2000/301

Rapport

Op 3 februari 1999 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer S. te E., met een klacht over een gedraging van het arrondissementsparket te Assen.

Naar deze gedraging, die wordt aangemerkt als een gedraging van de Minister van Justitie, werd een onderzoek ingesteld.

Op grond van de door verzoeker verstrekte gegevens werd de klacht als volgt geformuleerd:

Verzoeker, werkzaam als ontvanger bij de Belastingdienst/Ondernemingen Emmen, klaagt er over dat

1. de officier van justitie te Assen het ertoe heeft geleid dat het hoofd van de belastingeenheid diens brief van 20 september 1995 aan het arrondissementsparket te Assen heeft aangevuld met de mededeling dat hij "disciplinaire consequenties had verbonden" aan het feit dat verzoeker twee brieven van een belastingadviseur had verstrekt aan een derde;

2. de hoofdofficier van justitie te Assen de gewijzigde brief van 27 september 1995 van het hoofd van de belastingeenheid aan het arrondissementsparket te Assen integraal ter beschikking heeft gesteld aan de belastingadviseur in kwestie.

3. de officier van justitie te Assen heeft geweigerd hem toe te zeggen dat de verklaring, die hij als verdachte wilde afleggen in het gerechtelijk vooronderzoek dat wegens vermeende schending van ambtsgeheim jegens hem was ingesteld, niet aan de Belastingdienst bekend zou worden gemaakt.

Achtergrond

1. Wetboek van Strafrecht

Artikel 64:

"Inzake een misdrijf dat alleen op klacht wordt vervolgd, is degene tegen wie het feit is begaan, tot de klacht gerechtigd."

Artikel 272:

"1. Hij die enig geheim waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat hij uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift dan wel van vroeger ambt of beroep verplicht is het te bewaren, opzettelijk schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie.

2. Indien dit misdrijf tegen een bepaald persoon gepleegd is, wordt het slechts vervolgd op diens klacht."

2. Wetboek van Strafvordering

Artikel 12, eerste lid:

"1. Wordt een strafbaar feit niet vervolgd of de vervolging niet voortgezet, dan kan de rechtstreeks belanghebbende daarover schriftelijk beklag doen bij het gerechtshof, binnen het rechtsgebied waarvan de beslissing tot niet vervolging of niet verdere vervolging is genomen. (…)"

Artikel 51d, eerste lid:

"Aan de benadeelde partij wordt op haar verzoek toestemming verleend om kennis te nemen van de processtukken waarbij zij belang heeft. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting wordt deze toestemming verleend door het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd en overigens door de officier van justitie."

Artikel 51f, derde lid:

"Indien de officier van justitie geen vervolging instelt of de vervolging niet voortzet, doet hij daarvan schriftelijk mededeling aan de benadeelde partij. De beslissing is met redenen omkleed."

Artikel 164, eerste lid:

"1. Bij strafbare feiten alleen op klachte vervolgbaar, geschiedt deze klachte mondeling of schriftelijk bij den bevoegden ambtenaar, hetzij door den tot de klachte gerechtigde in persoon, hetzij door een ander, daartoe door hem van eene bijzondere schriftlijke volmacht voorzien. De klachte bestaat in eene aangifte met verzoek tot vervolging."

Artikel 591a, eerste en tweede lid:

"1. Indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht wordt aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen uit 's Rijks kas een vergoeding toegekend voor zijn ten behoeve van het onderzoek en de behandeling der zaak gemaakte reis- en verblijfkosten, berekend op de voet van het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde.

2. Indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht kan aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen uit 's Rijks kas een vergoeding worden toegekend voor de schade welke hij tengevolge van tijdverzuim door het gerechtelijk vooronderzoek en de behandeling der zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede in de kosten van een raadsman."

3. Algemene wet inzake rijksbelastingen

Artikel 67, eerste lid:

"1. Het is een ieder verboden hetgeen hem in enige werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet, of in verband daarmee, nopens de persoon of de zaken van een ander blijkt of meegedeeld wordt, verder bekend te maken dan nodig is voor de uitvoering van de belastingwet of voor de heffing of de invordering van enige rijksbelasting."

4. Wet op de rechterlijke organisatie

Artikel 28a:

"De met rechtspraak belaste leden van de rechterlijke macht en de griffiers van en de waarnemende griffiers bij de in artikel 1 bedoelde gerechten zijn verplicht tot geheimhouding van de gegevens waarover zij bij de uitoefening van hun taak de beschikking krijgen en waarvan zijn het vertrouwelijke karakter kennen of redelijkerwijs moeten vermoeden, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hen tot mededeling verplicht of uit hun taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit."

Artikel 144:

Artikel 28a is op de in artikel 140 bedoelde rechterlijke ambtenaren (o.a. officieren van justitie; N.o.) van overeenkomstige toepassing."

5. Ambtenarenwet

Artikel 125a, derde lid:

"De ambtenaar is verplicht tot geheimhouding van hetgeen hem in verband met zijn functie ter kennis is gekomen, voor zover die verplichting uit de aard der zaak volgt."

6. Algemeen rijksambtenarenreglement

Artikel 80:

"1. De ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, kan deswege disciplinair worden gestraft.

2. Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

3. Tenzij door Ons of met Onze machtiging door Onze Minister anders is bepaald, wordt de straf opgelegd door het gezag, dat bevoegd is tot aanstelling in het door de ambtenaar beklede ambt, met dien verstande dat de bestraffing van de ambtenaar, die is aangesteld overeenkomstig artikel 7, eerste lid, onder c, geschiedt door Onze Minister. Indien deze bevoegdheid bij Ons berust, geschiedt de bestraffing, behalve voor zover betreft de straffen genoemd in artikel 81, eerste lid, onder i en l, door Onze Minister."

Artikel 81:

"1. De disciplinaire straffen, welke kunnen worden opgelegd, zijn:

a. schriftelijke berisping;

b. buitengewone dienst op andere dagen dan zondag en de voor de ambtenaar geldende kerkelijke feestdagen, zonder beloning of tegen een lagere dan de normale beloning en wel voor ten hoogste 6 uren met een maximum van 3 uren per dag;

c. vermindering van het recht op jaarlijkse vakantie met ten hoogste 1/3 van het aantal uren, waarop in het desbetreffende kalenderjaar aanspraak bestaat;

d. geldboete van ten minste f 1,- en ten hoogste f 50,-;

e. gehele of gedeeltelijke inhouding van salaris tot een bedrag van ten hoogste het salaris over een halve maand;

f. vaststelling van het salaris op een bedrag in de voor de ambtenaar geldende salarisschaal dat maximaal twee jaarlijkse periodieke salarisverhogingen minder bedraagt dan ingevolge de op hem van toepassing zijnde bezoldigingsregeling behoort

te gelden, of indien voor het door de ambtenaar beklede ambt geen salarisschaal geldt, vermindering van het salaris met ten hoogste 5%, een en ander voor de tijd van niet langer dan twee jaren;

g. het niet toekennen van periodieke salarisverhogingen gedurende ten hoogste vier jaren;

h. uitsluiting voor de tijd van ten hoogste vier jaren van indeling in een salarisschaal waarvoor een hoger maximumsalaris geldt, indien zodanige indeling anders volgens de daarvoor geldende regeling zou hebben plaatsgevonden;

i. indeling in een salarisschaal waarvoor een lager maximumsalaris geldt dan dat verbonden aan de salarisschaal welke ingevolge de van toepassing zijnde bezoldigingsregeling behoort te gelden, een en ander al dan niet voor een bepaalde tijd en met of zonder vermindering van bezoldiging;

j. verplaatsing, al dan niet met verlening van een tegemoetkoming in mogelijke verplaatsingskosten tot ten hoogste het bedrag, dat in geval van verplaatsing in het belang van de dienst zou kunnen worden verleend krachtens het Verplaatsingskostenbesluit 1989;

k. schorsing voor een bepaalde tijd met gehele of gedeeltelijke inhouding van bezoldiging;

l. ontslag.

2. Indien een straf, als bedoeld in het eerste lid onder g, h of i is opgelegd, kan - zo het verdere gedrag van de ambtenaar naar het oordeel van het tot oplegging van de straf bevoegd gezag daartoe aanleiding heeft gegeven - zijn positie met ingang van een bepaald tijdstip geheel of ten dele in overeenstemming worden gebracht met de positie, zoals deze zonder de strafoplegging zou zijn geweest.

3. Bij het opleggen van een straf kan worden bepaald, dat zij niet ten uitvoer zal worden gelegd, indien de ambtenaar zich gedurende een vastgestelde termijn niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim, als waarvoor de bestraffing plaats vindt, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim en zich houdt aan bij het opleggen van de straf eventueel gestelde bijzondere voorwaarden."

7. In de circulaire Beleid van het openbaar ministerie inzake afdoening van klachten in het algemeen en toepassing van art. 12 van het Wetboek van Strafvordering (d.d. 21-05-69, St.str.nr. 234/269) staat onder meer het volgende vermeld:

"1. Vooropgesteld zij dat aan het begrip `klacht' in deze circulaire een meer algemene betekenis moet worden toegekend. Bedoeld wordt de mondelinge of schriftelijke mededeling aan politie of openbaar ministerie, die het vermoeden wekt dat een strafbaar feit is gepleegd en waaruit, hetzij aanstonds door aard of inhoud, hetzij door een ingesteld onderzoek, blijkt dat een justitieel optreden wordt beoogd.

2. Het openbaar ministerie geeft van zijn naar aanleiding van een klacht genomen beslissing tot al of niet vervolging in het algemeen slechts kennis aan die klager, die dient te worden beschouwd als belanghebbende in de zin van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering.

Hoewel het in beginsel aanbeveling verdient brieven en verzoeken die tot het openbaar ministerie worden gericht steeds te beantwoorden, is het minder wenselijk en trouwens ook in strijd met de heersende opvattingen omtrent het vertrouwelijke karakter van justitiële beslissingen om een klager niet-belang-hebbende, die feitelijk als een getuige in de zin van strafvordering moet worden beschouwd, van de beslissing van het openbaar ministerie in kennis te stellen. Het begrip 'belanghebbende' ware hierbij overigens voldoende ruim te interpreteren.

Indien het zich laat aanzien, dat de behandeling van de klacht geruime tijd zal vergen, dient aan klager-belanghebbende een voorlopig bericht te worden gezonden, waarin in elk geval de ontvangst van de klacht wordt bevestigd.

3. Er laten zich gevallen denken, waarin een kennisgeving beter niet aan de klager-belanghebbende kan worden gedaan, in het bijzonder wanneer tot niet-vervolging of tot niet verdere vervolging is beslist. Zo kan het in de gevallen, waarin het onderzoek aan het licht heeft gebracht, dat ook de klager niet vrijuit ging of dat de klager zich inmiddels met zijn tegenpartij heeft verzoend, onder omstandigheden van wijs beleid getuigen de tussen partijen gerezen kwestie niet meer op te rakelen door - ongevraagd - bericht van niet-vervolging te zenden. Indien uit een onderzoek blijkt dat klager-belanghebbende door het gedrag van een ander ernstig in zijn rechtsgevoel is geschokt, mag bericht over de door het openbaar ministerie genomen beslissing echter niet achterwege blijven. Hetzelfde geldt indien klager-belanghebbende uitdrukkelijk om bericht heeft verzocht.

4. Wanneer het openbaar ministerie aan de klager-belanghebbende kennis geeft van een beslissing tot niet-vervolging of tot niet verdere vervolging ware deze beslissing steeds zo volledig mogelijk te motiveren. Van geval tot geval ware te overwegen of deze motivering schriftelijk dan wel beter in een gesprek met de klager kan worden gegeven.

5. Wanneer aan de klager-belanghebbende kennis wordt gegeven van een beslissing tot niet-vervolging of tot niet verdere vervolging, ware daarbij steeds melding te maken van diens bevoegdheid om over deze beslissing van het openbaar ministerie beklag te doen bij het gerechtshof en van de wijze waarop dit beklag kan worden ingediend. Daar het toezicht op de beslissing van de officier van justitie om niet of niet verder te vervolgen primair bij de procureur-generaal c.q. de Minister berust, kan de officier van justitie in daarvoor in aanmerking komende gevallen klager hierop attenderen."

8. In de circulaire Kennisgeving van strafrechtelijke vervolging van ambtenaren (d.d. 28-02-79, St.str.nr. 167/279) staat onder meer het volgende vermeld:

"1. Krachtens de circulaire van de toenmalige secretaris-generaal van het ministerie van Justitie van 11 februari 1943, afd. 2A nr. 1118, geeft het openbaar ministerie in geval van vervolging van een ambtenaar wegens misdrijf daarvan kennis aan de betrokken administratie, het tot aanstelling en ontslag bevoegde gezag. Dit gezag ontvangt van het openbaar ministerie tevens bericht omtrent het einde der vervolging; daarbij wordt in het algemeen het strafdossier, waarvan kennisneming voor de overweging van administratieve maatregelen van belang is, overgelegd, aldus de circulaire.

Doel van deze kennisgeving is, blijkens de in de circulaire gegeven toelichting, het bevoegde gezag in staat te stellen te beoordelen of het toepassing moet geven aan het bepaalde in de artikelen 91, eerste lid, onder a, en 98, eerste lid onder e, van het Algemeen rijksambtenarenreglement en soortgelijke bepalingen van de ambtenarenreglementen der lagere overheden (schorsing c.q. ontslag).

2. Blijkens een onderzoek onder de hoofden der departementale personeelsdiensten worden deze bepalingen ternauwernood toegepast en in de enkele gevallen waarin dat wel gebeurt, geschiedt dat veelal niet of niet uitsluitend naar aanleiding van mededelingen van het openbaar ministerie. Dit is ook wel begrijpelijk; doorgaans zullen delicten die tot toepassing van genoemde bepalingen aanleiding geven verband houden met de dienstuitoefening van de betrokken ambtenaar. In dat geval zal het bevoegde gezag eerder dan het openbaar ministerie op de hoogte zijn van het delict en zelfs als aangever fungeren.

3. Deze gegevens rechtvaardigen de conclusie dat de verstrekking van gegevens als bedoeld in de circulaire van 1943, behoudens een enkele uitzondering, geen wezenlijke bijdrage vormt aan het goed functioneren van de openbare dienst. De huidige informatiestroom - het gaat om zeker 1000 gevallen per jaar - dient daarom, gezien in het geding zijnde privacybelangen van de betrokken ambtenaren, aanzienlijk te worden beperkt. De eerder geopperde gedachte deze beperking te laten plaatsvinden door de huidige informatiestroom te laten lopen via een commissie die zou moeten beoordelen of de kennisgeving aan het bevoegd gezag dient te worden doorgegeven, hebben mijn ambtgenoot van Binnenlandse Zaken en ik laten varen. Zoals reeds vermeld gaat het om zeker 1000 kennisgevingen per jaar. De commissie waaraan wij mede deze toetsing zouden hebben willen opdragen zou hierdoor al te zeer worden belast met, gezien het onder 2 overwogene, nagenoeg steeds overbodig werk.

4. In het licht van het bovenstaande machtig ik, onder intrekking van de circulaire van 11 februari 1943, afd. 2A, nr. 1118, het openbaar ministerie aan het bevoegde gezag inlichtingen te verstrekken in de volgende gevallen:

a. indien het bevoegde gezag aangifte doet van een door een ambtenaar gepleegd misdrijf; het openbaar ministerie deelt het bevoegde gezag desgevraagd mee welk gevolg aan de aangifte is gegeven en, indien de verdachte is vervolgd, de afloop daarvan;

b. indien het openbaar ministerie buiten gevallen bedoeld onder a tegen een ambtenaar een vervolging instelt wegens een misdrijf waarvan duidelijk is dat het twijfels kan doen rijzen ten aanzien van het behoorlijk functioneren van de verdachte als ambtenaar; het openbaar ministerie licht het bevoegde gezag, al dan niet op verzoek, in over de vervolging en het einde daarvan;

c. indien het openbaar ministerie en/of het bevoegde gezag overleg wenst te voeren over de onderlinge afstemming van vervolgings- en tuchtbeleid ten aanzien van misdrijven."

9. In de Richtlijn slachtofferzorg bij landelijke inwerkingtreding Wet-Terwee (Stcrt. 1995, 65) staat onder meer het volgende vermeld:

"11. Indien het slachtoffer heeft aangegeven schadevergoeding te wensen en/of op de hoogte te willen blijven van de gehele gang van zaken volgend op de aangifte, houdt het openbaar ministerie hem van voor hem relevante beslissingen in de strafzaak op de hoogte."

Onderzoek

In het kader van het onderzoek werd de Minister van Justitie verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben.

Tijdens het onderzoek kregen betrokkenen de gelegenheid op de door ieder van hen verstrekte inlichtingen te reageren.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen.

De Minister van Justitie deelde mee zich met de inhoud van het verslag te kunnen verenigen.

Verzoeker berichtte dat het verslag hem geen aanleiding gaf tot het maken van opmerkingen.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:

A. feiten

1. Verzoeker is werkzaam als ontvanger bij de Belastingdienst. In die hoedanigheid verstrekte hij medio 1995 twee - geanonimiseerde - brieven, die belastingadviseur G. aan de Belastingdienst had gericht, aan advocaat B. De heer G. was eerder op basis van één van deze brieven veroordeeld voor belediging van verzoeker.

B. diende vervolgens een klacht in bij de Deken van de Orde van Advocaten tegen advocaat Sc., voor wie G. werkzaam was, wegens onheuse bejegening door G. (Het indienen van een klacht tegen G. zelf was niet mogelijk aangezien deze geen advocaat was.) B. voegde bij zijn klacht afschriften van de twee brieven die verzoeker aan hem had verstrekt.

Bij brief van 20 juli 1995 deden G. en Sc. bij het arrondissementsparket te Assen aangifte ter zake van overtreding van artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht (Sr; schending ambtsgeheim; zie achtergrond, onder 1.) wegens het verstrekken van de betreffende brieven aan B.

Hierop verzocht het arrondissementsparket B. mee te delen wie hem de betreffende brieven ter beschikking had gesteld.

2. Bij brief van 20 september 1995 deelde K., het hoofd van de eenheid waar verzoeker werkzaam was, het arrondissementsparket naar aanleiding van diens vraag aan B. het volgende mee:

"…In overleg met de heer B. beantwoord ik uw brief over het ter beschikking stellen van twee aan de Belastingdienst gerichte brieven (…). Uw vraag is hoe de heer B. aan deze brieven gekomen is.

Mijn medewerker de heer S. heeft mij op 6 juni mondeling toestemming gevraagd een brief aan de heer B. te mogen sturen ter ondersteuning van een aan de heer R. (de Deken van de Orde van Advocaten; N.o.) te richten brief. In het concept dat S. mij voorlegde werd naar de beide brieven van G. verwezen. Ik heb hem geen toestemming voor het verzenden van de brief aan de heer B. verleend. De brief is daarom niet verzonden.

De heer S. heeft uit mijn reacties op zijn vraag om toestemming afgeleid dat ik wel toestemming verleende voor het verzenden van de beide brieven van G. Na het gesprek heeft hij - dezelfde dag nog - deze brieven aan de heer B. gezonden.

Uit een onderzoek dat ik ingesteld heb blijkt dat de vermeende toestemming op een miscommunicatie in het gesprek tussen S. en mij berust. Ik heb namelijk de toestemming niet gewild en niet bedoeld.

Ik betreur de verzending van de beide brieven…"

3. Naar aanleiding van deze brief nam officier van justitie T. telefonisch contact op met K. Hierop stuurde K. een nieuwe brief aan T. Deze nieuwe brief, gedateerd 27 september 1995, was gelijk aan de eerdere brief van 20 september 1995, met dien verstande dat de nieuwe brief was aangevuld met de volgende zin:

"...Wellicht ten overvloede deel ik u mee dat ik aan deze kwestie uiteraard disciplinaire consequenties verbonden heb…"

4. Bij brief van 2 oktober 1995 verstrekte de hoofdofficier van justitie te Assen een afschrift van de brief van K. van 27 september 1995 aan G. en Sc. De hoofdofficier deelde in zijn brief verder onder meer het volgende mee:

"Uit de mij ter beschikking staande gegevens leid ik geen juridisch vermoeden af dat door de heer S. is gehandeld in strijd mee art. 272 W.v.Str. nu meerdere bestanddelen van dat delict niet lijken te zijn vervuld. Daarenboven blijken er binnen de Belastingdienst tegen de heer S. terzake disciplinaire maatregelen te zijn getroffen, een omstandigheid waarmee ik in het licht van het onderliggend conflict terdege rekening wil houden. Ik zal dan ook geen gevolgen verbinden aan de door u gedane aangifte."

5. Vervolgens verscheen er medio oktober 1995 een publicatie in het Nieuwsblad van het Noorden waarin wordt geciteerd uit de brief van 27 september 1995, en waarin onder meer wordt gesteld dat de Belastingdienst disciplinaire maatregelen had getroffen tegen verzoeker.

6. Op 22 december 1995 deed G., bijgestaan door Sc., krachtens artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering (zie achtergrond, onder 2.) beklag bij het gerechtshof te Leeuwarden over de beslissing van de hoofdofficier van justitie te Assen om verzoeker niet te vervolgen.

7. In zijn ambtsbericht van 23 januari 1996 deelde officier van justitie T. de procureur-generaal bij het gerechtshof te Leeuwarden het volgende mee:

"…Naar aanleiding van de klacht van G. te Roden ex art. 12 e.v. W.v.Sv. bij uw Hof informeer ik u als volgt.

Bij brief van 20 juli 1995 wendden klager G., fiscaal jurist bij het advocatenkantoor Sc. & Ko. te Roden, en zijn kantoorgenoot Sc. zich tot de hoofdofficier van justitie te Assen: hierin werd verwezen naar bij die brief gevoegde bijlagen, waarin onder meer via de Deken van de Orde van Advocaten te Assen schrijvers werden geconfronteerd met documentatie, afkomstig van de Belastingdienst, eenheid ondernemingen te Emmen,

gericht aan de advocaat B. te Assen. De onderwerpelijke kwestie betrof een geschil tussen B. en Sc. in hun hoedanigheden van curator in een faillissement van de S.O.B. te Emmen respectievelijk van (toenmalig) advocaat van een in dat faillissement betrokken echtpaar, genaamd F. (van wie de man als brigadier van politie aldaar inmiddels in dat verband is geschorst). (…) Hoewel de brief aan de hoofdofficier in de eerste persoon enkelvoud is gesteld, is deze ondertekend door zowel G. als Sc.; dit wekt verwarring, al dan niet bewust.

Klager G. en/of Sc. doet/doen in deze brief "aangifte" van mogelijke overtreding van art. 272 W.v.Str. tegen N.N., werkzaam bij genoemde eenheid. Klacht als bedoeld in lid 2 van dat artikel bleef achterwege.

De hoofdofficier heeft hierop bij B. schriftelijk geïnformeerd naar de herkomst van de gewraakte bijlagen. Naar aanleiding hiervan antwoordde het hoofd van de eenheid (K.) bij brief d.d. 20 september 1995, zulks na overleg met B.

Uit de inhoud van deze brief blijkt de naam van de verantwoordelijke ambtenaar van deze eenheid: S. en eveneens dat deze ten gevolge van een interne communicatiestoornis tussen hem en K. genoemde informatie heeft verschaft aan B., zulks buiten wil en bedoeling van K.; deze heeft op grond van e.e.a. hieraan disciplinaire maatregelen verbonden.

Bij brief tenslotte van 2 oktober 1995 heeft de hoofdofficier van justitie de heren Sc. en G. laten weten dat er geen vermoeden (als bedoeld in art. 27 W.v.Sv.) aanwezig is jegens de heer S. als verdachte van overtreding van genoemd artikel en dat is gebleken dat er intern disciplinaire maatregelen zijn getroffen, een gegeven waarmee ook zijnerzijds uitdrukkelijk rekening werd gehouden, al met al resulterend in het niet verbinden van enig vervolg aan genoemde aangifte. Kopie van deze brief werd aan de Deken verzonden.

Ter verdere achtergrondinformatie stel ik u ook in het bezit van gegevens inzake een strafzaak tegen klager G., waarin hij door de Politierechter te Assen in 1994 werd veroordeeld wegens smaad jegens S. en een door klager gedane aangifte tegen S., welke door mijn ambtgenoot M. terzijde werd gelegd, gevolgd door een art. 12 Sv-procedure.

Op 12 oktober 1995 werd ik door een verslaggever van het Nieuwsblad van het Noorden gebeld met een verzoek om informatie over deze kwestie tussen de Belastingdienst en Sc.(…); kennelijk was deze verslaggever door deze kantoorgenoot van klager in kennis gesteld van de inhoud van eerder genoemde brief aan hem van de hoofdofficier d.d. 2 oktober 1995; enige informatie werd door mij verstrekt.

Terugkerend naar de onderhavige klacht stip ik hieronder de volgende aandachtspunten aan:

a. Is klager belanghebbende?

b. Klager heeft geen klacht gedaan; geeft dat enig gevolg?

c. Is er sprake van genoemd redelijk vermoeden van schuld?

ad. a.:

Ik meen dat klager inderdaad belanghebbende is nu de als bijlage-1 bij de door Sc. aan de hoofdofficier van justitie gerichte brieven aan de Belastingdienst afkomstig zijn van klager. De gegevens dat Sc. de brief aan de hoofdofficier samen met G. ondertekende en in de eerste persoon enkelvoud stelde mag m.i. - zij het met enige goede wil - daaraan niet afdoen: kennelijk heeft Sc. zich weer als raadsman van zijn kantoorgenoot gesteld.

ad. b.:

Het doen van klacht is een essentieel vereiste, wil iemand kunnen worden vervolgd wegens overtreding van art. 272 W.v.Str.: absoluut klachtdelict. Zoals al werd opgemerkt is van die klacht geen sprake.

Voor het geval dat het wel in de bedoeling van klager heeft gelegen om klacht te doen, is het volgende van belang:

Weliswaar doet G. in zijn brief aan de hoofdofficier van justitie aangifte tegen n.n. maar deze brief, ingediend door twee juristen, van wie in dit geval één zich meermalen op strafrechtelijk gebied actief betoont, maakt geen gewag van aan klacht tegen die n.n. Ingeval een ander dan een (dergelijke) jurist een dergelijke strafvorderlijke essence achterwege laat maar onmiskenbaar aanstuurt op een vervolging, is voor een - zoals onder vigerende jurisprudentie herhaaldelijk pleegt te gebeuren - tegemoetkomende interpretatie op zijn plaats; in dit geval dus niet gekwalificeerde spelers in het strafproces dragen hun eigen risico's.

Het doen van onderzoek, al dan niet tegen n.n., is nog geen 'vervolging' maar het doen van een dergelijk onderzoek zonder zicht op een ontvankelijk openbaar ministerie bij een eventuele daadwerkelijke vervolging heeft geen zin.

Mocht hier anders over worden gedacht, dan is in ieder geval inmiddels de termijn van art. 66, eerste lid, reeds ruimschoots verstreken, een m.i. irreparabel feit.

ad c.:

Klager beroept zich op (…) art. 51 van het A.R.A.R. en een rondschrijven van de minister van Binnenlandse Zaken.

Anders dan klager meen(de) ik dat het door S. (aan B.) bekend maken van de brieven van G. niet enig misdrijf, i.h.b. niet art. 272 W.v.Str., oplevert. Immers is er i.c. geen sprake van een `geheim', d.w.z. (een samenstel van) gegevens over inkomens- en vermogensposities van individuele belastingplichtigen. In de gewraakte brieven is daar geen sprake van; of het aldus in handen van derden stellen van deze stukken, weliswaar geanonimiseerd, als ambtenaar tuchtrechtelijk te verdedigen is, is een geheel ander verhaal; wat dat betreft heeft het diensthoofd van S. kennelijk al conclusies getrokken en daar jegens S. ook gevolgen aan verbonden.

Mocht het Hof mijn bovenvermelde opvattingen niet delen, dan is de inhoud van het voorliggende dossier van dien orde, dat het maatschappelijk niet wenselijk is dat ten faveure van de aanstichter van al het voorhanden onheil tot vervolging wordt overgegaan van iemand die in het licht van - videte brief van B. aan de Deken - onoirbaar onder druk wordt gezet en beledigd. Tenslotte dient in dat licht ook rekening te worden gehouden met de interne reactie van de Belastingdienst.

Al met al geef ik u in overweging om het Gerechtshof te adviseren deze klacht primair niet ontvankelijk te verklaren, subsidiair deze af te wijzen, meest subsidiair het gevraagde bevel te weigeren op gronden aan het algemeen belang ontleend…"

8. Bij brief van 29 mei 1996 deelde K. verzoeker het volgende mee:

"…Op je verzoek bevestig ik bij deze. Op 13 september 1995 heb ik besloten, de disciplinaire procedure inzake het verstrekken aan B. van twee aan de Belastingdienst gerichte brieven niet in een bestraffing van jou te laten uitmonden…"

9. In de beschikking van het gerechtshof van 1 juli 1996 staat onder meer het volgende vermeld:

"De inhoud van de klacht.

Klager stelt dat beklaagde in zijn hoedanigheid van ontvanger bij de belastingdienst Emmen aan een derde kopieën heeft verstrekt van een tweetal door hem, klager, in zijn hoedanigheid van belastingadviseur aan beklaagde in diens hoedanigheid van ontvanger van de belastingdienst gezonden brieven d.d. respectievelijk 21 januari 1994 en 24 april 1995, hoewel die brieven betrekking hadden op zaken van een belastingplichtige. Daarom heeft beklaagde zich, aldus klager, schuldig gemaakt aan het strafbaar feit van art. 272 Sr (schending van een ambtsgeheim) en heeft de officier van justitie beklaagde ten onrechte niet ter zake van dat misdrijf vervolgd.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie.

De Procureur-Generaal is van oordeel dat de klacht moet worden afgewezen en wel primair omdat aan het in art. 272 lid 2 Sr gestelde vereiste van een klacht niet is voldaan en subsidiair omdat vervolging in de omstandigheden van het onderhavige geval niet opportuun is.

Het standpunt van beklaagde.

Beklaagde bevestigt dat hij kopieën van de in de klacht bedoelde brieven aan een derde heeft verstrekt. Die derde, curator in een faillissement, had hem, beklaagde, verzocht een kopie van de brief van 21 januari 1994 te verstrekken ter ondersteuning van een door hem, de curator, tegen klager bij de Deken van de Nederlandse Orde van Advocaten in het arrondissement Assen in te dienen klacht. Hij, beklaagde, heeft dit verzoek ingewilligd en hij heeft voorts bij de kopie van die brief een kopie van de brief van 24 april 1995 gevoegd. Alvorens bedoelde brieven te verzenden heeft hij daarover overleg gepleegd met zijn chef K. Hij verkeerde ten tijde van de verzending in de

veronderstelling dat deze instemde met verzending maar achteraf is gebleken dat van een misverstand sprake was en dat K. met de verzending niet heeft ingestemd. Anders dan in het advies van de procureur-generaal staat vermeld zijn tegen hem, beklaagde, geen disciplinaire maatregelen genomen.

Voor alles staat naar beklaagdes opvatting het ontbreken van een klacht in de zin van art. 164 Sv (zie achtergrond, onder 2.; N.o.) door klager aan vervolging in de weg. Beklaagde is verder van oordeel dat hij zijn ambtsgeheim niet heeft geschonden omdat hij in bedoelde brieven de naam van de belastingplichtige onleesbaar heeft gemaakt. Art. 272 Sr heeft hij naar zijn oordeel voorts niet geschonden omdat hij heeft gehandeld in de veronderstelling dat zijn chef instemde met de verstrekking van bedoelde kopieën. Daarnaast wijst hij erop dat hij in zijn belangen is geschaad doordat in perspublicaties ten onrechte stond vermeld dat hij in verband met de verstrekking van bedoelde kopieën disciplinair was gestraft, en dat daarom vervolging niet meer opportuun is.

De ontvankelijkheid van de vervolging.

Voor vervolging ter zake van art. 272 lid l Sr is ingevolge lid 2 van die bepaling noodzakelijk dat degene tegen wie het misdrijf is gepleegd een klacht indient. Klager heeft bij brief van 20 juli 1995, ondertekend door klager en diens raadsman, aangifte van het onderhavige strafbaar feit gedaan bij de officier van justitie. In de aanhef van die brief is vermeld: "Inzake: klacht art. 272 Wetb. v. Strafrecht". Uit een en ander volgt dat de brief van 20 juli 1995 bezwaarlijk anders kan worden verstaan dan als inhoudende een aangifte met verzoek om vervolging- Het bepaalde in art. 272 lid 2 Sr staat derhalve niet aan ontvankelijkheid van de vervolging in de weg.

De geheimhoudingsplicht

De in de klacht bedoelde, door beklaagde aan een derde verstrekte brieven behelzen feiten en omstandigheden nopens de zaken van een belastingplichtige (niet zijnde de failliet in wiens faillissement die derde curator was) en zijn beklaagde in zijn werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet ter kennis gekomen. Beklaagde heeft deze feiten en omstandigheden door het verstrekken van kopieën van bedoelde brieven aan een derde verder bekend gemaakt dan nodig is voor de uitvoering van de belastingwet of voor de heffing of de invordering van enige rijksbelasting. Het verschaffen van middelen aan een derde ter ondersteuning van een door die derde tegen klager in te dienen klacht is immers niet nodig voor de uitvoering van de belastingwet of voor de heffing of de invordering van enige rijksbelasting. Beklaagde heeft derhalve zijn ambtsgeheim als omschreven in art. 67 AWR geschonden (zie achtergrond, onder 3.; N.o.). De omstandigheid dat beklaagde de naam van de belastingplichtige in bedoelde kopieën onleesbaar heeft gemaakt staat - daargelaten dat in de brief van 21 januari 1994 de naam van een belastingplichtige niet onleesbaar is gemaakt - niet aan dit oordeel in de weg. Die omstandigheid laat immers onverlet dat beklaagde bedoelde feiten en omstandigheden verder bekend heeft gemaakt dan nodig is voor de uitvoering van de belastingwet of voor de heffing of de invordering van enige rijksbelasting.

In verband met het vorenstaande verdient nog opmerking dat de omstandigheid dat klager - naar beklaagde heeft aangevoerd - in het openbaar heeft geciteerd uit de brief van 21 januari 1994 niet betekent dat van bekend maken van de inhoud van die brief door beklaagde geen sprake is. Beklaagde heeft immers, afgezien van de naam van de belastingplichtige, de gehele inhoud van die brief aan een derde bekendgemaakt en niet alleen die delen van de brief die reeds in de openbaarheid waren gekomen.

Art. 272 Sr.

Gezien zijn functie van Ontvanger bij de belastingdienst moet beklaagde op zijn minst redelijkerwijs hebben vermoed dat hij uit hoofde van het bepaalde in art. 67 AWR verplicht was het geheim als vorenbedoeld te bewaren. De omstandigheid dat hij in de veronderstelling verkeerde dat zijn chef het verstrekken van bedoelde kopieën goedkeurde dan wel dat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij het bepaalde in art. 67 AWR niet sou schenden wanneer hij de naam van da belastingplichtige onleesbaar maakte, doet daaraan gezien de aard van de functie waarin beklaagde bij de belastingdienst werkzaam is, niet af. In aanmerking genomen dat beklaagde bedoelde kopieën desbewust aan een derde heeft verstrekt bestaan er op grond van het vorenoverwogene ernstige bezwaren tegen beklaagde dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het misdrijf van art. 272 lid 1 Sr.

De opportuniteit van de vervolging.

Gelet op de belangen van zowel de belastingplichtigen als de Staat, die met naleving van de in art. 67 AWR verwoorde geheimhoudingsplicht door hen die werkzaam zijn ter uitvoering van de belastingwet zijn gemoeid, vergt het algemeen belang dat overtreding van art. 272 lid 1 Sr wordt vervolgd. De bijzondere omstandigheden van het onderhavige geval doen dit niet anders zijn. Weliswaar bevatten de bewuste brieven onnodig grievende uitlatingen van klager jegens beklaagde en is klager ter zake van de brief van 21 januari 1994 door de strafrechter tot een straf veroordeeld, maar daar staat tegenover dat beklaagde in het onderhavige geval zo ver is gegaan dat hij op eigen initiatief een kopie heeft verstrekt van een brief waar degene, aan wie die kopie is verstrekt, niet om had verzocht.

Beklaagde heeft er nog op gewezen dat toepasselijkheid van art. 67 AWR in een geval als het onderhavige hem berooft van een effectief verweermiddel tegen aantijgingen van grievende aard als verwoord in de bewuste brieven en dat derhalve strafvervolging achterwege zou dienen te blijven. Deze omstandigheid is in het onderhavige geval reeds daarom van onvoldoende gewicht omdat het in het onderhavige geval niet gaat om het voeren van verweer door beklaagde doch het verschaffen door beklaagde van middelen aan een derde ter ondersteuning van een door die derde tegen klager in te dienen klacht.

Slotsom

De klacht is gegrond. Beklaagde dient te worden vervolgd terzake van overtreding van het bepaalde in art. 272 lid 1 Sr."

10.1. In het kader van het tegen verzoeker ingestelde gerechtelijk vooronderzoek verklaarde K. tegenover de rechter-commissaris te Assen op 22 oktober 1996 onder meer het volgende:

"Het is mij uiteraard bekend waar het tegen de heer S. lopende gerechtelijk vooronderzoek over gaat. Ter voorbereiding op dit verhoor heb ik de zich in mijn dossier bevindende correspondentie over deze zaak nog weer nagekeken. De inhoud van de door mij op 27 september 1995 aan de heer T. geschreven brief kan ik mij wel goed herinneren. Ik sta ook nu nog geheel achter de inhoud van deze brief. Alleen over de laatste alinea wil ik iets opmerken. Er is door mij op 20 september 1995 dezelfde brief aan de heer T. geschreven. In deze laatstgenoemde brief ontbrak de laatste alinea. Naar aanleiding van de brief van 20 september 1995 nam de heer T. telefonisch contact met mij op. Hij vroeg mij of er ook disciplinair naar de zaak was gekeken. Ik heb hem gezegd dat er een disciplinaire procedure was gevolgd. De heer T., vroeg mij om hem ter vervanging van de brief van 20 september een nieuwe brief te zenden waarin tot uitdrukking zou worden gebracht dat er een disciplinaire procedure had plaatsgevonden. De heer T. vond het niet nodig om te weten wat het resultaat van de disciplinaire procedure was geweest. Ik heb opnieuw de brief aan de heer T. gezonden met daarin de aanvulling dat er aan de kwestie disciplinaire consequenties verbonden waren. Hiermee heb ik geenszins bedoeld te zeggen dat de heer S. disciplinair gestraft was. Het resultaat van de gevolgde disciplinaire procedure zoals beschreven in het ARAR was namelijk dat er geen aanleiding waren een straf of maatregel op te leggen. Wanneer de heer T. mij zou hebben gevraagd of aan S. een straf was opgelegd zou ik ook hebben gezegd dat dit niet het geval was.

Met betrekking tot de door S. aan de heer B. verzonden brieven kan ik het volgende verklaren. Op de dinsdag na Pinksteren 1995 (6 juni) kwam S. mijn kamer binnen stormen met een brief van hem en nog 2 andere medewerkers. Hij vroeg mij toestemming te geven voor het verzenden van deze brief. Het was de bedoeling om met deze brief B. te helpen de aantijgingen van het kantoor Sc. (advocaten van S.O.B.) te weerleggen.

Zonder dat ik de brief echt had gelezen heb ik tegen S. gezegd dat de brief niet verzonden mocht worden. Ik vind het niet opportuun om in dit soort zaken als belastingdienst steun te verlenen. Het is naar mijn mening met nodig dat de fiscus zich mengt in een verschil tussen advocaten. Eigenlijk was het gesprek tussen S. en mij maar heel kort. Er is op dat moment nauwelijks aandacht aan de kwestie besteed. Ik kan me nog herinneren dat S. enigszins teleurgesteld op mijn afwijzende standpunt reageerde.

Uiteindelijk accepteerde hij de beslissing. Gezien mijn mening over dit soort zaken kan ik mij niet voorstellen dat hij mijn woorden zo heeft kunnen uitleggen dat hij veronderstelde wel toestemming te hebben gekregen. Dit temeer omdat ik zeker weet dat ik ook nog heb gezegd dat als dit soort brieven verzonden moeten worden dit door mij zou gebeuren. Bij dit gesprek met S. zijn de in de brief genoemde bijlagen helemaal niet aan de orde geweest. Ik had de brief zo oppervlakkig gelezen dat mij de genoemde bijlagen niet waren opgevallen. Hierover heb ik pas op een later tijdstip vernomen.

In augustus 1995 nam de heer B. contact met mij op naar aanleiding van een door hem van de Hoofdofficier van Justitie ontvangen brief. Aan B. werd in die brief gevraagd hoe hij in het bezit was gekomen van aan de belastingdienst gerichte correspondentie. B. had toen contact met S. opgenomen en op diens advies vervolgens met mij een afspraak gemaakt. In dat gesprek vertelde B. dat hij op 2 juni 1995 een faxbrief met voorblad van S. had ontvangen en op een later tijdstip de 2 in de brief genoemde bijlagen had ontvangen. In een daaropvolgend tweede gesprek met B. heeft hij mij deze brieven getoond.

In de daarop tegen S. gestarte disciplinaire procedure heb ik moeten vaststellen, dat S. al voordat hij mijn toestemming voor verzending van de brief vroeg, deze brief al aan B. had gezonden. S. heeft mij het bij het gesprek op 6 juni 1995 zeker niet verteld. Als hij dit toen wel had gedaan zou ik beslist furieus gereageerd hebben. Wat verder in de disciplinaire procedure, maar ook bij andere gelegenheden, is gebleken is dat er de communicatie tussen S. en mij wel eens problemen zijn. Ook door een collega van mij zijn deze problemen wel eens ervaren. S. heeft namelijk de neiging zo snel te werken en te reageren dat hij niet altijd goed luistert naar wat er wordt gezegd.

Mijn opmerking in de brief van 27 september 1995 over miscommunicatie moet dan ook zo worden begrepen dat S. onvoldoende tot zich heeft laten doordringen wat ik heb gezegd. Ik heb beslist niet bedoeld dat mijn mededelingen op 6 juni 1995 zo uitgelegd konden worden dat hij dat als toestemming kon opvatten. Daarover ben ik zoals ik hiervoor heb verklaard heel duidelijk geweest. Als de heer B. als getuige tegenover u heeft verklaard dat ik mij in augustus 1995 tegenover hem wel in die zin heb uitgelaten dan is de verklaring van B. op dat punt onjuist.

Over S. wil ik overigens opmerken dat ik hem zeker niet ken als iemand die bewust gezag zou negeren. Ook is in de disciplinaire procedure geen enkele aanwijzing gekregen dat hij bewust anders zou doen dan aan hem wordt opgedragen. In de genoemde procedure is onder meer aan S. verweten dat hij in deze kwestie niet professioneel heeft gehandeld. Dit is door S. in deze procedure ook erkend. Zo zag hij zelf ook wel in dat ook wanneer ik wel toestemming voor het verzenden van de brief zou hebben gegeven dit hem niet zou ontheffen van zijn eigen ambtelijke verantwoordelijkheden. Tenslotte moet nog vermeld worden dat ik de 2 andere ondertekenaars van de brief van 2 juni 1995 ook hier op heb aangesproken. Omdat ik van mening was dat zij beiden slechts een ondergeschikte rol hadden gespeeld (ze hadden op verzoek van S. alleen meegetekend) heb ik het bij hen bij een waarschuwing gelaten."

10.2. In het kader van het tegen verzoeker ingestelde gerechtelijk vooronderzoek verklaarde officier van justitie T. tegenover de rechter-commissaris te Assen op 8 januari 1997 onder meer het volgende:

"Als plaatsvervangend hoofdofficier heb ik de lopende strafzaak tegen de heer S. steeds in behandeling gehad.

Op vragen van Ti. kan ik het volgende verklaren.

De inhoud van het dossier is mij uiteraard volledig bekend. Ook de inhoud van de brieven van de heer K. d.d. 24 september 1995 en 27 september 1995 zijn mij bekend. Naar aanleiding van de eerste brief heb ik zelf telefonisch contact opgenomen met de heer K. Naar ik meen was dit op 27 september 1995. Ik heb hem gevraagd of er door de Belastingdienst disciplinaire gevolgen verbonden zouden worden aan het door de heer S. verstrekken van correspondentie aan derden. Hiermee bedoelde ik of er door de Belastingdienst als werkgever disciplinair naar de zaak gekeken zou worden. Ik heb niet gevraagd of dit op dat moment ook al gebeurd was. Dit interesseerde mij ook niet. Ik vond het ook niet van belang of er al dan niet een disciplinaire straf was opgelegd of zou worden opgelegd. Ik wilde alleen weten of de Belastingdienst als werkgever zijn verantwoordelijkheid zou nemen. Nadat K. mij had gezegd dat er inderdaad disciplinair naar de zaak werd gekeken heb ik hem gevraagd om mij dit schriftelijk te bevestigen. Ik denk dat ik gevraagd heb om een nieuwe brief met dezelfde inhoud als die van 20 september 1995 waaraan de mededeling van K. over de disciplinaire gevolgen zou worden toegevoegd. Als K. zegt dat ik om een nieuwe brief heb gevraagd en niet om een aanvulling op een eerdere brief kan dat juist zijn. Achteraf gezien was het wellicht duidelijker geweest om een aanvulling op de brief van 20 september 1995 te vragen. Het OM houdt de Belastingdienst van de voortgang in de zaak tegen de heer S. op de hoogte. Dit houdt in dat de stand van zaken in het onderzoek wordt medegedeeld. Er worden geen processtukken aan de Belastingdienst verstrekt. In dit geval heeft de Belastingdienst bij monde van de heer K. het OM gevraagd om hem op de hoogte te houden. Zelf vind ik het daarnaast ook correct om een overheidsinstantie als werkgever op de hoogte te houden van een strafrechtelijk onderzoek tegen een werknemer. Verder kan ik zeggen dat door het OM ook geen processtukken zijn verstrekt aan de Rijksadvocaat.

De brief van de heer K. aan mij van 27 september 1995 is bij een door de hoofdofficier getekende brief van 2 oktober 1995 in afschrift aan de aangever meegezonden."

11.1. Bij brief van 21 mei 1997 deelde de raadsman van verzoeker, de heer Ti., de rechter-commissaris te Assen het volgende mee:

"…Bij deze bevestig ik u het telefonisch onderhoud dat ik op 17 april jl. met u had. Ik heb u namens cliënt, de heer S., meegedeeld dat deze afziet van de mogelijkheid dat hij door u wordt gehoord nu het Openbaar Ministerie, bij monde van de heer T., mij dezelfde dag heeft meegedeeld dat het Openbaar Ministerie niet bereid was de door mij al in uw aanwezigheid op 5 februari jl. verzochte toezegging, namelijk dat het Openbaar Ministerie de Belastingdienst niet over de inhoud van de door de heer S. afgelegde verklaring zal informeren, te doen.

Ik heb een fotocopie van deze brief doen toekomen aan het Openbaar Ministerie - T.…"

11.2. Bij brief van 21 mei 1997 deelde de raadsman van verzoeker, de heer Ti., officier van justitie T. onder meer het volgende mee:

"Ik bevestig u dat u mij in het telefonisch onderhoud van 17 april jl. heeft meegedeeld dat het Openbaar Ministerie niet bereid was de door mij al op 5 februari jl. verzochte en bij faxbericht van 16 april jl. herhaalde toezegging te doen. Ik heb u in het telefonisch onderhoud van 17 april jl. al laten weten dat dit voor de heer S. reden was zich in dezen niet door de Rechter-Commissaris te laten horen en dat ik de Rechter-Commissaris dienovereenkomstig zal informeren.

Ik heb dat dezelfde dag nog gedaan. Daar de Rechter-Commissaris mij verzocht haar de mededeling die ik dienaangaande op 17 april jl. telefonisch heb gedaan te bevestigen, schreef ik heden de Rechter-Commissaris als in fotocopie hier bijgaand."

12. In het strafvonnis van de meervoudige kamer van de arrondissementsrechtbank te Assen van 7 januari 1998 staat onder meer het volgende vermeld:

"VERWEREN TEN AANZIEN VAN DE VOORVRAGEN

(…)

Voorts voert de raadsman van verdachte aan dat de officier van justitie niet ontvankelijk is in zijn vervolging van verdachte. Reden hiervoor is dat G. en Sc. niet bevoegd zijn een klacht te doen. Deze had gedaan moeten worden door de belastingplichtige wiens geheim meegedeeld is, danwel door een door hem daartoe gevolmachtigde advocaat.

De rechtbank overweegt dienaangaande dat het Hof heeft aangegeven dat er sprake is van een klacht in de zin van artikel 164 Wetboek van Strafvordering. Deze klacht is evenwel niet gedaan door degene die daartoe blijkens de wet gerechtigd is, namelijk degene wiens geheim is geopenbaard. Dit kan, gezien de beperkte strekking van artikel 272 Wetboek van Strafrecht, slechts de belastingplichtige zijn. Dat G. gehouden is het hem toevertrouwde geheim te bewaren, brengt niet met zich mee dat hetgeen hem in de uitoefening van zijn beroep in vertrouwen wordt meegedeeld, daardoor als zijn eigen geheim kan worden beschouwd. De rechtbank zal de officier van justitie dan ook niet ontvankelijk verklaren in de vervolging."

13. Bij brief van 16 april 1998 diende verzoeker de volgende klacht in bij officier van justitie T.:

"…Het vonnis van Rechtbank Assen van 7 januari jl. (…) ligt achter mij. Desondanks wil ik op een aantal aspecten van deze procedure terugkomen.

De stukken, die ik onder ogen kreeg, hebben mijn gevoel bevestigd dat Financiën en het Openbaar Ministerie op een ontoelaatbare wijze hebben samengespannen waardoor ik zowel zakelijk als privé in ernstige mate werd beschadigd.

Krantenartikel inzake disciplinaire bestraffing.

Op 13 september 1995 deelde het hoofd van dienst, K., mij mede:

"de disciplinaire procedure inzake het verstrekken aan B. van twee aan de Belastingdienst gerichte brieven niet in een bestraffing te laten uitmonden."

Op 20 september 1995 (een week later) deelde de heer K. aan de OvJ (…) mede:

"Uit een onderzoek dat ik ingesteld heb blijkt dat de vermeende toestemming op een miscommunicatie in het gesprek tussen S. en mij berust."

Op 27 september 1995 (wederom een week later) gaat dezelfde brief - kennelijk nog aanwezig in 's Rijks tekstverwerker - uit naar u, echter nu met een aanvullende eindregel:

"Wellicht ten overvloede deel ik u mee dat ik aan deze kwestie uiteraard disciplinaire consequenties verbonden heb."

• Als getuige in het g.v.o. verklaart u op 8 januari 1997:

"Naar aanleiding van de eerste brief heb ik zelf telefonisch contact opgenomen met de heer K. Naar ik meen was dit op 27 september 1995. Ik heb hem gevraagd of er door de Belastingdienst disciplinaire gevolgen verbonden zouden worden (.....)."

In het Nieuwsblad van het Noorden verscheen kort daarop een artikel met ondermeer de navolgende inhoud:

"De belastingdienst in Emmen heeft inmiddels toegegeven dat de belastingontvanger zijn boekje te buiten is gegaan. Er is intern een disciplinaire maatregel tegen hem getroffen. Op grond daarvan heeft het OM in Assen besloten het verzoek tot vervolging naast zich neer te leggen."

Het hoofd van dienst K. bericht in het beeldschermjoumaal van 17 oktober 1995:

"Natuurlijk heb ik nagegaan hoe mijn brief aan justitie naar de pers kon uitlekken. Medewerkers moeten er immers op kunnen vertrouwen dat hun personeelsdossier niet op straat komt te liggen. Het is gebeurd door een fout van de Officier. Deze heeft daarover aan S. en mij verontschuldigingen aangeboden."

In het op 8 januari 1997 gehouden getuigenverhoor in het kader van het g.v.o. verklaart u verder:

"De brief van de heer K. aan mij van 27 oktober 1995 is bij een door de hoofdofficier getekende brief van 2 oktober 1995 in afschrift aan de aangever meegezonden."

De brief van 20 september 1995 heb ik niet in het proces-dossier kunnen aantreffen.

• In bedoeld verhoor zegt u ook:

"Ik vond het ook niet van belang of er al dan niet een disciplinaire straf was opgelegd of zou worden opgelegd."

Dit nu kan ik niet rijmen met het ambtsadvies dat eerder door u aan de P.G. (…) werd uitgebracht. Overigens heeft, anders dan K. in zijn beeldschermbericht van 17 oktober 1995 vermeldt, het O.M. geen excuses naar mij toe gemaakt.

Informatie-uitwisseling O.M. naar de belastingdienst.

K. schrijft mij in zijn memo van 26 april 1996 (…):

"Het betrof niet een strafklacht tegen jou, maar een tegen mij als hoofd van de eenheid en verantwoordelijke voor de verzending van privacygevoelige informatie door medewerkers."

Op 8 juli 1996 schrijft u het hoofd van dienst K. o.a.:

"In het licht van uw ambtelijke relatie met de heer S. houd ik mij gereed voor het verschaffen van "eventueel noodzakelijke nadere gegevens, overigens bericht ik u nader."

Op 23 juli 1996 wordt een gerechtelijk vooronderzoek gevorderd waarbij de beschikking door u werd ondertekend.

• Op 9 oktober 1996 wordt B. - voor de heer K. - in het kader van dit g.v.o. gehoord. Hij verklaart o.a.:

"(.....). Naar aanleiding van deze brief heb ik een gesprek gehad met de heer K. van de belastingdienst. De heer K. vertelde bij dat gesprek dat hij zich nog kon herinneren dat S. bij hem was geweest met enkele brieven. Volgens K. had hij aan S. niet expliciet toestemming gegeven om de brieven aan mij te zenden, maar kon hij zich voorstellen dat S. uit zijn uitlatingen mogelijk heeft kunnen afleiden dat hij wel toestemming had gegeven. Achteraf "noemde K. dat een misverstand."

Daarna, op 22 oktober 1996, is K. aan de beurt. Anders dan hij in zijn op 20 en 27 september 1995 gedateerde brieven schrijft ("miscommunicatie"), deelt hij mede:

"(....). kwam S. mijn kamer binnenstormen met een "brief van hem en nog 2 andere medewerkers. Hij vroeg mij toestemming te geven voor het verzenden van deze brief. (.....). Gezien mijn menig over dit soort zaken kan ik mij niet voorstellen dat hij mijn woorden zo heeft kunnen uitleggen dat hij veronderstelde wel toestemming te hebben gekregen. (....). Als de heer B. als getuige tegenover u heeft verklaard dat ik mij in augustus 1995 tegenover hem wel in die zin heb uitgelaten dan is de verklaring van B. op dat punt onjuist."

Als getuige in vorengenoemd g.v.o. (d.d. 8 januari 1997, op verzoek van de verdediging) zegt u:

"(.….) Het OM houdt de Belastingdienst van de voortgang in de zaak tegen de heer S. op de hoogte. (.....) In dit geval heeft de Belastingdienst bij monde van de heer K. het OM gevraagd om hem op de hoogte te houden."

Maar K. was al door u in uw op 8 juli 1996 gedateerde brief voorbewerkt.

• Op 5 februari 1997 zou ik als verdachte worden gehoord, zulks op verzoek van de verdediging. Dit verhoor nu kon geen doorgang vinden. Ti. schrijft in zijn op 21 mei 1997 gedateerde brief aan de Rechter-commissaris:

"Bij deze bevestig ik u het telefonisch onderhoud dat ik op 17 april jl. met u had. Ik heb u namens cliënt, de heer S., meegedeeld dat deze afziet van de mogelijkheid dat hij door u wordt gehoord nu het Openbaar Ministerie, bij monde van de heer T., mij dezelfde dag heeft meegedeeld dat het Openbaar Ministerie niet bereid was de door mij al in uw aanwezigheid op 5 februari jl. verzochte toezegging, namelijk dat het Openbaar Ministerie de Belastingdienst niet over de inhoud van de door de heer S. afgelegde verklaring zal informeren, te doen."

Uitreiking stukken parket.

Meestal in de morgen kwamen agenten, inclusief alle 'toeters en bellen', bij mijn privé-woning mij tevergeefs gerechtelijke stukken uitreiken, tevergeefs, omdat ik mij dan op het belastingkantoor bevond. In de namiddag werd deze sessie dan nog eens dunnetjes herhaald. Een en ander gebeurde diverse malen en heeft in mijn kleine buurt (E.) voor de nodige consternatie gezorgd.

Klacht.

Kortheidshalve verwijs ik naar artikel 28a Wet RO (zie achtergrond, onder 4.; N.o.), 125a lid 3 van de Ambtenarenwet (zie achtergrond, onder 5.; N.o.), analoog naar artikel 16 lid 2 van de gedragsregels der advocatuur, Nationale Ombudsman, 7 september 1993 (AB 1993,568) en de Afdeling Bestuursrechtspraak, 29 augustus 1996 (ongepubliceerd), als ook naar de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Ik ben door de voorgaande gebeurtenissen ernstig in mijn belangen geschaad, zowel zakelijk als privé.

Voor zover het de materiële schade betreft, zullen mijn advocaten zeer binnenkort de actie ex artikel 591a Wsv. (zie achtergrond, onder 2.; N.o.) starten.

Ik ga er van uit dat mijn klacht in behandeling wordt genomen en tevens de mij berokkende immateriële schade daarin wordt betrokken…"

14. Officier van justitie T. reageerde hierop bij brief van 7 mei 1998 als volgt:

"…Bij deze bevestig ik u de ontvangst van uw aangetekende brief van 16 april j.l. Gelet op uw aankondiging dat u zich nog tot de rechter zult wenden op grond van art. 591a Wetboek van Strafvordering, laat ik enige inhoudelijke reactie thans achterwege..."

15. Op 14 mei 1998 reageerde verzoeker onder meer als volgt:

"Ik kan u niet volgen in uw opvatting dat de actie ex artikel 591a Wetboek van Strafvordering eraan in de weg staat om mijn klacht thans inhoudelijk te beantwoorden. Immers, bedoelde actie ziet op mijn materiële kosten, terwijl mijn klacht enerzijds betrekking heeft op de wijze waarop het Openbaar Ministerie mij heeft bejegend, terwijl anderzijds de door mij geleden immateriële schade aan de orde komt. Het een heeft niets met het ander van doen en rechtvaardigt niet het achterwege laten van een inhoudelijke reactie op mijn brief.

(…)

Ik verzoek u thans dringend mijn klacht inhoudelijk te beantwoorden."

16. De heer M. van het arrondissementsparket te Assen deelde verzoeker hierop bij brief van 19 mei 1998 onder meer het volgende mee:

"Onder verwijzing naar uw brief van 16 april 1998 betreffende een klacht omtrent een gedraging van het openbaar ministerie te Assen, wil ik namens de Hoofdofficier van justitie een afspraak met u maken voor een onderhoud, ten einde u in de gelegenheid te stellen uw klacht persoonlijk toe te lichten.

U kunt mij rechtstreeks bereiken op telefoonnummer (…). Indien ik afwezig mocht zijn, verzoek ik u een telefoonnummer door te geven waarop ik u kan bereiken."

17. Daarna deelde verzoeker de heer M. van het arrondissementsparket op 26 mei 1998 het volgende mee:

"…Ik acht het niet meer noodzakelijk om mijn klacht mondeling toe te lichten omdat het dossier ook wel aangeeft op welke aspecten deze betrekking heeft.

Het wil mij thans voorkomen dat het Openbaar Ministerie te Assen toe is aan een substantiële behandeling van de klacht waarna ik eventueel nog wel zal reageren.

Mocht u, ondanks alle gewisselde correspondentie en telefoongesprekken, de inhoud van bedoelde klacht niet duidelijk zijn, dan kunt u mij heden tot 12.30 uur bereiken op mijn doorkiesnummer (…) en na 14.30 uur op mijn privé-nummer (…)…"

18. Voorts deelde verzoeker de heer M. van het arrondissementsparket op 28 mei 1998 onder meer het volgende mee:

"Bij op 19 mei jl. gedateerd schrijven stelde u mij in de gelegenheid mijn klacht persoonlijk toe te lichten.

In mijn faxbrief van 26 mei jl. deelde ik u mede daartoe geen aanleiding te zien omdat het dossier ook wel aangeeft op welke aspecten deze betrekking heeft.

Nadien benaderde u mij telefonisch, omdat u desondanks prijs stelde op een mondelinge toelichting mijnerzijds.

Tijdens dit uitvoerig gesprek ben ik - onder verwijzing naar de betreffende stukken - nader ingegaan op mijn klacht en daarbij aan de orde gebracht:

(…)

- het feit dat T. bij mijn destijds Hoofd van Dienst een 2e brief heeft uitgelokt, de brief van 27 september 1995, welke een kennelijke 'correctie' is van de eerder door dit Hoofd op 20 september 1995 gezonden brief aan (…) uw parket. Deze laatste brief nu ontbreekt in het procesdossier, terwijl de 'gecorrigeerde' versie - welke slechts in die zin van de '20-september-versie' afwijkt dat daarin een passage over tegen mij getroffen 'disciplinaire maatregelen' is opgenomen - blijkens verklaring van T. bij een op 2 oktober 1995 getekende brief van de Hoofdofficier van Justitie in afschrift aan de aangever (Sc.) is meegezonden. Op 14 september 1995 echter had genoemd Hoofd mij al schriftelijk laten weten geen enkele aanleiding voor een disciplinaire bestraffing te zien. Daarna verschenen artikelen in het Nieuwsblad van het Noorden, inhoudende dat ik disciplinair zou zijn bestraft en erger. Van de heer Bij., redacteur bij deze krant en mij niet onbekend, vernam ik dat Sc. de heer H., eveneens redacteur bij deze krant en hem niet onbekend, in het bezit had gesteld van de op 27 september 1998 gedateerde brief welke mijn Hoofd van Dienst T. eerder op diens verzoek had toegezonden. Ik houd het Openbaar Ministerie hiervoor volledig verantwoordelijk. De gevolgen van de publicaties hebben een enorme en langdurige impact op mijn leven gehad, zowel zakelijk als privé, en mij aanzienlijke immateriële schade berokkend; Ik heb mij in dit verband, gelet op het niveau waarop de brief van 2 oktober 1995 is getekend, mij afgevraagd of het parket deze klacht zelf wel kan afdoen.

(…)

- het feit dat het ambtsbericht van de Officier aan de Procureur zich nu niet bepaald verhoudt met hetgeen hij later in het g.v.o. meedeelde. De Procureur bleek tijdens het art. 12 verhoor volledig op het verkeerde been gebracht waardoor een genante situatie ontstond;

- het feit dat ik als te horen verdachte moest worden teruggetrokken omdat T. niet wenste toe te zeggen dat Financiën niet over mijn verklaring zou worden geïnformeerd;

- het feit dat mijn destijds Hoofd van Dienst stelselmatig door T. werd geïnformeerd, juist terwijl het mijn stelling betrof dat dit Hoofd zelf als 'verdachte' moest worden aangemerkt.

Kort en goed heb ik u medegedeeld dat naar mijn opvatting sprake is geweest van een samenspanning tussen Financiën en het Openbaar Ministerie, onder gebruikmaking van 'middelen' die geen onderdeel van mijn strafrechtstudie waren en welke ik - zacht uitgedrukt - als op gespannen voet met de procesorde ervaar. Deze zaak is 'gierend' uit de hand gelopen en alleen dankzij uiterst wijs en beheerst optreden van Ti. niet geëscaleerd. Het ware voor mij verleidelijk geweest om substantieel te procederen teneinde enige zaken recht te zetten, en aan de orde te stellen, doch ik heb het dienstbelang voorop gesteld.

In overleg met Ti. zie ik geen aanleiding om na dit alles mijn klacht (wederom) mondeling toe te lichten.

Indien echter het Openbaar Ministerie een gesprek wil aangaan in een ander kader, dan ben ik daartoe met Ti. vanzelfsprekend bereid."

19. Op 28 mei 1998 deelde het arrondissementsparket verzoeker mee dat zijn klacht van 16 april 1998 ter behandeling zou worden doorgezonden naar het Parket-Generaal van het College van procureurs-generaal.

20. Het College van procureurs-generaal deelde verzoeker bij brief van 27 juli 1998 onder meer het volgende mee:

"Uit informatie van het openbaar ministerie te Assen blijkt dat bij brief van 20 juli 1995, gericht aan de hoofdofficier van justitie te Assen, aangifte is gedaan tegen een (tot dan toe) onbekende medewerker van de Belastingdienst terzake van artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht. De aangifte werd gedaan door G., fiscaal jurist bij het advocatenkantoor Sc. & Ko. te Roden en zijn kantoorgenoot, advocaat Sc. Aanleiding voor de aangifte was, dat de heer Sc. door de Deken van de Orde van Advocaten te Assen werd geconfronteerd met een klacht ingediend door de heer B., advocaat te Emmen. Deze klacht had onder andere betrekking op een tweetal brieven afkomstig van de heer G. in zijn hoedanigheid van fiscaal adviseur en gericht aan de Belastingdienst ondernemingen te Emmen. Navraag bij de heer B. leerde dat beide brieven door u in uw functie van medewerker van de Belastingdienst ondernemingen te Emmen aan hem beschikbaar waren gesteld. De hoofdofficier van justitie heeft hierover nadere informatie opgevraagd bij de Belastingdienst te Emmen. Op grond van deze informatie heeft de hoofdofficier van justitie bij brief van 2 oktober 1995 de aangever bericht dat er geen vervolging zou plaatsvinden. Vervolgens heeft de klager op 22 december 1995 een klacht ex artikel 12 Wetboek van Strafvordering ingediend bij het gerechtshof te Leeuwarden. Bij beschikking van 1 juli 1996 heeft het gerechtshof bepaald dat de klacht gegrond was en dat u vervolgd diende te worden terzake van overtreding van artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht. Naar aanleiding van deze uitspraak heeft de officier van justitie een gerechtelijk vooronderzoek geopend. In het kader van dit onderzoek zijn verschillende getuigen gehoord. De strafzaak is op 24 december 1997 ter openbare terechtzitting behandeld.

Bij vonnis van de rechtbank te Assen d.d. 7 januari 1998 is het openbaar ministerie, conform de eis van de officier van justitie, niet-ontvankelijk verklaard.

Uit uw brief van 28 mei jl. maak ik op dat u (…) klachten hebt over het handelen van het openbaar ministerie te Assen in deze zaak. Hieronder zal ik afzonderlijk ingaan op elke klacht.

2. U stelt dat de heer T. bij uw hoofd van dienst een tweede brief heeft uitgelokt, die een correctie was op de eerste brief van 20 september 1995.

Tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris heeft de heer T. verklaard dat hij naar aanleiding van de eerste brief van 20 september 1995 telefonisch contact heeft opgenomen met de heer K., met de vraag of de belastingdienst als werkgever disciplinaire gevolgen verbond aan deze kwestie. De heer K. gaf aan dat er inderdaad disciplinair naar de zaak werd gekeken. De heer T. heeft de heer K. verzocht om dit schriftelijk te bevestigen. De heer K. heeft toen de eerdergenoemde brief van 20 september 1995 aangevuld met één (slot)zin, namelijk de zin "Wellicht ten overvloede deel ik u mee dat ik aan deze kwestie uiteraard disciplinaire consequenties verbonden heb." Deze tweede brief is op 27 september 1995 naar de heer T. gestuurd. Los van de vorm waarin de mededeling is gedaan -een vervolgbrief of een aanvullende brief- geldt dat voor de inhoud van de mededeling de afzender verantwoordelijk is, in casu de heer K.

Met betrekking tot uw klacht dat de pers de beschikking heeft gekregen over de brief van 27 september 1995 merk ik op dat het niet het openbaar ministerie is geweest, dat deze stukken heeft verstrekt aan de pers. Op het moment dat de officier van justitie door een journalist werd benaderd heeft hij zich zeer terughoudend opgesteld. Gebleken is dat het openbaar ministerie in het kader van het strafproces een afschrift van de brief naar de aangever heeft gestuurd. Deze heeft de brief kennelijk onder de aandacht gebracht van de pers. Dit laat onverlet dat de heer Sc. deze zaak kennelijk heeft aangekaart bij de pers. Ik begrijp dat deze publicatie grote impact heeft gehad op uw leven. Echter, dit handelen komt geheel voor rekening van de heer Sc. zelf. Het openbaar ministerie heeft hier helemaal buiten gestaan.

(…)

4. U stelt dat het ambtsbericht van de officier van justitie in het kader van de procedure ex artikel 12 Wetboek van Strafrecht afweek van hetgeen hij later in het verhoor in het kader van het gerechtelijk vooronderzoek verklaarde.

Uit de stukken in het dossier blijkt dat de officier van justitie de procureur-generaal correct heeft geïnformeerd.

Voor zover u met deze klacht doelt op de (eventuele) disciplinaire maatregelen jegens u merk ik op dat de heer K. bij brief van 27 september 1995 letterlijk schrijft dat hij aan de kwestie "uiteraard disciplinaire consequenties heeft verbonden". De officier van justitie heeft dit letterlijk overgenomen in zijn ambtsbericht aan de procureur-generaal. Uit de veel later afgelegde verklaring van de heer K. bij de rechter-commissaris bleek echter dat hij achteraf bedoelde te zeggen dat er een disciplinair onderzoek was gedaan en dat u op grond van de resultaten van dit onderzoek een waarschuwing hebt gekregen. Dat kon de officier van justitie echter niet weten.

5. U klaagt erover dat de heer T. niet wilde toezeggen dat het ministerie van Financiën niet over uw (eventuele) verklaring werd geïnformeerd.

Op grond de justitiële Circulaire "Kennisgeving strafrechtelijke vervolging van ambtenaren" van 1979 (zie achtergrond, onder 8.; N.o.) verstrekt het openbaar ministerie inlichtingen aan het bevoegde gezag, indien zij vervolging instelt tegen een ambtenaar wegens een misdrijf waarvan duidelijk is dat het twijfels kan doen rijzen ten aanzien van het behoorlijk functioneren van de verdachte als ambtenaar. Gelet op de feiten en belangen in deze zaak kon de heer T. niet op voorhand de toezegging doen dat het ministerie van Financiën niet ingelicht zou worden. Het openbaar ministerie heeft overigens slechts mededelingen gedaan omtrent de stand van zaken in het strafrechtelijk onderzoek. Er zijn geen processtukken verstrekt aan het ministerie van Financiën of aan (het hoofd van dienst van) de Belastingdienst te Emmen.

6. Uw stelling dat uw hoofd van dienst aangemerkt diende te worden als verdachte mist elke feitelijke grondslag. Uit het dossier blijkt dat op geen enkel moment sprake was van een verdenking jegens de heer K.

Tot slot. In het voorgaande heb ik uw klachten over het handelen van het openbaar ministerie weerlegd. U lijkt over het hoofd te zien dat het openbaar ministerie te Assen zich van meet af aan op het standpunt heeft gesteld dat u niet vervolgd diende te worden. Pas na opdracht van het gerechtshof heeft de officier van justitie vervolging ingesteld. Ook toen heeft de officier van justitie zijn standpunt gehandhaafd. Reeds hierom verwerp ik uw stelling dat de zaak door het handelen van het openbaar ministerie "gierend uit de hand is gelopen". De uitkomst van een disciplinair onderzoek -in casu een waarschuwing- is iets waar het openbaar ministerie buiten staat."

21. Op 28 juli 1998 reageerde verzoeker hierop onder meer als volgt:

"Ter zake van de "tweede brief" van 27 september 1995 is uw redenering aldus dat een ieder hier verantwoordelijkheid treft behoudens het Openbaar Ministerie. U gaat niet in op de door mij aangevoerde jurisprudentie op grond waarvan de Officier van Justitie een (dubbele) geheimhoudingsverplichting heeft. Het in "afschrift" verzenden van genoemde brief, welke als personeelsvertrouwelijk moet worden aangemerkt, is onrechtmatig en dient geen enkel strafprocessueel doel. Het Openbaar Ministerie heeft om deze brief verzocht én deze aan Sc. verstrekt. De redenering dan, dat dit Ministerie als enige geen blaam treft, komt op mij over als het handelen van de partij, die een doosje lucifers koopt en dit aan iemand geeft waarvan met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid bekend is dat deze daarmee brand sticht, terwijl deze partij alsdan zijn handen in onschuld wast, althans de schadelijke gevolgen van zijn handelen en mitsdien zijn verantwoordelijkheid niet onder ogen wil zien.

Voor het overige ging u niet in op mijn grieven (o.a. kontakten met K., verschil ambtsbericht T. naar Procureur-Generaal te Leeuwarden en de door hem afgelegde verklaring tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris etc.).

En voorts mag ik er uitdrukkelijk op wijzen dat - anders dan door u wordt gesteld - ik nimmer een waarschuwing heb gekregen, integendeel."

22. Hierop deelde het College van procureurs-generaal verzoeker bij brief van 27 augustus 1998 onder meer het volgende mee:

"In uw brief van 28 juli jl. stelt u dat de brief van 27 september 1995 van de heer K. als "personeelsvertrouwelijk" diende te worden aangemerkt. Dit bestrijd ik. Bij brief van 1 augustus 1997 heeft de heer T. de heer B. verzocht aan te geven hoe hij in het bezit was gekomen van de brieven. In overleg met de heer B. heeft de heer K. bij brief van 27 september 1995 de gevraagde inlichtingen verschaft. Deze reactie is een officieel ambtsbericht, waarin verantwoording wordt afgelegd met betrekking tot het handelen van een ambtenaar. Het betreft naar mijn oordeel geen personeelsvertrouwelijke informatie. Ik laat nog buiten beschouwing dat ook de auteur geen aanleiding heeft gezien zijn brief een dergelijke rubricering mee te geven. De hoofdofficier van justitie heeft mijns inziens dan ook niet zijn geheimhoudingsplicht geschonden door deze brief ter informatie aan de heer Sc., zijnde de klager, te verstrekken.

(…)

Tot slot merk ik op dat ik in mijn brief van 27 juli jl. er op grond van het dossier vanuit ben gegaan dat u een waarschuwing zou hebben gekregen. Dit blijkt echter niet juist te zijn. Hiervoor bied ik mijn excuses aan."

B. Standpunt verzoeker

Het standpunt van verzoeker staat samengevat weergegeven onder klacht.

C. Standpunt van De Minister van justitie

1. De Minister van Justitie deelde in reactie op verzoekers klacht onder meer het volgende mee:

"Naar aanleiding van de klacht heb ik het College van procureurs-generaal om inlichtingen gevraagd. In reactie op de klacht bericht ik u thans het volgende. Voor de feitelijke toedracht verwijs ik naar bijgevoegde kopie van het ambtsbericht van de hoofdofficier van justitie te Assen van 7 juli 1999 (zie hierna, onder C.2.; N.o.) (…). Ter toelichting en aanvulling merk ik daarbij het volgende op:

(…) Uit het ambtsbericht blijkt ten aanzien van de eerste klacht dat de officier van justitie telefonisch navraag heeft gedaan of de Belastingdienst disciplinaire gevolgen zou verbinden aan het door de heer S. verstrekken van correspondentie aan derden. Volgens het hoofd van de belastingeenheid te Emmen, de heer K., zou disciplinair naar de zaak worden gekeken. Het staat de officier van justitie uiteraard volledig vrij om een schriftelijke bevestiging van dit gesprek (in de vorm van een nieuwe brief) te vragen. In deze bevestiging/nieuwe brief, d.d. 27 september 1995, schrijft de heer K.:

"Wellicht ten overvloede deel ik u mee dat ik aan deze kwestie uiteraard disciplinaire consequenties verbonden heb." Voornoemde woordkeuze is niet afkomstig van de officier van justitie, maar komt geheel voor rekening van de heer K. De heer K. had ook een ander standpunt kunnen innemen of andere bewoordingen kunnen kiezen om het standpunt van de Belastingdienst kenbaar te maken. Op dit punt acht ik de klacht met het College van procureurs-generaal ongegrond.

(…) Uit het ambtsbericht blijkt ten aanzien van de tweede klacht dat de aangever in zijn brief van 14 augustus 1995 de hoofdofficier van justitie heeft verzocht hem te berichten over de voortgang van de zaak. In antwoord op deze brief heeft de hoofdofficier in zijn brief van 2 oktober 1995 de sepotbeslissing aan de aangever meegedeeld. In aanvulling op het ambtsbericht merk ik op dat de zaak is geseponeerd primair op grond van code 02 (onvoldoende bewijs) en subsidiair op grond van code 20 (ander dan strafrechtelijk ingrijpen prevaleert). Naar nu moet worden vastgesteld is in de brief aan de aangever het onderscheid primair-subsidiair onderbelicht gebleven. Met betrekking tot de tweede sepotgrond (code 20) merk ik in aanvulling op het ambtsbericht op dat op grond van de zinsnede in de brief van de heer K., dat "hij aan deze kwestie disciplinaire consequenties had verbonden", kon worden afgeleid dat de Belastingdienst maatregelen had getroffen in verband met de verstrekking van correspondentie aan derden door de heer S. Overigens heeft het gerechtshof naar aanleiding van de klacht van de aangever, ex. art. 12 e.v. Sv, geoordeeld dat de heer S. diende te worden vervolgd ter zake van overtreding van het bepaalde in art. 272 lid 1 Sr. Met deze beslissing is het eerdere sepot komen te vervallen.

De bevoegdheid voor het ter informatie bijvoegen van de brief van 27 september 1995 is enerzijds gebaseerd op de Circulaire "Beleid van het openbaar ministerie inzake afdoening van klachten in het algemeen en toepassing van art. 12 van het wetboek van strafvordering" (zie achtergrond, onder 7.; N.o.). Onder punt 4 van deze Circulaire wordt gesteld dat wanneer het openbaar ministerie aan de klager/benadeelde kennis geeft van een beslissing tot niet-vervolging of tot niet verdere vervolging hij deze beslissing steeds zo volledig mogelijk motiveert. Anderzijds kan naar analogie van de artikelen 51d lid 1 en 51f lid 3 Sv (zie achtergrond, onder 2.; N.o.) en in het licht van de Richtlijn "Slachtofferzorg bij het landelijk in werking treden van de Wet Terwee" (zie achtergrond, onder 9.; N.o.) worden gesteld dat de beslissing tot niet verdere vervolging met redenen omkleed dient te worden en dat een slachtoffer daarover zo uitvoerig mogelijk geïnformeerd moet worden. Natuurlijk had de hoofdofficier van justitie er ook voor kunnen kiezen de inhoud van de brief van de heer K. weer te geven in zijn brief van 2 oktober 1995. Ter onderbouwing van de sepotbeslissing heeft hij er echter voor gekozen de brief bij te voegen. Op dit punt acht ik de klacht met het College van procureurs-generaal ongegrond.

(…) Uit het ambtsbericht blijkt ten aanzien van de derde klacht dat een dergelijke toezegging niet juist zou zijn. In de eerste plaats merk ik op dat een terechtzitting openbaar is en dat de kans aanwezig is dat de rechter ter terechtzitting citeert uit de afgelegde verklaring. In de tweede plaats moest er rekening mee worden gehouden dat op grond van de Circulaire "Kennisgeving strafrechtelijke vervolging van ambtenaren" de Belastingdienst geïnformeerd zou moeten worden. Onder punt 4 sub b en c van de Circulaire wordt gesteld dat het openbaar ministerie het bevoegde gezag (i.c. de Belastingdienst), al dan niet op verzoek, inlichtingen verstrekt over de vervolging van de verdachte ambtenaar (i.c. de heer S.). Op dit punt acht ik de klacht met het College van procureurs-generaal eveneens ongegrond."

2. In het ambtsbericht van de hoofdofficier van justitie te Assen van 7 juli 1999 staat onder meer het volgende vermeld:

"1. Verzoeker, de heer S., klaagt er over dat de officier van justitie te Assen het ertoe heeft geleid dat het hoofd van de belastingeenheid diens brief van 20 september 1995 aan het arrondissementsparket te Assen heeft aangevuld met de mededeling dat hij "disciplinaire consequenties had verbonden" aan het feit dat verzoeker twee brieven van een belastingadviseur had verstrekt aan een derde.

De betreffende officier van justitie, T., heeft - naar aanleiding van de aangehaalde brief van 20 september 1995 - in het kader van de beoordeling van de doelmatigheid van een vervolging tegen de heer S., telefonisch navraag gedaan bij het hoofd van de belastingeenheid te Emmen, de heer K., of er door de Belastingdienst als werkgever van de heer S. disciplinaire gevolgen verbonden zouden worden aan het door de heer S. verstrekken van correspondentie aan derden. Nadat de heer K. had geantwoord dat er disciplinair naar de zaak werd gekeken, heeft T. om een schriftelijke bevestiging gevraagd. Dat deze bevestiging op voorstel van T. is gedaan middels een gelijkluidende brief met aanvulling van de betreffende mededeling, acht ik niet bezwaarlijk. Het stond het hoofd van de belastingeenheid uiteraard vrij om een andere vorm te kiezen.

2. De heer S. klaagt er over dat de hoofdofficier van justitie te Assen de gewijzigde brief van 27 september 1995 van het hoofd van de belastingeenheid aan het arrondissementsparket te Assen integraal ter beschikking heeft gesteld aan de belastingadviseur in kwestie.

Door middel van een brief van Sc. & Ko. Advocaten d.d. 20 juli 1995 werd door G. en Sc. aangifte gedaan van mogelijke overtreding van art. 272 Sr. tegen N.N., werkzaam bij de belastingdienst te Emmen.

Bij brief van 14 augustus 1995 verzocht de heer G. om hen te berichten omtrent de voortgang van deze zaak.

Mijn ambtsvoorganger heeft vervolgens bij brief van 15 augustus 1995 en 2 oktober 1995 geantwoord op het verzoek van G. en Sc. In de laatstgenoemde brief werd de sepotbeslissing aan betrokkenen als benadeelde partij meegedeeld. Zoals verwoord in deze brief werd de strafzaak tegen de heer S. geseponeerd, omdat er geen verdenking (in de zin van art. 27 Sv.) bestond dat door de heer S. was gehandeld in strijd met art 272 Sr. nu meerdere bestanddelen van dat delict niet leken te zijn vervuld. Voorts waren er door de Belastingdienst disciplinaire maatregelen getroffen.

Gelet op de artt. 51f lid 3. en 51d lid 1 Sv. en in aanmerking genomen het verzoek van de aangevers/benadeelden werden zij schriftelijk geïnformeerd omtrent de afdoening. De brief van 27 september 1995 van het hoofd van de belastingeenheid Emmen werd daar ter adstructie volledigheidshalve bijgevoegd. Redengevend voor het zo volledig mogelijk informeren van betrokkenen is tevens de Circulaire van de minister van Justitie d.d. 21 mei 1969, St.str.nr. 234/269, betreffende het "Beleid van het openbaar ministerie inzake afdoening van klachten in het algemeen en toepassing van art. 12 van het Wetboek van Strafvordering" en meer in het algemeen het slachtofferbeleid van het openbaar ministerie.

Gelet echter op de informatieplicht van het openbaar ministerie en het motiveringsvereiste jegens een aangever en mede gelet op de professie van de aangevers in casu, is de klacht naar mijn oordeel niet gegrond.

Dat de betreffende brief - kennelijk door of door tussenkomst van Sc. c.s. - ter kennis is gebracht van de pers acht ik, evenals mijn ambtsvoorganger, betreurenswaardig, maar niet aan het openbaar ministerie toe te rekenen.

Desalniettemin heeft T. omtrent het kennisnemen van de (inhoud van de) brief door een journalist, zijn excuses aangeboden aan de heer K. en verzocht deze over te brengen aan de heer S.

In het licht van het bovenvermelde acht ik de klacht op dit onderdeel afdoende beantwoord.

3. De heer S. klaagt er over dat de officier van justitie te Assen heeft geweigerd hem toe te zeggen dat de verklaring, die hij als verdachte wilde afleggen in het gerechtelijk vooronderzoek, niet aan de Belastingdienst bekend zou worden gemaakt.

Gelet op de Circulaire "kennisgeving strafrechtelijke vervolging van ambtenaren" van de minister van justitie d.d. 28 februari 1979, St.str.nr. 167/279, in het bijzonder het gestelde onder punt 4 sub b en c, en mede in aanmerking genomen de belangen van de Belastingdienst in deze, kon en mocht T. in de betreffende strafzaak niet de toezegging doen dat de Belastingdienst niet geïnformeerd zou worden omtrent de (eventuele) verklaringen van de heer S. In casu zou een dergelijke toezegging niet in overeenstemming zijn met een behoorlijke procesorde."

D. Reactie verzoeker

Verzoeker deelde in reactie op het standpunt van de Minister het volgende mee:

"l. Algemeen.

Geen verschil van mening bestaat over het feit dat de litigieuze brief van 27 september 1995, zoals in 2e instantie tot stand gekomen uit overleg tussen mijn destijdse hoofd van dienst K. en de destijdse Officier van Justitie T., mij schade heeft berokkend. In dit verband verwijs ik naar de brief van het Openbaar Ministerie van 27 juli 1998 (…) waarin is opgemerkt:

"Ik begrijp dat deze publicatie grote impact heeft gehad op uw leven."

De vraag alleen nu is wie daarvoor aansprakelijk is. De litigieuze aanvulling van 27 september 1995 is aantoonbaar feitelijk onjuist omdat het hoofd van dienst K. mij op 13 september 1995 (dus twee weken eerder) liet weten:

"de disciplinaire procedure inzake (…..) niet in een bestraffing te laten uitmonden."

(…)

Mijn conclusie is dan ook dat op 27 september 1995 - in onderling overleg - door beide heren een vervangende brief is geproduceerd waarvan elk redelijk denkend mens (en zeker juristen als K. en T. zijn) had moeten weten dat hieruit voor mij persoonlijke en zakelijke schade zou (kunnen) voortvloeien. Achteraf stelt K.:

"Alleen over de laatste alinea wil ik iets opmerken. Er is door mij op 20 september 1995 dezelfde brief aan de heer T. geschreven. In deze laatstgenoemde brief ontbrak de laatste alinea. Naar aanleiding van de brief van 20 september 1995 nam de heer T. telefonisch contact met mij op. Hij vroeg mij of er ook disciplinair naar de zaak was gekeken. Ik heb hem gezegd dat er een disciplinaire procedure was gevolgd. De heer T. vroeg mij ter vervanging van de brief van 20 september 1995 een nieuwe brief te zenden waarin tot uitdrukking zou worden gebracht dat er een disciplinaire procedure had plaatsgevonden. De heer T. vond het niet nodig te weten wat het resultaat van de disciplinaire procedure was geweest. (......). Wanneer de heer T. mij zou hebben gevraagd of aan S. een straf was opgelegd zou ik hem hebben gezegd dat dit niet het geval was."

Deze verklaring is door K. op 22 oktober 1996 afgelegd als getuige in het g.v.o. (…).

De Officier van Justitie T. verklaart in hetzelfde g.v.o. op 8 januari 1997 als getuige:

"Ik vond het ook niet van belang of er al dan niet een disciplinaire straf was opgelegd of zou worden opgelegd."

Tevens verklaart deze Officier in hetzelfde verhoor:

"De brief van de heer K. aan mij van 27 september 1995 is bij een door de hoofdofficier getekende brief van 2 oktober 1995 in afschrift aan de aangever meegezonden."

Het hoofd van dienst K. zegt in het beeldschermjournaal van 17 oktober 1995:

"Natuurlijk heb ik nagegaan hoe mijn brief aan justitie naar de pers kon uitlekken. Medewerkers moeten er immers op kunnen vertrouwen dat hun personeelsdossier niet op straat komt te liggen. Het is gebeurd door een fout van de Officier. Deze heeft daarover aan S. en mij verontschuldigingen aangeboden."

Noot: aan mijn persoon is nimmer verontschuldigingen aangeboden.

Mijn conclusie kan in het licht van deze feiten onmogelijk anders zijn dan dat op initiatief van de Officier van Justitie een brief is geproduceerd met een zinsnede waarvan men wist dan wel had kunnen weten dat deze onjuist was en mij zowel zakelijk als privé zeer zou kunnen schaden. Ofschoon het van meet af aan de bedoeling moet zijn geweest van deze Officier om die brief integraal aan de aangever te overleggen - iets waarover K. niet door hem was geïnformeerd - heeft deze Officier (bewust?) niet verder gekeken dan zijn neus lang was. Hij vond het niet van belang te weten of mij al dan niet een disciplinaire straf was opgelegd. Over die onderwerp moet - gelet op de verklaring van K. - wél zijn gesproken. Het is mijn uitdrukkelijke opvatting dat door deze houding een zware verantwoordelijkheid rust op de schouders van het Openbaar Ministerie ten aanzien van de schade welke mij is berokkend. Het afschuiven van die verantwoordelijkheid naar het hoofd van dienst K. en de aangever is in dit kader niet relevant.

(…)

2. Aanvulling brief van 20 september 1995 met litigieuze zinsnede.

Zoals hiervoor al is neergelegd ontkom ik niet aan de indruk dat de Officier van Justitie opzettelijk aan het hoofd van dienst K. een verklaring heeft ontlokt (uitgelokt?) welke hij zonder enige recherche (hij vond dat niet van belang) integraal heeft overgelegd aan de aangever wiens kantoor hij kende als één waarvoor terdege moest worden opgepast. In consensus is tussen het Openbaar Ministerie en mij dat deze handeling een "grote impact heeft gehad op mijn leven". Het hoofd van dienst K. heeft hier - weer eens - misgecommuniceerd, het Openbaar Ministerie heeft zich in mijn opvatting jegens mij ernstig onrechtmatig gedragen.

3. De brief van 27 september 1995 is ter beschikking van de aangever gesteld.

De brief van 27 september 1995 is door de Hoofdofficier van Justitie op 2 oktober 1995 integraal en onverkort aan de aangever toegezonden. Binnen korte tijd werd ik benaderd door een verslaggever van het Nieuwsblad van het Noorden (Bij.) die mij met bedoelde - en mij onbekende - brief confronteerde. Kort daarop verschenen krantenartikelen waarin mij een ernstige disciplinaire straf werd toegedicht. De Officier is ook door deze verslaggever - op 12 oktober 1995 - benaderd (vide diens brief aan de P.G. van 23 januari 1996 (…). De "enige informatie", welke de Officier in deze brief zegt te hebben verstrekt, heeft er in elk geval niet toe geleid dat door hem (alsnog) navraag is gedaan bij het hoofd van dienst K. over mijn vermeende bestraffing dan wel dat de latere artikelen door hem - voor zover het mijn vermeende bestraffing betreft - zijn tegengehouden in die zin dat openheid van zaken is verstrekt. Kennelijk paste dit niet in zijn processtrategie. Financiën doet het al niet veel beter. Het bewuste artikel:

"De belastingdienst in Emmen heeft inmiddels toegegeven dat de belastingontvanger zijn boekje te buiten is gegaan. Er is intern een disciplinaire maatregel tegen hem getroffen. Op grond daarvan heeft het OM in Assen besloten het verzoek tot vervolging naast zich neer te leggen "

Men hield dus eensgezind het "sprookje" in stand terwijl in de kontakten met de genoemde verslaggever volop de mogelijkheid bestond om "ten halve te keren".

De Minister van Justitie erkent nu ook dat primair is geseponeerd omdat onvoldoende bewijs voorhanden was. Dit was al lang het oordeel van mij en mijn advocaat Ti., nog daargelaten het ontvankelijkheidsvraagstuk dat voorlag. In dit licht is het des te opmerkelijker dat de litigieuze brief integraal is overgelegd teneinde het sepot subsidiair te onderbouwen. De opmerking van de Minister van Justitie, dat "op grond van de zinsnede in de brief van de heer K., dat hij aan deze kwestie disciplinaire consequenties had verbonden, kon worden afgeleid dat de Belastingdienst maatregelen had getroffen (......)" gaat stuk op het feit dat de Officier van Justitie tijdens zijn verhoor op 8 januari 1997 in het kader van het g.v.o. verklaarde het niet van belang te vinden of ik nu wel of niet bestraft was en de bevestiging hiervan door het hoofd van dienst K. in diens g.v.o. verklaring. De Officier van Justitie had bij zijn opzet (om de litigieuze brief te overleggen) dienen te rechercheren, doch heeft tweemaal stilgezeten waar hij actief had behoren te

zijn: éénmaal op 27 september 1995 in het onderhoud met K. en éénmaal op 12 oktober 1995 tijdens het onderhoud met de verslaggever van het Nieuwsblad van het Noorden. Bij mij prangt de vraag waarom de Officier - bij het gegeven dat hij het niet van belang vond te weten of ik was bestraft dan wel zou worden bestraft - tóch dit aspect meenam in zijn bericht naar de aangever toe en zijn ambtsbericht naar P.G. St.

Het is mijn stelling dat de (Hoofd)officier van Justitie zijn geheimhoudingsverplichting heeft geschonden ex artikel 28a Wet RO en ex artikel 125a lid 3 van de Ambtenarenwet door de litigieuze brief integraal aan de aangever te overleggen. Er bestond geen enkele verplichting cq. noodzaak om dit te doen. De Officier had bij enig doorvragen kunnen weten dat ik disciplinair niet was bestraft, een subsidiaire onderbouwing behoeft in het kader van een belangenafweging niet zo integraal te zijn dat een brief wordt overgelegd (ook niet in het kader van punt 4 van de circulaire "beleid van het openbaar ministerie inzake afdoening van klachten in het algemeen en toepassing van art. 12 van het wetboek van strafvordering). Door niet te willen weten of mijn persoon al dan niet bestraft was, nam de Officier bij het integraal overleggen van de litigieuze brief bewust het risico dat het af zou lopen als is gebeurd.

Uit de door de Officier van Justitie aan de P.G. op 23 januari 1996 (…) blijkt nu niet bepaald dat deze de aangever als "slachtoffer" zag, integendeel:

"dat het hier maatschappelijk niet wenselijk is dat ten faveure van de aanstichter van al het onderhanden onheil tot vervolging wordt overgegaan van iemand die in het licht van - videte brief van B. aan de deken - onoirbaar onder druk wordt gezet en beledigd. "

De 'slachtofferconstructie' achteraf spreekt mij niet aan. De Officier had ook in dit kader geen enkele noodzaak om de litigieuze brief integraal te overleggen.

Volstrekt duidelijk moet zijn dat de op 27 september 1995 gedateerde brief van het hoofd van dienst K. (op Belastingpapier) voor de bewuste verslaggever (die ik in de persoonlijke sfeer zeer goed ken) hét ultieme bewijs was dat ik disciplinair was bestraft. Mijn ontkenning had daarop niet zoveel invloed meer. Nadien informeerde hij mij - voor plaatsing van het artikel - dat zowel Justitie als Financiën desverzocht de bestraffing niet hadden ontkend, nog sterker, dat Financiën (die anders nooit in de publiciteit uitlatingen over personeel doet, zeker niet als iets onder de rechter is) had toegegeven dat tegen mijn persoon "disciplinaire maatregelen waren getroffen." (zie citaat hierboven).

4. Het informeren van Financiën door Justitie.

De Minister van Justitie verwijst hier naar de circulaire "Kennisgeving strafrechtelijke vervolging van ambtenaren", meer speciaal onder punt 4 sub b en c daarvan. Het is mijn uitdrukkelijke opvatting dat door mij als verdachte in het kader van het g.v.o. af te leggen verklaringen (juist om ter terechtzitting de publiciteit minder in de kaart te spelen en om 'fact-finding' te optimaliseren) niet op voorhand moeten worden toegespeeld aan de Belastingdienst, meer speciaal het hoofd van dienst K. die door mij is aangeduid als degene die toestemming gaf voor het verstrekken van de kwestieuze brieven. Binnen

5 minuten was mijn verhoor beëindigd onder achterlating van een hoofdschuddende rechter-commissaris. Al mijn rechten als verdachte zijn hierdoor afhandig gemaakt, zo niet het gehele strafproces.

De door de Minister van Justitie gememoreerde circulaire d.d. 28 februari 1979, St.str.nr. 167/279 stelt dat 'het tot aanstelling en ontslag bevoegde gezag van het openbaar ministerie tevens bericht ontvangt omtrent vervolging van een ambtenaar en het einde der vervolging." In het algemeen - aldus deze circulaire - wordt het strafdossier overgelegd waarvan kennisneming voor de overweging van administratieve maatregelen van belang is. Doel van deze kennisgeving is - nog steeds volgens deze circulaire - het bevoegde gezag in staat te stellen te beoordelen of het toepassing moet geven aan het bepaalde in de artikelen 91, eerste lid, onder a, en 98, eerste lid onder e, van het ARAR.

Kort en goed zegt deze circulaire dus dat doel van de overlegging van het strafdossier is om het bevoegde gezag in staat te stellen te beoordelen of moet worden geschorst of ontslagen. Ik zal ambtenaarprocesrechtelijk maar niet inhoudelijk worden. De Minister van Justitie behoort als werkgever toch te weten dat niet meer kan worden geschorst of ontslagen indien eerder is besloten om niet tot disciplinaire bestraffing over te gaan. Los daarvan geldt het 'ne bis in idem' beginsel niet waar strafrecht en tuchtrecht samengaan. Ten Departemente zal nog wel de serie 'Tijdschrift voor Ambtenarenrecht' (TAR) liggen waarin verenigd de meest relevante jurisprudentie.

Hoe kan het bestaan dat, indien mij op 13 september 1995 door het hoofd van dienst K. wordt bericht dat geen disciplinaire bestraffing volgt, bij brief van 27 september 1995 - uitdrukkelijk desverzocht door de officier van Justitie - anders wordt gesuggereerd en de bedoelde Officier op 17 april 1997 aan mijn advocaat Ti. (vide diens brieven van 21 mei 1997 aan zowel bedoelde Officier als de Rechter-commissaris) laat weten niet te willen toezeggen dat mijn g.v.o.-verklaring niet aan de Belastingdienst wordt toegespeeld. Al bijna twee jaren daarvoor gaf het tot aanstelling en ontslag bevoegde gezag in de persoon van het hoofd van dienst K. mij te kennen geen disciplinaire bestraffing te willen opleggen. Mijn persoon functioneerde al die tijd volgens de personeelsbeoordelingen bovengemiddeld. De Officier had op grond van de door de Minister van Justitie gememoreerde circulaire volstrekt niet de bevoegdheid om het strafproces ('mijn' strafproces) zo te doorkruisen. Op geen enkele wijze was van toepassing hetgeen is neergelegd in punt 4 van deze circulaire.

Het verweer, dat de kans aanwezig is dat de rechter ter terechtzitting citeert uit de afgelegde verklaring, is een drogreden. Juist omdat het mij en mijn advocaat als geïndiceerd voorkwam ter terechtzitting in het bijzijn van pers niet al te inhoudelijk te worden, is verzocht om mij als verdachte laten horen.

5. Mijn onderhoud met Ko.

Onlangs - Ko. is ook al weer gebrouilleerd met Sc. - vond op zijn verzoek een onderhoud plaats tussen mij en Ko. als destijdse raadsman van de aangever. Bij die gelegenheid deelde hij mij mede dat van meet af bij hem en Sc. het vermoeden bestond dat mijn persoon niet disciplinair was bestraft (de kranten maakten hiervan ook gewag). Bij de behandeling van de art. 12 Sv. procedure ten overstaan van het Hof te Leeuwarden is dit vermoeden exceptief naar voren gebracht. P.G. Ste. bleek onaangenaam verrast, omdat hij anders van zijn Officier had begrepen uit diens ambtsbericht. Het Hof - ook al verrast - besloot daarop de zaak aan te houden en eerst mijn persoon te horen. Op de eerst gestelde vraag, of mijn persoon disciplinair was gestraft, kon ik negatief antwoorden onder overlegging van een afdruk van het beeldjournaal waarin het destijdse hoofd van dienst mijn collegae informeerde. Daarop is al spoedig tot vervolging besloten. Uit informele bron is mij bekend dat het Hof daarbij niet zozeer mijn persoon op het oog had als wel de bijzondere 'samenwerking' tussen Financiën en Justitie die al door Ko. was gesuggereerd.

(…)

Bijna vier jaar is mijn leven tot een hel geweest. Ik heb mij uiteindelijk onder psychologische hulp moeten stellen. Ik ben in mijn persoonlijkheid veranderd in het nadeel van mijn directe omgeving. Bij mij bestaat niet meer het vertrouwen dat ik zou moeten hebben.

De Minister van Justitie nam ruimschoots tijd om een nietszeggende en feitelijk onjuiste reactie te geven. Het zij zo. U kent mijn reactie daarop."

E. Reactie Minister van Jusitie

De Minister van Justitie deelde vervolgens het volgende mee:

"…De heer S. vraagt zich af waarom de officier van justitie aan de ene kant aangaf het niet van belang te achten of er een disciplinaire straf was opgelegd, maar aan de andere kant wel mededeling hierover deed tegenover de aangever en de behandelend procureur-generaal.

Zoals ik in mijn brief van 5 augustus jl. reeds vermeldde heeft de officier van justitie de zaak primair geseponeerd wegens gebrek aan bewijs. Subsidiair heeft hij verwezen naar de mededeling van de heer K. dat "hij aan de kwestie disciplinaire consequenties had verbonden". Zoals de officier van justitie aangaf in het verhoor bij de rechter-commissaris was voor hem niet belangrijk wat de uitkomst van een disciplinaire procedure was. Relevant voor hem was slechts de mededeling dat er disciplinair naar de zaak gekeken zou worden. Van deze mededeling heeft hij een schriftelijke bevestiging gevraagd en vervolgens heeft hij de letterlijke tekst verwerkt in zijn ambtsbericht in het kader van de artikel 12-procedure. Hierbij merk ik nogmaals op dat de formulering van deze mededeling geheel voor rekening komt van degene die deze heeft opgesteld, zijnde de heer K.

Voor het overige biedt de brief van de heer S. naar mijn oordeel geen nieuwe gezichtspunten waarop nadere reactie geboden is…"

F. Nadere reactie verzoeker

Verzoeker deelde hierop onder meer het volgende mee:

"De reactie van de Minister van Justitie verbijstert mij. Een substantiële reactie op hetgeen door mij te berde is gebracht, blijft consequent achterwege. Mij wil voorkomen dat genoemde Minister geen inhoudelijk commentaar wenst te geven en de "zwarte Piet" aan de Staatssecretaris van Financiën doorspeelt."

Beoordeling

Inleiding

1. Verzoeker is werkzaam als ontvanger bij de Belastingdienst. In die hoedanigheid verstrekte hij medio 1995 twee - geanonimiseerde - brieven, die belastingadviseur G. aan de Belastingdienst had gericht, aan advocaat B. De heer G. was eerder op basis van één van deze brieven veroordeeld voor belediging van verzoeker.

B. diende vervolgens een klacht in bij de Deken van de Orde van Advocaten tegen advocaat Sc., voor wie G. werkzaam was, wegens onheuse bejegening door G. (Het indienen van een klacht tegen G. zelf was niet mogelijk aangezien deze geen advocaat was.) B. voegde bij zijn klacht afschriften van de twee brieven die verzoeker aan hem had verstrekt.

2. Bij brief van 20 juli 1995 deden G. en Sc. bij het arrondissementsparket te Assen aangifte terzake van overtreding van artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht (Sr.; schending ambtsgeheim; zie achtergrond, onder 1.) wegens het verstrekken van de betreffende brieven aan B.

Hierop verzocht het arrondissementsparket B. mee te delen wie hem de betreffende brieven ter beschikking had gesteld.

Na overleg met B. deelde K., het hoofd van de eenheid waar verzoeker werkzaam was, het arrondissementsparket bij brief van 20 september 1995 mee dat verzoeker de beide brieven had verstrekt aan de heer B. ter ondersteuning van diens klacht bij de Deken. Verzoeker had hem om toestemming gevraagd voor verzending van de betreffende brieven. Hij had die toezending niet gewild. Dat verzoeker de brieven toch aan B. had verstrekt, berustte op een miscommunicatie tussen hem en verzoeker, aldus K.

Naar aanleiding van deze brief van K. nam officier van justitie T. telefonisch contact op met K. Hierop stuurde K. een nieuwe brief aan T. Deze nieuwe brief, gedateerd 27 september 1995, was gelijk aan de eerdere brief van 20 september 1995, met dien verstande dat de nieuwe brief was aangevuld met de volgende zin: "Wellicht ten overvloede deel ik u mee dat ik aan deze kwestie uiteraard disciplinaire consequenties verbonden heb".

3. Bij brief van 2 oktober 1995 verstrekte de hoofdofficier van justitie te Assen een afschrift van de brief van K. van 27 september 1995 aan G. en Sc. De hoofdofficier deelde in zijn brief mee dat hij geen gevolgen verbond aan hun aangifte, aangezien hem niet was gebleken van een redelijk vermoeden van schuld van overtreding van artikel 272 Sr, en de Belastingdienst bovendien disciplinaire maatregelen had getroffen tegen verzoeker, een omstandigheid waarmee hij in het licht van het onderliggend conflict terdege rekening wilde houden.

Vervolgens verscheen er medio oktober 1995 een publicatie in het Nieuwsblad van het Noorden waarin wordt geciteerd uit de brief van 27 september 1995, en waarin onder meer wordt gesteld dat de Belastingdienst disciplinaire maatregelen had getroffen tegen verzoeker.

4. Op 22 december 1995 deed G., bijgestaan door Sc., krachtens artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering (Sv.; zie achtergrond, onder 2.; N.o.) beklag bij het gerechtshof te Leeuwarden over de beslissing van de hoofdofficier van justitie te Assen om verzoeker niet te vervolgen.

In het kader van deze beklagprocedure deelde officier van justitie T. de procureur-generaal bij het gerechtshof te Leeuwarden in zijn ambtsbericht van 23 januari 1996 onder meer mee dat K. disciplinaire maatregelen had verbonden aan het verstrekken van de beide brieven door verzoeker aan B.

Bij brief van 29 mei 1996 deelde K. verzoeker mee dat hij op 13 september 1995 had besloten de disciplinaire procedure inzake het verstrekken aan B. van twee aan de Belastingdienst gerichte brieven niet in een bestraffing van verzoeker te laten uitmonden.

Vervolgens gelaste het gerechtshof bij beschikking van 1 juli 1996 dat verzoeker alsnog diende te worden vervolgd.

5. Op 7 januari 1998 verklaarde de meervoudige strafkamer van de arrondissementsrechtbank te Assen de officier van justitie niet ontvankelijk in zijn vervolging van verzoeker, vanwege het ontbreken van een klacht gedaan door degene die daartoe blijkens de wet is gerechtigd.

II. Ten aanzien van de mededeling met betrekking tot de "disciplinaire consequenties"

1. Verzoeker klaagt er in de eerste plaats over dat officier van justitie T. het ertoe heeft geleid dat het hoofd van de belastingeenheid, K., diens brief van 20 september 1995 aan het arrondissementsparket te Assen heeft aangevuld met de passage: "Wellicht ten overvloede deel ik u mee dat ik aan deze kwestie uiteraard disciplinaire consequenties verbonden heb", terwijl verzoeker in het geheel niet disciplinair was bestraft.

2. De Minister van Justitie deelde in reactie op deze klacht het volgende mee. De officier van justitie T. had telefonisch navraag gedaan of de Belastingdienst disciplinaire gevolgen zou verbinden aan het door verzoeker verstrekken van correspondentie aan derden. Volgens het hoofd van de belastingeenheid te Emmen, K., zou disciplinair naar de zaak worden gekeken.

Het stond de officier van justitie volledig vrij om een schriftelijke bevestiging van dit gesprek (in de vorm van een nieuwe brief) te vragen. De woordkeuze in deze nieuwe brief was niet afkomstig van de officier van justitie, maar komt geheel voor rekening van de heer K. De heer K. had ook een ander standpunt kunnen innemen of andere bewoordingen kunnen kiezen om het standpunt van de Belastingdienst kenbaar te maken, aldus de Minister.

3. In het kader van het gerechtelijk vooronderzoek tegen verzoeker heeft T. verklaard dat hij naar aanleiding van de brief van 20 september 1995 telefonisch contact had opgenomen met K. T. had hem gevraagd of er door de Belastingdienst disciplinaire gevolgen verbonden zouden worden aan het door verzoeker verstrekken van correspondentie aan derden. Hiermee bedoelde T. of er door de Belastingdienst als werkgever disciplinair naar de zaak zou worden gekeken. T. had niet gevraagd of dit op dat moment ook al was gebeurd. Dit interesseerde hem ook niet. T. vond het ook niet van belang of er al dan niet een disciplinaire straf was opgelegd of zou worden opgelegd. Hij wilde alleen weten of de Belastingdienst als werkgever zijn verantwoordelijkheid zou nemen. Nadat K. T. had gezegd dat er inderdaad disciplinair naar de zaak werd gekeken had T. K. gevraagd om dit schriftelijk te bevestigen.

4. In het kader van het gerechtelijk vooronderzoek tegen verzoeker heeft K. verklaard dat T. naar aanleiding van de brief van 20 september 1995 telefonisch contact met hem had opgenomen. T. vroeg of er ook disciplinair naar de zaak was gekeken. K. had hem gezegd dat er een disciplinaire procedure was gevolgd. T. vroeg om hem ter vervanging van de brief van 20 september een nieuwe brief te zenden waarin tot uitdrukking zou worden gebracht dat er een disciplinaire procedure had plaatsgevonden. T. vond het niet nodig om te weten wat het resultaat van de disciplinaire procedure was geweest. K. had opnieuw de brief aan T. gezonden met daarin de aanvulling dat er aan de kwestie disciplinaire consequenties verbonden waren. Hiermee had K. geenszins bedoeld aan te geven dat verzoeker disciplinair was gestraft. Het resultaat van de gevolgde disciplinaire procedure was namelijk dat er geen aanleiding bestond om een straf of maatregel op te leggen. Wanneer T. K. had gevraagd of verzoeker een straf was opgelegd, zou K. hebben gezegd dat dit niet het geval was.

5. Vooropgesteld dient te worden dat de woordkeus in de brief van 27 september 1995 van K. op z'n minst ongelukkig is te noemen. De kwalificatie "disciplinaire consequenties" is immers voor tweeërlei uitleg vatbaar. Enerzijds kan er onder worden verstaan dat er een disciplinair onderzoek is gestart, en anderzijds dat er een disciplinaire bestraffing is gevolgd.

Uit de hiervóór onder 3. en 4. opgenomen verklaringen van T., respectievelijk K. blijkt dat T. heeft verzocht om de nieuwe brief van 27 september 1995. Op grond van deze verklaringen is het verder aannemelijk dat T. niet heeft verzocht om in deze brief de door verzoeker gewraakte bewoordingen te gebruiken, doch slechts om een bevestiging van de uitlating van K. dat er een disciplinaire procedure had plaatsgevonden.

De Nationale ombudsman is met de Minister van Justitie van oordeel dat de keus voor de woorden "disciplinaire consequenties" in de brief van 27 september 1995 voor rekening dient te komen van de opsteller van deze brief, de heer K. van de Belastingdienst.

De onderzochte gedraging is op dit punt behoorlijk.

Ten aanzien van het verstrekken van de brief van 27 september 1995 aan G. en Sc.

1. Verzoeker klaagt er tevens over dat de hoofdofficier van justitie te Assen de aangevulde brief van K. van 27 september 1995, bij brief van 2 oktober 1995, integraal ter beschikking heeft gesteld aan G. en Sc.

In dit verband wees verzoeker erop dat er medio oktober 1995 een publicatie in het Nieuwsblad van het Noorden verscheen waarin wordt geciteerd uit de brief van 27 september 1995, en waarin onder meer wordt gesteld dat de Belastingdienst disciplinaire maatregelen had getroffen tegen verzoeker.

2. De Minister van Justitie achtte verzoekers klacht op dit punt niet gegrond, en bracht ter onderbouwing het volgende naar voren.

De bevoegdheid voor het ter informatie bijvoegen van de brief van 27 september 1995 is enerzijds gebaseerd op de circulaire "Beleid van het openbaar ministerie inzake afdoening van klachten in het algemeen en toepassing van art. 12 van het wetboek van strafvordering" (zie achtergrond, onder 7.). Anderzijds kan naar analogie van de artikelen 51d, eerste lid Sv., en 51f, derde lid Sv. (zie achtergrond, onder 2.), en in het licht van de "Richtlijn slachtofferzorg bij het landelijk in werking treden van de Wet Terwee" (zie achtergrond, onder 9.) worden gesteld dat de beslissing tot niet verdere vervolging met redenen omkleed dient te worden en dat een slachtoffer daarover zo uitvoerig mogelijk geïnformeerd moet worden, aldus de Minister.

3. De Nationale ombudsman kan de Minister van Justitie hier in volgen.

In de door de Minister genoemde circulaire wordt onder punt 4. gesteld dat wanneer het openbaar ministerie aan de klager kennis geeft van een beslissing tot niet-vervolging of tot niet verdere vervolging hij deze beslissing steeds zo volledig mogelijk motiveert. Blijkens deze circulaire dient als klager te worden beschouwd de belanghebbende in de zin van artikel 12 Sv.

In het licht van deze circulaire is het niet onjuist dat de hoofdofficier van justitie ter onderbouwing van zijn sepotbeslissing de betreffende brief van 27 september 1995 heeft verstrekt aan G. en Sc.

Zoals hiervóór onder II. ook is overwogen komt de inhoud van deze brief met de ongelukkig geformuleerde passage over de "disciplinaire consequenties" voor rekening van de heer K. van de Belastingdienst.

De onderzochte gedraging is ook op dit punt behoorlijk.

Ten aanzien van de weigering van de officier van justitie verzoeker toe te zeggen dat zijn verklaring niet zal worden bekend gemaakt aan de Belastingdienst

1. Tenslotte klaagt verzoeker erover dat de officier van justitie te Assen heeft geweigerd hem toe te zeggen dat de verklaring, die hij als verdachte wilde afleggen in het gerechtelijk vooronderzoek dat jegens hem was ingesteld, niet aan de Belastingdienst bekend zou worden gemaakt.

2. De Minister van Justitie achtte ook deze klacht niet gegrond. De Minister stelde dat een dergelijke toezegging niet juist zou zijn, en merkte in de eerste plaats op dat een terechtzitting openbaar is en dat de kans aanwezig is dat de rechter ter terechtzitting citeert uit de afgelegde verklaring. In de tweede plaats moest er rekening mee worden gehouden dat op grond van de circulaire "Kennisgeving strafrechtelijke vervolging van ambtenaren" (zie achtergrond, onder 8.) de Belastingdienst zou moeten worden geïnformeerd. Onder punt 4. sub b en c van deze circulaire wordt gesteld dat het openbaar ministerie het bevoegde gezag, al dan niet op verzoek, inlichtingen verstrekt over de vervolging van de verdachte ambtenaar.

3. De door de Minister genoemde kans dat de rechter citeert uit de afgelegde verklaring, heeft geen betekenis voor een toezegging door de officier van justitie. Deze had immers kunnen toezeggen dat het openbaar ministerie de betreffende verklaring niet aan de belastingdienst zou verstrekken.

Echter, gelet op de hiervóór onder 2. genoemde circulaire kon van de officier van justitie niet in redelijkheid worden verwacht dat hij reeds voorafgaand aan het horen van verzoeker door de rechter-commissaris, en dus zonder te weten wat verzoeker zou verklaren, zou toezeggen dat verzoekers verklaring niet aan de Belastingdienst bekend zou worden gemaakt.

De onderzochte gedraging is op dit punt eveneens behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van het arrondissementsparket te Assen, die wordt aangemerkt als een gedraging van de Minister van Justitie, is niet gegrond.

Instantie: Arrondissementsparket Assen

Klacht:

Stelt brief van verzoekers hoofd integraal ter beschikking aan belastingadviseur (verzoeker verstrekte twee brieven van die belastingadviseur aan een derde).

Oordeel:

Niet gegrond