2001/366

Rapport

Verzoeker klaagt erover dat de gemeente Moerdijk, op het moment dat hij zich tot de Nationale ombudsman wendde, geen beslissing heeft genomen op het verzoek een vrijstelling te verlenen op grond van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening voor de reeds gerealiseerde uitbreiding van de tegenover zijn woning gelegen supermarkt.

Beoordeling

1. In 1992 werd de bestemming van de tegenover verzoekers woning in de toenmalige gemeente Klundert (thans de gemeente Moerdijk) gelegen gronden gewijzigd ten behoeve van de vestiging van onder meer een supermarkt, door vaststelling van de 20e wijziging van het bestemmingsplan "Centrum 1974".

2. Verzoeker verzocht de gemeente in 1995 om vergoeding van schade als gevolg van de wijziging (planschade), als bedoeld in artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). De gemeente kende verzoeker in 1996 een bedrag toe in verband met waardevermindering van zijn woning. Verzoekers bezwaarschrift tegen deze beslissing werd ongegrond verklaard, tegen welke beslissing hij beroep aantekende bij de rechtbank. De rechtbank vernietigde de beslissing op bezwaarschrift wegens een motiveringsgebrek, maar liet de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Bij uitspraak van 28 januari 1999 verklaarde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het door verzoeker ingestelde hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.

3. In april 1998 breidde de hierboven onder 1. bedoelde supermarkt de supermarkt uit door de (voormalige) ruimte van een slijterij bij de supermarkt te betrekken, zonder te beschikken over de daarvoor benodigde bouwvergunning.

Op 13 mei 1998 kwam bij de gemeente alsnog een aanvraag van een bouwvergunning binnen van de supermarkt.

4. Naar aanleiding van onder meer brieven van verzoeker uit 1998 deelde het college van burgemeester en wethouders verzoeker bij brief van 26 januari 1999 mee dat de aanvraag van de supermarkt van de bouwvergunning tevens werd aangemerkt als een verzoek om vrijstelling te verlenen van het geldende bestemmingsplan (op grond van artikel 19 van de WRO), nu deze aanvraag in strijd is met het geldende bestemmingsplan. Verder wees het college er op dat het, of in bepaalde omstandigheden de raad, op grond van artikel 19a van de WRO binnen acht weken na ontvangst van een verzoek om vrijstelling moet besluiten of de vrijstellingsprocedure zal worden gevolgd. Het college wees verzoeker er op dat de termijn van acht weken een termijn van orde is en dat een

besluit om al dan niet vrijstelling te verlenen altijd weloverwogen moet plaats hebben. Verzoeker werd voorts meegedeeld dat de afhandeling van het vrijstellingsverzoek door de gemeente zou worden aangehouden totdat de hierboven onder 2. bedoelde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bekend zou worden.

Het college wees verzoeker er op dat hij, als direct omwonende, persoonlijk zou worden geïnformeerd indien de gemeente zou besluiten de vrijstellingsprocedure te gaan doorlopen en dat hij op dat moment de formele mogelijkheid zou hebben om zijn bedenkingen kenbaar te maken. Na het eventueel verlenen van de bouwvergunning zou verzoeker de mogelijkheid hebben om daartegen in bezwaar en beroep te gaan.

5. Op 8 mei 2000 kwam bij de gemeente een klacht van verzoeker binnen over onder meer het feit dat de vrijstellingsprocedure nog steeds niet was gestart. Bij beslissing van 11 augustus 2000 verklaarde het college van burgemeester en wethouders verzoekers klacht op dit punt gegrond. In haar advies van 1 augustus 2000 - het college stemde in met de inhoud van dit advies - overwoog de klachtencommissie van de gemeente dat “tijdens de in het kader van de klachtbehandeling gehouden hoorzitting was vastgesteld dat in oktober 2000 de vrijstelling in de raad aan de orde zou komen, waarna nog goedkeuring van de provincie moest worden verkregen”. Volgens de klachtencommissie betekende dit dat de procedure na tweeëneenhalf jaar zou zijn afgerond. Hoewel de van toepassing zijnde termijnen in de WRO volgens de klachtencommissie termijnen van orde zijn, was zij van mening dat de tijd die verstreek om te komen tot een vrijstelling als bedoeld in artikel 19 WRO onredelijk lang was. Zij merkte daarbij op dat de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die de gemeente stelde af te wachten, al dateert van januari 1999.

6. Vervolgens kwam in de raadsvergadering van oktober 2000 de vrijstelling niet aan de orde, althans niet in de door de klachtencommissie gesuggereerde zin, en werd geen beslissing genomen over het volgen van de vrijstellingsprocedure.

Verzoeker wendde zich in februari 2001 met een klacht hierover tot de Nationale ombudsman.

7. In reactie op de klacht deelt de gemeente mee dat zij van mening is dat verzoekers klacht gegrond is.

De gemeente geeft aan dat zij met de behandeling van het verzoek om vrijstelling heeft gewacht tot de hierboven genoemde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, omdat de gemeente wilde zien wat de omvang was van de planschade als gevolg van de 20e wijziging van het bestemmingsplan "Centrum 1974". De gemeente wilde op deze wijze de schade als gevolg van de te voeren artikel 19-procedure in beeld krijgen.

Ook na de gegrondverklaring door de gemeente op 11 augustus 2000 van verzoekers klacht is de vrijstellingsprocedure volgens de gemeente niet in gang gezet en is op dit

punt geen actie ondernomen, vanwege de werkdruk op de afdeling Bouwzaken van de gemeente en vanwege het feit dat op 1 oktober 2000 een reorganisatie op die afdeling was doorgevoerd.

Verder deelt de gemeente mee dat inmiddels een legalisatietraject is opgestart op grond van artikel 19, derde lid, van de nieuwe WRO. Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant hadden bij brief van 29 februari 2000 bij de gemeente aangegeven dat aanvragen om een verklaring van geen bezwaar, waarbij het gemeentebestuur zich nog baseerde op het oude wettelijke regime na 1 september 2000 niet meer door gedeputeerde staten in behandeling zouden worden genomen, gelet op de in artikel 19a WRO (oud) voorgeschreven termijnen.

Op grond van artikel 19, derde lid, van de WRO is voor planologisch gezien lichtere zaken een eenvoudiger procedure mogelijk dan de vrijstellingsprocedure waarbij een verklaring van geen bezwaar van gedeputeerde staten vereist is, aldus de gemeente. Op grond van genoemde bepaling kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur gegeven gevallen.

8. In een plaatselijke krant maakten burgemeester en wethouders van de gemeente op 8 mei 2001 bekend dat zij voornemens waren om met toepassing van bovengenoemde bepaling vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan voor het wijzigen van de winkelruimte van de supermarkt. De op het bouwplan van de supermarkt betrekking hebbende stukken hebben van 10 mei tot en met 6 juni 2001 ter inzage gelegen. Verzoeker heeft zijn zienswijze hierover ingediend.

9. De gemeente, hiernaar gevraagd, deelt voorts mee dat de afhandeling van de ingediende zienswijzen vertraging oploopt vanwege onder meer ziekte en zwangerschap van enkele medewerkers van de betrokken afdeling. Verzoeker is door de gemeente over de langere behandelingsduur op de hoogte gesteld.

10. Artikel 19 (zoals dit luidde tot 3 april 2000) van de WRO bepaalde in het eerste lid dat burgemeester en wethouders - of de gemeenteraad, op grond van het derde lid - voor het gebied, waarvoor een voorbereidingsbesluit geldt of een ontwerp voor een herziening van een bestemmingsplan ter inzage is gelegd, vrijstelling kunnen verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben (zie Achtergrond, onder 1).

Artikel 19a (zoals dit luidde tot 3 april 2000) van de WRO (zie Achtergrond, onder 1) bepaalde dat burgemeester en wethouders - of, indien toepassing wordt gegeven aan artikel 19, derde lid, de gemeenteraad - zo spoedig mogelijk doch in elk geval binnen acht weken na ontvangst van een verzoek om vrijstelling als bedoeld in artikel 19 beslissen of zij toepassing zullen geven aan het bepaalde in het derde tot en met elfde lid van

artikel 19a. In deze artikelleden was de vrijstellingsprocedure neergelegd (openbare kennisgeving, terinzageligging, mogelijkheid tot het indienen van bedenkingen, beslissing tot aanvragen van een verklaring van geen bezwaar bij gedeputeerde staten).

11. In het derde lid van het met ingang van 3 april 2000 gewijzigde artikel 19 van de WRO is voor burgemeester en wethouders de mogelijkheid opgenomen om (zonder een verklaring van geen bezwaar van gedeputeerde staten) vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen (zie Achtergrond, onder 1).

Op grond van het eveneens per bovengenoemde datum gewijzigde artikel 19a, vierde lid, aanhef en onder c, van de WRO (zie Achtergrond, onder 1) beslissen burgemeester en wethouders binnen vier weken na afloop van de termijn van terinzageligging van de aanvraag tot vrijstelling.

Artikel 49, tweede lid, aanhef en onder a, van de Woningwet (zie Achtergrond, onder 2) bepaalt dat, indien de aanvraag om bouwvergunning slechts kan worden ingewilligd na verlening van vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO, burgemeester en wethouders omtrent die aanvraag beslissen binnen dertien weken na afloop van de termijn van terinzageligging bedoeld in artikel 19a, vierde lid, van de WRO, indien geen verklaring van geen bezwaar van gedeputeerde staten is vereist.

12. Volgens het overgangsrecht (zie Achtergrond, onder 3) blijft ten aanzien van het nemen van besluiten op een aanvraag om vrijstelling ingevolge artikel 19 van de WRO en op een aanvraag om een bouwvergunning het recht van toepassing, zoals dat gold voor 3 april 2000, tot het tijdstip waarop het betrokken besluit onherroepelijk is geworden.

13. De tijd die de gemeente sinds de ontvangst van het verzoek om vrijstelling (13 mei 1998) heeft laten verstrijken eer zij besloot tot het volgen van een vrijstellingsprocedure (mei 2001) - een periode van drie jaar - staat volstrekt niet meer in verhouding tot de termijn van acht weken van artikel 19a, eerste lid (oud) van de WRO. De door de gemeente aangevoerde omstandigheden, zoals hierboven weergegeven, kunnen wellicht deels als verklaring dienen voor een zo lange behandelduur, maar zij zijn jegens verzoeker in ieder geval niet toereikend als rechtvaardiging daarvan. Het is betreurenswaardig dat zelfs gegrondverklaring door de gemeente van verzoekers klacht op dit punt in augustus 2000 niet heeft mogen bijdragen aan het bespoedigen van de behandeling van het verzoek om vrijstelling.

Gelet op de inhoud van de bij de brief van gedeputeerde staten van 29 februari 2000 gevoegde notitie (zie Bevindingen, onder G.2.), waarin gedeputeerde staten onder meer aangeven aanvragen voor een verklaring van geen bezwaar gebaseerd op het oude wettelijke regime na 1 september 2000 niet meer in behandeling te zullen nemen, is bovendien onbegrijpelijk dat verzoeker in het kader van de procedure van interne klacht-

behandeling in augustus 2000 is meegedeeld dat na oktober 2000 bij gedeputeerde staten een verklaring van geen bezwaar zou worden aangevraagd (kennelijk nog gebaseerd op het oude wettelijke regime).

De onderzochte gedraging is niet behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van de gemeente Moerdijk, die wordt aangemerkt als een gedraging van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Moerdijk, is gegrond.

Onderzoek

Op 15 februari 2001 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer V. te Klundert, met een klacht over een gedraging van de gemeente Moerdijk.

Naar deze gedraging, die wordt aangemerkt als een gedraging van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Moerdijk, werd een onderzoek ingesteld.

In het kader van het onderzoek werd het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Moerdijk verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben. Tevens werd het college van burgemeester en wethouders een aantal specifieke vragen gesteld.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. De reacties van verzoeker en de gemeente gaven aanleiding het verslag aan te vullen met H.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:

A. feiten

1. Bij besluit van 28 januari 1992 wijzigden burgemeester en wethouders van de toenmalige gemeente Klundert de bestemming van de tegenover verzoekers woning gelegen gronden ten behoeve van de vestiging van onder meer een supermarkt, door vaststelling van de 20e wijziging van het bestemmingsplan "Centrum 1974". Deze wijziging werd op 11 mei 1992 goedgekeurd door gedeputeerde staten van Noord-Brabant.

2. In 1995 verzocht verzoeker de gemeente om vergoeding van schade als gevolg van de wijziging als bedoeld in artikel 49 (planschade) van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). De gemeente kende verzoeker in 1996 een bedrag toe van ruim f 6.000 in verband met waardevermindering van zijn woning. Verzoekers bezwaarschrift tegen deze beslissing werd ongegrond verklaard, tegen welke beslissing hij beroep aantekende bij de arrondissementsrechtbank te Breda. Bij uitspraak van 13 februari 1998 vernietigde de rechtbank de beslissing op het bezwaarschrift wegens een motiveringsgebrek. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit liet zij echter in stand. Bij uitspraak van 28 januari 1999 verklaarde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het door verzoeker ingestelde hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank te Breda.

3. In april 1998 breidde de hierboven onder 1. bedoelde supermarkt de bestaande supermarkt uit door de (voormalige) ruimte van een slijterij bij de supermarkt te betrekken, zonder te beschikken over de daarvoor benodigde bouwvergunning.

Op 13 mei 1998 kwam bij de gemeente alsnog een aanvraag van een bouwvergunning binnen van de supermarkt.

4. In de loop van 1998 sprak verzoeker in diverse brieven aan de gemeente en tijdens een commissievergadering Ruimtelijke Ordening en Onderwijs zijn verontrusting uit over de veranderingen aan het winkelcentrum waarin de supermarkt gelegen is. Volgens hem zijn de veranderingen in strijd met het bestemmingsplan en vonden deze plaats zonder de benodigde vergunningen.

Naar aanleiding hiervan deelde het college van burgemeester en wethouders verzoeker bij brief van 27 januari 1999 onder meer het volgende mee:

“Inderdaad heeft (de supermarkt; N.o.) de supermarkt (…) gewijzigd zonder de daarvoor benodigde vergunning. Deze illegale bouw is op 2 april 1998 geconstateerd en (schriftelijk) stil gelegd. Na een gesprek met (de supermarkt; N.o.) op 7 april 1998, blijkt dat de verbouwing op enkele afwerkingen na volledig is uitgevoerd. Uiteindelijk volgt er op 13 mei 1998 een aanvraag om bouwvergunning. Deze bouwvergunning is in strijd met het bestemmingsplan. Een vrijstelling kan alleen worden verleend indien hiertegen geen zwaarwegende bezwaren bestaan. Om dit te kunnen toetsen is in eerste instantie een onderbouwing aan (de supermarkt; N.o.) gevraagd met betrekking tot het vrachtverkeer van en naar de supermarkt. De definitieve afhandeling van deze aanvraag wordt aangehouden in afwachting van de uitspraak van de Raad van State met betrekking tot uw planschadeclaim. Uitgangspunt is te allen tijde geweest dat deze wijziging van de supermarkt en de daarvoor vereiste vrijstelling van het bestemmingsplan geen nadelige gevolgen voor u mag betekenen. (…)

Het betreft hier (…) een aanvraag om bouwvergunning. Verder is er geen sprake van een wijziging maar van een vrijstelling van het bestemmingsplan.

Nu de aanvraag in strijd is met het geldende bestemmingsplan moet deze tevens worden aangemerkt als een verzoek om vrijstelling van het bestemmingsplan. Ons college, of in bepaalde omstandigheden de raad, moeten op grond van artikel 19a WRO binnen 8 weken na ontvangst van een verzoek om vrijstelling besluiten of zij de vrijstellingsprocedure gaan starten.

In de eerste plaats betreft de termijn van 8 weken een termijn van orde. Er staat geen sanctie op overschrijding van deze termijn. In de tweede plaats is het al dan niet verlenen van een artikel 19 WRO vrijstelling in eerste instantie een bevoegdheid van het college. Alleen indien minimaal één vijfde deel van de raadsleden daartoe de wens te kennen geeft, kan besluitvorming in de raad plaatsvinden.

Voor het onderhavige bouwplan ontbreekt op dit moment nog de grond om een vrijstelling op te starten. Ook binnen het college heeft nog geen besluitvorming omtrent het verzoek plaatsgevonden. Als wij besluiten om medewerking te verlenen, zal de raad een voorbereidingsbesluit moeten nemen. Hierbij wordt het verzoek al (indirect) ter kennis van de raadsleden gebracht. Indien de procedure daadwerkelijk wordt gestart middels de publikatie in De Moerdijk Bode, worden alle raadsleden schriftelijk in kennis gesteld.

(…)

Waarom laat de vrijstelling zo lang op zich wachten?

Een besluit om al dan niet vrijstelling te verlenen moet altijd weloverwogen plaatsvinden. Juist omdat de problemen die u heeft met het winkelcentrum (…), bij de gemeente bekend zijn, wordt de grootst mogelijke zorgvuldigheid in acht genomen. Om deze reden wordt de afhandeling van het vrijstellingsverzoek aangehouden totdat de uitspraak van de Raad van State bekend is.

Laat de vrijstelling zo lang op zich wachten omdat een vrijstelling zich niet verdraagt met de 20e wijziging van het bestemmingsplan en een vrijstelling eigenlijk moet worden geweigerd?

Het bouwplan is in strijd met de 20e wijziging van het bestemmingsplan. Er zijn nu twee mogelijkheden: de bouwvergunning weigeren of vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan. Het is niet zo dat de vrijstelling moet worden geweigerd omdat er strijd is met het bestemmingsplan, de vrijstelling is juist nodig vanwege deze strijdigheid. Het besluit om al dan niet tot vrijstelling over te gaan moet zorgvuldig en weloverwogen tot stand komen. (…)

Omdat er niet is voldaan aan de eisen die art. 19 en 19a van de WRO aan de overheid stelt, art. 11.1 van de Bouwverordening niet afdoende is toegepast, vraagt u zich af, of er nog mogelijkheden zijn om de gemaakte fouten te herstellen.

In de eerste plaats: er zijn geen fouten gemaakt. De overschreden termijnen zijn termijnen van orde. De aanvrager van de vergunning is hiervan in kennis gesteld. Intussen bent ook u op de hoogte gebracht van de te volgen procedure. Indien wordt besloten de vrijstellingsprocedure te gaan doorlopen, heeft u de (formele) mogelijkheid om hiertegen bedenkingen kenbaar te maken. Als direct omwonende zal u persoonlijk worden geïnformeerd. Na het eventueel verlenen van de vergunning staat u hiertegen bezwaar en beroep open.(…)”

5. Een voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 23 maart 1999 tot het besluiten om te verklaren dat er een herziening van het bestemmingsplan "Centrum 1974" wordt voorbereid voor het gebied waarbinnen de supermarkt is gelegen (voorbereidingsbesluit) luidt als volgt:

“…heeft een supermarkt in het “winkelcentrum” (…) te Klundert. In april 1998 heeft (…), zonder de daarvoor benodigde vergunning, de bestaande supermarkt uitgebreid door de slijterij bij de winkel te betrekken. Hiermee is een situatie ontstaan die in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan.

Voor (het winkelcentrum; N.o.) geldt de 20e wijziging van bestemmingsplan Centrum 1974. Deze wijziging schrijft voor dat er in (het winkelcentrum; N.o.) minimaal 5 kleine winkels zijn met elk een oppervlakte van maximaal 200 m2. Dit voorschrift is gebaseerd op een in 1989 uitgevoerd onderzoek naar de ruimtelijk-economische mogelijkheden in Klundert. Hieruit bleek dat voor de kern Klundert een supermarkt met een oppervlakte van 700-1000 m2 gewenst is. Een concentratie van (kleinere) winkels rond deze supermarkt zal de klantenbinding versterken.

Het voorschrift heeft tot doel om te bewerkstelligen dat er een gevarieerd aanbod aan winkels gerealiseerd wordt binnen de kern Klundert. Echter, het is in de praktijk uitermate moeilijk om deze doelstelling van gemeentewege te bewerkstelligen. De praktijk is dan ook al geruime tijd anders. In (het winkelcentrum; N.o.) waren vóór de illegale verbouwing van (de supermarkt; N.o.) 4 winkelpanden aanwezig met een oppervlakte van maximaal 200 m2. Verder was er nog een vestiging van (…), echter deze overschrijdt de maximale oppervlakte van 200 m2 en telt dus niet mee voor de realisatie van 5 kleine winkels.

Met de nu reeds uitgevoerde verbouwing van de supermarkt zijn er nog drie kleine winkeltjes over. De strijdigheid met het bestemmingsplan is hierdoor vergroot. Echter, de supermarkt heeft nu een oppervlakte van circa 800 m2 en is daarmee niet groter dan hetgeen gewenst is voor een kern als Klundert. Verder heeft de uitbreiding van het vloeroppervlak vrijwel uitsluitend betrekking gehad op de wijze van bedrijfsvoering en niet op het assortiment dat wordt aangeboden. Als gevolg van deze gewijzigde bedrijfsvoering is het aantal verkeersbewegingen ten behoeve van bevoorrading van de supermarkt afgenomen. Dit is een voordeel ten opzichte van de oorspronkelijke situatie. Nadeel is dat op dit moment de aanvoer van producten plaatsvindt met een grote (…) vrachtwagen die, vanwege zijn omvang, al vanaf de (…)straat achteruit de (…)straat in moet draaien. Dit kan enige vertraging voor het doorgaand verkeer opleveren. Tot nu toe zijn hier echter nog geen klachten over binnengekomen.

Zoals gezegd is het erg moeilijk om als gemeente af te dwingen dat er inderdaad 5 kleine winkels in (het winkelcentrum; N.o.) worden gerealiseerd. De praktijk leert dat er weinig animo is onder ondernemers. De supermarkt op zich kan niet als “te groot” voor de kern worden afgedaan en is op zichzelf bezien dan ook acceptabel. De afname van het aantal verkeersbewegingen is zeker een vooruitgang ten opzichte van de oude situatie.

Om de reeds gerealiseerde verbouwing te legaliseren is minimaal een artikel 19 WRO procedure nodig. In het toekomstige bestemmingsplan voor de kern Klundert zal een andere regeling worden opgenomen ten aanzien van deze winkelvoorzieningen. Hiertoe moet allereerst een voorbereidingsbesluit worden genomen. Opgemerkt wordt nog dat aan de eventueel te verlenen vrijstelling de voorwaarde zal worden verbonden dat de afvalcontainer van (de supermarkt; N.o.) inpandig moet worden ondergebracht. Bouw-kundig is dit mogelijk en hiermee is een bron van ergernis voor omwonenden weggenomen.

Op dit moment staat één van de drie nog aanwezige kleine winkeltjes leeg. (De supermarkt; N.o.) is voornemens hierin een “retournette” (een verzamelplaats voor afvalstromen, met name gericht op hergebruik) te vestigen. Deze vestiging past niet binnen de huidige winkelbestemming, maar wordt wel als een positieve ontwikkeling gezien. Een voorbereidingsbesluit voor (het totale winkelcentrum; N.o.) geeft de gelegenheid om ook deze ontwikkeling, als de gesprekken hierover tot een positief resultaat leiden, mogelijk te maken.

(Verzoeker; N.o.) heeft met betrekking tot de veranderingen in de supermarkt een prematuur bezwaarschrift ingediend. Hij zal tijdig geïnformeerd worden over het voorbereidingsbesluit en de te volgen procedure…”

6. Op 11 augustus 2000 verklaarde de gemeente verzoekers klacht over onder meer het uitblijven van een beslissing op het verzoek om een vrijstelling op grond van artikel 19 van de WRO gegrond.

Het verslag van de in het kader van de klachtbehandeling gehouden hoorzitting luidt als volgt:

“…Verslag van de hoorzitting als bedoeld in hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht over de klacht van (verzoeker; N.o.).

Aanwezig:

(verzoeker; N.o.)

burgemeester (…), voorzitter van de commissie en de heer (…), van de afdeling Juridische Zaken (secretaris),

mevrouw (…) afdelingshoofd van de afdeling Bouwzaken.

Hieronder volgt een korte uiteenzetting van hetgeen tijdens de zitting is besproken.

De voorzitter opent de hoorzitting. Hij legt uit dat (verzoeker; N.o.) geschreven heeft naar het bureau Nationale Ombudsman maar dat hij zich niet tot deze instantie kan wenden omdat de gemeente zich nog niet gebogen heeft over de klacht. (Verzoeker; N.o.) krijgt nu alle gelegenheid te spreken. Er is sprake van een ingewikkelde zaak en de voorzitter geeft aan dat het zijn bedoeling is vast te stellen of er sprake is van een klacht tegen een ambtenaar, het handelen van een ambtenaar of de gemeente in zijn algemeenheid.

(Verzoeker; N.o.) heeft zijn bevindingen op schrift gesteld. Hij overlegt een afschrift hiervan integraal onderdeel zal uitmaken van dit verslag. Samenvattend komt het volgende aan de orde:

de laad- en losplaats is veranderd ten opzichte van de plankaart van de 20e wijziging, zonder planwijziging;

het vloeroppervlak van de supermarkt is geen 800, maar 1000 vierkante meter;

(het winkelcentrum; N.o.) zou volgens correspondentie (uit 1992) open blijven;

er zijn minder parkeerplaatsen dan gewenst voor dit vloeroppervlak aan winkels.

er zijn een aantal garageboxen gerealiseerd (…)

nadat de bouwvergunning voor café (…) niet doorging (aan de achterzijde van dit café) is toegezegd dat deze beschikbare ruimte bij de parkeerplaats getrokken zou worden. Dit is feitelijk gebeurd, doch er heeft geen planwijziging plaatsgevonden.

(…)

Met betrekking tot de te doorlopen artikel 19 WRO procedure voor het bijtrekken van de voormalige (…) slijterij bij de supermarkt merkt (verzoeker; N.o.) op dat deze procedure toch wel een zéér lange tijd in beslag neemt. De voorzitter zegt dat deze procedure tot een einde zal komen tegen het einde van dit jaar, in concreto de raad van oktober 2000.

De voorzitter vraagt tenslotte of (verzoeker; N.o.) in deze procedure voldoende is gehoord. (Verzoeker; N.o.) geeft aan dat dit het geval is…”

Het advies van de klachtencommissie luidt als volgt:

“…Advies van de klachtencommissie van de gemeente Moerdijk

Inzake:

Een door (verzoeker; N.o.) ingediende klacht ingevolgde de Algemene wet bestuursecht en de klachtenverordering gemeente Moerdijk over de afhandeling van een verzoek om een artikel 19 vrijstelling op basis van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en de procedure met betrekking tot de 20e wijziging van het bestemmingsplan Centrum 1974 Klundert, alsmede de daaruit voortvloeiende planschade.

Ontvankelijkheid.

De geuite klacht heeft betrekking op de afhandeling van een artikel 19 procedure en daarnaast de procedure met betrekking tot een planwijziging (de 20e wijziging van het bestemmingsplan centrum Klundert). Er is sprake van een klacht zoals bedoeld in Hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht. Klager is derhalve ontvankelijk.

Hoorzitting

Klager is in de gelegenheid gesteld de ingediende klacht nader toe te lichten tijdens de hoorzitting welke is gehouden op 5 juni 2000 en heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Voor de inhoud van het besprokene wordt verwezen naar het verslag van de hoorzitting dat integraal onderdeel uitmaakt van dit advies.

Advisering van de commissie.

Alhoewel de brieven van (verzoeker; N.o.) inhoudelijk zeer uitvoerig zijn komt, mede gelet op het verhandelde ter hoorzitting, de klacht naar de mening van de commissie op het volgende neer:

Termijn van afhandeling verzoek om artikel 19 procedure (supermarkt; N.o.).

Aangaande de termijn van afhandeling van de aanvraag vrijstelling ex. artikel 19 WRO is de commissie de volgende mening toegedaan. Op 13 mei 1998 is een aanvraag om een bouwvergunning ingediend voor de verbouw van de (supermarkt; N.o.) te Klundert. De datum van aanvraag impliceert tevens een aanvraag om een artikel 19 vrijstelling. Uiteindelijk is de klacht van (verzoeker; N.o.) op 8 mei 2000 bij de gemeente binnengekomen. Dit betekent dat de aanvraag nu twee jaar loopt. Tijdens de hoorzitting is vast komen te staan dat in oktober 2000 de vrijstelling in de raad aan de orde zal komen. Hierna moet nog goedkeuring van de provincie worden verkregen. Dit betekent dat de procedure na twee en een half jaar zal zijn afgerond. Alhoewel de van toepassing zijnde termijnen in de Wet op de Ruimtelijke Ordening termijnen van orde zijn is naar de mening van de commissie de tijd die erover heen ging om te komen tot een vrijstelling artikel 19 onredelijk lang geweest. Er is verklaard dat gewacht werd op de uitspraak van de Raad van State. De uitspraak heeft echter al op 29 januari 1999 plaatsgevonden.

(…)

De commissie adviseert de klacht gegrond te verklaren, hetgeen betekent dat klager in het gelijk wordt gesteld. Voor de motivering verwijst de commissie naar het bovenstaande. Voorgesteld wordt de attentie toe te sturen zoals dit gebruikelijk is bij gegronde klachten…”

B. Standpunt verzoeker

Voor het standpunt van verzoeker wordt verwezen naar de klachtsamenvatting onder Klacht.

C. Standpunt gemeente Moerdijk

In reactie op de klacht en de door de Nationale ombudsman in het kader van het onderzoek gestelde vragen deelde het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Moerdijk bij brief van 25 april 2001, verzonden 16 mei 2001, het volgende mee:

“…Inderdaad wordt in het advies van de klachtencommissie gedoeld op de uitspraak van de Raad van State inzake de planschadevergoeding van (verzoeker; N.o.). De datum van de uitspraak dateert zoals u aangaf van 28 januari 1999. De reden te wachten met het verzoek om vrijstelling te verlenen is gelegen in het feit dat gemeente eerste wilde zien wat de omvang was van de planschade in het gebied als gevolg van de 20e wijziging van het bestemmingsplan centrum 1974. De gemeente wilde zekerheid door middel van de uitspraak van de Raad van State zodat zij dusdoende de schade als gevolg van de te voeren artikel 19 procedure definitief in beeld zou krijgen. Tijdens de hoorzitting van de klachtencommissie bleek dat deze uitspraak reeds op 28 januari 1999 had plaatsgevonden en de commissie was van mening dat de artikel 19 procedure dus in ieder geval vanaf die datum in behandeling had kunnen worden genomen. Sinds het indienen van de bouwaanvraag door (supermarkt; N.o.) is er een termijn van 2 jaar verstreken. De commissie vond deze termijn om te komen tot het in gang zetten van een artikel 19 procedure onredelijk lang.

De reden waarom het vrijstellingsverzoek sinds de beslissing van het college d.d. 11 augustus 2000 niet in gang is gezet heeft te maken met de prioriteitstelling die gemaakt is door de werkdruk op de afdeling Bouwzaken. Tevens heeft zich op 1 oktober 2000 een reorganisatie voorgedaan op de afdelingen Bouwzaken, Milieu. Deze afdelingen zijn nu samengegaan in één afdeling Vergunningen en Handhaving. Hierdoor zijn andere zaken voorgegaan zoals bijvoorbeeld het verlenen van bouwvergunningen waarvoor een fatale termijn geldt van 13 weken. Er zijn tot op heden geen acties ondernomen naar aanleiding van het advies van de klachtencommissie. Er zal ook geen voorbereidingsbesluit meer worden genomen, doch er zal een legalisatietraject worden opgestart via artikel 19, lid 3 van de (nieuwe) WRO. Inmiddels is door een wijziging in de WRO een eenvoudigere procedure mogelijk. Deze procedure is inmiddels opgestart. Het plan ligt ter inzage van 10 mei tot en met 7 juni 2001. Afhankelijk van het feit of er zienswijzen worden ingediend zal er daarna binnen afzienbare termijn worden beslist.

Wij constateren dat niet voldaan is aan de termijn van het in behandeling nemen van de vrijstelling zoals het advies van de klachtencommissie vermeldt. Op zich leidt dit ons inziens tot gegrond verklaring van de klacht. Wij hopen echter met bovengenoemde werkwijze tegemoet te komen aan klager…”

D. Reactie verzoeker

Verzoeker reageerde bij brief van 5 juli 2001:

“…De door de gemeente gekozen procedure, zonder rekening te houden met het van kracht zijnde voorbereidingsbesluit ingevolge art. 21 van de W.R.O., waarvan de ingangsdatum 8 juni 2000 is, zal leiden tot een ernstige verzwakking van mijn positie, omdat mij de mogelijkheid ontnomen wordt, mijn belangen ingevolge art. 23 van de W.R.O. te verdedigen.

Ik heb mijn twijfels, dat bovengenoemde werkwijze zal leiden tot een betere beoordeling van mijn bezwaren.

Het ligt meer voor de hand te veronderstellen dat deze werkwijze is opgestart om de legalisatie te vergemakkelijken, dat mijn belangen daardoor kunnen worden geschaad, is voor de gemeente Moerdijk gezien de tot nu toe gevoerde procedure, of zo men wilt niet gevoerde procedure totaal niet van belang…”

E. Reactie gemeente Moerdijk

1. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Moerdijk reageerde naar aanleiding van enkele nadere vragen van de Nationale ombudsman als volgt bij brief van 2 augustus 2001:

“…Naar aanleiding van uw laatste schrijven van 11 juni 2001, geven wij u hierbij puntsgewijs antwoord op uw vragen.

Waarom is nu door de gemeente gekozen voor het door u bedoelde legalisatieproject?

Hierbij wordt bedoeld het opstarten van een vrijstellingsprocedure ex artikel 19 lid 3 WRO.

Sinds April 2000 is de Wet op de Ruimtelijke Ordening gewijzigd. Een van de wijzigingen is dat er een driedeling is gekomen in de procedure artikel 19. De aanvraag van (de supermarkt; N.o.) voldoet aan de criteria zoals gesteld in artikel 19 lid 3 WRO. In de wettekst staat aangegeven dat Burgemeester en Wethouders, dus niet de Gedeputeerde Staten vrijstelling kunnen verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur (artikel 20 Besluit op de Ruimtelijke Ordening) aan te geven gevallen. Artikel 19 lid 3 WRO bevat de planologisch gezien lichtere zaken. Door de provincie Noord-Brabant is aangegeven dat vanaf najaar 2000 lopende aanvragen die nog opgestuurd dienden te worden naar de provincie voor de verklaring van geen bezwaar niet meer in behandeling werden genomen. Deze aanvragen moesten door de gemeente afgehandeld worden met een vrijstellingsprocedure artikel 19 lid 3 WRO.

Wat houdt een dergelijk traject in ? Kunt u deze procedure nader toelichten ?

Deze procedure houdt in dat Burgemeester en Wethouders onder voorwaarden vrijstelling kan verlenen van het bestemmingsplan. Omdat het hier gaat om planologisch gezien kleinere zaken hoeft GS geen verklaring van geen bezwaar te verlenen. De wetgever heeft hiermee getracht te bewerkstelligen dat de procedure vereenvoudigd wordt zonder dat belanghebbenden geschaad kunnen worden. Het vereenvoudigen van de procedure uit zich dus in het feit dat een verklaring van geen bezwaar af te geven door Gedeputeerde Staten en het nemen van een voorbereidingsbesluit niet meer nodig is bij een procedure ex art. 19 lid 3 WRO.

Een aanvraag bouwvergunning wordt getoetst aan ondermeer het bestemmingsplan.

Uit de toetsing blijkt dat de aanvraag strijdig is met het bestemmingsplan.

Hierna volgt een afweging of er vrijstelling verleend kan worden ex artikel 19 WRO.

Afweging is verplicht omdat een aanvraag bouwvergunning die in strijd is met het bestemmingsplan gezien moet worden als een verzoek om vrijstelling.

Als de aanvraag voldoet aan de criteria zoals bepaald in artikel 20 BRO kunnen B&W medewerking verlenen aan het bouwplan.

De aanvraag bouwvergunning wordt zoals bepaald in artikel 19a WRO vier weken ter inzage gelegd.

Het verzoek om vrijstelling wordt gepubliceerd in een huis aan huis blad. Tevens worden omwonenden aangeschreven.

In de periode van ter inzage legging kunnen belanghebbenden hun zienswijze kenbaar maken.

Als er geen zienswijze in deze periode wordt ingediend beslissen Burgemeester en Wethouders binnen vier weken na afloop van de termijn van ter inzage legging of de vergunning al dan niet verleend zal worden.

Indien er wel een zienswijze wordt ingediend nemen Burgemeester en Wethouders de ingebrachte argumenten mee in hun overweging om al dan niet een vergunning te verlenen. De beslissing wordt voorafgegaan door een hoorzitting waarin bezwaarmaker en aanvrager hun argumenten nog nader kunnen toelichten.

Na verlening bouwvergunning heeft een belanghebbende nog het recht om binnen zes weken na verlening van de vergunning bezwaar tegen de vergunning bij Burgemeester en Wethouders aantekenen.

Kunt u mij een afschriften doen toekomen van de openbare kennisgeving van de ter inzage legging en de in verband met het legalisatietraject door de gemeente genomen besluiten ?

Een kopie van de publicatie in de Moerdijkse Bode van 8 mei 2001 hebben wij bijgevoegd. Onder de kop artikel 19 lid 3 WRO staat de vrijstelling gepubliceerd. Het college van Burgemeester en Wethouders heeft nog geen besluit genomen inzake het al dan niet verlenen van de vrijstelling om reden dat de zienswijze van (verzoeker; N.o.) nog niet behandeld is.

Betreft deze procedure de legalisatie van de door de supermarkt (…) bij de supermarkt getrokken voormalige (…) slijterij,…….

Uit de overlegde stukken die behoren bij de aanvraag bouwvergunning van (verzoeker; N.o.) blijkt dat het pand op twee plaatsen bouwkundig gewijzigd wordt. Het betreft hier het kantoor dat verplaatst wordt richting de gang en het bij de supermarkt betrekken van de voormalige ruimte (de slijterij; N.o.). Uit de bestaande plattegrond blijkt dat er al een interne verbinding aanwezig was tussen de supermarkt en de slijterij. Hierdoor was er praktisch gezien in feite al sprake van een winkel, weliswaar met twee namen doch gebruik makend van hetzelfde magazijn. Feitelijk gezien geeft deze wijziging dus geen grote verandering van het gebruik van het pand.

Wat verstaat u concreet onder binnen afzienbare tijd beslissen ?

Gelet op het feit dat wij momenteel in de vakantieperiode zitten en vanwege afwezigheid (ziekte en zwangerschap) van enkele medewerkers op de afdeling Vergunningen en Handhaving loopt de afhandeling van de ingediende bedenkingen vertraging op. Naar planning wordt er binnen enkele weken een hoorzitting belegd waarin de ingediende zienswijze van (verzoeker; N.o.) behandeld zal worden. (Verzoeker; N.o.) is over de langere behandelingstermijn door ons bericht. Mede vanwege genoemde oorzaken heeft de beantwoording van deze brief ook langer op zich laten wachten...”

2. Het college voegde een kopie bij van de openbare kennisgeving als bedoeld in artikel 19a, vierde lid, van de WRO in samenhang met artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht:

“…Publicatie opgenomen in DE MOERDIJKSE BODE dd: 8 mei 2001

TE VERLENEN VRIJSTELLINGEN

De op onderstaande bouwplannen betrekking hebbende stukken liggen met ingang van 10 mei 2001 tot en met 6 juni 2001 bij het Gemeentelijke Informatie Centrum ter inzage.

Gedurende deze termijn kunnen schriftelijk zienswijzen tegen de met toepassing van betreffende artikel te verlenen bouwtoestemming worden ingediend bij het College van burgemeester en wethouders van Moerdijk, t.a.v. de afdeling Vergunningen en handhaving. Zorg dat de zienswijzen op tijd worden ingediend, te laat ingediende zienswijzen kunnen niet worden meegenomen in de vrijstellingsprocedure.

ARTIKEL 19, LID 3 WRO

Burgemeester en wethouders van Moerdijk maken bekend dat zij van plan zijn om met toepassing van artikel 19, lid 3 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan voor:

Het veranderen van een winkelruimte op het perceel kadastraal bekend gemeente Klundert, sectie (…), nummer (…), plaatselijk bekend (het winkelcentrum; N.o.) te Klundert…”

F. Nadere reactie verzoeker

Verzoekers reactie hierop van 28 augustus 2001 luidt:

“…In alles wijzen de antwoorden van de gemeente Moerdijk erop, dat het de bedoeling is met de nu te volgen procedure te bewerkstelligen, dat noch de gemeenteraad of de Provinciale Staten, zich met de gang van zaken kunnen of konden bemoeien, zodat B.&W. zich met behulp van de ambtenarij de niet geringe nalatigheden kunnen verdoezelen, zonder zich tegenover wie dan ook te hoeven verantwoorden.

Voor bovenstaande stelling verwijs ik naar de door de Raad genomen voorbereidingsbesluiten, welke niet ten uitvoer zijn gebracht, waarbij de Raad verweten kan worden hier geen stokje voor te hebben gestoken.

Mijnerzijds heb ik d.m.v. gebruik te maken van spreekrecht ten overstaan van de com. R.O. en het indienen van bezwaarschriften en het schrijven van brieven alles aan gedaan de procedure te laten verlopen zoals art. 21 t/m 23 van de W.R.O. (oud) voorschrijft.

Dit alles heeft niet mogen baten.

(…)

Op 5 juni is door mij een zienswijze ingediend, op 1 aug. 2001 bericht ontvangen dat het in behandeling nemen nog enkele weken in beslag kan nemen, dat ik tot op heden de gemeente nog niet heb vernomen, dat het er naar uitziet dat de behandeling door de B.B.C. niet binnen 3 maanden zal plaatsvinden, dan kan men misschien de kat wijsmaken dat het aan ziekte zwangerschap en vakantie ligt dat na 3 ½ jaar wachten de behandeling nog niet ter hand is genomen, maar mij niet.

Zoals uit bovenstaande reacties blijkt heb ik er totaal geen vertrouwen in, dat mijn belangen op een op rechtvaardigheid berustende serieuze manier door de gemeente Moerdijk zullen worden afgehandeld, omdat toegeven aan nalatigheid, het naar behoren functioneren van het gemeentelijk bestuurswezen zou kunnen schaden, daaraan worden mijn belangen ondergeschikt gemaakt…”

G. Nadere informatie gemeente Moerdijk

1. Een medewerker van de gemeente deelde op 7 september 2001, hiernaar gevraagd, mee dat de behandeling van de door verzoeker omtrent de aanvraag tot vrijstelling ingediende zienswijze nog niet was ingepland.

2. Tevens stuurde de gemeente op 4 oktober 2001 op verzoek van de Nationale ombudsman een kopie van de brief van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant, zoals bedoeld in de brief van de gemeente van 2 augustus 2001, hierboven weergegeven onder E.1.

De brief van gedeputeerde staten dateert van 29 februari 2000 en is verstuurd aan alle gemeentebesturen in de provincie Noord-Brabant. De inhoud van deze brief luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“…Op 3 april 2000 treedt de Wet van 1 juli 1999, houdende wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in werking. Als gevolg van deze wetswijziging maakt de vrijstellings- en anticipatieprocedure plaats voor de zogenoemde zelfstandige projectprocedure. In deze procedure blijft de provincie niet alleen ten aanzien van de afgifte van de verklaring van geen bezwaar een belangrijke rol spelen, ook brengt deze wetswijziging de nodige veranderingen met zich ten aanzien van ons beleid bij de toetsing van aanvragen om een verklaring van geen bezwaar.

In verband hiermee hebben wij in overleg met de Inspecteur van de Ruimtelijke Ordening en de Afdeling Noord-Brabant van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten nieuw beleid geformuleerd dat is neergelegd in bijgaande notitie “De toepassing van artikel 19 (nieuw) van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en enkele aanverwante zaken.”

De bij de brief van gedeputeerde staten gevoegde "notitie inzake de toepassing van artikel 19 (nieuw) van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en enkele aanverwante zaken", die tevens (deels) door de gemeente werd toegezonden, luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“…Overgangsbepaling

In artikel VI van de Wet van 1 juli 1999, houdende wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is ten aanzien van het nemen van besluiten op een aanvraag om vrijstelling ingevolge artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van de wet van 1 juli 1999, bepaald dat het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van toepassing blijft tot het tijdstip waarop het betrokken besluit onherroepelijk is geworden.

Dit betekent dat alle aanvragen om vrijstelling die voor 3 april 2000 bij het gemeentebestuur zijn ingediend en in behandeling genomen onder de werking van het tot dat tijdstip geldende recht blijven en als gevolg daarvan de desbetreffende aanvragen om een verklaring van geen bezwaar aan de eisen van ons oude beleid ten aanzien van artikel 19 dienen te voldoen en overeenkomstig die richtlijnen behoren te worden ingediend.

Aanvragen om een verklaring van geen bezwaar, waarbij het gemeentebestuur zich nog baseert op het oude wettelijke regime, zullen wij, gelet op de in artikel 19a WRO (oud) voorgeschreven termijnen, na 1 september 2000 niet meer in behandeling nemen…”

H. Nadere informatie

In reactie op het verslag van bevindingen lieten zowel verzoeker als de gemeente weten dat op 22 oktober 2001 een hoorzitting heeft plaats gehad tijdens welke verzoeker in de gelegenheid is gesteld om een mondelinge toelichting te geven op zijn zienswijze, zoals hierboven bedoeld onder G.1. Van de supermarkt, die ook voor de hoorzitting was uitgenodigd, was niemand aanwezig.

Bij brief van 29 oktober 2001 heeft de gemeente verzoeker uitgenodigd voor een “vervolggesprek” op 22 november 2001, waarvoor de supermarkt ook dit maal zou worden uitgenodigd.

Achtergrond

1. Wet op de Ruimtelijke Ordening (Wet van 5 juli 1962, Stb. 286)

Artikel 19 (zoals dit luidde tot 3 april 2000):

“1. Voor het gebied, waarvoor een voorbereidingsbesluit geldt of een ontwerp voor een herziening van een bestemmingsplan ter inzage is gelegd, kunnen burgemeester en wethouders - behoudens het bepaalde in het derde lid - vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits vooraf van Gedeputeerde Staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Artikel 15, tweede lid, derde volzin, en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

2. Het besluit omtrent de verklaring van geen bezwaar wordt binnen acht weken bekendgemaakt. Alvorens het besluit te nemen, horen gedeputeerde staten de inspecteur van de ruimtelijke ordening. Van het besluit wordt onverwijld mededeling gedaan aan de inspecteur. Artikel 10:31, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing. Gedeputeerde staten kunnen de verklaring weigeren wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening. Indien gedeputeerde staten binnen de gestelde termijn geen besluit hebben bekendgemaakt, wordt dit gelijkgesteld met een besluit tot weigering van de verklaring. Het besluit, inhoudende verlening van een verklaring van geen bezwaar wordt geacht voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht deel uit te maken van de beschikking waarop het betrekking heeft.

3. Zolang de in het eerste lid bedoelde herziening van het bestemmingsplan nog niet is vastgesteld, beslist in afwijking van het aldaar bepaalde de gemeenteraad omtrent het verlenen van vrijstelling, indien ten minste één vijfde van zijn leden daartoe binnen vier weken, nadat een verzoek om vrijstelling is ingediend, de wens te kennen geeft. Met het oog daarop stellen burgemeester en wethouders de gemeenteraad onverwijld van elk verzoek om vrijstelling in kennis.

4. Wij stellen bij algemene maatregel van bestuur voorschriften vast, welke in acht moeten worden genomen alvorens vrijstelling ingevolge dit artikel mag worden verleend.

5. Gedeputeerde Staten verklaren in welke gevallen in de krachtens artikel 2 van de Wet D'gemeenten en D'provincies aangewezen D'gemeenten voor de in artikel 3, eerste lid, van die wet genoemde periode, de verklaring van geen bezwaar niet is vereist. Een dergelijke verklaring kan alleen een verzoek om vrijstelling betreffen dat ten minste:

a. betrekking heeft op een gebied waarvoor een ontwerp voor een herziening van een bestemmingsplan ter inzage is gelegd, en

b. strekt ten behoeve van een afwijking van geringe planologische betekenis van het geldende bestemmingsplan.”

Artikel 19 (zoals dit luidt met ingang van 3 april 2000):

“1. De gemeenteraad kan, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

2. Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

3. Burgemeester en wethouders kunnen eveneens vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen.

4. Vrijstelling krachtens het eerste lid wordt niet verleend voor een project dat wordt uitgevoerd in een gebied waarvoor

a. het bestemmingsplan niet tijdig overeenkomstig artikel 33, eerste lid, is herzien of

b. geen vrijstelling overeenkomstig artikel 33, tweede lid, is verleend, tenzij voor het gebied een voorbereidingsbesluit geldt of een ontwerp voor een herziening ter inzage is gelegd.”

Artikel 19a (zoals dit luidde tot 3 april 2000):

“1. Burgemeester en wethouders of indien toepassing wordt gegeven aan artikel 19, derde lid, de raad beslissen zo spoedig mogelijk doch in elk geval binnen acht weken na ontvangst van een verzoek om vrijstelling als bedoeld in de artikelen 17-19 of zij toepassing zullen geven aan het bepaalde in het derde tot en met elfde lid van dit artikel.

2. Indien besloten wordt geen toepassing te geven aan het bepaalde in het derde tot en met elfde lid wordt de vrijstelling geweigerd.

3. Binnen twee weken na dagtekening van een besluit als bedoeld in het eerste lid, ligt het verzoek gedurende twee weken ter gemeentesecretarie voor een ieder ter inzage.

4. De burgemeester geeft van de nederlegging te voren in een of meer dag- of nieuwsbladen, die in de gemeente verspreid worden en voorts op de gebruikelijke wijze kennis. De tekst van de kennisgeving wordt gezonden aan Gedeputeerde Staten.

5. De kennisgeving houdt mededeling in van de bevoegdheid voor een ieder om gedurende de termijn van terinzageligging schriftelijk bedenkingen tegen het verlenen van vrijstelling naar voren te brengen bij burgemeester en wethouders.

6. Indien toepassing is gegeven aan artikel 19, derde lid, brengen burgemeester en wethouders de bij hen ingekomen bedenkingen onverwijld ter kennis van de gemeenteraad.

7. Indien het verzoek betreft het verlenen van vrijstelling als bedoeld in de artikelen 17-18a, beslissen burgemeester en wethouders binnen vier weken na afloop van de termijn van terinzageligging, genoemd in het derde lid, omtrent het verlenen van vrijstelling.

8. Indien het verzoek betreft het verlenen van vrijstelling als bedoeld in artikel 19 beslissen burgemeester en wethouders of, indien het derde lid van dat artikel wordt toegepast, de raad binnen acht weken na afloop van de termijn van terinzageligging, genoemd in het derde lid, omtrent het aanvragen van een verklaring van geen bezwaar. Burgemeester en wethouders stellen degeen die de vrijstelling heeft verzocht hiervan in kennis.

9. Indien tot aanvrage van een verklaring van geen bezwaar wordt besloten, wordt deze, met redenen omkleed, binnen twee weken nadien, met het verzoek tot vrijstelling en, in voorkomend geval, ingediende bedenkingen aan Gedeputeerde Staten gezonden.

10. Burgemeester en wethouders of, indien artikel 19, derde lid, wordt toegepast, de raad beslissen binnen twee weken na ontvangst van de verklaring van geen bezwaar voor Gedeputeerde Staten omtrent het verlenen van de vrijstelling.

11. Tegelijkertijd met de bekendmaking van de beslissing op het verzoek om vrijstelling wordt daarvan mededeling gedaan aan degenen die bedenkingen naar voren hebben gebracht, aan Gedeputeerde Staten en - behoudens indien het een vrijstelling als bedoeld in artikel 18 betreft - aan de inspecteur van de ruimtelijke ordening.

12. In de gevallen waarin Gedeputeerde Staten toepassing hebben gegeven aan artikel 19, vijfde lid, beslissen, in afwijking van het achtste, negende en tiende lid, burgemeester en wethouders of, indien het derde lid van dat artikel wordt toegepast, de raad binnen acht weken na afloop van de termijn van terinzageligging, genoemd in het derde lid, omtrent het verlenen van vrijstelling.”

Artikel 19a (zoals dit luidt met ingang van 3 april 2000):

“1. Het vrijstellingsbesluit, bedoeld in artikel 19, eerste en tweede lid, bevat een beschrijving van het betrokken project, de ruimtelijke onderbouwing en de afwegingen die aan het verlenen van vrijstelling ten grondslag liggen. Artikel 15, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

2. De gemeenteraad of in voorkomend geval burgemeester en wethouders beslissen zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag tot vrijstelling als bedoeld in artikel 19, of toepassing zal worden gegeven aan het vierde lid.

3. Indien besloten wordt geen toepassing te geven aan het vierde lid wordt de vrijstelling geweigerd.

4. Op de voorbereiding van het besluit omtrent de vrijstelling, bedoeld in artikel 19, is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing, met dien verstande dat:

a. de aanvraag gedurende vier weken ter inzage ligt,

b. gedurende de termijn van terinzageligging een ieder schriftelijk zijn zienswijze omtrent de aanvraag kenbaar kan maken, en,

c. indien geen verklaring van geen bezwaar van gedeputeerde staten is vereist, burgemeester en wethouders binnen vier weken na afloop van de termijn van terinzageligging beslissen.

5. De gemeenteraad beslist of in voorkomend geval burgemeester en wethouders beslissen binnen acht weken na afloop van de termijn van terinzageligging, genoemd in het vierde lid, onder a, omtrent het aanvragen van een verklaring van geen bezwaar.

6. Indien tot aanvraag van de verklaring van geen bezwaar wordt besloten, wordt deze binnen twee weken nadien met de aanvraag om vrijstelling en de in voorkomend geval ingebrachte bedenkingen aan gedeputeerde staten gezonden.

7. Alvorens het besluit omtrent de verklaring van geen bezwaar, bedoeld in artikel 19, eerste lid, of in voorkomend geval tweede lid, te nemen, horen gedeputeerde staten de inspecteur van de ruimtelijke ordening.

8. Het besluit omtrent de verklaring van geen bezwaar, bedoeld in artikel 19, eerste lid, of in voorkomend geval tweede lid, wordt binnen acht weken na ontvangst van de desbetreffende aanvraag bekendgemaakt. Van het besluit wordt onverwijld mededeling gedaan aan de inspecteur van de ruimtelijke ordening. Artikel 10:31, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing. Gedeputeerde staten kunnen de verklaring weigeren wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening. Indien gedeputeerde staten binnen de gestelde termijn geen besluit aan de gemeenteraad, of in voorkomend geval burgemeester en wethouders hebben bekendgemaakt, wordt dit gelijkgesteld met een besluit tot weigering van de verklaring.

9. Indien de inspecteur van de ruimtelijke ordening aan gedeputeerde staten te kennen heeft gegeven dat de beoogde vrijstelling in kennelijke strijd is met het nationaal ruimtelijk beleid en gedeputeerde staten niettemin besluiten tot verlening van de verklaring van geen bezwaar, treedt het besluit van gedeputeerde staten niet in werking. Gedeputeerde staten doen hiervan mededeling bij de bekendmaking van hun besluit aan de gemeenteraad of in voorkomend geval burgemeester en wethouders, onder gelijktijdige verzending van een afschrift aan de inspecteur van de ruimtelijke ordening.

10. Onze Minister kan gedurende acht weken na verzending aan de inspecteur van de ruimtelijke ordening van de mededeling, bedoeld in het negende lid, het besluit van gedeputeerde staten vervangen door een eigen besluit inhoudende weigering van de verklaring. Alvorens te besluiten hoort hij de Rijksplanologische Commissie en gedeputeerde staten. Indien Onze Minister binnen die termijn geen besluit heeft bekendgemaakt dan wel zoveel eerder als hij heeft medegedeeld van vervanging af te zien, treedt het besluit van gedeputeerde staten in werking. Gedeputeerde staten doen daarvan mededeling aan de gemeenteraad of in voorkomend geval burgemeester en wethouders.

11. De gemeenteraad beslist, of in voorkomend geval burgemeester en wethouders beslissen omtrent het verlenen van vrijstelling binnen twee weken na de inwerkingtreding van het besluit van gedeputeerde staten.

12. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden gegeven die in acht moeten worden genomen alvorens vrijstelling mag worden verleend.”

2. Woningwet (Wet van 29 augustus 1991, Stb. 439)

Artikel 46 (zoals dit luidt met ingang van 3 april 2000), eerste en derde lid:

“1. Burgemeester en wethouders beslissen omtrent een aanvraag om bouwvergunning binnen dertien weken na de dag waarop zij de aanvraag hebben ontvangen.

(…)

3. Het eerste lid is niet van toepassing, indien de aanvraag betrekking heeft op een bouwwerk, voor het bouwen waarvan slechts bouwvergunning kan worden verleend, nadat vrijstelling is verleend als bedoeld in de artikelen 15, 17 of 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Een aanvraag om bouwvergunning die slechts kan worden ingewilligd na vrijstelling als bedoeld in de artikelen 15, 17 of 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening wordt geacht mede een verzoek om zodanige vrijstelling in te houden.”

Artikel 49 (zoals dit luidt met ingang van 3 april 2000), tweede lid, aanhef en onder a en derde lid:

“2. Indien artikel 46, derde lid, van toepassing is en de aanvraag om bouwvergunning slechts kan worden ingewilligd na verlening van vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, beslissen burgemeester en wethouders omtrent die aanvraag:

a. indien geen verklaring van geen bezwaar van gedeputeerde staten is vereist, binnen dertien weken na afloop van de termijn van terinzageligging bedoeld in artikel 19a, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening;

(…)

3. Indien burgemeester en wethouders, of in voorkomend geval, de gemeenteraad de vrijstelling hebben onderscheidenlijk heeft verleend en niet wordt voldaan aan het eerste of tweede lid, is de bouwvergunning van rechtswege verleend.”

3. Wet van 1 juli 1999, houdende wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (Stb. 302)

Artikel VI, eerste lid:

“1. Ten aanzien van het nemen van besluiten op een aanvraag om:

a. vrijstelling ingevolge artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening,

b. aanlegvergunning,

c. bouwvergunning of

d. een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 77, eerste lid, onder 2º, van de onteigeningswet,

die is ingediend voor de datum van inwerkingtreding van de desbetreffende bepalingen van deze wet, blijft het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing tot het tijdstip waarop het betrokken besluit onherroepelijk is geworden.”

Instantie: Gemeente Moerdijk

Klacht:

Geen beslissing genomen op verzoek een vrijstelling te verlenen voor de reeds gerealiseerde uitbreiding van de tegenover woning gelegen supermarkt.

Oordeel:

Gegrond