor een waardevermindering.

Ik verzoek u de schade aan mij te vergoeden, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf heden…”

3.1. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Boarnsterhim liet de heer Ha. bij brief van 26 juni 2001 het volgende weten:

“…Naar aanleiding van uw planschadeverzoek willen wij u als volgt berichten. Tot onze spijt moeten wij u mededelen dat uw verzoek door omstandigheden niet de hoogste prioriteit heeft gekregen. Wij willen echter laten weten dat wij uw verzoek op dit moment weer op hebben gepakt. Dit betekent echter wel dat de advisering en besluitvorming inzake uw planschadeverzoek meer tijd vergt dan bij de ontvangst van uw brief voorzien was. Wij vragen uw begrip hiervoor.

Om een inzicht te geven in wat de planschadeprocedure inhoudt hebben wij een overzicht als bijlage toegevoegd…”

3.2. Dit overzicht uit de Procedureverordening Planschadevergoeding Boarnsterhim luidt als volgt:

“…

Actor

Actie

Indicatieve termijn

Werkzaamheden

Ambtelijk en college.

Ontvankelijkheidstoets

en voorbereiding raads-

stukken

6 weken

H. taxatie en adviesbureau S. vragen deel te nemen in de planschadecommissie. Advisering richting de raad voorbereiden.

Raad.

Besluiten of wel/niet het schadeverzoek aan de adviescommissie wordt voorgelegd.

Niet: 16 weken

Wel: 20 weken

Niet: wanneer een aanvraag binnenkomt wordt bepaald of de aanvraag verband houdt met één van de in artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna WRO) genoemde planologische maatregelen (…). Wanneer dit niet het geval is, kan de gemeenteraad binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag schadevergoeding weigeren. Deze termijn kan door de gemeenteraad eenmaal met ten hoogste 8 weken worden verlengd.

Wel: houdt de aanvraag wel verband met de in artikel 49 WRO genoemde planologische maatregelen dan geeft de gemeenteraad aan de onafhankelijke adviescommissie S. de opdracht ter zake advies uit te brengen. Dit geschiedt binnen 4 weken na het verstrijken van de (eventueel verlengde) termijn.

SAOZ.

Advisering.

26 weken.

De commissie hoort de aanvrager en/of de gemachtigde en één of meer vertegenwoordigers van de gemeente. Zij gaan na of gewijzigd beleid van de gemeente leidt tot een artikel 49 WRO schade. Leidt dit onderzoek tot een bevestigend antwoord, dan berekent de commissie de ten laste van de aanvrager blijvende schade en de billijke schadevergoeding. De commissie brengt vervolgens schriftelijk advies uit aan de gemeenteraad.

Ambtelijk,

college en

raad

Besluit op de aanvraag om schadevergoeding.

10 weken.

De gemeenteraad beslist naar aanleiding van het advies van de S. op de aanvraag om schadevergoeding en bepaalt de datum waarop de vergoeding moet zijn uitbetaald of geregeld.

De genoemde termijnen zijn indicatief. Globaal genomen neemt de procedure ruim een jaar in beslag…”

4. Bij brief van 15 oktober 2001 deelde het college van burgemeester en wethouders de heer Ha. het volgende mee:

“…Met verwijzing naar uw verzoek om planschade ex artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 23 januari 2001 delen wij u het volgende mede. Uw verzoek is voor ons aanleiding geweest om de leden van de schadebeoordelingscommissie, zijnde de S. te Rotterdam en E. te Sneek, te verzoeken om offerte uit te brengen inzake de advisering omtrent uw verzoek.

Vervolgens zullen wij de verzoeken voorleggen aan de gemeenteraad waarbij wij er thans vanuit gaan dat uiterlijk in de vergadering van 15 januari 2002 aanstaande de raad zal besluiten om de schadebeoordelingscommissie wel of geen opdracht te verlenen voor advisering. Van dit besluit zullen wij u op de hoogte stellen.

Indien de raad besluit tot opdrachtverlening dan verwachten wij dat de schadebeoordelingscommissie circa een half jaar nodig zal hebben met onderzoek en rapportage.

Vervolgens zal uiteindelijk de raad op grond van het advies van voornoemde commissie een besluit nemen omtrent uw verzoek.

Wij hechten er belang aan om u van deze procedure en de daarbij benodigde tijd op de hoogte te brengen omdat daarmee impliciet wordt weergegeven dat de termijnen zoals deze vermeld staan in de Procedureverordening Planschadevergoeding Boarnsterhim worden overschreden zoals bovenstaand is omschreven…”

5. In zijn brief van 11 januari 2002 aan de heer Ha. gaf het college van burgemeester en wethouders het volgende aan:

“…15 oktober 2001 heeft u een brief van ons ontvangen waarin wij u meedeelden uw verzoek 15 januari 2002 aan de gemeenteraad te zullen voorleggen. Tot onze spijt moeten wij u meedelen dat uw verzoek niet in januari zal worden behandeld; ons streven is het verzoek in de raadscommissie van 4 maart 2002 en in de raad van 16 april 2002 voor te leggen.

Onze excuses hiervoor.

Over de verdere gang van zaken zullen wij u te zijner tijd berichten…”

6. Het college van burgemeester en wethouders liet de heer Ha. vervolgens bij brief van 27 februari 2002 het volgende weten:

“…11 januari 2002 heeft u een brief van ons ontvangen waarin wij meedeelden uw verzoek 4 maart 2002 aan de ROVVM en in de raad van 16 april 2002 te zullen voorleggen.

Tot onze spijt moeten wij u meedelen dat uw verzoek niet in de raad van 16 april 2002 zal worden behandeld.

Gezien het grote aantal verzoeken willen we eerst een vooronderzoek instellen.

Over de verdere gang van zaken zullen wij u te zijner tijd berichten…”

7. Verzoekster merkte in haar brief aan de gemeente van 24 mei 2002 het volgende op:

“…In december 2000 en januari 2001 zijn door de leden van (verzoekster; N.o.) en andere gedupeerden een verzoek ingediend om planschade als bedoeld in artikel 49, aanhef en onder a, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

Gezien de aanwezige correspondentie had de gehele procedure reeds enige maanden geleden afgewikkeld moeten zijn.

Mogen wij binnen 14 dagen na dagtekening van u vernemen, of de genoemde procedure reeds in de afrondingsfase terecht is gekomen…”

8. Het college van burgemeester en wethouders antwoordde verzoeker schriftelijk op 3 juni 2002 het volgende:

“…Vrijdag 24 mei 2002 hebben wij uw brief ontvangen. Op de vraag of de genoemde procedure met betrekking tot planschade, reeds in de afrondingsfase terecht is gekomen, wil ik u verwijzen naar eerdere correspondentie van 27 februari 2002 waarin wij aangeven dat wij eerst een vooronderzoek willen instellen.

Over de verdere gang van zaken zullen wij u te zijner tijd berichten…”

B. Standpunt verzoekster

Voor het standpunt van verzoekster wordt verwezen naar de klachtformulering onder Klacht.

C. Standpunt college van burgemeester en wethouders

1. Naar aanleiding van verzoekers klacht verzocht de Nationale ombudsman het college van burgemeester en wethouders van Boarnsterhim bij brief van 12 augustus 2002 in reactie op de klacht tevens de volgende vragen te beantwoorden:

“…1. Binnen welke termijn worden verzoeken om planschade normaliter afgehandeld?

2. Waarom heeft u tot op heden nog geen beslissing op de verzoeken om planschade genomen?

3. Binnen welke termijn kan verzoekster uw beslissing tegemoet zien? Indien dit niet binnen afzienbare tijd is, verzoek ik u daarbij tevens aan te geven waarom dit niet mogelijk is.

4. Welke actie is er door u sinds het indienen van de verzoeken om planschade ondernomen…”

2. Het college van burgemeester en wethouders van Boarnsterhim deelde de Nationale ombudsman in reactie op de klacht en naar aanleiding van de door de Nationale ombudsman gestelde vragen bij brief van 28 augustus 2002 het volgende mee:

“…Naar aanleiding van uw brief van 12 augustus 2002 berichten wij het volgende. Sinds het indienen van de verzoeken in januari 2001 en mei 2001 tot augustus 2002 hebben binnen het beleid ten aanzien van de behandeling van planschadeverzoeken wijzigingen plaatsgevonden. Dit heeft onder meer geleid tot een vertraagde procedure ten aanzien van de behandeling van de planschadeverzoeken. Tevens is ook de omvang van het aantal planschadeverzoeken tegen de planologische wijziging van belang bij de bepaling van de duur van de procedure.

In het onderstaande gaan we verder in op de door u gestelde vragen.

1. Normaliter wordt een planschadeverzoek ongeveer binnen een jaar tot anderhalf jaar afgehandeld. Bij een groter aantal planschadeverzoeken kan deze termijn langer zijn.

2. Zoals al eerder aangegeven is de belangrijkste reden van de vertraging in de procedure voor de afhandeling van de planschadeverzoeken het tussentijds gewijzigde beleid binnen de gemeente. Het college heeft in de vergadering van 13 augustus 2002 besloten dat bij de behandeling van planschadeverzoeken niet per definitie de S. moet worden benaderd, maar ook een alternatief bureau mag worden ingeschakeld. Voordat het college een beslissing kon nemen is hiertoe een onderzoek uitgevoerd. Hiervan zijn de verzoekers op de hoogte gesteld. Deze beslissing is van belang voor de behandeling van het grote aantal planschadeverzoeken in het kader van de Burd.

3. De officiële procedure voor de behandeling van de planschadeverzoeken wordt nu opgestart. Het traject zal bij benadering 44 weken in beslag nemen, mede afhankelijk van de beslissingen die het college, raadscommissie en de gemeenteraad hierover nemen. Dit kan het traject van 44 weken verlengen.

4. In de periode van januari 2001 tot september 2001 heeft binnen de gemeente een reorganisatie plaatsgevonden waardoor de betreffende stukken niet tijdig zijn opgepakt. Verder is het voorstel aangehouden in verband met de omvangrijke kosten die met de behandeling van de planschadeverzoeken gepaard gingen. Vanuit de gemeente is besloten om een onderzoek uit te voeren naar de mogelijkheden van een ander onderzoeksbureau dan de S. De resultaten van dit onderzoek zijn in juli bekend geworden en voorgelegd van het college van Burgemeester & Wethouders. Deze hebben in de vergadering van 13 augustus 2002 besloten dat ruimte bestaat in de mogelijkheden om een ander bureau in de hand te nemen bij de behandeling van de planschadeverzoeken.

Voor een overzicht van de relevante stukken en gang van zaken verwijzen we u naar onderstaand chronologisch overzicht.

januari/mei 2001: bij de gemeente binnengekomen planschadeverzoeken in het kader van de Burd (bouw te smalle brug over de Nauwe Galle te Grou).

20 september 2001: verzoek aan taxatiebureau H. tot deelname in taxatiecommissie.

12 oktober 2001: verzoek om offerte aan S. voor het in behandeling nemen van 37 planschadeverzoeken in het kader van de brug over de 'Nauwe Galle' aan de Garde Jagerswei.

12 oktober 2001: verzoek om offerte aan E. voor het in behandeling nemen van 37 planschadeverzoeken in het kader van de brug over de 'Nauwe Galle' aan de Garde Jagerswei. Tussentijds heeft H. laten weten dat ze afzien van deelname wegens verstrengeling van belangen.

15 oktober 2001: de verzoekers zijn op de hoogte gesteld omtrent de gang van zaken en dat de verzoeken in de vergadering van 15 januari 2002 aan de gemeenteraad zullen worden voorgelegd. Indien de raad besluit tot opdrachtverlening zal de schadebeoordelingscommissie circa een half jaar nodig hebben met onderzoek en rapportage.

23 oktober 2001: brief E. inzake geoffreerde bedrag voor het in behandeling nemen van de 37 planschadeverzoeken (…).

24 oktober 2001: brief S. inzake geoffreerde bedrag voor het in behandeling nemen van de 37 planschadeverzoeken (…).

11 januari 2002: de verzoekers is een brief gestuurd omtrent een wijziging van de datum van commissie- en raadsvergadering.

27 februari 2002: verzoekers is een brief gestuurd met bericht dat de verzoeken niet in de raadsvergadering van 16 april 2002 zullen worden behandeld. De reden hiervoor is dat de gemeente een vooronderzoek wil laten uitvoeren gezien het grote aantal verzoeken.

24 mei 2002: door de heer Ha. is uit name van X een brief naar de leden van de raad gestuurd met de mededeling dat volgens de procedure de kwestie van de planschadeverzoeken reeds maanden geleden afgehandeld had moeten zijn.

3 juni 2002: in antwoord op de brief van 24 mei 2002 van de heer Ha. verwijst de gemeente naar eerdere correspondentie van 27 februari 2002 waarin is aangegeven dat eerst een vooronderzoek wordt ingesteld.

21 juni en 26 juni 2002: aan de verzoekers wordt excuses aangeboden voor de vertraging in de procedure.

In het verloop van de procedure hebben een aantal personen/instantie hun verzoek om planschade ingetrokken. (…)

De planschadeverzoekers hebben hier derhalve enerzijds te maken met onvoorziene omstandigheden binnen de gemeentelijke organisatie en anderzijds met extra noodzakelijk onderzoek voor de behandeling van de planschadeverzoeken. De gemeente is nu gestart met de verdere afhandeling van de planschadeverzoeken (…) en de brug over de 'Nauwe Galle'…”

D. Reactie college van burgemeester en wethouders

Het college van burgemeester en wethouders deelde de Nationale ombudsman in reactie op het verslag van bevindingen bij brief van 6 november 2002 onder andere het volgende mee:

“Over de stand van zaken kunnen wij u het volgende meedelen. In de brief van 27 februari 2002 hebben wij de heer Ha. laten weten dat er eerst een vooronderzoek werd ingesteld vanwege het groot aantal planschadeverzoeken. Inmiddels is dit onderzoek afgerond. Het onderzoeksresultaat wordt in de gemeenteraadsvergadering van 15 november 2002 besproken. In deze vergadering zal naar verwachting tevens een besluit genomen worden over de behandeling van de planschadeverzoeken met betrekking tot de aangelegde brug over de Nauwe Galle te Grou.”

Achtergrond

Wet op de Ruimtelijke Ordening

Artikel 49

“Voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van:

a. de bepalingen van een bestemmingsplan

(…)

schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd kent de gemeenteraad hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe…”

Instantie: Gemeente Boarnsterhim

Klacht:

In juni 2002 nog geen conceptbesluit voorgelegd aan gemeenteraad inzake in december 2000 en januari 2001 ingediende verzoeken om planschade ex artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

Oordeel:

Gegrond