2000/111

Rapport

Op 20 september 1999 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van mevrouw S. te Amsterdam, met een klacht over een gedraging van de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

Naar deze gedraging, die wordt aangemerkt als een gedraging van de Minister van Justitie, werd een onderzoek ingesteld.

Op grond van de door verzoekster verstrekte gegevens werd de klacht als volgt geformuleerd:

Verzoekster klaagt erover dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie (IND) in verband met haar naturalisatie tot Nederlandse van haar verlangt dat zij afstand doet van haar oorspronkelijke nationaliteit. Verzoekster is van mening dat dit redelijkerwijs niet van haar kan worden gevergd nu zij hierdoor een substantieel nadeel lijdt vanwege de vergoeding die de Poolse staat van haar verlangt, en omdat zij inmiddels is getrouwd met een Nederlander.

Achtergrond

1. Rijkswet op het Nederlanderschap (Wet van 19 december 1984, Stb. 628)

Artikel 9, eerste lid:

"... Een verzoek van een vreemdeling die voldoet aan de bepalingen van de beide voorgaande artikelen wordt niettemin afgewezen indien

(...)

b. de verzoeker die een andere nationaliteit bezit, niet het mogelijke heeft gedaan om die nationaliteit te verliezen, dan wel niet bereid is het mogelijke te zullen doen om, na de totstandkoming van de naturalisatie, die nationaliteit te verliezen, tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden verlangd..."

Artikel 15:

"Het Nederlanderschap gaat voor een meerderjarige verloren:

(...)

d. door intrekking van het besluit waarbij het Nederlanderschap is verleend, welke kan plaatsvinden, indien de betrokkene heeft nagelaten na de totstandkoming van zijn naturalisatie al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen."

2. Circulaire van de Staatssecretaris van Justitie van 18 juni 1997, Stcrt. 1997, 128 (Circulaire aan de Minister van Buitenlandse Zaken, de Gevolmachtigd Minister van de Nederlandse Antillen, de Gevolmachtigd Minister van Aruba en de Burgemeesters (t.a.v. de hoofden Burgerzaken))

"... 2. Het herziene afstandsbeleid

Het is mijn bedoeling de verplichting van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit, zoals neergelegd in artikel 9, eerste lid, onder b, en de toegelaten uitzonderingen op die verplichting in deze circulaire voor zoveel mogelijk nader te omschrijven en te objectiveren. Vanaf de datum van inwerkingtreding van deze circulaire zal iemand die om naturalisatie tot Nederlander verzoekt, in beginsel gehouden zijn afstand te doen van zijn of haar oorspronkelijke nationaliteit, tenzij op de verzoeker een van de hierna met name genoemde uitzonderingscategorieën van toepassing is. Naast deze zal slechts in zeer bijzondere gevallen en na individuele afweging, om redenen van redelijkheid van de verzoeker niet worden verlangd afstand te doen.

3. Algemene opmerkingen

Bij de toepassing van artikel 9, eerste lid, onder b, moet rekening worden gehouden met diverse situaties, te weten:

(...)

c. door de naturalisatie tot Nederlander gaat de oorspronkelijke nationaliteit niet automatisch verloren. Bij deze gevallen dient weer te worden onderscheiden tussen de volgende mogelijkheden:

c.1. van de oorspronkelijke nationaliteit kan afstand worden gedaan vóór de verkrijging van het Nederlanderschap;

c.2. eerst na de naturalisatie tot Nederlander kan afstand worden gedaan van de oorspronkelijke nationaliteit;

d. bij de naturalisatie is het anderszins niet redelijk afstand te verlangen.

(...)

7. Ad 3c.2: Van de oorspronkelijke nationaliteit kan niet direct afstand worden gedaan

Voor een aantal Staten geldt dat eerst dan afstand van de nationaliteit kan worden gedaan nadat een andere nationaliteit is verkregen (bijvoorbeeld ter voorkoming van staatloosheid). In die gevallen zal van de naturalisandus moeten worden gevraagd bij de in behandelingneming van zijn verzoek een schriftelijke verklaring te ondertekenen, houdende dat hij bereid is na de naturalisatie het nodige te zullen doen om ontslag als staatsburger van zijn oorspronkelijke Staat te verkrijgen. Op de uitvoering van die bereidverklaring zal toezicht dienen te worden gehouden. Zo nodig kan artikel 15, onder d, van de Rijkswet op het Nederlanderschap worden toegepast.

(...)

10. Samenvatting

Artikel 9, eerste lid, onder b, zal als volgt worden toegepast.

De verzoeker om naturalisatie tot Nederlander die een andere nationaliteit bezit, zal van die nationaliteit afstand moeten doen, met uitzondering van de volgende gevallen:

(...)

d. de verzoeker kan eerst na de verkrijging van het Nederlanderschap afstand doen, in welk geval hij bereid moet zijn afstand te doen, tenzij hij behoort tot een der andere hier volgende gevallen;

(...)

g. de verzoeker is gehuwd met een Nederlander;

(...)

j. de verzoeker zal voor het doen van afstand een betaling moeten doen van zodanige hoogte dat hij daardoor een substantieel financieel nadeel zal lijden..."

3. Toelichting circulaire afstandsverplichting bij naturalisatie (brief van de Staatssecretaris van Justitie van 21 augustus 1997 aan de Minister van Buitenlandse Zaken, de Gevolmachtigde Minister van de Nederlandse Antillen, de Gevolmachtigde Minister van Aruba en de Burgemeesters (t.a.v. de hoofden Burgerzaken))

"... Procedure

Indien een verzoeker om naturalisatie niet valt onder één van de uitzonderingscategorieën, wordt hem gevraagd of hij bereid is om afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Zowel de bereidheid om afstand te doen als de weigering afstand te doen worden schriftelijk vastgelegd door middel van bijgaand model (zie hierna onder 4; N.o). Indien verzoeker niet bereid is afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit wordt hij gewezen op het feit dat het naturalisatieverzoek wordt afgewezen.

Reeds in de voorlichtingsfase dient verzoeker op dit gevolg gewezen te worden, zodat hij alvorens hij een verzoek indient terdege beseft dat indien hij volhardt in zijn weigering, het verzoek wordt afgewezen en hij het bedrag aan betaalde leges niet terugkrijgt. Tevens moet verzoeker in de voorlichtingsfase er op gewezen worden dat indien hij nadat hij genaturaliseerd is, weigert afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit, het besluit waarbij hem het Nederlanderschap is verleend, kan worden ingetrokken.

(...)

Indien de IND drie maanden na het versturen van de kennisgeving aan betrokkene (dat betrokkene Nederlander is geworden; N.o) nog geen verklaring van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit heeft verkregen, wordt betrokkene nogmaals schriftelijk verzocht afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit. Reageert hij hierop niet binnen één maand, dan ontvangt hij een tweede rappel. In dit schrijven wordt hij wederom verzocht afstand te doen en tevens wordt aangegeven dat indien hij niet binnen één maand reageert, het Koninklijk Besluit waarbij het Nederlanderschap werd verleend zal worden ingetrokken. (...)

Betrokkene kan in deze fase niet alsnog een beroep doen op één van de uitzonderingscategorieën. Immers ten tijde van de indiening van het verzoek is hij op de hoogte gesteld van de gevolgen van verkrijging van het Nederlanderschap ten aanzien van zijn oude nationaliteit.

4. Verklaring tot verlies van de tegenwoordige nationaliteit(en) in verband met verzoek om naturalisatie tot Nederlander

Ondergetekende,

(geslachts)na(a)m(en) :

voorna(a)m(en) :

geboren te :

nationaliteit(en) :

wonende te :

verklaart (zich) in verband met zijn/haar verzoek tot verkrijging van het Nederlanderschap

WEL/NIET

() bereid op eerste aanvraag van de Staatssecretaris van justitie stappen te doen die er toe leiden, dat de nationaliteit(en) die hij/zij momenteel bezit, word(t)(en) verloren en de eventuele daaraan verbonden kosten te voldoen.

(...)

Toelichting indien niet bereid:

(plaats) (datum)

(handtekening)

Bovenstaande verklaring wordt verlangd overeenkomstig artikel 9 lid 1 onder b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap. Dit artikel beoogt het ontstaan van dubbele nationaliteit te voorkomen. Indien u nalaat na de totstandkoming van uw naturalisatie al het mogelijke te doen om uw oorspronkelijke nationaliteit te verliezen, kan ingevolge artikel 15 onder d, het besluit waarbij u het Nederlanderschap is verleend, worden ingetrokken. Slechts in de uitzonderingscategorieën genoemd in de circulaire van 18 juni 1997, betreffende wijziging van het beleid inzake het doen van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit bij naturalisatie tot Nederlander, kan worden afgezien van het doen van afstand van die nationaliteit. De argumenten hiervoor dienen uitvoerig te worden vermeld en bewijsstukken te worden overgelegd, indien nodig gelegaliseerd en vertaald.

Onderzoek

In het kader van het onderzoek werd de Staatssecretaris van Justitie verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben.

Vervolgens werd verzoekster in de gelegenheid gesteld op de verstrekte inlichtingen te reageren.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. Verzoekster deelde mee zich met de inhoud van het verslag te kunnen verenigen. De Staatssecretaris van Justitie gaf binnen de gestelde termijn geen reactie.

Bevindingen

A. feiten

1. Op 20 oktober 1998 diende verzoekster bij de afdeling burgerzaken van de gemeente Amsterdam een verzoek in tot verlening van het Nederlanderschap. Daarbij werd door verzoekster een verklaring ondertekend waarbij zij zich bereid verklaarde op eerste aanvraag van de Staatssecretaris van Justitie stappen te ondernemen die ertoe zouden leiden dat zij haar Poolse nationaliteit zou verliezen en de eventueel daaraan verbonden kosten te voldoen (zie achtergrond, onder 4.).

2. Bij Koninklijk Besluit van 26 maart 1999 werd verzoekster het Nederlanderschap verleend. De IND stelde verzoekster hiervan in kennis bij brief van 2 april 1999. In de brief werd onder meer het volgende gesteld:

"Bij de indiening van uw verzoek om naturalisatie heeft u zich bereid verklaard om na uw naturalisatie al het mogelijke te doen om uw oorspronkelijke nationaliteit te verliezen. Ik verzoek u dan ook mij - binnen drie maanden na uitreiking van deze brief - een originele verklaring van de betreffende autoriteiten toe te zenden waaruit blijkt dat u afstand heeft gedaan van uw oorspronkelijke nationaliteit. U kunt mij ook een origineel bewijs toezenden dat die autoriteiten een verzoek tot afstand van u hebben ontvangen. De verklaring of het bewijs dient u tevens in kopie bij de Nederlandse Vertegenwoordiging in te leveren."

3. Bij brief van 26 april 1999 deelde verzoekster de IND mee dat zij van de Poolse ambassade had vernomen dat zij voor het doen van afstand van de Poolse nationaliteit, f 1.768 aan de Poolse staat moest betalen. Verzoekster achtte dit bedrag onoverkomelijk hoog en verzocht de IND haar uitstel te verlenen van de verplichting om binnen drie maanden afstand te doen van haar oorspronkelijke nationaliteit. Voorts liet zij weten voornemens te zijn in het huwelijk te treden met haar Nederlandse vriend en verzocht zij de IND of zij, indien zij eenmaal was getrouwd, alsnog vrijstelling zou kunnen krijgen van de verplichting om afstand te doen van haar oorspronkelijke nationaliteit.

4. Bij brief van 28 juni 1999 herinnerde de IND verzoekster eraan dat zij nog een verklaring van afstand moest inleveren. Op 3 augustus 1999 zond de IND verzoekster een laatste herinnering.

5. Op 30 juni 1999 werd het huwelijk tussen verzoekster en haar vriend voltrokken.

6. In antwoord op haar brief van 26 april 1999 deelde de IND verzoekster bij brief van 26 augustus 1999 het volgende mee:

"... Op grond van artikel 9 lid 1 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) en de circulaire inzake de afstandsverplichting van de Staatssecretaris van Justitie van 18 juni 1997 dient een verzoeker om naturalisatie in principe afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit (zie achtergrond, onder 1., 2. en 3.; N.o.). Op deze hoofdregel bestaan een aantal uitzonderingen. Tijdens de behandeling van het verzoek om naturalisatie kan hierop een beroep worden gedaan. Wanneer echter aan verzoeker het Nederlanderschap is verleend, kan hij zich niet meer beroepen op genoemde uitzonderingen. Indien verzoeker nadat hij genaturaliseerd is weigert om afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit, zal het Koninklijk Besluit waarbij aan hem het Nederlanderschap is verleend in de regel worden ingetrokken.

Op 20 oktober 1998 heeft u een verzoek om naturalisatie ingediend bij de afdeling burgerzaken van de gemeente Amsterdam. Hierbij heeft u een verklaring getekend waarbij u zich bereid heeft verklaard op de eerste aanvraag van de Staatssecretaris van Justitie stappen te ondernemen die ertoe leiden dat u uw Joegoslavische nationaliteit zult verliezen en de (eventuele) daaraan verbonden kosten zult voldoen. Bij Koninklijk Besluit van 26 maart 1999 is aan u het Nederlanderschap verleend.

In uw brief stelt u dat uit navraag bij de Poolse ambassade is gebleken dat voor het doen van afstand van de Poolse nationaliteit een bedrag van f 1.768 verschuldigd is. U voert aan dat u dit bedrag niet wilt betalen. Dit zou kunnen betekenen dat u een substantieel financieel nadeel lijdt, waarmee met succes een beroep op uitzondering "j" van genoemde circulaire kan worden gedaan. Wat hier ook van zij, u heeft pas nadat u genaturaliseerd bent tot Nederlander een beroep gedaan op deze uitzondering. Dit is zoals hierboven reeds is vermeld niet mogelijk.

Tevens verzoekt u in uw brief om op grond van uw huwelijk met een Nederlander ontheven te worden van de verplichting afstand te doen van uw oorspronkelijke nationaliteit. Echter, het huwelijk heeft plaatsgevonden nadat u tot Nederlander bent genaturaliseerd. Hierdoor is het niet mogelijk om beroep te doen op de uitzondering "g" van eerder genoemde circulaire.

Voorts merk ik op dat op de bereidheidverklaring, die u bij de indiening van uw verzoek om naturalisatie heeft getekend, staat aangegeven dat het besluit waarbij aan u het Nederlanderschap is verleend kan worden ingetrokken, indien u na de totstandkoming van de naturalisatie nalaat al het mogelijke te doen om uw oorspronkelijke nationaliteit te verliezen. Tevens wordt in deze verklaring expliciet verwezen naar de circulaire van 18 juni 1997 en de daarin genoemde uitzonderingscategorieën. Gelet hierop mag worden aangenomen dat u op de hoogte was - althans had kunnen zijn - van de mogelijkheden om tijdens de procedure een beroep te doen op de uitzonderingscategorieën..."

7. Bij brief van 31 augustus 1999 liet verzoekster de IND weten het niet eens te zijn met het door de IND in de brief van 26 augustus 1999 ingenomen standpunt. Zij wees er daarbij onder meer op dat zij door de afdeling burgerzaken van de gemeente Amsterdam in het geheel niet was geïnformeerd over de procedure met betrekking tot een verzoek om naturalisatie en de in de circulaire van 18 juni 1997 opgenomen uitzonderingen met betrekking tot het afstand doen van de oorspronkelijke nationaliteit. Voorts sprak zij er haar ongenoegen over uit dat de IND in een van de telefoongesprekken die zij met de dienst had gevoerd, haar had aangeraden in het huwelijk te treden met haar Nederlandse vriend omdat de verplichting afstand te doen van haar Poolse nationaliteit, dan zou komen te vervallen. Thans bleek echter dat dit niet het geval was.

8. De IND reageerde schriftelijk op verzoeksters brief op 14 september 1999. In de brief werden verontschuldigingen aangeboden voor de manier waarop verzoekster door de IND was geïnformeerd en voor het feit dat in de brief van 26 augustus 1999 per abuis was vermeld dat verzoekster de Joegoslavische nationaliteit zou hebben gehad. De IND handhaafde voor het overige haar standpunt dat verzoekster alsnog afstand diende te doen van haar oorspronkelijke nationaliteit.

B. Standpunt verzoekster

1. Voor het standpunt van verzoekster wordt verwezen naar de klachtomschrijving onder klacht.

2. In haar verzoekschrift voerde verzoekster onder meer nog aan dat de door de IND aan de gemeenten verstrekte informatie met betrekking tot de te volgen procedure bij aanvragen om naturalisatie onvoldoende is en dat de IND zich daarom ten onrechte op het standpunt had gesteld dat zij op de hoogte had kunnen zijn van de geldende regels. Verzoekster verwees daarbij naar de bij haar verzoekschrift gevoegde brief van het Bureau Burgerzaken van de gemeente Amsterdam aan haar van 4 mei 1999 waarin wordt gesteld dat de IND de toezegging aan de gemeente, dat een instructie voor de gemeenten zal worden verzorgd inzake de uitzonderingen op de regel dat afstand moet worden gedaan van de oorspronkelijke nationaliteit, nog steeds niet is nagekomen. Voorts voerde verzoekster aan dat medewerkers van de IND haar telefonisch hadden aangeraden alsnog te trouwen met haar Nederlandse vriend omdat het in dat geval geen zin meer had haar alsnog afstand te laten doen van haar oorspronkelijke nationaliteit.

C. Standpunt Staatssecretaris van Justitie

In reactie op de klacht deelde de Staatssecretaris van Justitie het volgende mee:

"... Afstandsverplichting bij naturalisatie

De huidige regelgeving heeft als uitgangspunt dat iemand die voor verlening van het Nederlanderschap in aanmerking wil komen, afstand moet doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Van dit uitgangspunt kan slechts in een aantal uitzonderingsgevallen worden afgeweken. In beginsel wordt een naturalisatieaanvraag, hoewel aan de overige voorwaarden van naturalisatie wordt voldaan, afgewezen, indien de aanvrager die een andere nationaliteit bezit, niet valt onder één van de uitzonderingscategorieën en niet bereid is al het mogelijke te zullen doen om, na de totstandkoming van de naturalisatie, die nationaliteit te verliezen (zie artikel 9 eerste lid, onder b van de Rijkswet op het Nederlanderschap) (zie achtergrond onder 1; N.o.).

De verplichting tot het doen van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit en de uitzonderingen op die verplichting staan omschreven in de circulaire van 18 juni 1997, in werking getreden op 1 oktober 1997, betreffende wijziging van het beleid inzake het doen van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit bij naturalisatie tot Nederlander (zie achtegrond, onder 2. en 3.; N.o.).

Een aanvraag om naturalisatie moet worden ingediend bij de gemeente. Tijdens de voorlichtingsfase zal de gemeente de aanvrager zo volledig mogelijk dienen te informeren. Voor wat betreft de afstandsverplichting zal de gemeente de aanvrager adviseren contact op te nemen met de autoriteiten van het land van herkomst (hetzij direct, hetzij door tussenkomst van de ambassade of een consulaat) of met een rechtshulpverlenende instantie of organisatie om zich op de hoogte te laten stellen van de voorwaarden en gevolgen van het doen van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit. Het zich laten informeren is een eigen verantwoordelijkheid van de aanvrager. Onvolledige voorlichting ontslaat een aanvrager niet van de eigen verantwoordelijkheid te informeren naar de geldende regelingen.

Op het moment van de aanvraag bij de gemeente wordt bovendien bezien of de aanvrager valt onder één van de uitzonderingscategorieën genoemd in bovengenoemde circulaire of dat het redelijkerwijs niet van de persoon kan worden gevraagd om afstand te doen. Indien geen van de uitzonderingen van toepassing is, zal de naturalisandus worden gevraagd een verklaring te ondertekenen waarin hij zich bereid verklaart op de eerste aanvraag van de Staatssecretaris van Justitie, na de totstandkoming van de naturalisatie, stappen te doen die er toe leiden, dat de oorspronkelijke nationaliteit die hij bezit wordt verloren en de eventuele daaraan verbonden kosten te vodoen.

Een aanvrager ondertekent genoemde bereidheidverklaring tijdens de behandeling van de aanvraag tot naturalisatie. Met het invullen en ondertekenen van de bereidheidverklaring toont de aanvrager zich bereid tot het doen van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit - hetgeen een nadrukkelijke voorwaarde is voor naturalisatie - of beroept hij zich op één van de uitzonderingscategorieën j t/m m zoals genoemd in de circulaire van 18 juni 1997 betreffende wijziging van het beleid inzake het doen van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit bij naturalisatie tot Nederlander.

Het beoordelingsmoment of een aanvrager afstand moet doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit ligt dan ook vóór de naturalisatie. Tot het moment van de naturalisatie kan de aanvrager aangeven dat de voorwaarden en gevolgen van het doen van afstand, die hij op het moment van de ondertekening van de bereidheidverklaring niet kende noch hoefde te kennen, zijn gewijzigd. Wijzigingen in de voorwaarden en gevolgen van het doen van afstand na de naturalisatie tot Nederlander zijn voor risico van de naturalisandus.

Als de aanvrager in de door hem ondertekende bereidheidverklaring onvoorwaardelijk aangeeft bereid te zijn afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit dan moet hij "na de totstandkoming van naturalisatie" de gewenste stappen ondernemen. De zinsnede slaat uitsluitend terug op het verrichten van die handelingen die nodig zijn om afstand te doen. De aanvrager dient de handelingen te verrichten onmiddellijk nadat hij is genaturaliseerd tot Nederlander. Indien afstand wordt gedaan van de oorspronkelijke nationaliteit vóór de verkrijging van het Nederlanderschap zou dit immers kunnen leiden tot de ongewenste situatie van staatloosheid. Het tijdstip van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit en verlening van Nederlanderschap zal in het algemeen verschillen. Bovendien kan een aanvraag tot naturalisatie ook worden afgewezen. (...).

Dat een aanvrager niet na de totstandkoming nog een beroep kan doen op een uitzonderingscategorie komt voort uit de systematiek van de regelgeving en staat vermeld in de toelichting op de circulaire afstandsverplichting bij naturalisatie van 21 augustus 1997. Het vóór de totstandkoming van de naturalisatie schriftelijk vastleggen van de bereidheid om afstand te doen, en daarmee af te zien van een beroep op een uitzonderingscategorie, is een voorwaarde zonder welke niet zal worden overgegaan tot voordracht van het Nederlanderschap. De beoordeling of een aanvrager in aanmerking komt voor een uitzonderingscategorie is een onderdeel van het onderzoek vóór de voordracht voor het Nederlanderschap. Op deze bereidheid kan, nadat inmiddels het Nederlanderschap is verleend, dan ook niet worden teruggekomen.

Procedure in de onderhavige zaak

(Verzoekster; N.o.) heeft op 20 oktober 1998 bij het Register te Amsterdam een aanvraag om naturalisatie ingediend. Op het moment van de aanvraag heeft zij een bereidheidverklaring getekend tot verlies van de huidige nationaliteit. Per Koninklijk Besluit van 26 maart 1999 is zij genaturaliseerd tot Nederlander. Noch op het moment van de aanvraag tot naturalisatie noch op het moment van verkrijging van het Nederlanderschap was zij gehuwd met een Nederlander.

Conclusie

Voor wat betreft het huwelijk van (verzoekster; N.o.) merk ik het volgende op. Zij is op 30 juni 1999 in het huwelijk getreden met de heer H., van Nederlandse nationaliteit. Aangezien het huwelijk is voltrokken na de totstandkoming van de naturalisatie, is een beroep op de uitzonderingscategorie "de verzoeker is gehuwd met een Nederlander" niet mogelijk.

Met betrekking tot de opvatting van (verzoekster; N.o.) dat zij een substantieel financieel nadeel lijdt het volgende.

(Verzoekster; N.o.) heeft zich op 20 oktober 1999 schriftelijk bereid verklaard op eerste aanvraag van de Staatssecretaris van Justitie stappen te doen die ertoe leiden, dat de nationaliteit die zij momenteel bezit wordt verloren en de eventuele daaraan verbonden kosten te voldoen. In deze verklaring wordt expliciet verwezen naar de circulaire van 18 juni 1997 en de daarin genoemde uitzonderingscategorieën.

(Verzoekster; N.o.) heeft eerst ná de verkrijging van het Nederlanderschap aangegeven dat zij door het doen van afstand van de Poolse nationaliteit een substantieel financieel nadeel zal lijden.

Zoals hiervoor beschreven is het niet mogelijk om ná de totstandkoming van de naturalisatie alsnog een beroep te doen op één van de uitzonderingscategorieën.

Gelet op haar eigen verantwoordelijkheid kan redelijkerwijs van (verzoekster; N.o.) verlangd worden dat zij, voordat zij een aanvraag tot naturalisatie indient of ten tijde van de behandeling van de aanvraag tot naturalisatie, bij de Poolse autoriteiten informeert naar de hoogte van het bedrag dat dient te worden voldaan om afstand te doen van de Poolse nationaliteit. Dat (verzoekster; N.o.) eerst na het verkrijgen van het Nederlanderschap te weten is gekomen dat zij door het doen van afstand van de Poolse nationaliteit een, volgens haar, substantieel financieel nadeel zal lijden komt dan ook voor haar eigen risico. Afgezien van het vorenstaande heeft (verzoekster; N.o.) niet aannemelijk gemaakt dat het in casu te betalen bedrag buitensporig hoog is en dat derhalve sprake is van een substantieel financieel nadeel..."

D. Reactie verzoekster

Verzoekster bleef bij haar standpunt.

Beoordeling

1. Verzoekster klaagt erover dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie (IND) in verband met haar naturalisatie tot Nederlandse van haar verlangt dat zij afstand doet van haar oorspronkelijke nationaliteit. Verzoekster is van mening dat dit redelijkerwijs niet van haar kan worden gevergd nu zij hierdoor een substantieel nadeel lijdt vanwege de vergoeding die de Poolse staat van haar verlangt, en omdat zij inmiddels is getrouwd met een Nederlander.

2. Ingevolge artikel 9, eerste lid onder b van de Rijkswet op het Nederlanderschap (zie achtergrond, onder 1.), wordt een verzoek om naturalisatie afgewezen indien de verzoeker die een andere nationaliteit bezit, niet het mogelijke heeft gedaan om die nationaliteit te verliezen, dan wel niet bereid is het mogelijke te zullen doen om, na de totstandkoming van de naturalisatie, die nationaliteit te verliezen, tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden verlangd. Ingevolge artikel 15 onder d van voornoemde wet kan, indien wordt nagelaten na de totstandkoming van de naturalisatie al het mogelijke te doen om de oorspronkelijke nationaliteit te verliezen, het besluit waarbij het Nederlanderschap is verleend, worden ingetrokken.

3. Bij de toepassing van artikel 9 van de Rijkswet op het Nederlanderschap hanteert de Staatssecretaris van Justitie richtlijnen die zijn neergelegd in de circulaire van 18 juni 1997 (zie achtergrond, onder 2.). Volgens deze circulaire dient de verzoeker om naturalisatie tot Nederlander die een andere nationaliteit bezit, in beginsel afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. In geval eerst afstand kan worden gedaan van de nationaliteit nadat een andere nationaliteit is verkregen, wordt bij de in behandelingneming van het verzoek om naturalisatie aan betrokkene gevraagd een schriftelijke verklaring te ondertekenen waarin hij zich bereid verklaart op eerste aanvraag van de Staatssecretaris van Justitie, na de totstandkoming van de naturalisatie, stappen te doen die ertoe leiden dat de oorspronkelijke nationaliteit wordt verloren, én de eventuele daaraan verbonden kosten te voldoen (zie achtergrond onder 4.). Van het beginsel dat afstand moet worden gedaan van de oorspronkelijke nationaliteit kan alleen worden afgeweken, indien de verzoeker om naturalisatie behoort tot de in de circulaire genoemde uitzonderingsgevallen. Hiervan is onder meer sprake in geval de verzoeker om naturalisatie is gehuwd met een Nederlander of in geval de verzoeker om naturalisatie voor het doen van afstand een betaling moet doen van zodanige hoogte dat hij daardoor een substantieel financieel nadeel zal lijden.

4. Ter uitvoering van het gestelde in de circulaire van 18 juni 1997 hanteert de Staatssecretaris van Justitie nadere richtlijnen die zijn neergelegd in de Toelichting circulaire afstandsverplichting bij naturalisatie van 21 augustus 1997 (zie achtergrond, onder 3.). Voor zover hier van belang houden die nadere richtlijnen in, dat de verzoeker om naturalisatie ná de totstandkoming van de naturalisatie, niet alsnog een beroep kan doen op één van de in de circulaire van 18 juni 1997 genoemde uitzonderingscategorieën.

De Staatssecretaris van Justitie merkte hierover op in zijn reactie op de klacht dat de aanvrager vóór de naturalisatie dient te besluiten de oude nationaliteit te willen opgeven en de consequenties daarvan te aanvaarden óf gemotiveerd aan te geven waarom hij in aanmerking komt voor één van de in de circulaire van 18 juni 1997 genoemde uitzonderingscategorieën. Hij verwees naar de desbetreffende toelichting op het formulier van de bereidverklaring (zie hiervoor, onder 3.).

De Nationale ombudsman acht de hier weergegeven richtlijnen niet onredelijk.

5. Verzoekster diende op 20 oktober 1998 bij de afdeling burgerzaken van de gemeente Amsterdam een verzoek in tot verlening van het Nederlanderschap. Daarbij ondertekende zij een verklaring waarin zij zich bereid verklaarde op eerste aanvraag van de Staatssecretaris van Justitie stappen te ondernemen die ertoe zouden leiden dat zij haar Poolse nationaliteit zou verliezen, en de eventueel daaraan verbonden kosten te voldoen. Per Koninklijk Besluit van 26 maart 1999 werd verzoekster het Nederlanderschap verleend. Verzoekster was noch op het moment dat zij de aanvraag deed, noch op moment dat zij het Nederlanderschap verkreeg, gehuwd met een Nederlander. Zij trad pas op 30 juni 1999 in het huwelijk. Dit betekent dat zij zich niet kon beroepen op de desbetreffende uitzonderingscategorie. Bovendien deed zij pas ná de totstandkoming van de naturalisatie een beroep op twee van de uitzonderingscategorieën. Gelet op het hiervoor gestelde, kon de IND zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat verzoekster zich daarop op dat moment niet meer kon beroepen, en zonder meer afstand moest doen van haar oorspronkelijke nationaliteit. De volgens verzoekster door de IND gedane telefonische mededeling dat een huwelijk met haar vriend deze verplichting zou doen vervallen doet hier niet aan af. Wel is te betreuren dat verzoekster door deze onjuiste mededeling op het verkeerde been is gezet.

De onderzochte gedraging is behoorlijk.

6. Ten overvloede wordt nog het volgende opgemerkt.

Verzoekster kan in haar standpunt, dat de door de IND aan de gemeenten verstrekte informatie met betrekking tot de te volgen procedure bij aanvragen om naturalisatie onvoldoende is en dat de IND daarom ten onrechte heeft gesteld dat zij op de hoogte had kunnen zijn van de geldende regels, niet worden gevolgd. Zoals hiervoor onder 3. en 4. is gesteld, zijn de (nadere) richtlijnen van de Staatssecretaris van Justitie bij de toepassing van artikel 9 van de Rijkswet op het Nederlanderschap neergelegd in de circulaire van 18 juni 1997 en de Toelichting circulaire afstandsverplichting bij naturalisatie van 21 augustus 1997. In beide stukken, die (mede) zijn gericht aan de Burgemeesters c.q. de hoofden Burgerzaken, wordt precies aangegeven welke procedure bij aanvragen om naturalisatie moet worden gevolgd. Bovendien wordt op de hiervoor onder 3. vermelde te ondertekenen schriftelijke verklaring duidelijk aangegeven wat de verklaring behelst, waarom de verklaring wordt verlangd en wat de gevolgen zijn van het ondertekenen van de verklaring. Voorts wordt expliciet verwezen naar de circulaire van 18 juni 1997 en de daarin genoemde uitzonderingscategorieën. Zo de gemeente verzoekster onvoldoende voorlichting heeft verstrekt, dan wel verzoekster heeft nagelaten zich voldoende te informeren alvorens zij de verklaring ondertekende, kan dit de IND niet worden tegengeworpen.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie, die wordt aangemerkt als een gedraging van de Minister van Justitie (IND), is niet gegrond.

Instantie: Immigratie- en Naturalisatiedienst

Klacht:

Verlangt dat verzoekster in verband met naturalisatie tot Nederlandse afstand doet van oorspronkelijke nationaliteit.

Oordeel:

Niet gegrond