1998/447

Rapport
Op 14 november 1996 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer G. te Goes, nader toegelicht bij brief van 25 februari 1997, met een klacht over een gedraging van het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond. Naar deze gedraging, die wordt aangemerkt als een gedraging van de beheerder van het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond (de burgemeester van Rotterdam), werd een onderzoek ingesteld. Op grond van de door verzoeker verstrekte gegevens werd de klacht als volgt geformuleerd:Verzoeker klaagt erover dat het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond hem op woensdag 29 november 1995 ten onrechte heeft aangehouden. Voorts klaagt hij erover dat de politie zowel bij de aanhouding als bij zijn aankomst op het politiebureau teveel geweld tegen hem heeft gebruikt, en dat hij geboeid is overgebracht naar het politiebureau. Verzoeker klaagt er verder over dat hij vervolgens gedurende zijn verblijf in de politiecel aan zijn handen geboeid is gebleven, en dat de politie niet adequaat heeft gereageerd op zijn meldingen dat hij pijn ondervond. Tenslotte klaagt verzoeker erover dat de politie onwillig is gebleken om met hem een afspraak te maken om over de gebeurtenissen op 29 november 1995 te praten.

Achtergrond

Zie BIJLAGE

Onderzoek

In het kader van het onderzoek werd de beheerder van het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben. Daarnaast werd de betrokken ambtenaren de gelegenheid geboden om commentaar op de klacht te geven. In verband met zijn verantwoordelijkheid voor justitieel politie-optreden werd ook de hoofdofficier van justitie te Rotterdam over de klacht ge nformeerd en in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken, voor zover daarvoor naar zijn oordeel reden was. De genoemde hoofdofficier van justitie maakte van deze gelegenheid geen gebruik. Tijdens het onderzoek kregen betrokkenen de gelegenheid op de door ieder van hen verstrekte inlichtingen te reageren.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. De reactie van verzoeker gaf geen aanleiding het verslag te wijzigen. De beheerder van het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond berichtte dat het verslag hem geen aanleiding gaf tot het maken van opmerkingen. De betrokken ambtenaren gaven binnen de gestelde termijn geen reactie.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:A. De feiten1. Op 29 november 1995 omstreeks 11.00 uur werd de bestuurder van een auto door een uit twee personen bestaande surveillance-eenheid van het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond gecontroleerd op de naleving van de regels van de Wegenverkeerswet 1994. De man bleek niet te beschikken over een in Nederland geldig rijbewijs noch over geldige autopapieren. De politieambtenaren hielden hem toen aan op verdenking van overtreding van artikel 107, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994 (zie

Achtergrond

, onder 1). Daarop vroegen de twee politieambtenaren aan de bestuurder van de auto of hij met hen mee wilde gaan naar het politiebureau te Vlaardingen om daar de zaak verder uit te zoeken en af te handelen. Hij gaf aan daartoe bereid te zijn. Verzoeker, die naast de bestuurder van de auto zat, wilde bij zijn vriend blijven en vroeg de politieambtenaren of hij met zijn vriend mee mocht naar het politiebureau. Deze deelden hem mee dat het hem vrijstond om achter hun aan te rijden in de auto van zijn vriend, maar dat hij niet mocht meerijden in de politieauto. Verzoeker was het daarmee niet eens, en hij maakte dit ook kenbaar aan de beide politieambtenaren. E n van de betrokken politieambte-naren riep vervolgens - uit voorzorg - via de mobilofoon assistentie op voor het geval de situatie ter plekke zou escaleren. Korte tijd later kwamen twee politieambtenaren ter plaatse in een onopvallende politieauto. E n van hen wilde de aangehouden bestuurder van de auto plaats laten nemen in een politieauto. Verzoeker bemoeide zich hiermee. Omstreeks 11.20 uur hield de politie verzoeker aan op verdenking van wederspannigheid. Inmiddels waren nog twee politieambtenaren, die op het verzoek om assistentie hadden gereageerd, ter plaatse gekomen. Verzoekers aanhouding ging gepaard met een worsteling waarbij verschillende politieambtenaren betrokken waren. Verzoeker liep hierbij een blessure aan zijn knie op. Na aanhouding werd verzoeker geboeid overgebracht naar het politiebureau te Vlaardingen, waar hij omstreeks 11.30 uur aankwam. In verband met verzoekers knieletsel kwam omstreeks 11.50 de GGD ter

plaatse. Om 12.10 werd verzoeker door een ambulance overgebracht naar het ziekenhuis voor nader onderzoek aan zijn knie.2. Op 4 december 1995 diende een advocaat, namens verzoeker, een klacht in bij de politie over het hierboven onder A.1. omschreven politieoptreden. Verzoekers intermediair en de politie kwamen vervolgens overeen om op 10 januari 1996 over de gebeurtenissen op 29 november 1995 een gesprek aan te gaan. Verzoeker werd door zijn advocaat over deze afspraak ge nformeerd. Op 3 januari 1996 deelde verzoeker zijn advocaat schriftelijk mee het niet nodig te vinden om met de politie over deze zaak te spreken. Verzoekers intermediair deelde verzoeker vervolgens bij brief van 22 januari 1996 mee dat zij contact had gehad met de politie over verzoekers klacht. Voorts gaf zij verzoeker in die brief het advies om - in zijn eigen belang - toch nog een gesprek met de politie aan te gaan. Op 11 maart 1996 had verzoeker met zijn raadsman een onderhoud over (onder meer) de gebeurtenissen op 29 november 1995. De raadsman bracht de politie bij brief van 19 maart 1996 op de hoogte van de inhoud van dit gesprek. De brief bevatte geen verzoek om een nieuwe afspraak.3. De chef van het district Waterweg van het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond deed de namens verzoeker bij de politie ingediende klacht bij brief van 18 juni 1996 af. In deze brief was onder meer het volgende te lezen:"Op woensdag 29 november 1995 omstreeks 11.17 uur werd door een surveillance-eenheid van District 1 van de Regiopolitie Rotterdam-Rijnmond op de E-straat te Vlaardingen de bestuurder van een voertuig gecontroleerd. De man bleek noch in het bezit van een geldig rijbewijs, noch in het bezit van geldige autopapieren. De bestuurder, alsmede de auto zouden voor nader onderzoek worden overgebracht naar het bureau te Vlaardingen. De man verleende hieraan zijn medewerking. Echter, de bijrijder, (...), uw cli nt en door u genoemd G., was het hier niet mee eens. Dit bleek uit woord en gebaar, alsmede uit het feit dat hij, door aan hem te trekken, trachtte te voorkomen dat de bestuurder in de politieauto zou plaatsnemen. G. reageerde vervolgens dermate obstinaat, dat ook de andere inzittenden opgewonden raakten en zich met de zaak gingen bemoeien. Bij herhaling schold ondermeer G. n van de politiemensen uit voor "rot Arabier, rot naar je eigen land", of woorden van gelijke strekking en wenste slechts zaken te doen met de politievrouw van het tweetal. Omdat n en ander, met name door het optreden van G. dreigde te escaleren, verzocht de surveillance-eenheid om assistentie. De ter plaatse verschenen brigadier sommeerde G. zijn activiteiten te staken en de autobestuurder

plaats te laten nemen in de politieauto. Dit werd door G. genegeerd, hetgeen bleek uit zijn handtastelijkheden en het getrek aan de autobestuurder. Na een aantal duidelijke waarschuwingen werd G. uiteindelijk door de brigadier aangehouden wegens verzet c.q. wederspannigheid. Hem werd bij herhaling verzocht plaats te nemen in een politieauto, teneinde te worden overgebracht naar het bureau van politie ter geleiding voor een hulpofficier van justitie, hetgeen hij al schreeuwend weigerde. Toen hij vervolgens met zachte dwang in de richting van de auto werd geduwd, verzette hij zich hier zodanig tegen, dat de zachte dwang niet meer volstond en G. vastgegrepen werd. Bij de worsteling, die hierna ontstond heeft G. tijdens zijn verzet kennelijk n van zijn knie n verdraaid en geforceerd. Uiteindelijk werd hij geboeid overgebracht naar het bureau en geleid voor een hulpofficier. Aan het bureau klaagde G. over hevige pijn in n van zijn knie n, reden waarom een ambulance van de GG en GD ter plaatse werd verzocht. Deze achtte nader onderzoek in het ziekenhuis noodzakelijk, waaraan medewerking werd verleend. Inmiddels werd zaak met de andere verdachte aan het bureau afgehandeld.. kon na behandeling huiswaarts. Namelijk, nadat geconstateerd was dat G. een behoorlijk blessure aan een knie had, werd dezerzijds uit pi teit besloten, dat de recherche het door G. gepleegde verzet in een later stadium zou behandelen. Dit werd G. in het ziekenhuis door een politieambtenaar uitgelegd. Nog diezelfde dag werd dezerzijds de officier van justitie, H., ge nformeerd over het geweldsgebruik. Naar aanleiding van uw brieven heeft de inspecteur V. diverse keren contact met u gehad, teneinde tot een afspraak met klager te komen. De redenen dat dit tot op heden niet gelukt is, werden door u aangegeven: klager liet het de eerste maal afweten, vervolgens was hij op vakantie in Afrika. Ook het onlangs dezerzijds telefonisch gedane aanbod om naar Goes te komen leidde niet tot een concrete afspraak. Dit is ook de reden dat het proces-verbaal tegen G. nog niet kon worden ingezonden. Hij moet immers nog worden gehoord door de recherche in verband met het misdrijf, waarvan hij verdacht wordt. De bedoeling was dit verhoor te combineren met de afspraak in verband met zijn klacht. Nu dit contact niet te realiseren

bleek, werd het proces-verbaal inmiddels voor verdere afhandeling verstuurd naar de politie te Goes. Uit het gegeven dat klager geen of nauwelijks interesse lijkt te hebben in een gesprek, leid ik af dat klager van zijn klacht afziet. Mocht hij echter toch alsnog een gesprek wensen, sta ik open voor een voorstel uwerzijds. Overigens deel ik u mede dat de in uw brief d.d. 19 maart 1996 gedane suggestie van de heer G., als zou van een persoonsverwisseling sprake zijn, door de betrokken politiemensen resoluut van de hand werd gewezen. Tevens deel ik u mede dat dezerzijds geen enkele aansprakelijkheid wordt aanvaard."4. Verzoekers intermediair stuurde verzoeker op 19 juli 1996 een afschrift toe van de hierv r, onder A.3., opgenomen afdoeningsbrief. Tevens vroeg zij verzoeker of hij gebruik wilde maken van het in die brief opgenomen aanbod om alsnog een gesprek met de politie aan te gaan over het politieoptreden op 29 november 1995. Bij brief van 16 augustus 1996 herhaalde verzoekers intermediair deze vraag. Daarop berichtte verzoeker zijn advocaat op 28 augustus 1996 gebruik te willen maken van het aanbod van de politie. Verzoekers intermediair deelde de politie vervolgens bij brief van 10 september 1996 mee dat verzoeker alsnog op het aanbod van de politie in wilde gaan. De chef van het district Waterweg berichtte verzoekers intermediair op 11 september 1996 dat er op 27 september 1996 een gesprek kon plaatsvinden tussen verzoeker en de chef van de basiseenheid Vlaardingen. Hij gaf hierbij aan dat het - gelet op het aanzienlijke tijdsverloop dat inmiddels was opgetreden - een 'finaal aanbod' betrof. Verzoekers intermediair deelde de politie bij brief van 30 september 1996 mee dat zij tevergeefs had geprobeerd telefonisch een afspraak te maken, en dat verzoeker nog steeds bereid was tot een gesprek. Zij vroeg de politie met haar contact op te nemen. Verzoeker deelde zijn raadsman op 1 oktober 1996 nog mee dat wat hem betreft het gesprek met de politie pas na 2 november 1996 kon plaatsvinden. Een gesprek tussen de politie en verzoeker kwam niet meer tot stand.B. Het standpunt van verzoeker1. Het standpunt van verzoeker is samengevat weergegeven onder

Klacht

.2. In zijn verzoekschrift bracht verzoeker onder meer nog het volgende naar voren:

"Ze vroeg meteen aan mijn vriend om met hen mee naar het politiebureau te gaan. Hij vond dat goed, maar hij wilde niet alleen meegaan. Ik vroeg de politie vriendelijk of ik mee mocht gaan. De politie zei:"nee". Hij moest alleen mee. Ik stond erop dat in ieder geval 1 van de vrienden mee mocht gaan. Ik heb nogmaals beleefd aan de politie gevraagd of ik met mijn vriend mee mocht gaan. Meteen na het keer op keer vragen of ik mee mocht met mijn vriend, zonder antwoord te krijgen, belde de politie zonder enige reden om back-up. Binnen ongeveer 5 minuten tijd waren er ongeveer 10 politiemensen rond me, zonder enige reden. In minder dan een minuut tijd, zonder te vragen wat er gebeurde en waarom, sloeg een politieagent mij op mijn arm en rug. Tegelijkertijd sleepten 6 of 7 politieagenten mij voor de politieauto. (...) Ik heb heel kalm mijn handen achter mijn rug gehouden, maar de politie gebruikte nog steeds kracht en reageerden kwaad, alsof ik iets verkeerds zou hebben gedaan. Een van de politieagenten hield mijn been vast tussen mijn knie en mijn enkel, terwijl de andere politieagenten me nog steeds duwden en op mij hingen. De hoofdpolitieagent draaide mijn knie en enkel (zonder enige reden) wat een afschuwelijk geluid maakte en erg veel pijn deed. Ik smeekte de politie om me te helpen, maar ze duwden me en mijn pijnlijke been sloeg tegen de deur. Ik gilde dat ik mij duizelig voelde van de pijn en dat ik niet kon lopen. De politie trok zich niets van mij aan. Ze reden naar het politiebureau zonder aandacht aan mijn pijn te besteden. (...) De politie gooide me in een cel, ze lieten mij gehandboeid. (...) Van het begin tot het eind ben ik beleefd geweest, maar de politie heeft nooit naar de erge pijn die ik voelde geluisterd. Ze hebben me in de cel gelaten voor ongeveer 1 uur en 15 minuten. Ik heb de hele tijd geroepen dat iemand me zou komen helpen, omdat ik me duizelig voelde en veel pijn had. (...) Na ongeveer 1 uur en 15 minuten hebben de politieagenten een verpleegster gebeld om te onderzoeken of ik werkelijk pijn had. (...) De verpleegster vertelde de politie dat ik gewond was en belde de ambulance." Voorts bracht verzoeker in zijn brief nog naar voren dat hij geen racistische woorden noch andere scheldwoorden in de mond had genomen.C. Het standpunt van de korpsbeheerder1. De beheerder van het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond reageerde bij brief van 15 juli 1997 op verzoekers klacht. Hij verwees in zijn reactie naar de rapportage van 9 juli 1997 van de klachtenco rdinator van het district Waterweg. Hij gaf aan dat hij

zich, voor wat betreft zijn oordeel op de klacht, kon vinden in het die rapportage vervatte oordeel van de klachtenco rdinator op de klacht (zie voor de inhoud van deze rapportage hierna, onder C.2.).2. In de rapportage van de klachtenco rdinator was onder meer het volgende te lezen:"Ten aanzien van het onderdeel van de klacht: ten onrechte aangehouden. Verzoeker is aangehouden als verdachte van overtreding van art. 184 WvS. Verwijzend naar het proces-verbaal van aanhouding (...) kan worden geconcludeerd dat verzoeker is aangehouden als verdachte van het gestelde in art. 184 sub 1 WvS. In art. 184 WvS sub 1 wordt aangegeven "hij die opzettelijk enige handeling, door een van die ambtenaren ondernomen ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift, belet, belemmert of verijdelt, wordt gestraft met ...". Uit het genoemd proces-verbaal blijkt duidelijk dat verzoeker herhaaldelijk heeft getracht te beletten dat de politieambtenaren de reeds aangehouden bestuurder van de auto meenamen naar het politiebureau ter voorgeleiding. E.e.a. kan aangemerkt worden als een handeling conform art. 184 WvS. De toetsing door de dienstdoende Hulpofficier van Justitie op 29 november om 11.29 uur toonde aan dat de aanhouding rechtmatig was en dat de Hulpofficier van Justitie derhalve opdracht gaf verzoeker voor nader onderzoek in te sluiten. Het geweldgebruik is tevens gemeld bij de Officier van Justitie, de heer H. Ten aanzien van het deel van de klacht: te veel geweld gebruikt bij aanhouding en bij aankomst op het bureau alsmede geboeid te zijn overgebracht naar het politiebureau. In het Rapport nr. (...) wordt aangegeven dat het aanleggen van de handboeien met geweld gepaard ging en betrokkene daarbij letsel opliep. Uit het proces-verbaal van aanhouding blijkt dat verzoeker zich verzette bij aanhouding. Hij werd derhalve bij de armen vastgehouden, waarna verzoeker zich begon los te worstelen. Verzoeker werd vervolgens met het bovenlichaam op de motorkap van het dienstvoertuig gelegd met de bedoeling hem vanwege dit verzet de handboeien om te leggen. Verzoeker verzette zich hiertegen en trachtte met zijn linkerbeen n van de verbalisanten in het kruis te schoppen. Hierop heeft een andere verbalisant verzoekers rechterbeen gepakt met de intentie verzoeker te beletten nogmaals te schoppen. Verzoeker heeft waarschijnlijk letsel opgelopen doordat hij zich bleef verzetten, terwijl zijn been werd vastgehouden, waarbij hij het verdraaid heeft. Het gebruikte geweld was noodzakelijk om het gewenste doel (aanhouding en overbrenging naar bureau voor onderzoek ter voorgeleiding) te bereiken en was geheel te wijten aan het verzet van verzoeker. Uit het proces-

verbaal blijkt niet van buiten-proportioneel geweld. Van enig geweld bij aankomst op het bureau is geen sprake geweest. Conform art. 22 van de Ambtsinstructie kunnen ten behoeve van het vervoer handboeien worden aangelegd met het oog op gevaar voor de veiligheid of het leven van de persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, van de ambtenaren of van derden. Gezien het verzet dat verzoeker pleegde direct na de aanhouding, waarbij vier politie-ambtenaren verzoeker in bedwang moesten houden (zie proces-verbaal van aanhouding) was het gebruik van handboeien in casu noodzakelijk en toegestaan i.v.m. de veiligheid van de politie-ambtenaren (...). Ten aanzien van het deel van de klacht: gedurende verblijf in de politiecel aan zijn handen geboeid gebleven en onvoldoende adequaat gereageerd op zijn meldingen dat hij pijn ondervond. Uit het proces-verbaal van aanhouding blijkt dat verzoeker omstreeks 11.17 uur is aangehouden in de E-straat en dat verzoeker vervolgens is overgebracht naar het politiebureau alwaar hij om 11.29 uur is voorgeleid voor de Hulpofficier van Justitie. Tijdens zijn oponthoud in het verblijf voor aangehouden verdachten - waarin een verdachte na aankomst tijdelijk wordt geplaatst tot de voorgeleiding voor de Hulpofficier van Justitie - is verzoeker mogelijk korte tijd (hooguit enkele minuten) geboeid gebleven, omdat hij nog niet voldoende was gekalmeerd. Deze handelswijze wordt indien noodzakelijk gevolgd i.v.m. het te verwachten verzet en dus i.v.m. gevaar. E.e.a. is gezien het tijdsverloop echter niet meer met zekerheid vast te stellen. De Hulpofficier van Justitie, de heer S., verklaart dat verzoeker op het moment van voorgeleiding niet meer geboeid was. Volgens de gegevens van de GGD is om 11.45 uur de melding bij de Ambulancedienst binnengekomen. Dit betekent dat direct na de voorgeleiding actie is ondernomen door de politie. Om 11.50 uur was de GGD op het bureau, waar zij verzoeker onderzochten. Omstreeks 12.10 uur is verzoeker door de ambulance overgebracht naar het ziekenhuis voor nader onderzoek, alwaar hij om 12.25 uur is onderzocht. Hieruit mag geconcludeerd worden dat adequaat op verzoekers meldingen is gereageerd. Ten aanzien van het deel van de klacht: de politie is onwillig gebleken om een afspraak met hem te maken om over de gebeurtenissen op 19 november 1995 te praten. De behandelend inspecteur, de heer V., heeft ettelijke keren getracht een afspraak met de heer G. te maken via zijn advocaat, mevrouw Hu. Hiertoe heeft hij veelvuldig telefonisch contact gehad met (het advocatenkantoor van mevrouw mr. Hu.; N.o.).

E.e.a. blijkt eveneens duidelijk uit de door u bijgevoegde brieven van mevrouw Hu. Er zijn twee afspraken gemaakt - op 10 januari en 27 september 1996 - maar de heer G. heeft zich niet aan deze afspraken gehouden. Verzoeker geeft aan dat dit o.a. te wijten is aan de gebrekkige communicatie tussen hem en zijn advocate. Dit lag echter nooit aan een onwillige houding van de politie. In tegendeel, ondanks het feit dat wij herhaalde malen hebben aangegeven het dossier te willen sluiten i.v.m. het niet reageren door de heer G. op onze pogingen tot het maken van een afspraak hebben wij telkens weer getracht alsnog een gesprek te arrangeren als de heer G. na lange tijd van zich liet horen..."3. Verder voegde de korpsbeheerder bij zijn reactie nog het op 29 november 1995 opgemaakte en ondertekende proces-verbaal. Hierin was onder meer het volgende opgenomen:"Hierop hielden wij, verbalisanten B. en E., de verdachte Wl. als verdacht van overtreding van artikel 107 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994, aan en wilden hem ter geleiding voor een hulpofficier van justitie overbrengen naar het bureau van politie te Vlaardingen. Hierop begonnen Wl. en twee andere inzittenden van genoemde auto zich, met name ten opzichte van mij verbalisant E., recalcitrant en discriminerend te gedragen. Vooral n van de inzittenden, naar later bleek de verdachte G., gedroeg zich zeer recalcitrant en discriminerend tegen mij, verbalisant E.. schold mij uit voor Arabier en Turk en zei in het Engels en Nederlands onder andere: "Met jou wil ik niet praten, ik praat alleen met haar (verbalisante B.), want het is haar land", althans woorden van gelijke strekking. Ook ik, verbalisante B., hoorde dat G. zich in de Engelse taal discriminerend over de verbalisant E. uitliet en te kennen gaf, dat zij alleen respect voor mij hadden, omdat hij (E.) maar een Turk was. Duidelijk werd ook dat de aangehouden verdachte Wl. niet mee wilde naar het bureau van politie als G. niet ook mee mocht. Ik, verbalisante B., probeerde hen duidelijk te maken, dat alleen Wl. was aangehouden en dus mee moest naar het bureau van politie. Met name G. bleef zich recalcitrant opstellen en zei tegen Wl. dat hij niet mee moest gaan. Er ontstond, mede door het feit dat enkele in de (...)straat wonende vermoedelijke landgenoten van W., G. en de derde, onbekend gebleven, inzittende, naderbij kwamen, een dusdanig dreigende situatie, dat ik verbalisante B., portofonisch om assistentie verzocht. (...) Terzake door de verbalisanten B. en E. ingelicht wilde ik, verbalisant P., op hun verzoek de door hen aangehouden verdachte Wl. plaats laten nemen in n van de dienstvoertuigen, teneinde hem alsnog over te brengen naar bureau van politie te Vlaardingen.

Wij, verbalisanten, hoorden dat G. steeds tegen Wl. riep dat hij niet mee moest gaan. Tevens kwam G. tussen mij, verbalisant P. en de verdacht Wl. staan en belette mij zodoende om de verdacht Wl. in de dienstauto te doen plaatsnemen. (...) Ondanks de sommatie van mij, verbalisant P., om zich er niet mee te bemoeien en om weg te gaan, bleef G. proberen te voorkomen dat Wl. in dienstauto werd gezet. Ik, verbalisant P., duwde G. opzij, maar opnieuw kwam hij terug en stelde zich tussen mij en de verdachte Wl. op, waardoor het niet mogelijk was om Wl. in de dienstauto te doen plaatsnemen. Inmiddels had ik, verbalisant P., G. al tweemaal gesommeerd om weg te gaan. Ik, verbalisant P., sommeerde hem nogmaals om weg te gaan, doch toen hij hieraan wederom niet voldeed, hield ik hem als verdacht van overtreding van artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht aan. Nadat ik, verbalisant P., hem dit had medegeeld en hem tevens zei, dat hij nu ook mee moest naar het bureau, hoorde ik hem zeggen dat dat goed was. Nadat G. vervolgens door ons, verbalisanten, Be., E., D. en O. naar n van de dienstvoertuigen werd geleid teneinde hem ter geleiding voor een hulpofficier van justitie over te brengen (...), begon hij zich echter te verzetten. Verdachte G. werd door ons, verbalisanten Be. en E., bij de armen vastgehouden. G. schreeuwde, dat wij van hem af moesten blijven en maakte met n van zijn armen een zwaaiende beweging, kennelijk met de bedoeling om zich los te rukken. Er ontstond een worsteling, waarbij wij, verbalisanten Be., E., D. en O., de verdachte G. met het bovenlichaam en de armen op de motorkap van het dienstvoertuig legden met de bedoeling hem, vanwege zijn recalcitrante gedrag, de handboeien om te doen. Verdachte G. verzette zich hier heftig tegen en kon met moeite in bedwang worden gehouden. Ik, verbalisant Be., hoorde dat de verbalisant E. tegen G. zei, dat hij geboeid zou worden. Verdachte G. hield zijn armen echter dicht bij elkaar en was zo sterk dat de armen niet naar achteren gebracht konden worden om geboeid te worden. Ik, verbalisant Be., stond bij de worsteling dicht bij de verdachte G. en wel zodanig, dat zijn linkerbeen tussen mijn benen stond. Ik, verbalisant Be., zag dat verdachte G. zijn linkerbeen omhoogtrok kennelijk met de bedoeling mij met de knieholte of kuit in het kruis te raken. Ik, verbalisant Be., kon door op tijd weg te draaien, voorkomen, dat ik door verdachte G. in het kruis geraakt werd. Toen ik, verbalisant P., zag dat de verdachte G. de verbalisant Be. in diens kruis trachtte te schoppen, pakte ik het rechterbeen van G. vast om hem uit balans te brengen en om te voorkomen, dat hij zijn poging om te schoppen kon herhalen. Vervolgens drukte ik, verbalisant P., dat been met de hiel tegen het achterwerk van G. om hem aldus in bedwang te houden. Aanvankelijk bleef de verdachte G. zich verzetten en draaide en kronkelde hij om los te komen. Kennelijk blesseerde hij zich hierbij, want kort daarop schreeuwde hij kennelijk van

pijn en staakte zijn verzet. Hierna kon alsnog geboeid worden en net als de verdachte Wl. overgebracht worden naar het bureau van politie te Vlaardingen."D. Verklaringen van betrokken ambtenaren1.1. In het kader van het onderzoek naar verzoekers klacht hoorden twee medewerkers van het Bureau Nationale ombudsman - ten kantore van het Bureau Nationale ombudsman - op respectievelijk 4 juni 1997 en 24 juli 1997 drie bij de gebeurtenissen op 29 november 1995 betrokken politieambtenaren. De heer V. verklaarde op 4 juni 1997, voor zover van belang voor het onderzoek, het volgende:"Ik ben inspecteur van politie en werkzaam bij het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond. Ik ben chef van diverse ploegen die belast zijn met surveillance in de gemeente Vlaardingen. In mijn functie ben ik onder meer belast met het behandelen van klachten die zijn ingediend tegen personeel dat onder mijn verantwoording werkt. Over hetgeen zich na de gebeurtenis van 29 november 1995 heeft afgespeeld kan ik u het volgende meedelen. Op die dag was ik aanwezig in het bureau Vlaardingen. Ik was die dag niet de hulpofficier van justitie. Dat was mijn collega S. Ik herinner mij dat de heer G. (verzoeker; N.o.) binnen was gebracht en klaagde over pijn aan zijn been. G. was aangehouden voor wederspannigheid. Hij was daar in een ophoudruimte ingesloten. S. heeft de voorgeleiding van de heer G. gedaan.. is in overleg met de GGD binnen een half uur na binnenkomst op het bureau naar het ziekenhuis overgebracht waar hij is behandeld aan het letsel. Hij is daarbij begeleid door twee collega's, waaronder mevrouw B. In verband met het niet direkt ter beschikking zijn van de recherche voor een verder onderzoek naar het strafbare feit waar de heer G. van werd verdacht, het feit en dat er ook niemand anders ter beschikking stond om G. te verhoren, en gelet op het feit dat bleek dat G. vrij ernstig letsel aan zijn knie had, n uit pi teit met G., is besloten dat G. in vrijheid werd gesteld. Het is overigens een vaste gewoonte om de recherche te belasten met het onderzoek naar gevallen van wederspannigheid tegen collega's. Dit om zoveel mogelijk objectiviteit te betrachten.. heeft later die dag op eigen gelegenheid het ziekenhuis verlaten. Het onderzoek naar de wederspannigheid is opgedragen aan rechercheur St. Enige tijd hierna bleek dat G. een klacht had ingediend. Ik werd belast met het onderzoek naar de klacht. Ik heb de betrokken

ambtenaren in het kader van de klachtbehandeling gehoord. Het contact met de advocaat van de heer G., mevrouw Hu., verliep moeizaam. Dit kwam omdat ik diverse malen alleen haar secretaresse te spreken kreeg. Een eerste afspraak met G. op 10 januari 1996 vond geen doorgang omdat G. niet in Nederland was. De bedoeling van het gesprek op 10 januari 1996 was primair om G., en zijn advocaat, in het kader van de klachtbehandeling te spreken. Er zou dan eventueel aansluitend een verhoor van de heer G. plaatsvinden in verband met de verdenking van wederspannigheid. Ik ben daar in mijn contact met mevr. Hu. overigens duidelijk in geweest. Voorafgaand aan de brief van 18 juni 1996 is er mondeling contact geweest met de advocaat van G. om opnieuw een afspraak te maken. Daarna is de afspraak gemaakt om op 27 september 1996 een gesprek te hebben. Dit is in een brief van 11 september 1996 van mij aan verzoekers advocaat vastgelegd. Deze afspraak is door de advocaat van G. afgezegd om een voor mij onbekende reden. Hierna heeft een beleidsmedewerker van het korps naar aanleiding van een brief van 30 september 1996 van de advocaat, op 7 oktober 1996 contact met haar secretaresse gehad waarbij is toegezegd dat ik contact zou opnemen. Ik heb daarna eind oktober of begin november 1996 weer contact opgenomen met de secretaresse van mevrouw Hu. om tot een nieuwe afspraak te komen. Hierbij heb ik mij bereid verklaard om naar Goes te komen. Hierna heb ik niets meer gehoord en heb ik zelf ook niet meer gebeld. In de periode na 10 januari 1996 en juni 1996 is er twee of drie keer persoonlijk telefonisch contact met mevrouw Hu. geweest maar dit heeft niet tot een concrete afspraak geleid om tot een gesprek te komen. Ik heb in ieder geval tijdens de behandeling van de klacht geen direkt contact gehad met G. Ik betreur het dat het niet tot een gesprek met G. is gekomen, ondanks diverse pogingen mijnerzijds daartoe. Het is eveneens vervelend dat de gesprekken niet door zijn gegaan omdat ieder gesprek nogal wat organisatie vergt. Er moeten diensten verplaatst worden om andere deelnemers aan een vervolggesprek in te plannen. Met betrekking tot de afhandeling van het strafbare feit waar G. van werd verdacht kan ik het volgende meedelen. Het proces-verbaal is enige tijd bij een collega blijven liggen. Deze collega is een tijd ernstig ziek geweest. Er is mij gebleken dat het proces-verbaal voor verdere afhandeling zou worden opgestuurd naar Goes voor verhoor van G. Volgens de administratie van de politie te Goes blijkt het proces-verbaal daar niet te zijn geregistreerd."1.2. Mevrouw B. verklaarde op 24 juli 1997, voor zover van belang

voor het onderzoek, het volgende:"Over hetgeen zich op woensdag 29 november 1995 in Vlaardingen heeft afgespeeld kan ik u het volgende meedelen. Ik kan mij het geval nog herinneren. Naar aanleiding van een verkeerscontrole werd de bestuurder van een auto, de heer Wl., aangehouden omdat hij geen geldig rijbewijs had. Een van de inzittenden van de door Wl. bestuurde auto was, naar later bleek, de heer G. Voor zover G. spreekt over een mogelijke persoonsverwisseling, acht ik dat uitgesloten. U vraagt mij waarom G. niet mee mocht naar het bureau. Dat had te maken met de gebruikelijke procedure voor het overbrengen van aangehouden verdachten. Een verdachte wordt vervoerd op de achterbank van een politieauto. Hij zit dan achter de rechtervoorstoel. Een politieambtenaar zit dan naast die persoon, achter de bestuurder. G. wilde met zijn vriend Wl. mee naar het bureau. Ik heb hem meegedeeld dat dat niet kon omdat daar geen ruimte voor was en omdat de procedure dat niet toeliet. Ik was daar toen met een Mercedes. In deze auto is er sowieso weinig ruimte op de achterbank. Wl. wilde zonder problemen meegaan. Ik heb toen ook nog aan G. gevraagd of hij een rijbewijs had, zodat hij met de auto van Wl. achter ons aan naar het bureau Vlaardingen kon rijden. G. wilde met zijn vriend mee. Er ontstond op straat hierover een discussie met G. Op een gegeven moment sprak mijn collega E. de heer G. aan. G. zei tegen E. dat hij niet met hem, maar alleen met mij wilde praten omdat hij in mijn land was. Hij zei ook nog tegen E. dat hij een vuile Turk was en dat hij naar zijn eigen land terug moest. E. is namelijk van Turkse afkomst. Ik heb tegen G. gezegd dat ik daar niet van gediend was. Ik heb hem daarover in wat strengere bewoordingen aangesproken. Omdat de situatie op straat de aandacht trok van een drietal andere mensen die uit de flat kwamen en de mogelijkheid bestond dat deze mensen zich met de zaak zouden gaan bemoeien, heb ik het bureau gewaarschuwd dat er een auto naar ons toe moest komen voor het geval een en ander uit de hand zou gaan lopen. Ik verzocht om een auto te sturen die dan op een hoek van de straat moest wachten op een nader seintje. Na ongeveer twee minuten kwam collega P. ter plaatse met een onopvallende Volkswagen Polo. Hij reed gelijk naar ons door. Ik vroeg aan P. of hij Wl. mee wilde nemen. Wl. maakte een aanvang om achterin de Polo te stappen. Op dat moment pakte G. Wl. beet. Hij wilde Wl. klaarblijkelijk tegenhouden. P. deelde G. mee dat hij daarmee moest stoppen. Ik denk dat P. dat drie of vier keer tegen G. heeft gezegd. G. stopte niet. Wl. is wel ingestapt en heeft in die auto gewacht. P. heeft toen tegen G. gezegd dat hij was aangehouden voor het beletten van ambtshandelingen. Ik weet

niet meer wat P. na die mededeling heeft gedaan. Ik was op dat moment bezig met portofoonverkeer met de meldkamer, dus is dat mij ontgaan. Ik weet nog wel dat G. door twee of drie collega's naar een andere surveillanceauto werd begeleid. Deze auto was kort na P. ter plaatse gekomen. Ik weet niet wat er toen precies is gebeurd, maar op een gegeven moment zag ik dat G. over de motorkap heenlag en nogal heftig bewoog. Hij spartelde met benen en armen. Er waren toen vier collega's bij. Zij trachtten hem beet te houden en de handboeien aan te leggen. Ik heb gezien dat P. een klem op een been van G. gedaan. Ik weet niet precies meer hoe hij dat heeft gedaan. Na enige tijd lukte het G. met de handen op de rug te boeien. Hierna hebben andere collega's hem overgebracht naar het bureau. Bij het bureau heb ik geholpen om G. uit de auto te helpen. Hij is vervolgens naar binnen begeleid en in het voorlopig arrestantenverblijf geplaatst. Daarbij is verder geen geweld gebruikt. De afstand van de auto naar die ruimte is maar een paar meter. Ik denk dat G. maximaal een minuut in die ruimte geboeid is geweest. De hulpofficier van justitie heeft hem kort na aankomst gesproken. Hij had toen al geen boeien meer om. Ik kom tot deze conclusie omdat hij om 11.15 uur is aangehouden, het ongeveer 10 minuten duurt om naar het bureau te rijden, en hij om 11.30 uur is voorgeleid."1.3. De heer E. verklaarde op 24 juli 1997, voor zover van belang voor het onderzoek, het volgende:"Over hetgeen zich op woensdag 29 november 1995 heeft afgespeeld kan ik u het volgende meedelen. Ik weet mij niet precies meer te herinneren wat er is gebeurd. Naar aanleiding van een verkeerscontrole hielden mijn collega B. en ik een man aan voor het rijden zonder rijbewijs. Toen wij die man mee wilden nemen naar het politiebureau Vlaardingen, begon een van de inzittenden van de gecontroleerde auto moeilijk te doen. Hij wilde perse met die andere man met ons mee naar het bureau. Op een gegeven moment ontstond hierover een discussie. Het is niet gebruikelijk dat een derde met een aangehouden verdachte in een politieauto meerijdt naar het bureau. Ik heb tegen die man nog wel gezegd dat hij zelf op eigen gelegenheid naar het bureau kon gaan. Deze man, die later bleek G. te heten, zei tijdens die discussie tegen mij dat hij niet met mij wilde praten omdat ik 'een vieze tering-arabier' was. Voorts zei hij mij dat ik terug moest naar mijn eigen land en dat hij alleen met mevrouw B. wilde praten omdat het haar land was. Ik heb hier niet op gereageerd. B. heeft hierna verder het woord gevoerd. Ik weet nog wel dat B. bijstand van collega's heeft gevraagd. Ik

weet niet in welke bewoordingen zij dat heeft gedaan en welke beweegredenen zij daarvoor had. Ik zou in deze situatie een extra auto op de achtergrond hebben gevraagd omdat de mogelijkheid bestond dat de situatie zou gaan escaleren. Na korte tijd kwamen twee auto's met in totaal 4 collega's ter plaatse. Ik kan mij nog herinneren dat collega P. tegen G. heeft gezegd dat hij was aangehouden. Ik weet niet precies meer wat er zich daarna heeft afgespeeld. Op een gegeven moment was er een worsteling met G. waarbij hij op de motorkap van een surveillanceauto is klemgezet. Ik weet nog wel dat hij zich daarbij hevig verzette. De collega's, volgens mij P., D. en Be., hadden, mede door het forse postuur van G., nogal wat moeite hem in bedwang te houden. Ik heb G. met de handen op de rug geboeid. Ik heb mij niet met de worsteling bezig gehouden. Ik weet niet wat er met de knie van G. is gebeurd.. is vervolgens met een van de drie auto's naar het bureau vervoerd. Op het bureau is G. begeleid naar het voorlopige arrestantenverblijf. Daarbij is geen geweld gebruikt. Hij was toen nog steeds geboeid. Hij is gedurende korte tijd in die ruimte geboeid opgesloten geweest. Ik weet niet meer hoe lang dat heeft geduurd en wie hem de handboeien uiteindelijk heeft afgedaan."2.1. Voorts nam een medewerker van het Bureau Nationale ombudsman op 20 augustus 1997 nog telefonische verklaringen van twee andere betrokken politieambtenaren op. De heer P. verklaarde, voor zover van belang voor het onderzoek, het volgende:"Nadat ik ter plaatse was gekomen, vertelden de collega's B. en E. mij dat G. was aangehouden. Zij vroegen aan mij of ik er zorg voor wilde dragen dat hij werd overgebracht naar het politiebureau. Ik heb verzoeker toen duidelijk gemaakt dat hij mee moest naar het politiebureau, omdat hij was aangehouden. Ik heb hem 4 of 5 keer gevraagd plaats te nemen in de surveillancewagen. Uiteindelijk liep hij onder begeleiding van enige andere collega's naar de surveillancewagen. Vlak bij de auto zei hij plotseling dat hij toch niet mee wilde. Ik heb hem toen nogmaals duidelijk geprobeerd te maken dat hij toch echt mee moest, en dat hij desnoods daartoe zou worden gedwongen. Toen hij vervolgens weigerde mee te werken en dat in woord en gebaar duidelijk maakte, is hij vastgepakt en op de voorkap van de surveillancewagen geduwd teneinde hem te boeien voor het vervoer naar het politiebureau. Hij verzette zich daarbij hevig en hij schopte met zijn benen naar achteren. Ik heb toen een beenklem aangelegd teneinde te voorkomen dat hij anderen of zichzelf zou verwonden."

2.2. De heer Be. verklaarde, voor zover van belang voor het onderzoek, het volgende:"Ik heb verzoeker (mede) begeleid naar de surveillancewagen. Daarbij hield ik of een andere collega, dat weet ik niet meer zeker, losjes een hand achter de elleboog van verzoeker. Vlak bij de auto ging hij plotseling tegenstribbelen, en begon hij met zijn armen te zwaaien. Hij wilde niet meer in de auto plaatsnemen. Kennelijk realiseerde hij zich plotseling dat het menens was, dus dat hij echt mee moest naar het politiebureau. Ondanks een laatste waarschuwing weigerde hij verder elke medewerking. Wij hebben toen enig geweld moeten gebruiken om hem in de surveillancewagen te krijgen. Dat een en ander zo is gelopen is volledig aan verzoeker zelf te wijten."E. Reactie van verzoekerVerzoeker gaf verder geen commentaar op hetgeen door de korpsbeheerder en de betrokken ambtenaren naar voren was gebracht.

Beoordeling

. Ten aanzien van de aanhouding1. Verzoeker klaagt er in de eerste plaats over dat het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond hem op woensdag 29 november 1995 ten onrechte heeft aangehouden.2. Op 29 november 1995 omstreeks 11.00 uur werd de bestuurder van een auto door een uit twee personen bestaande surveillance-eenheid van het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond gecontroleerd op de naleving van de regels van de Wegenverkeerswet 1994. De bestuurder bleek niet te beschikken over een in Nederland geldig rijbewijs noch over geldige autopapieren. De politieambtenaren hielden hem toen aan op verdenking van overtreding van artikel 107, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994 (zie

Achtergrond

, onder 1). Daarop vroegen de twee politieambtenaren aan de bestuurder van de auto of hij met hen mee wilde gaan naar het politiebureau te Vlaardingen om daar de zaak verder uit te zoeken en af te handelen. Hij gaf aan daartoe bereid te zijn. Verzoeker, die naast de bestuurder van de auto zat, wilde bij zijn vriend blijven en hij vroeg de politieambtenaren of hij met hem mee mocht naar het politiebureau. De politieambtenaren deelden hem mee dat het hem vrijstond om achter hun aan te rijden in de auto van zijn vriend maar dat hij niet mocht meerijden in de politieauto. Verzoeker bleef echter volharden in zijn wens om bij zijn vriend te blijven.

3. Gelet op het feit dat verzoekers vriend, daarnaar gevraagd, geen geldig rijbewijs kon tonen, was de politie bevoegd hem aan te houden op verdenking van overtreding van artikel 107, tweede lid van de Wegenverkeerswet (zie ook

Achtergrond

, onder 1). Uit de, onderling consistente, verklaringen van de betrokken politieambtenaren volgt dat verzoeker hen tegenwerkte, terwijl zij in de rechtmatige uitoefening van hun bediening waren. E n van de betrokken politieambtenaren heeft verzoeker diverse malen gesommeerd zijn tegenwerking te staken. Toen verzoeker zich niettemin recalcitrant bleef opstellen, waren de politieambtenaren bevoegd hem ter zake van wederspannigheid aan te houden. Verzoeker heeft zijn zienswijze dat hij de politie niet heeft tegengewerkt onvoldoende kunnen onderbouwen. De onderzochte gedraging is op dit punt behoorlijk. II. Ten aanzien van het geweldgebruik1. Verzoeker klaagt er verder over dat de politie zowel bij de aanhouding als bij zijn aankomst op het politiebureau teveel geweld tegen hem heeft gebruikt.2. De politie is bevoegd in de rechtmatige uitoefening van haar bediening geweld te gebruiken. Dit geweld moet wel voldoen aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit (zie

Achtergrond

, onder 2.).3. Uit de lezingen van de betrokken politieambtenaren volgt dat verzoeker zich, na in eerste instantie de indruk te hebben gewekt dat hij vrijwillig in de surveillancewagen wilde plaatsnemen, op het laatste moment toch (weer) recalcitrant opstelde, onder meer door met zijn armen te zwaaien. Mede gelet op zijn eerdere opstelling tegen de politieambtenaren konden de betrokken ambtenaren er op dat moment in redelijkheid van uitgaan dat verzoeker trachtte zich te ontrekken aan zijn aanhouding, dan wel dat hij niet bereid was om vrijwillig mee te werken. De politieambtenaren konden dan op dat moment dan ook in redelijkheid overgaan tot het gebruik van geweld jegens verzoeker om hem in verband met zijn aanhouding in de surveillanceauto te krijgen. Een drietal politieambtenaren duwde verzoeker - in buikligging - op de voorkap van de politieauto. Verzoeker verzette zich daarop hevig, onder meer door met n been naar achteren te trappen. E n van de betrokken politieambtenaren heeft verzoeker toen een beenklem aangelegd, om te voorkomen dat verzoeker zichzelf of een van de politieambtenaren zou verwonden.4. De lezingen van de betrokken ambtenaren komen op het punt van het

gebruik van geweld, met name ten aanzien van het moment waarop tot het gebruik van geweld is overgegaan en de mate waarin geweld is gebruikt, in grote lijnen met elkaar overeen. Verzoeker heeft zijn stelling, dat hij de politie niet heeft tegengewerkt en dat hij geen aanleiding heeft gegeven om geweld tegen hem te gebruiken, niet nader onderbouwd. Voorts heeft hij niet gereageerd op de hem toegezonden verklaringen van de betrokken ambtenaren (zie voor de inhoud van deze verklaringen

Bevindingen

, onder D.). Een en ander leidt ertoe dat de Nationale ombudsman de zienswijzen van de betrokken ambtenaren, in onderlinge samenhang bezien, het meest aannemelijk acht.5. Aldus staat voldoende vast dat verzoeker door zijn opstelling de politie heeft belemmerd in de uitoefening van haar taak. De politie was om die reden bevoegd geweld te gebruiken tegen verzoeker.6. Voor wat betreft de proportionaliteit van het bij de aanhouding van verzoeker gebruikte geweld geldt dat, gelet op de hierv r omschreven feiten en omstandigheden, tegen verzoeker geweld is gebruikt om hem - in verband met zijn aanhouding en overbrenging naar het politiebureau - onder controle te brengen en te houden. Dit geweld heeft de grenzen van de proportionaliteit niet overschreden. Het feit dat verzoeker bij het geweldgebruik verwondingen aan zijn knie heeft overgehouden, kan aan dit oordeel niet afdoen. In zoverre is de onderzochte gedraging behoorlijk.7. Verzoeker heeft niet aannemelijk kunnen maken dat ook op het politiebureau geweld tegen hem is gebruikt. Ook overigens is niet gebleken dat de politie ook op het politiebureau geweld tegen verzoeker heeft gebruikt. De onderzochte gedraging is ook in zoverre behoorlijk. III. Ten aanzien van het boeien1.1. Verzoeker klaagt er ook over dat hij geboeid is overgebracht naar het politiebureau.1.2. Politieambtenaren zijn bevoegd in bepaalde omstandigheden een persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd ten behoeve van het vervoer handboeien aan te leggen (zie ook

Achtergrond

, onder 2.).1.3. Gelet op hetgeen hierv r onder I.3. is overwogen, geldt dat verzoeker rechtens van zijn vrijheid was beroofd. Voorts is komen vast te staan dat in verzoekers geval sprake was van een situatie waarin de betrokken ambtenaren redelijkerwijs van mening konden zijn dat aan het overbrengen van verzoeker veiligheidsrisico's waren

verbonden. Daarmee waren zij bevoegd verzoeker de handboeien om te doen. De onderzochte gedraging is ook op dit punt behoorlijk.2.1. Verzoeker klaagt er verder over dat hij gedurende zijn verblijf in de politiecel aan zijn handen geboeid is gebleven.2.2. Na zijn aanhouding en overbrenging naar het politiebureau is verzoeker korte tijd ingesloten geweest in een ophoudkamer. De korpsbeheerder gaf in zijn reactie op de klacht aan dat verzoeker na aankomst op het politiebureau mogelijk korte tijd aan de handen geboeid is gebleven, omdat hij nog niet voldoende was gekalmeerd. Gelet op het tijdsverloop kon de korpsbeheerder dit echter niet met zekerheid vaststellen. Twee van de betrokken ambtenaren gaven eveneens aan dat verzoeker na aankomst op het politiebureau niet meteen is ontdaan van de handboeien. E n van hen gaf daarbij aan dat deze situatie slechts korte tijd kon hebben geduurd, omdat verzoeker al enkele minuten na aankomst op het politiebureau was voorgeleid aan de hulpofficier van justitie en dat hij op dat moment al niet meer was geboeid. Uit de verklaringen van de betrokken ambtenaren blijkt verder dat op het politiebureau tegen verzoeker geen geweld is gebruikt.2.3. Het aanleggen van handboeien betekent een inbreuk op het grondrecht van de integriteit van het lichaam. Uitgangspunt zal moeten zijn dat tijdens het verblijf van een arrestant in een politiecel of ophoudruimte het (voortgezet) gebruik van handboeien niet behoort plaats te vinden. Immers, anders dan kan gelden voor de situatie van de aanhouding en het daar op volgende vervoer van de arrestant, mag in beginsel ervan worden uitgegaan dat iemand van wie de vrijheid is ontnomen en die wordt ingesloten in een cel of een ophoudkamer, al door die insluiting zelf op een zodanige wijze onder controle is geplaatst dat er geen toereikende reden meer bestaat voor het gebruik van handboeien. Dit neemt niet weg dat er in zeer bijzondere gevallen reden kan zijn voor een uitzondering op dit uitgangspunt. In dit verband kan aanknoping worden gezocht bij de omstandigheden zoals die zijn genoemd in artikel 22 van de Ambtsinstructie, betreffende het gebruik van handboeien ten behoeve van het vervoer van een arrestant (zie

Achtergrond

, onder 3.). Met name moet dan worden gedacht aan de situatie dat een re el risico bestaat dat de persoon die wordt of is ingesloten zichzelf letsel toebrengt of het leven van zichzelf in gevaar brengt, of dat hij, op het moment dat hij ongeboeid in de cel of ophoudruimte wordt geplaatst, anderen letsel toebrengt of het leven van anderen in gevaar brengt. Voor zover de betreffende politieambtenaar zou oordelen dat een dergelijke situatie zich voordoet, mag worden verwacht dat hij, alvorens hij eventueel overgaat tot het gebruik van handboeien

(of tot het laten voortduren van het gebruik daarvan), eerst nagaat of zich een minder vergaand alternatief voordoet om het bedoelde risico of gevaar af te wenden of te bespreken, zoals insluiting in een dronkemanscel, permanente camera-observatie, of overdracht van de arrestant aan een collega die nieuw staat ten opzichte van de ingeslotene. Verder mag worden verwacht dat deze politieambtenaar zijn desbetreffende oordeel onverwijld ter toetsing voorlegt aan een meerdere, bij voorkeur de hulpofficier van justitie, voor zover niet al direct kan worden overgegaan tot voorgeleiding van de arrestant voor deze functionaris.2.4. Uit het onderzoek zijn geen concrete aanwijzingen naar voren gekomen op grond waarvan is gebleken dat zich n van de hiervoor onder 2.3. genoemde bijzondere omstandigheden voordeed. De opmerking van de korpsbeheerder dat verzoeker nog niet voldoende was gekalmeerd, is in dit verband ontoereikend. Voor zover overigens n van de bedoelde bijzondere omstandigheden zich zou hebben voorgedaan, had mogen worden verwacht dat dit onverwijld aan de hulpofficier van justitie zou zijn voorgelegd. Dit is niet gebeurd. Voorts is niet gebleken dat de politie heeft gezocht naar een mogelijkheid tot het beheersen van verzoekers gedrag die minder ver ging dan het gebruik van handboeien tijdens de insluiting.2.5. Gelet op het voorgaande is het niet juist dat verzoeker na zijn insluiting in een ophoudkamer aan zijn handen geboeid is gebleven. Het feit dat verzoeker vermoedelijk slechts zeer korte tijd geboeid is gebleven, kan aan dit oordeel niet afdoen. De onderzochte gedraging is in zoverre niet behoorlijk. IV. Ten aanzien van het reageren op zijn meldingen dat hij pijn ondervond1. Verzoeker klaagt er ook over dat de politie gedurende zijn verblijf in de politiecel niet adequaat heeft gereageerd op zijn meldingen dat hij pijn ondervond.2. Als vaststaand kan worden aangenomen dat verzoeker omstreeks 11.30 uur op het politiebureau is aangekomen, en dat de politie omstreeks 11.45 uur de GGD heeft gewaarschuwd. Aldus heeft de politie binnen een kwartier medische hulp ingeroepen. In dit geval kan daarmee niet worden gezegd dat er niet adequaat is gereageerd op verzoekers melding dat hij pijn ondervond. De onderzochte gedraging is op dit punt behoorlijk.

V.       Ten aanzien van de afspraak1. Ten slotte klaagt verzoeker erover dat de politie onwillig is gebleken om met hem een afspraak te maken om over de gebeurtenissen op 29 november 1995 te praten.2. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat er op dit punt geen rechtstreeks overleg is geweest tussen verzoeker en de politie. De communicatie is steeds verlopen tussen verzoekers intermediair en de politie. Daarbij is in ieder geval een afspraak gemaakt om op 10 januari 1996 over de klacht te praten. Deze afspraak is door verzoeker afgezegd omwille van persoonlijke omstandigheden. Vervolgens heeft verzoekers intermediair niet meer geprobeerd om een nieuwe afspraak te maken. De politie heeft daarop de klacht bij brief van 18 juni 1996 afgedaan. In deze brief deed de politie een nieuw aanbod om over de achterliggende gebeurtenissen van gedachten te wisselen. Na enige schriftelijke en telefonische contacten tussen de politie en verzoekers intermediair, deed de politie bij brief van 11 september 1996 een laatste aanbod om, op 27 september 1996, over de klacht te praten. Wederom lukte het echter niet om een concreet tijdstip vast te stellen. Vervolgens zijn er nog een paar telefonische contacten geweest, maar tot een gesprek tussen verzoeker en de politie is het niet gekomen.3. Gelet op het voorgaande is er onvoldoende reden om de politie een verwijt te maken dat er geen gesprek tot stand is gekomen. Bovendien hebben verzoeker en zijn intermediair van hun kant te weinig moeite gedaan om tot een afspraak met de politie te komen. De onderzochte gedraging is op dit punt dan ook behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond, die wordt aangemerkt als een gedraging van de beheerder van dit korps (de burgemeester van Rotterdam), is niet gegrond, behoudens ten aanzien van het gebruik van de handboeien op het politiebureau; op dat punt is de klacht gegrond.                           

BIJLAGE

Achtergrond

1. Artikel 107 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) luidt, voor zover hier van belang, als volgt:"1. Aan de bestuurder van een motorrijtuig op de weg dient door de daartoe bevoegde autoriteit een rijbewijs te zijn afgegeven voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie waartoe dat motorrijtuig behoort.2. Het rijbewijs dient:a.       te voldoen aan de bij ministeri le regeling vastgestelde eisen inzake inrichting en uitvoering; b.       zijn geldigheid niet te hebben verloren; c.       behoorlijk leesbaar te zijn." Artikel 177 van de WVW luidt, voor zover hier van belang, als volgt:"1. Overtreding van:a. artikelen (...) 107, eerste en tweede lid (...), wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie."2.1. Artikel 8, eerste lid van de Politiewet 1993 luidt als volgt:"1. De ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak is bevoegd in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening geweld te gebruiken, wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik van geweld verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt. Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing vooraf."2.2. Artikel 17 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar (Besluit van 8 april 1994; Stb. 275, in werking getreden op 1 april 1994) luidt - voor zover hier van belang - als volgt:"1. De ambtenaar die geweld heeft aangewend, meldt dit aanwenden van geweld, de redenen die daartoe hebben geleid en de daaruit voortvloeiende gevolgen onverwijld schriftelijk aan zijn meerdere.2. Indien de aanwending van het geweld lichamelijk letsel van meer dan geringe betekenis tot gevolg heeft gehad (...), dient deze melding tevens ter kennis te worden gebracht van de officier van justitie van het arrondissement waarbinnen het geweld is aangewend (...).3. De melding, bedoeld in het eerste en tweede lid, geschiedt binnen 48 uur in de vorm van een rapport indien:a. de gevolgen van het aangewende geweld daartoe, naar het oordeel van de meerdere, aanleiding geven, of gebruik is gemaakt van enig geweldmiddel en lichamelijk letsel dan wel de dood veroorzaakt is." Ingevolge artikel 4 van de Ambtsinstructie is het gebruik van geweld uitsluitend toegestaan aan een ambtenaar:"a. aan wie dat geweldmiddel rechtens is toegekend, voor zover hij optreedt ter uitvoering van de taak met het oog waarop het geweldmiddel hem is toegekend, en b. die in het gebruik van dat geweldmiddel is geoefend."3.1. Het boeien van een persoon is het toepassen van een dwangmiddel waardoor inbreuk wordt gemaakt op het recht op onaantastbaarheid van het lichaam, welk recht artikel 11 van de Grondwet beoogt te waarborgen. Artikel 15, vierde lid van de Grondwet maakt het mogelijk om personen die rechtens van hun vrijheid zijn beroofd, te beperken in hun grondrechten, indien de uitoefening van het grondrecht zich niet verdraagt met de vrijheidsbeneming. Tot het toepassen van enig dwangmiddel door overheidsfunctionarissen mag slechts worden overgegaan indien feiten en omstandigheden dat rechtvaardigen.3.2. In artikel 22, eerste lid van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar is bepaald dat de ambtenaar een persoon die rechtens van zijn vrijheid beroofd, ten behoeve van het vervoer handboeien kan aanleggen. De leden 2 en 3 van dit artikel luiden als volgt:"2. De maatregel, bedoeld in het eerste lid, kan slechts worden getroffen, indien de feiten of omstandigheden dit redelijkerwijs vereisen met het oog op gevaar voor ontvluchting, dan wel met het oog op gevaar voor de veiligheid of het leven van de persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, van de ambtenaar of van derden.3. De in het tweede lid bedoelde feiten of omstandigheden kunnen slechts gelegen zijn in:a. de persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, of b. de aard van het strafbare feit op grond waarvan de vrijheidsbeneming heeft plaatsgevonden, n en ander in samenhang met de wijze waarop en de situatie waarin het vervoer plaatsvindt."3.3. In artikel 22 van de Ambtsinstructie is aldus neergelegd dat het standaard aanleggen van handboeien tijdens het vervoer van een arrestant naar het politiebureau onjuist is. De politieambtenaar moet van geval tot geval de afweging maken of de aanwezige veiligheidsrisico's het toepassen van deze maatregel naar redelijk inzicht rechtvaardigen. In de Nota van Toelichting op de Ambtsinstructie is in dit verband opgenomen dat de vraag of het omleggen van handboeien in verband met de veiligheidsrisico's nodig is, afhangt van de omstandigheden die samenhangen met de persoon van de arrestant, de inrichting van de (dienst)auto, de situatie waarin wordt vervoerd en het ontbreken van de mogelijkheden om op andere wijze, met minder ingrijpende maatregelen (bijvoorbeeld door plaatsneming van een politieambtenaar naast de arrestant), een veilig transport te waarborgen. Bij omstandigheden die samenhangen met de persoon moet worden gedacht aan het gedrag van de arrestant, mogelijke eerdere ervaringen van de politie met deze persoon op grond waarvan voor moeilijkheden moest worden gevreesd, dan wel de aard of de ernst van het feit waarvoor betrokkene was aangehouden.3.4. In artikel 23 van de Ambtsinstructie is opgenomen dat de ambtenaar die gebruik heeft gemaakt van handboeien tijdens het vervoer, dit onverwijld schriftelijk aan een meerdere moet melden, onder vermelding van de redenen die tot het gebruik van handboeien hebben geleid.

Instantie: Regiopolitie Rotterdam-Rijnmond

Klacht:

Verzoeker ten onrechte aangehouden; teveel geweld gebruikt en geboeid; niet adequaat gereageerd op meldingen pijn; onwillig om met verzoeker over zaak te praten.

Oordeel:

Niet gegrond