2000/097

Rapport

Op 16 augustus 1999 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van mevrouw W. te Rotterdam, met een klacht over een gedraging van het hoogheemraadschap van Schieland te Rotterdam.

Naar deze gedraging, die wordt aangemerkt als een gedraging van het dagelijks bestuur van het hoogheemraadschap van Schieland te Rotterdam werd een onderzoek ingesteld.

Op grond van de door verzoekster verstrekte gegevens werd de klacht als volgt geformuleerd:

Verzoekster klaagt er over dat het hoogheemraadschap van Schieland het verzoek om kwijtschelding van de waterschapsbelasting over 1999, dat zij in februari 1999 indiende, nog niet heeft afgehandeld.

Achtergrond

BIJLAGE

1. Algemene wet bestuursrecht

Artikel 4:13:

"1. Een beschikking dient te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn, of bij het ontbreken van zulk een termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.

2. De in het eerste lid bedoelde redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven, noch een kennisgeving als bedoeld in artikel 4:14 heeft gedaan."

Artikel 4:14:

"Indien, bij het ontbreken van een bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn, een beschikking niet binnen acht weken kan worden gegeven, stelt het bestuursorgaan de aanvrager daarvan in kennis en noemt het daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien."

2. Waterschapswet (Wet van 6 juni 1991, Stb. 379)

Artikel 123, tweede lid:

"Onverminderd het overigens in dit hoofdstuk bepaalde geschieden de heffing en invordering van waterschapsbelastingen met toepassing van de Algemene Wet, de Invorderingswet 1990 en de Kostenwet invordering rijksbelastingen als waren die belastingen rijksbelastingen."

Artikel 125:

"Waterschapsbelastingen kunnen worden geheven bij wege van aanslag, bij wege van voldoening op aangifte of op andere wijze, doch niet bij wege van afdracht op aangifte."

Artikel 125a, eerste lid:

"Indien de waterschapsbelastingen op andere wijze worden geheven, bepaalt de belastingverordening op welke wijze deze worden geheven en de wijze waarop de belastingschuld aan de belastingplichtige bekend wordt gemaakt. De belastingverordening kan daarnaast bepalen dat het dagelijks bestuur omtrent de uitvoering van een en ander nadere regels geeft."

3. Invorderingswet 1990 (Wet van 30 mei 1990, Stb. 221)

Artikel 26, eerste lid:

"Bij ministeriële regeling worden regels gesteld krachtens welke aan de belastingschuldige die niet in staat is anders dan met buitengewoon bezwaar een belastingaanslag geheel of gedeeltelijk te betalen, gehele of gedeeltelijke kwijtschelding kan worden verleend."

4. Verordening verontreinigingsheffing 1997 (besluit van de verenigde vergadering van het hoogheemraadschap van Schieland van 27 november 1996)

Artikel 17:

"1. De heffing wordt geheven bij wege van aanslag.

2. De aanslag is invorderbaar in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgende op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld, en de tweede twee maanden later.

3. (...)

4. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan de heffing voor een woonruimte worden geheven bij wege van schriftelijke kennisgeving. In dat geval is, indien de betaling van de heffing geschiedt door middel van nota's van het openbare nutsbedrijf in welks verzorgingsgebied de betreffende woonruimte is gelegen, het gevorderde bedrag invorderbaar in zoveel gelijke termijnen als het bedoelde bedrijf voor de betreffende heffingsperiode nota's doet verschijnen.

5. Bij toepassing van het vierde lid is, indien de heffingsplicht in de loop van het heffingsjaar ontstaat dan wel indien een schriftelijke kennisgeving wordt uitgereikt nadat reeds een of meer van de in het tweede lid genoemde nota's zijn verschenen, het gevorderde bedrag invorderbaar in zoveel gelijke termijnen als na het ontstaan van de heffingsplicht of na het uitreiken van de schriftelijke kennisgeving in het heffingsjaar nog nota's van het openbaar nutsbedrijf verschijnen."

5. De heffing "op andere wijze" van de ingezetenenomslag is geregeld in artikel 22 van de Omslagverordening Schieland 1995, vastgesteld in de verenigde vergadering van 30 november 1994.

Onderzoek

In het kader van het onderzoek werd het dagelijks bestuur van het hoogheemraadschap van Schieland (verder: het hoogheemraadschap) verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben.

Vervolgens werd verzoekster in de gelegenheid gesteld op de verstrekte inlichtingen te reageren. Verzoekster maakte van die gelegenheid geen gebruik.

Tevens werd het dagelijks bestuur van het hoogheemraadschap van Schieland een aantal specifieke vragen gesteld.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. Het dagelijks bestuur van het hoogheemraadschap van Schieland berichtte dat het verslag geen aanleiding gaf tot het maken van opmerkingen. Verzoekster gaf binnen de gestelde termijn geen reactie.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:

A. feiten

1. Verzoekster ontving met dagtekening 22 januari 1999 van Eneco de energierekening over de verbruiksperiode van 18 december 1997 tot 31 december 1998. In deze jaarafrekening 1998 waren ook verwerkt de door verzoekster aan het hoogheemraadschap van Schieland verschuldigde bedragen aan verontreinigingsheffing en ingezetenenomslag over de maanden januari 1998 tot en met december 1998. Daarnaast ontving zij van het hoogheemraadschap van Schieland een kennisgeving, gedateerd 30 januari 1999, waarin onder meer het volgende is vermeld:

"Heffingsjaar 1999

U wordt voor (verzoeksters adres; N.o.) aangeslagen voor

--------------------------------------------------------------------------------------------

Verontreinigingsheffing 3ve tarief per ve f 95,00 verschuldigd f 285,00

Ingezetenenomslag tarief f 19,00 verschuldigd f 19,00

Totaal verschuldigd f 304,00

---------------------------------------------------------------------------------------------

Het totaal verschuldigde bedrag is begrepen in de nota's van uw energiebedrijf

U moet dit bedrag dus niet aan ons overmaken."

2. Verzoekster diende bij het hoogheemraadschap een verzoek om kwijtschelding van de aanslag waterschapsbelastingen over 1999 in. Het waterschap ontving dit verzoek op 19 februari 1999.

3. Op 5 maart 1999 zond het hoogheemraadschap verzoekster een ontvangstbevestiging toe.

4. Bij brief van 1 juli 1999 deelde verzoekster de Nationale ombudsman mee dat het hoogheemraadschap haar verzoek om kwijtschelding, ondanks diverse telefonische rappels, nog niet had afgehandeld.

5. In een brief van 28 juli 1999 deelde de Nationale ombudsman verzoekster onder meer mee dat een medewerker van het hoogheemraadschap op 13 juli 1999 telefonisch had toegezegd dat verzoekster binnen drie weken een beslissing op haar verzoek om kwijtschelding zou ontvangen. De Nationale ombudsman zag geen reden om de kwestie op dat moment verder te onderzoeken.

B. Standpunt verzoekster

1. De klacht van verzoekster is in het kort weergegeven in de klachtformulering onder klacht.

2. In haar verzoekschrift, dat was gedateerd 12 augustus 1999, liet verzoekster weten dat zij, ook na de eerste tussenkomst van de Nationale ombudsman, nog niets had vernomen van het hoogheemraadschap. Verzoekster merkte verder onder meer op dat zij het er niet mee eens was dat zij al omstreeks een half jaar op haar geld moest wachten.

C. Standpunt dagelijks bestuur van het hoogheemraadschap van Schieland

1. In reactie op de klacht van verzoekster deelde het hoogheemraadschap onder meer het volgende mee:

"Omdat Schieland de verontreinigingsheffing via het energiebedrijf Eneco int, moet in geval van kwijtschelding Eneco daarvan op de hoogte worden gesteld. Eneco zorgt er dan voor dat de inning wordt stopgezet. Nadat de inning bij Eneco is stopgezet ontvangt de belastingschuldige het antwoord op het verzoek om kwijtschelding. Op 29 juni ontvingen wij bericht van Eneco dat de verontreinigingsheffing en de ingezetenenomslag bij (verzoekster; N.o.) niet meer in rekening zal worden gebracht.

Zowel het aanleveren als het verwerken van de mutatiegegevens aan en van Eneco brengt zoveel werk met zich mee dat begin juli nog geen antwoord was gezonden op het verzoek om kwijtschelding van (verzoekster; N.o.).

Nadat er telefonisch contact was geweest tussen u en een medewerker van Schieland is op 14 juli 1999 een brief gezonden aan (verzoekster; N.o.) waarin de mededeling werd gedaan dat haar verzoek om kwijtschelding is toegewezen. Bij de brief was een berekeningsformulier gevoegd waarop aangegeven is welk bedrag zij rechtstreeks van Schieland terugontvangt en welk bedrag bij de volgende jaarrekening zal worden verrekend. (...)

Sinds 1998 vindt de kwijtschelding van Schielands heffing plaats door het stopzetten van de inning van de verontreinigingsheffing/ingezetenenomslag door Eneco. De gedachtengang hierachter is dat de kwijtscheldingsgerechtigde vanaf het moment dat hij/zij kwijtschelding krijgt ook daadwerkelijk niet meer betaalt. In principe kan dit leiden tot verlaging van het voorschotbedrag dat aan Eneco verschuldigd is. Schieland acht dit echter een keus van de kwijtscheldingsgerechtigde zelf en stelt deze verlaging van het voorschotbedrag dan ook niet zelf voor.

In de periode voor 1998 werd het bedrag van de kwijtgescholden aanslag in een of twee maal terugbetaald. Het nadeel van deze handelwijze was dat de belastingschuldige eerst de aanslag moest betalen voordat het geld kon worden terugbetaald. Deze procedure was echter minder gecompliceerd en minder tijdrovend.

Wij zijn ons ervan bewust dat de periode tussen het verzoek om kwijtschelding en de uitspraak daarop onaanvaardbaar lang is, een tussentijds bericht over de stand van zaken was dan ook op zijn plaats geweest. Er wordt door de betrokken afdeling gezocht naar een snellere en meer klantgerichte afwerking van verzoeken om kwijtschelding."

2. Bij de reactie op de klacht voegde het hoogheemraadschap onder meer een kopie van een brief, gedateerd 14 juli 1999 en gericht aan verzoekster. In de brief is onder meer het volgende vermeld:

"Nadat uw financiële en persoonlijke omstandigheden zijn getoetst heb ik op grond van de kwijtscheldingsregeling van Schieland besloten, u het bedrag van bovengenoemde aanslag kwijt te schelden.

De inning van deze aanslag geschiedt door middel van uw voorschotnota van het energiebedrijf Eneco.

Bovengenoemde belastingen vindt u terug op uw laatste jaarrekening. Indien uit deze jaarrekening blijkt dat u reeds een gedeelte voor 1999 heeft betaald, ontvangt u van Schieland dit bedrag terug. Het eventuele restbedrag van de aanslag 1999 wordt in mindering gebracht op uw volgende jaarrekening. U kunt de bedragen terugvinden op bijgevoegd berekeningsformulier. (Voor vragen kunt u contact opnemen met de sectie invordering tel. (...)).

Ik wijs u er nadrukkelijk op dat deze kwijtschelding uitsluitend geldt voor de aanslag 1999. De aanslag 2000 zal in de loop van het jaar rechtstreeks door het hoogheemraadschap van Schieland aan u worden opgelegd."

3. Tevens voegde het hoogheemraadschap bij de reactie een kopie van een berekeningsformulier waarop onder meer het volgende was vermeld:

"Bedrag van de aanslag WVO 285.00

Bedrag van de aanslag I.O. 19.00 +

Totaal 304.00

Volgende jaarrekening Eneco te verminderen met 304.00

Terug te betalen WVO 0.00

Terug te betalen I.O. 0.00 +

Totaal aan cliënt terug te betalen 0.00

Datum afrekening WVO 12-31-98

Datum afrekening I.O. 12-31-98

Datum/Berekend door 14-07-99"

4. In reactie op nadere vragen van de Nationale ombudsman merkte het hoogheemraadschap onder meer het volgende op:

"1. Alle uitgaande post van de afdeling invordering wordt op gewone wijze, dat wil zeggen via de PTT, verzonden.

2. Voor het gebied van de gemeente Rotterdam wordt van oudsher bij de inning van belastinggelden meegelift met de maandelijkse voorschotnota van het energiebedrijf Eneco. In het overige beheersgebied van Schieland ontvangen de belastingplichtigen een aanslag die rechtstreeks aan Schieland dient te worden betaald. Het voordeel van meeliften voor de belastingplichtige is dat in 12 termijnen kan worden betaald in plaats van in twee termijnen. De afhandeling van kwijtschelding is daarentegen weer ingewikkelder.

De afrekening van de voorschotnota's door het energiebedrijf Eneco loopt, in tegenstelling tot het belastingjaar van Schieland, niet over een kalenderjaar maar vindt gelijkmatig verspreid over alle maanden van het jaar plaats. Eneco rekent per regio af en een belastingjaar loopt van januari tot en met december. Hierdoor kan het voorkomen dat op een afrekennota van het energiebedrijf de verontreinigingsheffing in rekening wordt gebracht over een aantal maanden van het jaar 1998 én een aantal maanden van het jaar 1999.

Het maandelijkse voorschotbedrag van Eneco is opgebouwd uit verschillende onderdelen zoals gas, elektriciteit en water. In dit voorschot is ook een bedrag opgenomen voor de aanslag verontreinigingsheffing en ingezetenenomslag zijnde een twaalfde deel van de jaarlijkse aanslag.

In geval van kwijtschelding van een aanslag voor het jaar 1999 wordt door Schieland aan Eneco doorgegeven dat de inning van de verontreinigingsheffing moet worden geacht te zijn gestopt met ingang van 1 januari 1999. Dit wordt op de afrekennota zichtbaar gemaakt doordat slechts tot en met december van het voorgaande jaar de heffing in rekening wordt gebracht. Op de afrekennota komt dan geen verantwoording ten gunste van Schieland voor het jaar 1999 meer voor. De bedragen die reeds door Eneco in 1999 zijn geïnd leiden er uiteindelijk toe dat de belastingschuldige bij de afrekening óf minder hoeft bij te betalen óf meer terug krijgt. Bovendien kan de kwijtschelding ertoe leiden dat Eneco op verzoek van de betrokkene het voorschot verlaagt.

Wanneer Schieland aan Eneco doorgeeft dat er kwijtschelding wordt verleend maar er heeft in 1999 al een afrekening plaatsgevonden, is er geld ten behoeve van Schieland geïnd dat niet meer via Eneco kan worden verrekend. Het gaat daarbij om de maanden van het jaar 1999 die op de afrekennota vermeld staan. Dit bedrag wordt rechtstreeks door Schieland aan belastingschuldige uitbetaald. Voor het resterende gedeelte van de aanslag wordt het in het voorschotbedrag voor de verontreinigingsheffing gereserveerde bedrag verrekend door Eneco bij de afrekennota.

Wanneer in onze (standaard)brief van 14 juli jl. staat dat Schieland de reeds geïnde termijnen terugbetaalt, geldt dat dus alleen voor het bedrag dat op de afrekennota voor het jaar 1999 staat. Op het moment dat Schieland aan Eneco doorgaf dat de inning ten laste van (verzoekster; N.o.) moest worden stopgezet, was er nog geen afrekennota. Het bedrag voor de verontreinigingsheffing in de voorschotnota wordt via Eneco verrekend. Op de afrekennota mag alleen de verontreinigingsheffing 1998 worden berekend omdat hiervoor geen kwijtschelding is verleend.

(...) De verwijzing in de brief van 14 juli jl. naar de laatste afrekennota was in het geval van (verzoekster; N.o.) niet relevant en daarom verwarrend omdat de jaarlijkse afrekening plaatsvond in december 1998.

(...) Op het moment dat Schieland aangeeft dat de belastingschuldige kwijtschelding krijgt, vervalt de verplichting tot betalen. Het bedrag dat aanvankelijk voor Schieland was bedoeld valt vanaf dat moment in principe volledig toe aan de belastingschuldige. Het is helaas tot op heden niet mogelijk gebleken het zo te regelen dat de al geïnde bedragen automatisch worden teruggestort en de resterende termijnen automatisch worden verlaagd met het gedeelte van de waterschapslasten. Verlaging van het maandelijkse voorschotbedrag kunnen en mogen wij niet doorvoeren gezien het primaire doel waarvoor het voorschotbedrag wordt betaald. Wij achten dit in de gegeven omstandigheden niet onredelijk omdat kwijtschelding te allen tijde een positieve invloed heeft op het uiteindelijk te betalen of te ontvangen bedrag.

(...) Wij hebben de belastingschuldige tot op heden niet gewezen op het feit dat het voorschotbedrag kan worden verlaagd omdat wij vinden dat Schieland geen, of in ieder geval onvoldoende inzicht heeft in de financiële relatie tussen Eneco en belastingschuldige. Kwijtschelding van de verontreinigingsheffing leidt niet per definitie tot verlaging van het voorschotbedrag met een twaalfde deel van de jaarlijkse aanslag; verlaging van het voorschotbedrag is immers afhankelijk van het totale verbruik van belastingschuldige en van het aantal maanden tot het tijdstip van de afrekennota. Wij zullen nader bezien op welke wijze wij in geval van kwijtschelding de betrokkenen kunnen wijzen op de mogelijkheid Eneco te verzoeken het termijnbedrag te verminderen.

(...) De afwerking van kwijtscheldingsverzoeken is, zoals uit het hierboven staande blijkt, complex en tijdrovend. De informatieverstrekking tussen Schieland en Eneco vereist bovendien de nodige controles. Om dit in de toekomst te voorkomen is besloten met ingang van 1 januari 2000 de financiële afhandeling na toewijzing van een verzoek om kwijtschelding aan Eneco over te laten. Dit wil zeggen dat bij een toewijzing kwijtschelding over een bepaald jaar, in het geval dat de afrekening reeds heeft plaatsgevonden, Eneco de maanden die in die periode liggen, rechtstreeks verrekend met haar cliënt en dit niet overlaat aan Schieland. Voordeel hiervan is dat de belastingschuldigde met één instantie te maken heeft en er dus sneller gereageerd kan worden. Bovendien ontvangen belastingschuldigen die voor een jaar kwijtschelding hebben gekregen het daarop volgende jaar rechtstreeks een aanslag van Schieland. Deze personen liften dus niet meer mee met Eneco maar dienen hun aanslag rechtsreeks aan Schieland te voldoen. Wanneer zij voor die aanslag een verzoek om kwijtschelding indienen, mogen zij wachten met betalen tot dit verzoek is afgehandeld. Wanneer kwijtschelding wordt verleend, wordt de aanslag vernietigd en vervalt de betalingsverplichting zonder dat belastingschuldige iets heeft moeten betalen. (Verzoekster; N.o.) heeft dit jaar voor het eerst kwijtschelding gevraagd. Omdat de kwijtschelding is toegekend, heeft zij vanaf 1 januari 1999 niets meer aan Schieland via Eneco betaald. In de loop van het jaar 2000 ontvangt zij van Schieland rechtstreeks een aanslag waarna een eventueel verzoek om kwijtschelding snel kan worden behandeld.

Schieland wil naar haar ingezetenen te allen tijde klachtgericht zijn, niet alleen waar het gaat om schoon water en droge voeten, maar ook als het de afhandeling van kwijtscheldingsverzoeken betreft. Problemen als de onderhavige blijven onze volle aandacht houden en waar mogelijk verbeteringen kunnen aangebracht zullen wij dit zeker doorvoeren."

Beoordeling

1. Verzoekster klaagt er over dat het hoogheemraadschap van Schieland (verder: het hoogheemraadschap) het verzoek om kwijtschelding van de waterschapsbelastingen over 1999, dat zij omstreeks medio februari 1999 had ingediend, op het moment dat zij zich tot de Nationale ombudsman wendde nog niet had afgehandeld. Verzoekster merkte in dat verband onder meer op dat zij het niet ermee eens was dat zij al ongeveer een half jaar op haar geld moest wachten.

2. Op grond van artikel 4:13 van de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb) behoort een bestuursorgaan bij het ontbreken van een bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag om een beschikking te beslissen op die aanvraag. Indien niet binnen acht weken kan worden beslist, moet de aanvrager op grond van het bepaalde in artikel 4:14 Awb binnen die termijn daarvan op de hoogte worden gebracht waarbij tevens een redelijke termijn moet worden genoemd waarbinnen hij de beslissing wel tegemoet kan zien (zie achtergrond, onder 1.).

Het hoogheemraadschap ontving op 19 februari 1999 van verzoekster het verzoek om kwijtschelding. Vanwege het ontbreken van een bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn, had het hoogheemraadschap in beginsel binnen acht weken op de aanvraag moeten beslissen. Dit is niet gebeurd. Pas op 14 juli 1999 - bijna vijf maanden later - zond het hoogheemraadschap verzoekster de beslissing op het verzoek toe. Er zijn geen omstandigheden die deze lange behandelingsduur rechtvaardigen. Daarnaast heeft het hoogheemraadschap verzuimd verzoekster een bericht als bedoeld in artikel 4:14 Awb te sturen. Ook op dit punt is door het hoogheemraadschap niet juist gehandeld. De onderzochte gedraging is niet behoorlijk.

Overigens liet verzoekster in haar verzoekschrift van 12 augustus 1999 weten dat zij van het hoogheemraadschap nog geen bericht had ontvangen. Blijkbaar had de beslissing van het hoogheemraadschap, die per gewone post werd verzonden, zijn bestemming niet bereikt.

3. Het hoogheemraadschap deelde mee dat de waterschapsbelasting van verzoekster werd geheven bij wege van kennisgeving en werd geïnd via het energiebedrijf. Verzoekster betaalde maandelijks een bedrag aan het energiebedrijf, als voorschot voor onder meer de kosten van gas, elektriciteit en water. In het maandelijkse voorschot werd geacht tevens een twaalfde deel van de waterschapsbelasting te zijn opgenomen. Op de jaarafrekening verrekende het energiebedrijf de betaalde voorschotten met de kosten van de energie die verzoekster daadwerkelijk had gebruikt. Verder bracht het energiebedrijf op de jaarafrekening onder meer de waterschapsbelasting in rekening.

Het hoogheemraadschap liet weten dat er een wijziging was aangebracht in de werkwijze met betrekking tot kwijtschelding van via het energiebedrijf geïnde belasting. In het verleden werd de belasting, ingeval kwijtschelding was verleend, toch in rekening gebracht op de volgende jaarnota van het energiebedrijf. Wanneer kwijtschelding werd verleend betaalde het hoogheemraadschap het bedrag echter in één of twee termijnen terug. Sinds 1998 werd ingeval van kwijtschelding in het desbetreffende belastingjaar geen waterschapsbelasting meer in rekening gebracht op de jaarafrekening van het energiebedrijf.

4. Verzoekster ontving nadat het kwijtscheldingsverzoek voor het heffingsjaar 1999 was toegewezen, geen geld terug van het hoogheemraadschap. Het verlenen van kwijtschelding betekende voor verzoekster dat haar geen waterschapsbelasting in rekening zou worden gebracht over 1999 op de eerstvolgende jaarafrekening (over 1999) van het energiebedrijf. Een eventueel positief saldo zou voor haar op die jaarafrekening hoger uitvallen; een eventueel negatief saldo lager.

Verzoekster zou overigens wel een bedrag rechtstreeks hebben terugontvangen van het hoogheemraadschap, indien zij al een jaarafrekening van het energiebedrijf had ontvangen waarop haar waterschapsbelasting over 1999 in rekening was gebracht. Dit was mogelijk, omdat de jaarafrekeningen van het energiebedrijf - anders dan de belastingjaren voor de heffing van waterschapsbelasting - niet noodzakelijkerwijze liepen van januari tot en met december. Indien verzoekster bijvoorbeeld in februari 1999 al een jaarafrekening van het energiebedrijf zou hebben ontvangen, dan zou haar daarop de waterschapsbelasting over de maanden maart tot en met december 1998 en januari en februari 1999 in rekening zijn gebracht. Een dergelijke situatie deed zich echter niet voor. Verzoeksters jaarafrekening had betrekking op de periode tot en met december 1998. Aangezien verzoekster geen waterschapsbelasting over 1999 in rekening is gebracht, is het correct dat zij naar aanleiding van het verzoek om kwijtschelding geen geld van het hoogheemraadschap terugontving.

5. Hoewel verzoekster geen waterschapsbelasting over 1999 in rekening is gebracht, werd de hoogte van het voorschot dat zij in 1999 betaalde aan het energiebedrijf mede door die belasting bepaald. In beginsel had verzoekster pas concreet financieel voordeel van de kwijtschelding op het moment dat zij de volgende jaarafrekening ontving van het energiebedrijf.

Het hoogheemraadschap merkte op dat dit niet onredelijk was. Vanaf het moment dat kwijtschelding werd verleend, betaalde de kwijtscheldingsgerechtigde het deel van het voorschot dat voor de belasting over 1999 was bestemd niet meer voor het hoogheemraadschap maar voor zichzelf. Kwijtschelding had volgens het hoogheemraadschap te allen tijde een positieve invloed op het uiteindelijk te betalen of te ontvangen bedrag.

Tevens wees het hoogheemraadschap er op dat kwijtschelding zou kunnen leiden tot een verzoek van de kwijtscheldingsgerechtigde aan het energiebedrijf tot verlaging van het voorschotbedrag.

6. In artikel 26 van de Invorderingswet 1990 is bepaald dat een belastingschuldige, die niet in staat is anders dan met buitengewoon bezwaar een aanslag (geheel of gedeeltelijk) te voldoen, volgens bepaalde regels in aanmerking kan komen voor kwijtschelding (zie achtergrond onder 3.). Gezien genoemde bepaling veronderstelt de wetgever substantiële en actuele betalingsproblemen bij een belastingschuldige die kwijtschelding krijgt. In het systeem dat het hoogheemraadschap sinds 1998 hanteerde bij de kwijtschelding van via het energiebedrijf geïnde waterschapsbelasting wordt hiermee onvoldoende rekening gehouden. Pas op termijn of pas nadat hij zelf nadere actie neemt, ondervindt de kwijtscheldingsgerechtigde concreet financieel voordeel van de kwijtschelding.

Het hoogheemraadschap heeft er op gewezen dat inning van de waterschapsbelastingen via het energiebedrijf voor de belastingschuldige het voordeel met zich meebrengt dat via de maandelijkse voorschotten (in twaalf termijnen in plaats van twee) gespreid wordt betaald. Het is echter niet juist dat dit ten koste gaat van de belastingschuldigen aan wie kwijtschelding wordt verleend.

Daarbij komt dat het hoogheemraadschap de belastingschuldigen aan wie kwijtschelding was verleend op geen enkele wijze attent maakte op de mogelijkheid van aanpassing van het voorschot aan het energiebedrijf. Het is terecht dat het hoogheemraadschap heeft opgemerkt dat een verzoek om verlaging van het voorschotbedrag niet van het hoogheemraadschap moet uitgaan, maar van de kwijtscheldingsgerechtigde zelf. Uit een oogpunt van actieve informatieverstrekking, zou het hoogheemraadschap er echter goed aan hebben gedaan om in de standaardbrief over het verlenen van kwijtschelding te wijzen op de mogelijkheid van het vragen van een verlaging van het voorschotbedrag aan het energiebedrijf.

Gezien het bovenstaande, kan de wijze waarop het hoogheemraadschap sinds 1998, in algemene zin, gestalte heeft gegeven aan kwijtschelding van via het energiebedrijf geïnde belasting de toets der kritiek niet doorstaan. Ook in zoverre is de onderzochte gedraging niet behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van het hoogheemraadschap van Schieland te Rotterdam, die wordt aangemerkt als een gedraging van het dagelijks bestuur van het hoogheemraadschap van Schieland te Rotterdam, is gegrond.

Instantie: Hoogheemraadschap van Schieland Rotterdam

Klacht:

Heeft verzoek om kwijtschelding van waterschapsbelasting over 1999 nog niet afgehandeld.

Oordeel:

Gegrond