2000/065

Rapport

Op 6 mei 1999 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van mevrouw S. te 's-Gravenhage, ingediend door SRK Rechtsbijstand (voluit: Stichting Schaderegelingskantoor voor Rechtsbijstandsverzekering) te Zoetermeer, met een klacht over een gedraging van het arrondissementsparket te 's-Gravenhage.

Naar deze gedraging, die wordt aangemerkt als een gedraging van de Minister van Justitie, werd een onderzoek ingesteld.

Op grond van de namens verzoekster verstrekte gegevens werd de klacht als volgt geformuleerd:

Verzoekster, die zich als benadeelde partij heeft gevoegd in een strafzaak, klaagt erover dat het arrondissementsparket te 's-Gravenhage, ondanks een aantal rappels, tot op 29 april 1999 niet inhoudelijk heeft gereageerd op het verzoek van haar gemachtigde van 28 december 1998 om haar een afschrift toe te zenden van het proces-verbaal dat door de politie is opgemaakt naar aanleiding van het bewuste strafbare feit.

Achtergrond

1. Artikel 51d Wetboek van Strafvordering:

"1. Aan de benadeelde partij wordt op haar verzoek toestemming verleend om kennis te nemen van de processtukken waarbij zij belang heeft. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting wordt deze toestemming verleend door het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd en overigens door de officier van justitie.

2. Niettemin kan het in het vorige lid bedoelde gerecht of de officier van justitie aan de benadeelde partij de kennisneming van bepaalde processtukken of gedeelten daarvan onthouden in het belang van het onderzoek, dan wel in het belang van de bescherming van de persoonlijke levensfeer, de opsporing of vervolging van strafbare feiten of op zwaarwichtige gronden aan het algemeen belang ontleend.

(…)

5. De benadeelde partij kan van de stukken waarvan haar de kennisneming is toegestaan, ter griffie afschrift krijgen overeenkomstig het bij of krachtens artikel 17 van de Wet tarieven in strafzaken bepaalde."

2. Richtlijn Slachtofferzorg (Stcrt. 1995, 65):

"21. Indien een slachtoffer zich door middel van het speciale formulier heeft gevoegd in de strafzaak en inzage wenst in de processtukken, biedt het openbaar ministerie de benadeelde partij of diens gemachtigde die gelegenheid op de voet van artikel 51d Sv."

Onderzoek

In het kader van het onderzoek werd de Minister van Justitie verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben. Tevens werd de Minister van Justitie een aantal specifieke vragen gesteld. Vervolgens werd verzoekster in de gelegenheid gesteld op de verstrekte inlichtingen te reageren. Zij maakte van die gelegenheid geen gebruik.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen.

Verzoekster en de Minister van Justitie deelden mee zich met de inhoud van het verslag te kunnen verenigen.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:

A. feiten

1. Verzoekster werd op 2 juni 1997 slachtoffer van een misdrijf. Zij voegde zich op enig moment als benadeelde partij in het strafproces tegen de verdachte, om haar schade op de verdachte van het strafbare feit te verhalen.

2. Bij brief van 28 december 1998 deelde verzoeksters gemachtigde, SRK Rechtsbijstand, het arrondissementsparket te 's-Gravenhage (verder ook: het parket) het volgende mee:

"In deze zaak heeft onze cliënt S. (verzoekster; N.o.) te Den Haag zich als civiele partij gevoegd. Telefonisch vernamen wij van u dat de verdachte door de kinderrechter is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 weken.

Wilt u ons voorzien van een afschrift van het proces-verbaal in deze zaak? Voorzover de vordering van onze cliënte door de kinderrechter geheel of gedeeltelijk is toegewezen ontvangen wij tevens graag de grosse van het vonnis.

Mocht het zo zijn dat het dossier bij de Rechtbank berust, dan verzoeken wij u om deze brief door te geleiden aan de Rechtbank.

Wij vernemen graag uiterlijk 21 januari a.s. nader van u."

3. Bij brief van 20 januari 1999 deelde verzoeksters gemachtigde het parket onder meer het volgende mee:

"In bovenvermelde zaak heb ik uw parket (Centrale Unit) verzocht om mij te informeren over de afdoening van een strafzaak en toezending van een proces-verbaal. Reeds sinds juli 1998 mocht ik niets meer van u vernemen.

(…)

Het is voor mijn cliënte frustrerend om te ervaren dat haar stem kennelijk niet door u wordt gehoord, althans dat het Openbaar Ministerie kennelijk niet in staat is om haar adequaat op de hoogte te houden. Het moet voor u frustrerend zijn om geconfronteerd te worden met herhaalde verzoeken en - tenslotte - een klachtbrief.

Het moge u duidelijk zijn dat het de belangen van mijn cliënte (benadeelde partij) schaadt indien het maanden duurt voordat zij iets hoort van het Openbaar Ministerie. Ik verzoek u daarom vriendelijk om te bevorderen dat de gevraagde gegevens alsnog binnen korte termijn worden verstrekt. Wilt u mij hierover binnen 10 dagen inhoudelijk berichten?"

4. Nadat het parket aan verzoeksters gemachtigde de ontvangst van bovenstaande brief had bevestigd, deelde een medewerker van het parket haar bij brief van 5 februari 1999 het volgende mee:

"Ter afronding van de door mij aan u verstrekte informatie deel ik u mede, dat in de zaak die is ingeschreven onder bovenvermeld parketnummer, de verdachte bij niet onherroepelijk vonnis van de kinderrechter in de arrondissementsrechtbank is veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 6 weken.

Ik hoop u voldoende te hebben bericht."

5. Bij brief van 23 februari 1999 liet een medewerker van het arrondissementsparket te 's-Gravenhage verzoeksters gemachtigde weten binnen zes weken een inhoudelijk oordeel te kunnen geven op haar verzoek om informatie over het strafproces en om toezending van een afschrift van het proces-verbaal.

6. Verzoeksters gemachtigde stuurde het parket bij brief van 9 april 1999 een rappel. Hierin staat onder meer het volgende vermeld:

"Vandaag heb ik getracht om u telefonisch te bereiken. Helaas ben ik hierin niet gelukt. Volgens informatie van uw telefoniste was om 16.00 uur niemand meer telefonisch bereikbaar.

Tot dusverre heb ik taal noch teken van u ontvangen. Ik constateer - nogmaals - een verregaande desinteresse in de belangen van slachtoffers aan de zijde van uw parket. De feiten in dit dossier staven deze constatering.

Nogmaals herhaal ik mijn verzoek om toezending van het proces-verbaal (…). Graag ontvang ik van u een schriftelijke reactie op de klacht welke namens mijn cliënt is ingediend. Wilt u aangeven wat de reden is dat op mijn verzoeken (…) niet wordt gereageerd?"

7. Op 15 april 1999 zond verzoeksters gemachtigde bij faxbericht een afschrift van haar verzoek van 28 december 1998 om een afschrift van het proces-verbaal (zie hiervoor, onder 2.), aan een medewerker van het arrondissementsparket te 's-Gravenhage.

8. Bij brief van 23 april 1999 deelde verzoeksters gemachtigde het parket onder meer het volgende mee:

"Hierbij (ontvangt u; N.o.) een concept van de klacht welke ik namens cliënte indien bij de Nationale ombudsman. Kortheidshalve verwijs ik u naar de inhoud van deze brief.

Tot heden heb ik nog steeds geen proces-verbaal van uw parket ontvangen."

9. De arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage berichtte verzoeksters gemachtigde bij brief van 29 april 1999 onder meer als volgt:

"Hierbij (doe ik u; N.o.) dan eindelijk toekomen de door u opgevraagde afschriften.

De afwikkeling hiervan heeft behoorlijk wat tijd in beslag genomen, mede omdat de dossiers niet direct voor handen lagen en mede door verschillende uiteenlopende omstandigheden.

Ik ben mij ervan bewust dat u hiervan de dupe bent geworden en daarvoor alsnog mijn excuses."

10. Bij brief van 28 juni 1999 deelde het arrondissementsparket te 's-Gravenhage het volgende mee in reactie op de klachten die verzoeksters gemachtigde bij het parket had ingediend bij brieven van 20 januari en 9 april 1999 (zie hiervoor, onder 3. en 6.):

"Uw brief van 28 december 1998, waarin u voor het eerst verzoekt om afschriften van het proces-verbaal en het vonnis, is op 4 januari 1999 op het parket ontvangen. Vervolgens is deze brief doorgestuurd naar de kindergriffie van de arrondissementsrechtbank met het verzoek de behandeling ervan over te nemen. Tot mijn spijt bent u van deze overdracht niet in kennis gesteld.

Uit navraag bij de kindergriffie is gebleken dat door tijdelijke organisatorische omstandigheden aldaar en het feit dat het dossier later pas beschikbaar is gekomen, uw verzoek pas op 29 april 1999 kon worden gehonoreerd.

Wegens onderbezetting van de afdeling waar uw brieven in behandeling zijn, is in de beantwoording daarvan vertraging ontstaan. Ik bied u hiervoor mijn verontschuldigingen aan."

B. Standpunt verzoekster

1. Het standpunt van verzoekster is samengevat weergegeven onder klacht.

2. In het verzoekschrift deelde verzoeksters gemachtigde verder onder meer nog het volgende mee:

"Mijn cliënte is het slachtoffer van een tegen haar gepleegd strafrechtelijk delict. Haar bromfiets werd gestolen en later in beschadigde toestand teruggevonden. Mijn cliënte wil de toegebrachte schade verhalen op de veroorzaker van de schade. Het Openbaar ministerie verschaft mijn cliënte geen proces-verbaal van onderzoek door de politie, ondanks meerdere schriftelijke en telefonische verzoeken hiertoe. Inmiddels ontving ik via de Rechtbank Den Haag een afschrift van het proces-verbaal van politie. (…)

Het Openbaar Ministerie heeft nimmer aangegeven waarom aan het verzoek om toezending niet werd voldaan. Evenmin heeft deze overheidsorganisatie aangegeven op welke termijn toezending wel zou geschieden. Hiernaar moest cliënte gissen.

In het verlengde van het hiervoor vermelde beklaagt cliënte zich over de wijze van opstelling door het Openbaar Ministerie. In strijd met wet- en regelgeving (Wet Terwee, Richtlijn Slachtofferzorg) behartigde het Openbaar Ministerie niet haar belangen als slachtoffer en toonde zich in de ogen van cliënte ongeïnteresseerd voor haar belangen.

(…)

Cliënte is slachtoffer van een tegen haar gepleegd delict waardoor zij schade heeft geleden. Haar belang in het verkrijgen van het gevraagde proces-verbaal is gelegen in het verhaal van haar schade op de veroordeelde persoon. Met dit stuk verwacht cliënte bewijs te kunnen leveren voor de door de veroordeelde persoon tegen haar gepleegde onrechtmatige daad. De Richtlijn Slachtofferzorg bepaalt dat het Openbaar Ministerie op een redelijke manier rekening dient te houden met de belangen van het slachtoffer, terwijl ook het inzagerecht ex art. 51d Sv (Wetboek van Strafvordering, zie achtergrond, onder 1. en 2.; N.o.) in deze richtlijn is geregeld."

C. Standpunt Minister van Justitie

1. De Minister van Justitie deelde in reactie op de klacht, en in reactie op een aantal specifieke vragen van de Nationale ombudsman onder meer het volgende mee:

"Naar aanleiding van de klacht heb ik het College van procureurs-generaal om inlichtingen gevraagd. In reactie op de klacht bericht ik u thans het volgende. Voor de feitelijke toedracht verwijs ik naar bijgevoegde kopieën van de ambtsberichten van de waarnemend hoofdofficier van justitie te 's-Gravenhage (...) (zie hierna, onder 2.1. en 2.2.; N.o.). Ter toelichting en aanvulling merk ik daarbij het volgende op.

Uit het ambtsbericht blijkt dat de brief van SRK Rechtsbijstand (verzoeksters gemachtigde; N.o.) van 28 december 1998 op 4 januari 1999 op het arrondissementsparket te 's-Gravenhage is ontvangen. In de brief van 28 december 1998 vroeg de gemachtigde van mevrouw S. (verzoekster; N.o.) (…) om een afschrift van het proces-verbaal van de zaak waarin mevrouw S. zich als civiele partij heeft gevoegd. Indien een slachtoffer inzage wenst in de processtukken, biedt het Openbaar Ministerie de benadeelde partij of diens gemachtigde die gelegenheid op grond van artikel 51d Wetboek van Strafvordering (Sv, zie achtergrond, onder 1.; N.o.) en de Richtlijn "slachtofferzorg bij het landelijk in werking treden van de Wet Terwee" (zie achtergrond, onder 2.; N.o.), die hierop is gebaseerd. Op grond van artikel 51d lid 1 Sv is de officier van justitie, die met de vervolging van het strafbare feit is belast, bevoegd toestemming tot inzage in de processtukken te verlenen. Het recht van de benadeelde partij op inzage in de processtukken beperkt zich tot die stukken waarbij ze belang heeft. De gronden voor weigering op inzage kunnen betrekking hebben op het belang van het onderzoek, de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, het belang van opsporing en vervolging en op zwaarwichtige gronden die zijn ontleend aan het algemeen belang (art. 51d lid 2 Sv). Indien de benadeelde partij toestemming is verleend om kennis te nemen van de processtukken, mag zij ter griffie hiervan afschriften doen nemen (art. 51d lid 5 Sv).

Nu het verzoek van SRK Rechtsbijstand was gericht aan het Openbaar Ministerie had conform artikel 51d Wetboek van Strafvordering de officier van justitie te 's-Gravenhage op het verzoek een beslissing moeten nemen. De brief van 28 december 1998 is echter onmiddellijk na ontvangst ter behandeling doorgezonden aan de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage zonder dat een beslissing op het verzoek is genomen. Dit was dus onjuist.

Op 20 januari 1999 diende SRK Rechtsbijstand een klacht in omdat het gevraagde proces-verbaal nog niet was verstrekt. Eerst begin april 1999 heeft het arrondissementsparket te 's-Gravenhage aangevangen met de inhoudelijke behandeling van de klacht. De behandeling van de klacht leidde ertoe dat op 29 april 1999 het SRK Rechtsbijstand een afschrift van het proces-verbaal werd verstrekt. In de begeleidende brief zijn excuses aangeboden voor de lange tijd die de afwikkeling van het verzoek heeft gevergd.

Ik concludeer dat het verzoek om een afschrift van het proces-verbaal voor het eerst is gedaan op 28 december 1998. Pas op 29 april 1999 is daarop inhoudelijk gereageerd. Deze termijn is te lang. Nu de klacht betrekking heeft op het te lang uitblijven van een beslissing om SRK Rechtsbijstand een afschrift van het proces-verbaal toe te zenden, acht ik deze gelet op voornoemde omstandigheden met het College van procureurs-generaal gegrond."

2.1. In het ambtsbericht van de fungerend hoofdofficier van justitie te 's-Gravenhage staat onder meer het volgende vermeld:

"De brief van SRK Rechtsbijstand van 28 december 1998, waarin (...) (zij; N.o.) namens (…) cliënte S. voor het eerst om een afschrift van het proces-verbaal verzoekt, is op 4 januari 1999 op de Centrale Unit van het parket ontvangen. Deze brief is vervolgens door de behandelend parketmedewerker doorgestuurd naar de kindergriffie van de arrondissementsrechtbank met het verzoek de behandeling ervan over te nemen.

De overdracht van de behandeling van de brief aan de arrondissementsrechtbank is tot mijn spijt niet gemeld aan SRK Rechtsbijstand. Hierdoor bleef SRK Rechtsbijstand met het parket corresponderen.

Op 20 januari 1999 dient SRK een klacht in wegens het niet verstrekken van een afschrift van het proces-verbaal. Mede door het feit dat het strafdossier later pas beschikbaar kwam, liep de behandeling van de klacht vertraging op. Begin april werd aangevangen met de inhoudelijk behandeling van de klacht, welke behandeling - in overleg met de arrondissementsrechtbank - ertoe leidde dat op 29 april 1999 een afschrift van het proces-verbaal werd verstrekt.

(…)

Per 1 juni 1999 is op het parket de verwerking van verzoeken om afschriften van het proces-verbaal overigens anders geregeld. Vóór 1 juni 1999 werden verzoeken, gedaan door rechtsbijstandassuradeuren namens slachtoffers, door het parket beoordeeld maar werd het verstrekken van de stukken door de arrondissementsrechtbank verzorgd vanwege de vergoeding van de daarmee gemoeide kosten. Vanaf 1 juni 1999 verstrekt het parket zelf de stukken. Bij elk verzoek vindt een belangenafweging plaats, waarna het verzoek al dan niet gehonoreerd wordt.

Voor zover de klacht is gericht tegen het lang uitblijven van een afschrift van het proces-verbaal, acht ik deze ongegrond. Het verzoek van SRK Rechtsbijstand is immers na ontvangst op het parket naar de kindergriffie doorgeleid. Wel ben ik van mening dat er niet adequaat is gereageerd op de brieven van SRK Rechtsbijstand. Een simpele brief aan SRK Rechtsbijstand met de mededeling dat het verzoek om een afschrift is doorgeleid, had deze klacht kunnen voorkomen."

2.2. In een aanvullend ambtbericht van de fungerend hoofdofficier van justitie staat onder meer het volgende vermeld:

"Over het verzoek van SRK Rechtsbijstand van 28 december 1998 om een afschrift van het proces-verbaal te verstrekken, had het parket - conform artikel 51d Wetboek van Strafvordering - eerst een beslissing moeten nemen. Pas na een positief oordeel had het verzoek naar de kindergriffie doorgeleid moeten worden voor de daadwerkelijke verstrekking van de stukken.

(…)

Niet kan echter gesteld worden dat de lange duur van de behandeling van het verzoek van SRK Rechtsbijstand, te wijten is aan het aanvankelijk achterwege laten van de beoordeling door het parket. De kindergriffie voert in haar brief van 29 april 1999 immers omstandigheden aan die van invloed waren op het verzoek."

Beoordeling

1. Verzoekster, die zich als benadeelde partij had gevoegd in een strafzaak, klaagt erover dat het arrondissementsparket te 's-Gravenhage tot op 29 april 1999 niet inhoudelijk heeft gereageerd op het herhaalde verzoek van haar gemachtigde om een afschrift toe te zenden van het proces-verbaal, dat door de politie was opgemaakt naar aanleiding van het bewuste strafbare feit.

Verzoeksters gemachtigde vroeg het parket bij brief van 28 december 1998 om toezending van een afschrift van het proces-verbaal, nadat zij van het parket had vernomen dat de verdachte inmiddels was veroordeeld. Verzoeksters gemachtigde stuurde het parket vervolgens rappels bij brieven van 20 januari, 9 april, 15 april en 23 april 1999.

2. In artikel 51d, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is bepaald dat de benadeelde partij op haar verzoek toestemming wordt verleend om kennis te nemen van de processtukken waarbij zij belang heeft (zie achtergrond, onder 1.). Wanneer dit verzoek niet tijdens het onderzoek ter terechtzitting wordt gedaan, wordt deze toestemming verleend door de officier van justitie. Deze verplichting is voor het openbaar ministerie nader uitgewerkt in de Richtlijn Slachtofferzorg (zie achtergrond, onder 2.). Het vijfde lid van artikel 51d Sv bepaalt verder dat de benadeelde partij ter griffie afschriften kan verkrijgen van de stukken waarvan haar de kennisneming is toegestaan.

3. Het arrondissementsparket te 's-Gravenhage ontving verzoeksters brief van 28 december 1998 op 4 januari 1999, en zond deze vervolgens ter behandeling door aan de kindergriffie van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage. Gebleken is dat de behandeling van de brief door de rechtbank door omstandigheden enige tijd heeft geduurd. Op 29 april 1999 zond de rechtbank verzoekster een afschrift van het proces-verbaal.

Wat er echter ook zij van de behandelingsduur bij de rechtbank, van het parket mocht worden verwacht dat het gelet op de bovenstaande wettelijke verplichting een inhoudelijke beslissing had genomen op het verzoek van verzoekers gemachtigde. Nu verzoekster zich had gevoegd in het strafproces had zij immers in beginsel recht op inzage in het proces-verbaal, en hiertoe had zij de toestemming van de officier van justitie nodig. Het is dan ook niet juist dat het parket te 's-Gravenhage het verzoek onmiddellijk na ontvangst ter behandeling heeft doorgezonden aan de rechtbank en dat het gedurende vier maanden (van 28 december 1998 tot 29 april 1999), ondanks herhaalde rappels, heeft nagelaten op het verzoek een beslissing te nemen. Het parket had eerst een beslissing op het verzoek moeten nemen en pas na een positief oordeel het verzoek naar de rechtbank kunnen doorgeleiden voor de daadwerkelijke verstrekking van de stukken. Van deze beslissing en doorgeleiding had het aan verzoeksters gemachtigde mededeling moeten doen.

De onderzochte gedraging is niet behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van het arrondissementsparket te 's-Gravenhage, die wordt aangemerkt als een gedraging van de Minister van Justitie, is gegrond.

Instantie: Arrondissementsparket 's-Gravenhage

Klacht:

Reageert niet inhoudelijk op verzoek om afschrift te zenden van proces-verbaal (in kader van als benadeelde partij voegen in strafzaak).

Oordeel:

Gegrond