1999/051

Rapport
Op 12 maart 1997 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer en mevrouw V. te Dordrecht met een klacht over een gedraging van het regionale politiekorps Zuid-Holland-Zuid. Aangezien verzoekers hun klacht nog niet aan het verantwoordelijke bestuursorgaan had voorgelegd, werd hun - onder verwijzing naar het in artikel 12, tweede lid van de Wet Nationale ombudsman neergelegde kenbaarheidsvereiste - meegedeeld dat zij hun klacht eerst aan de aan de beheerder van het regionale politiekorps Zuid-Holland-Zuid moesten voorleggen. Op hun verzoek zond de Nationale ombudsman de klacht vervolgens door naar de korpsbeheerder. Vervolgens lieten verzoekers bij brief van 20 februari 1998 weten dat de korpsbeheerder bij brief van 6 januari 1998 op de klacht had gereageerd. Zij waren het met deze reactie niet eens; zij verzochten de Nationale ombudsman andermaal onderzoek te doen naar het optreden van het regionale politiekorps Zuid-Holland-Zuid. Vervolgens werd naar deze gedraging, die wordt aangemerkt als een gedraging van de beheerder van dit korps (de burgemeester van Dordrecht), een onderzoek ingesteld. Op grond van de door verzoekers verstrekte gegevens werd de klacht als volgt geformuleerd:Verzoekers klagen over de wijze waarop het regionale politiekorps Zuid-Holland-Zuid op 25 oktober 1996 heeft gehandeld, toen hun gestolen auto tijdens een surveillance werd aangetroffen. Verzoekers klagen er met name over dat de politie bij haar handelen prioriteit heeft verleend aan het opsporingsbelang boven het beperken van schade aan hun eigendom. Voorts klagen zij erover dat de politie hun auto zonder hun toestemming heeft gebruikt bij het opsporingsonderzoek. Tenslotte klagen zij erover dat de politie hun verzoek om schadevergoeding heeft afgewezen.

Achtergrond

Zie BIJLAGE 1.

Onderzoek

In het kader van het onderzoek werd de beheerder van het regionale politiekorps Zuid-Holland-Zuid verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben. In verband met zijn verantwoordelijkheid voor justitieel politieoptreden werd ook hoofdofficier van justitie te Dordrecht over de klacht ge nformeerd en in de gelegenheid gesteld

zijn zienswijze kenbaar te maken, voor zover daarvoor naar zijn oordeel reden was. Tijdens het onderzoek kregen betrokkenen de gelegenheid op de door ieder van hen verstrekte inlichtingen te reageren. Een medewerker van het Bureau Nationale ombudsman nam bij de Boogjes te Dordrecht de situatie ter plaatse in ogenschouw. Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. De korpsbeheerder en de hoofdofficier van justitie te Dordrecht deelden mee zich met de inhoud van het verslag te kunnen verenigen. De reactie van verzoekers gaf geen aanleiding het verslag te wijzigen en/of aan te vullen.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:A. De feiten1. 25 oktober 1996 troffen twee politieambtenaren van het regionale politiekorps Zuid-Holland-Zuid tijdens hun surveillance de als gestolen opgegeven auto van verzoekers aan op de Boogjes te Dordrecht. Zij vatten het plan op de mogelijke daders van de diefstal aan te houden. Daartoe riepen ze assistentie in. Korte tijd later kwam een tweede politieauto ter plaatse. Aan beide zijden van de Boogjes werd postgevat om ervoor te zorgen dat in het geval de verdachten zouden verschijnen, deze niet met de gestolen auto zouden kunnen ontkomen. Na enige tijd liepen enkele personen naar de auto van verzoekers en stapten in. Op dat moment zette de politie een van beide politieauto's schuin voor de auto van verzoekers om te voorkomen dat de verdachten zouden wegrijden (zie ook BIJLAGE 2.). E n van de politieambtenaren stapte uit en rende naar verzoekers auto om de verdachten aan te houden. De bestuurder van de auto gaf toen vol gas en reed weg over het trottoir. Daarbij schampte hij een muur. De politie zette meteen de achtervolging in. Uiteindelijk reed de bestuurder van verzoekers auto tegen een boom. De politie kon twee inzittenden aanhouden. De auto van verzoekers was 'total loss'. De verdachte van de diefstal van verzoekers auto werd begin 1997 door de meervoudige kamer van de arrondissementsrechtbank te Dordrecht veroordeeld.2. Verzoekers ontvingen van hun verzekeringsmaatschappij een vergoeding ten bedrage van f 6.500, zijnde de dagwaarde van hun auto. Zij waren daarmee niet tevreden, aangezien zij van mening waren dat hun auto een marktwaarde van f 10.000 vertegenwoordigde. Zij stelden de politie aansprakelijk voor het verschil, f 3.500.

De verzekeringsmaatschappij van de politie deelde verzoekers in reactie op deze claim onder meer het volgende mee:"In dit geval werd 10 minuten gepost en de straat aan beide zijden afgezet. Dit is een wettelijk toegestane methode, daar is niets onrechtmatigs aan. Een en ander heeft geleid tot aanhouding van een groot aantal verdachten en bekentenissen van de diefstal van maar liefst 45 personenauto's. De schade aan uw auto is ontstaan doordat de verdachten zich niet door de blokkade lieten weerhouden en via het trottoir en schurend langs een muur de auto met geweld langs de blokkade wisten te krijgen. Later is de auto tot stilstand gekomen tegen een boom. De enige verantwoordelijke persoon voor deze schade is dan ook de bestuurder van uw auto. Door uzelf in de strafrechtelijke procedure te 'voegen' kunt u maximaal f. 1.500,00 van de dader eisen (zie ook

Achtergrond

, onder 2.). Ook kunt u een civiele procedure tegen de dader overwegen, en het volledige (resterende) bedrag eisen. Overigens geldt dit laatste ook voor uw autoverzekeraar. Opvallend daarbij is dat uw autoverzekeraar geen claim bij ons heeft neergelegd, en dus blijkbaar ook de mening is toegedaan dat de politie niet aansprakelijk is. Stel nu dat de politie wel aansprakelijk zou zijn. In dat geval moet de dagwaarde van de auto (in de staat van voor de inbraak/ diefstal) worden betaald. De dagwaarde is echter al door uw autoverzekeraar betaald. Zo bezien bent u al schadeloos gesteld en zou u met aanvullende betaling ongerechtvaardigd verrijkt worden. Indien u van mening blijft dat de dagwaarde van uw auto hoger is dan de expert heeft bepaald, ligt het op uw weg om daarover nader in discussie te treden met de expert en uw autoverzekeraar."3. Verzoekers waren het met deze reactie niet eens. Zij bleven van mening dat zij door de handelwijze van de politie financieel waren benadeeld. Zij dienden, door tussenkomst van de Nationale ombudsman, een klacht in bij de politie. Deze klacht kwam in grote lijnen overeen met de door de Nationale ombudsman in onderzoek genomen klacht (zie

Klacht

). De chef van het district Dordrecht/Zwijndrechtse Waard deed de klacht af. In zijn afdoeningsbrief was onder meer het volgende te lezen:"Uw klacht is met name gericht tegen het feit dat u vindt dat de politie op 25 oktober 1996 onrechtmatig heeft gehandeld door uw ontvreemde personenauto zonder toestemming uwerzijds aan te wenden ter opsporing van de daders van de diefstal. Nog even de feiten op een rijtjeOp 25 oktober 1996 omstreeks 21.10 uur treffen 2 politiemensen

tijdens surveillance met een onopvallende politieauto uw personenauto aan op de Boogjes te Dordrecht. Bij verificatie bleek dat deze personenauto als 'ontvreemd' stond gesignaleerd. Uit opsporingsbelang (kans ontdekking op heterdaad) werd onmiddellijk assistentie ingeroepen en werd door een 2e politieauto aan de andere zijde van de Boogjes postgevat teneinde te beletten dat de verdachten opnieuw met uw auto ervandoor zouden gaan. Na korte tijd (ca 10 minuten) zagen de gealarmeerde politiemensen op de Boogjes een 5-tal jongelui lopen, waarvan er 3 in de richting van uw auto liepen en onmiddellijk instapten, kennelijk met de bedoeling weg te rijden. Op datzelfde moment werd de onopvallende politieauto schuin voor uw auto geplaatst om wegrijden te voorkomen en is een politieman onmiddellijk uitgestapt en naar uw auto gerend, teneinde de verdachten aan te houden. Op dat moment gaf de bestuurder van uw auto vol gas en reed weg over het trottoir, schampte daarbij een muur omdat de doorrijruimte te smal was en zag vervolgens kans de politieblokkade te ontwijken. Na een wildemansrit door de stad, waarbij de politie zich beperkte tot het op afstand volgen van uw auto (er werd door de bestuurder van uw auto onverantwoord hoge risico's genomen), eindigde uiteindelijk de rit met uw auto tegen een boom in het Wielwijkpark te Dordrecht. Aldaar ter plekke werden 2 verdachten aangehouden. Uit het vervolgens ingestelde politieonderzoek bleek dat een groot aantal verdachten zich schuldig hadden gemaakt aan diefstal van ca 45 personenauto's voornamelijk van het merk Opel Kadett. Enkele procedurele opmerkingenGebruikelijk is dat bij het aantreffen van ontvreemde goederen - en zeker bij ontvreemde personenauto's, die nog rijklaar zijn – er rekening mee gehouden moet worden dat in de onmiddellijke omgeving hiervan zich nog mogelijke verdachten ophouden dan wel andere strafbare feiten hiermee gaan plegen. De politie heeft namelijk nadrukkelijk tot haar taak om naast het veilig stellen en terugbezorgen van ontvreemde goederen (uw auto) de verdachten op te sporen en aan te houden. Door de aanwezige politiemensen is in casu adequaat en professioneel gereageerd. Immers het was bekend dat er binnen de gemeente Dordrecht in de daarvoor liggende weken reeds een groot aantal Opel Kadett's waren ontvreemd door een onbekende dadergroep. Ook uw geval was hieronder te brengen. Het is gebruikelijk eigenaar(s) van ontvreemde goederen bij vinding z.s.m. te informeren. In uw geval zou dit in de loop van die avond normaliter ook gebeurd zijn. Het zou niet juist geweest

zijn als uw voertuig niet onder controle van de politie was gebleven of anderszins was veilig gesteld zonder u hierover te informeren. ConclusieOok al betreur ik dat de verdachten kans hebben gezien om zich door middel van het uithalen van levensgevaarlijke capriolen aan hun aanvankelijke aanhouding te onttrekken en daarbij ernstige schade aan uw auto hebben toegebracht, ben ik van mening dat de politie jegens u niet onrechtmatig heeft gehandeld. Ten overvloede verwijs ik u naar de brief van (de verzekeringsmaatschappij van de politie; N.o.) mbt argumentatie jegens de aansprakelijkheid van de daders."B. Het standpunt van verzoekers1. Het standpunt van verzoekers is samengevat weergegeven onder

Klacht

.2. In het verzoekschrift brachten verzoekers nog onder meer het volgende naar voren:"De taak van de politie wordt verdeeld in 2 belangen:-        het aanhouden van de verdachten -        het zoveel mogelijk beperken van de schade voor de slachtoffers. Wij vinden dat men voor wat betreft dit laatste in gebreke is gebleven. Men heeft niets ondernomen om de tot dan toe opgelopen schade aan de auto niet te vergroten. Sterker, men heeft ons eigendom, zonder ons hierover te informeren, bewust aangewend tot het aanhouden van de verdachten. Men liep het risico dat de verdachten zich door de, kennelijk niet afdoende, blokkade niet lieten weerhouden. Toch besloot men op dat moment het belang van het aanhouden van de verdachten hogere prioriteit te geven dan het beperken van de schade. De politie gaat consequent niet in op dit argument. Het enige dat tijdens het gesprek (van 8 september 1997 met de hoofdinspecteur van politie M.; N.o.) nogmaals gezegd is en in de brief herhaald wordt is dat n st het beperken van de schade de politie ook tot taak heeft de verdachten aan te houden, en dat door de betrokken politiemensen adequaat is gehandeld. Hier hangt ook onze schadevergoedingsclaim mee samen. Wanneer de politie toch vindt dat de juiste keuze is gemaakt dient men ook de consequentie te accepteren. Het enige wat gezegd wordt is dat

men het betreurt dat de verdachten kans hebben gezien te ontsnappen. Wij menen dat indien men niet was overgegaan tot deze opsporingsmethode de schade beperkt was gebleven tot de tot dan toe opgelopen braakschade. Verder wordt gesteld dat wij normaliter in de loop van de avond ge nformeerd zouden zijn. Men had sowieso niet zonder ons te informeren ons eigendom aan mogen wenden!!! Wij zijn overigens nergens spontaan over ge nformeerd. Wij hebben zaterdag 26 oktober laat in de morgen uit de krant begrepen wat er gebeurd is. Pas nadat wijzelf telefonisch contact opgenomen hebben met de politie, zijn wij uitgenodigd op het hoofdbureau voor nadere informatie omdat men niet telefonisch mocht of kon bevestigen dat het bewuste krantenartikel over onze auto ging. Dit argument, hoe e.e.a. normaliter zou zijn gegaan, doet verder nu niet meer zo terzake. Het bevestigt alleen maar dat alles anders dan normaal is verlopen."C. Het standpunt van de korpsbeheerderDe beheerder van het regionale politiekorps Zuid-Holland-Zuid bracht in reactie op de klacht onder meer het volgende naar voren:"Klagers zijn op een vervelende wijze geconfronteerd met de gevolgen van diefstal van hun auto. Moeiteloos kan ik mij verplaatsen in hun situatie. Ik begrijp hun boosheid als slachtoffer van de vorm van criminaliteit die autodiefstal heet. Met zijn brief van 6 januari 1998 heeft de chef van het district Dordrecht/Zwijndrechtse Waard de context van de handelwijze van de politie toegelicht en uitgelegd. De brief van klagers d.d. 20 februari 1998 getuigt ervan dat zij niet bereid zijn die context te aanvaarden. Om die reden zal ik hierna, nadat ik andermaal heb benadrukt dat ik mij goed kan inleven in de boosheid van klagers vanwege de diefstal van hun auto, nogmaals ingaan op het breder verband van deze zaak. De taak van de politie is bekend: handhaving van de rechtsorde door zorg voor de algemene orde, rust en veiligheid. Tussen de formele taakstelling en de materi le taakvervulling bestaan verschillen. Het is onmogelijk regels vast te stellen die voor elke concrete situatie gelden; de politie moet per situatie invulling geven aan haar taak. Zo kan niet worden gezegd dat de politie in dit geval geschreven regels heeft geschonden. Blijft over dat bij het oordeel over het politieoptreden moet worden bekeken of dat optreden spoort met de ongeschreven grondbeginselen van het recht

zoals dan van fair play, zorgvuldigheid en evenwichtigheid. Een oordeel wordt veelal, in elk geval bij dit incident, achteraf geveld. Dat betekent dat het resultaat van de handelwijze dus een rol mag spelen. Een hoge mate van veiligheid en veiligheidsgevoel bij burgers is het belangrijkste doel van het korps Zuid-Holland-Zuid. Veiligheid betekent onder meer de bescherming van personen en goederen. De handelwijze van de politie laat zien dat de doelstelling van het korps leidraad is geweest ook bij dit incident. Er was de alertheid die ertoe leidde dat tijdens de surveillance, de status (gesignaleerd als ontvreemd) van de auto van klagers bekend werd. Tussen het posten van de politie en de terugkeer van degene(n) die de auto had(den) gestolen, verstrijken ongeveer 10 minuten. Binnen dat tijdsbestek zou het, naar mag worden aangenomen, onmogelijk zijn geweest dat klagers n gewaarschuwd zouden zijn, n ter plekke hadden kunnen komen om hun voertuig weer mee te nemen. Dat betekent dat zelfs indien de politie gehandeld zou hebben zoals klagers menen dat de politie had moeten handelen (veiligstellen), zich dezelfde gevolgen zouden hebben voorgedaan (terugkeer van degene(n) die de auto had(den) gestolen en opnieuw het verdwijnen daarvan met gelijke risico's van schade). De bescherming van personen en goederen heeft natuurlijk ook betrekking op de bescherming van de auto van klagers. Maar met die bescherming kunnen meer doelen tegelijkertijd worden nagestreefd. Bescherming die niet alleen repressief wordt geboden maar juist en vooral pro-actief is. Daarvan getuigt ook deze handelwijze van de politie. De tactiek van de politie heeft ertoe geleid dat met degenen die toen zijn aangehouden, niet alleen een aantal andere diefstallen is opgelost maar ook dat voork men is dat die personen hun criminele gedragingen kunnen voortzetten. Daarmee kan de handelwijze de toets van subsidiariteit en proportionaliteit ruimschoots doorstaan. In het licht van het voorgaande onderschrijf ik het standpunt dat de chef van het district Dordrecht/Zwijndrechtse Waard heeft verwoord in zijn brief van 6 januari 1998."D. De reactie van de hoofdofficier van justitieDe hoofdofficier van justitie te Dordrecht deelde in reactie op de klacht onder meer het volgende mee:"De feiten In steeds wisselende samenstelling heeft een groepje van meerdere verdachten in een korte periode een fiks aantal strafbare feiten

gepleegd. Beklaagde X heeft met een of meer andere verdachten de auto van klager zonder toestemming wederrechtelijk weggenomen. Dat feit werd gepleegd op 24 oktober 1996 in de gemeente Dordrecht. Beklaagde X is met een aantal maatjes die hem bij de diefstal hebben geholpen in de gestolen auto weggereden teneinde te ontkomen aan de politie die beklaagde op het spoor was gekomen. Tijdens de achtervolging, die door de politie was ingezet, zijn de maatjes van beklaagde uit de auto gestapt en vervolgens is beklaagde in een park tegen een boom gereden. Beklaagde heeft de auto daar achtergelaten en is vervolgens ontvlucht. De beslissing van de officier van justitie De officier van justitie kwam tot het oordeel dat een strafrechtelijke vervolging tegen beklaagde X en zijn medeverdachten ge ndiceerd was, zoals blijkt uit de bijgevoegde dagvaarding. De officier van justitie heeft op 28 februari 1997 klagers schriftelijk laten weten dat hij de verdachten heeft gedagvaard voor de zitting van 13 maart 1997. Voorts bericht hij klagers dat indien zij nog schade hebben, die op geen andere wijze vergoed wordt en die klagers nog op de verdachten wensen te verhalen, zij een vordering tot schadevergoeding kunnen indienen. Op dit verzoek hebben klagers niet gereageerd en derhalve heeft de officier van justitie geen rekening gehouden met een verzoek tot schadevergoeding. De behandeling ter terechtzitting vond plaats op 13 maart 1997; de meervoudige kamer van de rechtbank heeft beklaagde X en zijn mededaders veroordeeld. Het strafvonnis van beklaagde X is bijgevoegd. Zoals blijkt uit het strafvonnis is feit nummer 1 – diefstal van de auto van klagers – bewezen verklaard. Geheel ten onrechte is, op 14 april 1997, een bericht vanwege het openbaar ministerie uitgegaan aan klagers, waarin klagers wordt medegedeeld dat de rechter de verdachte in de strafzaak, waarbij klagers als benadeelde betrokken waren, heeft vrijgesproken. En voorts, zo meldt de brief, is voor de andere feiten wel een veroordeling uitgesproken waarbij beklaagde X is veroordeeld tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voor de duur van twee jaar met aftrek onvoorwaardelijk. Klagers zijn door de inhoud van dit onjuiste bericht, rechtens niet geschaad, nu zij zich vooraf niet als benadeelde partij hadden gesteld. Beoordeling van de klacht De klacht van de heer en mevrouw V. spitst zich toe op de vraag waarom de politie bij haar handelen prioriteit heeft verleend aan

het opsporingsbelang boven het beperken van schade aan hun eigendom. Dat de politie de auto van klagers zonder diens toestemming heeft gebruikt bij het opsporingsonderzoek en dat de politie het verzoek van klagers om schadevergoeding heeft afgewezen. Beantwoording van die vragen heeft de korpsbeheerder neergelegd in de reactie, gedateerd 4 juni 1998. Met de inhoud van die reactie kan ik mij verenigen. Daarbij merk ik nog op dat klagers niet hebben gereageerd op het schriftelijk bericht van de officier van justitie om een verzoek tot schadevergoeding in te dienen, onder andere met betrekking tot de schade aan de auto. Het feit dat klagers niet hebben gereageerd op dat verzoek om zich als benadeelde partij in het strafproces te voegen (zie ook

Achtergrond

, onder 2.), kan de officier van justitie niet worden aangerekend."E. Onderzoek ter plaatseEen medewerker van het Bureau Nationale ombudsman stelde bij de Boogjes te Dordrecht een onderzoek ter plaatse in. Hij stelde daarbij vast dat de betrokken politieambtenaren, gelet op de in de overgelegde situatieschets aangegeven positie van de onopvallende politieauto (zie BIJLAGE 2.) en gezien de breedte van de weg ter plaatse, in redelijkheid hadden kunnen aannemen dat zij de weg voldoende effectief hadden afgesloten om andere auto's de doorgang te beletten.

Beoordeling

1. Op 25 oktober 1996 troffen twee politieambtenaren van het regionale politiekorps Zuid-Holland-Zuid tijdens hun surveillance de als gestolen opgegeven auto van verzoekers aan op de Boogjes te Dordrecht. Zij vatten het plan op de mogelijke daders van de diefstal aan te houden. Daartoe riepen ze assistentie in. Korte tijd later kwam een tweede politieauto ter plaatse. Aan beide zijden van de Boogjes werd postgevat, om ervoor te zorgen dat in het geval de verdachten zouden verschijnen deze niet met de gestolen auto zouden kunnen ontkomen. Na enige tijd liepen enkele personen naar de auto van verzoekers en stapten in. Op dat moment zette de politie n van beide politieauto's schuin voor de auto van verzoekers, om te voorkomen dat de verdachten zouden wegrijden (zie ook BIJLAGE 2.). E n van de politieambtenaren stapte uit en rende naar verzoekers' auto om de verdachten aan te houden. De bestuurder van de auto gaf toen vol gas en reed weg over het trottoir. Daarbij schampte hij een muur. De politie zette meteen de achtervolging in. Uiteindelijk reed de bestuurder van verzoekers' auto tegen een boom. De politie kon twee inzittenden aanhouden. De auto van verzoekers was 'total loss'. De verdachte van de diefstal van verzoekers' auto werd begin 1997

door de meervoudige kamer van de arrondissementsrechtbank te Dordrecht veroordeeld.I. . Ten aanzien van het prioriteit geven aan het opsporingsbelang1. Verzoekers klagen er in de eerste plaats over dat de politie bij haar handelen prioriteit heeft verleend aan het opsporingsbelang boven het beperken van schade aan hun eigendom.2. De Nationale ombudsman kan zich goed voorstellen dat verzoekers uitermate teleurgesteld zijn. Indien de politie de auto meteen had veiliggesteld en vervolgens aan verzoekers had teruggegeven, zou geen (verdere) schade aan hun auto zijn ontstaan. In dat geval zou de politie zichzelf echter de mogelijkheid hebben ontnomen om de verdachten van de diefstal van de auto van verzoekers aan te houden. De politie heeft terecht naar voren gebracht dat zij – naast het veiligstellen en terugbezorgen van ontvreemde goederen – tot taak heeft om verdachten van strafbare feiten op te sporen en aan te houden. Gelet op het feit dat het de politie bekend was dat er in de voorgaande periode een groot aantal auto's van hetzelfde type als de auto van verzoekers, een Opel Kadett, was gestolen, was er in dit geval een verhoogd opsporingsbelang om de verdachte(n) van de auto van verzoekers aan te houden. Het viel immers niet uit te sluiten dat zij ook verantwoordelijk waren voor de ontvreemding van de andere auto's. Het is in dat verband te rechtvaardigen dat de politie heeft besloten om te posten bij de auto van verzoekers, in het kader van haar opsporingstaak. De betrokken politieambtenaren mochten in redelijkheid aannemen dat zij met de onopvallende politieauto de vluchtweg voor de betreffende verdachten afdoende hadden afgesloten. De verdachten konden kennelijk ook alleen ontkomen door tegen een muur te rijden. In zoverre treft de politie geen verwijt.3. Gelet op het voorgaande kunnen verzoekers dan ook niet worden gevolgd in hun stelling dat de politie onvoldoende heeft getracht hun belangen te waarborgen. Het feit dat de verdachten toch hebben kunnen ontkomen en dat zij de auto van verzoekers total loss hebben gereden, is voor verzoekers buitengewoon spijtig. Dit kan echter niet afdoen aan het oordeel dat de politie in dit geval juist heeft gehandeld. Niet de politie, maar de betreffende verdachte is aansprakelijk voor de schade die is toegebracht aan de auto van verzoekers. De onderzochte gedraging is op dit punt behoorlijk.II. . Ten aanzien van het gebruik van de auto zonder toestemming1. Verzoekers klagen er verder over dat de politie hun auto zonder hun toestemming heeft gebruikt bij het opsporingsonderzoek.

2. Zoals hierv r, onder I., is geoordeeld, ziet de Nationale ombudsman geen reden voor kritiek op het politieoptreden in dit geval. Niet kan worden geoordeeld dat de politie de auto van verzoekers heeft gebruikt in het opsporingsonderzoek, nu de politie zich, in eerste instantie, heeft beperkt tot observatie. Voor zover verzoekers menen dat de politie hen direct had moeten inlichten over het aantreffen van hun auto moet, met de korpsbeheerder, worden opgemerkt dat ook dan de feitelijke gang van zaken geen andere was geweest. Er is geen reden om de politie te verwijten dat zij niet al direct ertoe is overgegaan om verzoekers in te lichten. De onderzochte gedraging is ook op dit punt behoorlijk.III. . Ten aanzien van het afwijzen van schadevergoeding1. Tenslotte klagen verzoekers erover dat de politie hun verzoek om schadevergoeding heeft afgewezen.2. Verzoeker heeft de dagwaarde van zijn auto, f 6.500, vergoed gekregen van zijn verzekeringsmaatschappij. Hij is echter van mening dat hij f 10.000 schade heeft geleden. De korpsbeheerder heeft verzoeker dit verschil niet willen uitbetalen, omdat hij van mening is dat de politie niet onrechtmatig heeft gehandeld.3. Gezien hetgeen hierv r, onder I. en II., over het politieoptreden is geoordeeld, en mede gelet op de terughoudende benadering van de Nationale ombudsman in schadevergoedingszaken (zie ACHTERGROND, onder 1.), moet worden geoordeeld dat verzoekers schadeclaim niet zo evident juist is dat de korpsbeheerder niet in redelijkheid tot zijn afwijzende beslissing heeft kunnen komen. De onderzochte gedraging is ook op dit punt behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van het regionale politiekorps Zuid-Holland-Zuid, die wordt aangemerkt als een gedraging van de beheerder van dit korps (de burgemeester van Dordrecht), is niet gegrond. BIJLAGE.

Achtergrond

1. In het geval van een klacht over een besluit van een bestuursorgaan tot afwijzing van een verzoek om schadevergoeding dat kan worden onderworpen aan het oordeel van de bestuursrechter is de Nationale ombudsman niet bevoegd. Staat bij zo'n klacht de weg naar de bestuursrechter niet open, zodat de Nationale ombudsman ter zake wel bevoegd is, dan stelt de Nationale ombudsman zich terughoudend op. In zo'n geval is immers de burgerlijke rechter de instantie die bij uitsluiting bevoegd is om bindend te beslissen over de vraag of, op grond van bepalingen van burgerlijk recht, het betrokken bestuursorgaan is gehouden om de gestelde schade te vergoeden. Alleen wanneer in zo'n geval naar het oordeel van de Nationale ombudsman de aanspraak van betrokkene op schadevergoeding, gezien de gronden waarop deze aanspraak berust, zo evident juist is dat het betrokken bestuursorgaan niet in redelijkheid tot zijn afwijzende besluit heeft kunnen komen, wordt dat besluit tot weigering van de gevraagde schadevergoeding aangemerkt als een nietbehoorlijke gedraging. In de overige gevallen gaat de Nationale ombudsman ervan uit dat het in beginsel vrijstaat aan het betrokken bestuursorgaan om te betwisten dat het gehouden is tot het vergoeden van de gestelde schade, en om zich in verband daarmee op het standpunt te stellen dat de vraag naar die gehoudenheid - eventueel - moet worden beantwoord door de burgerlijke rechter. In die gevallen zal er voor de Nationale ombudsman geen reden zijn om het besluit tot weigering van de schadevergoeding aan te merken als een nietbehoorlijke gedraging.2. Het Nederlandse strafprocesrecht kent een mogelijkheid voor het slachtoffer van een strafbaar feit om zich - als benadeelde partij - met een vordering tot schadevergoeding in het strafgeding tegen de verdachte van dit strafbare feit te voegen. De voegingsregeling biedt het slachtoffer een relatief eenvoudige en goedkope wijze om zijn schade op de dader van het strafbare feit te verhalen. Met de inwerkingtreding van de hiervoor genoemde Wet Terwee zijn de mogelijkheden voor het slachtoffer op dit punt aanzienlijk verruimd.

Instantie: Regiopolitie Zuid-Holland Zuid

Klacht:

Handelwijze na aantreffen gestolen auto.

Oordeel:

Niet gegrond