1998/439

Rapport
Op 4 mei 1998 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer E. te 's-Gravenhage, ingediend door belastingadvies- en administratiekantoor X te 's-Gravenhage, met een klacht over een gedraging van de Belastingdienst/Ondernemingen Den Haag. Naar deze gedraging, die wordt aangemerkt als een gedraging van de Minister van Financi n, werd een onderzoek ingesteld. Op grond van de namens verzoeker verstrekte gegevens werd de klacht als volgt geformuleerd:Verzoeker klaagt er over dat de Belastingdienst/Ondernemingen Den Haag hem onnodig op kosten heeft gebracht door voor de invordering van het openstaande bedrag van de voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1996 een dwangbevel uit te vaardigen. Verzoeker wijst er op dat hij nog in overleg met de ontvanger was om - zo ver zijn mogelijkheden reikten - een betalingsregeling voor deze aanslag met de Belastingdienst te treffen.

Achtergrond

Kostenwet invordering rijksbelastingen (Wet van 12 februari 1969, Stb. 83) Artikel 1 "Ter zake van het verrichten van werkzaamheden voor de invordering van bedragen door de zorg van een inzake rijksbelastingen bevoegde ontvanger en door een belastingdeurwaarder op grond van de bepalingen van de Invorderingswet 1990 of enige andere wettelijke bepaling worden aan degene die in gebreke is gebleven het verschuldigde tijdig te betalen, kosten in rekening gebracht volgens het bepaalde in de volgende artikelen." Artikel 3:"1. Voor het betekenen van een dwangbevel met bevel tot betaling is verschuldigd f 50 verhoogd met f 5 van elk geheel bedrag van f 100 waarmee de gevorderde som f 100 te boven gaat, met dien verstande dat niet meer verschuldigd is dan f 15000.2. Voor het ingevolge een wettelijk voorschrift doen van een ander exploot is verschuldigd f 20.3. Voor het geven van kwitantie door de ambtenaar belast met de tenuitvoerlegging van een dwangbevel ter zake van een aan deze gedane betaling ter afwering van lijfsdwang of van beslaglegging, niet zijnde een beslag onder derden, op goederen die geen registergoederen zijn, is verschuldigd f 20.4. Voor het ingevolge een wettelijk voorschrift voor "gezien" doen tekenen van een exploot of ander stuk, aanplakken van een exploot en doen aankondigen van een gedaan exploot in een dagblad is, voor elk dezer handelingen, verschuldigd f 4."

Onderzoek

In het kader van het onderzoek werd de Belastingdienst/Ondernemingen Den Haag verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben. Vervolgens werd verzoeker in de gelegenheid gesteld op de verstrekte inlichtingen te reageren. Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. De reactie van verzoeker gaf geen aanleiding het verslag te wijzigen. Aan de hand van de reactie van de Belastingdienst/Ondernemingen werd het verslag op een enkel punt aangevuld.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:1. Feiten1.1. Verzoeker is van beroep zelfstandig kunstenaar. De Belasting-dienst/Ondernemingen Den Haag heeft hem in de periode van 31 oktober 1996 tot en met 31 januari 1998 verschillende aanslagen opgelegd. Dit betreft:de voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1995 met dagtekening 31 oktober 1996 en aanslagbedrag van f 75.018; de derde voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1994 met dagtekening 31 oktober 1996 en aanslagbedrag van f 75.664; de voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1997 met dagtekening 31 januari 1997 en aanslagbedrag van f 4.810; de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1994 met dagtekening 30 juni 1997 en aanslagbedrag van f 920; de naheffingsaanslag omzetbelasting 1994 met dagtekening 3 april 1997 en aanslagbedrag van f 7.276; de rekening motorrijtuigenbelasting 1996 met dagtekening 27 februari 1997 en rekeningbedrag van f 402; de tweede voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1996 met dagtekening 5 december 1997 en aanslagbedrag van f 4.089; de voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1998 met dagtekening 31 januari 1998 en aanslagbedrag van f 3.678.1.2. Verzoekers belastingadviseur wendde zich op 11 april 1997 schriftelijk tot het Ministerie van Financi n. Hij schreef het volgende:"...De belastingdienst legde op grond van het inkomen van 1994 aan belastingplichtige een aanslag op ten bedrage van f 75.654 plus kosten ad f 3.845 en tevens over 1995 een voorlopige aanslag ad f 75.654. De boekhouder welke verantwoordelijk was voor het belastinggebeuren v r 1996 is er in geslaagd de meeste boek-stukken kwijt te raken; belastingplichtige liet immers alles over aan zijn boekhouder. Diezelfde boekhouder ging op een gegeven moment zijn tarieven verhogen met 400% hetgeen de belasting-plichtige niet kon opbrengen. Omdat de belastingplichtige vele malen is verhuisd is de inboedel en eigen administratie een grote janboel geworden. (...) Thans heeft de huidige boekhouder (...) de zaken weer op de rails gezet en aangifte naar behoren gedaan; middeling gevraagd over een aantal jaren, waarvan u de afschriften krijgt bijgevoegd. Het probleem thans is dat de belastingplichtige niet direct kan betalen; dit zal mondjesmaat dienen te gebeuren. Belastingplichtige is beeldend kunstenaar en de inboedel van hem heeft een waarde van hoogstens 5000 gulden. Stel dat de belastingdienst hem gaat uitverkopen...dan heeft Nederland weer een uitkeringstrekker erbij en een kunstenaar minder, jawel, n van internationale faam, dat wel. Overigens is het kunstmaken voor belastingplichtige een psychische noodzaak en betekent zijn enige inkomen. Let wel, een beeldend kunstenaar moet rondkomen van zijn opdrachten en stipendia, echt geen vetpot. Voor 1997 heeft onze kunstenaar opdrachten verzameld voor een bedrag ad f 35.000 bruto en in ieder geval voor 1998 een bedrag aan stipendia van f 9.000 bruto hetgeen uiteraard nog aangevuld zal worden met opdrachten. Hetgeen ik hier allemaal naar voren haal, heeft natuurlijk een reden: namelijk, het zou natuurlijk zo geregeld kunnen worden om met een schone lei te beginnen en de invorderingen als zodanig te staken, de belastingschuld op dit moment buiten invordering te stellen en eventueel kwijt te schelden c.q. later te verrekenen. Dat zou een goede oplossing zijn. Wilt u zo vriendelijk zijn in deze contact te maken met de belastingdienst Ondernemingen c.q. de Ontvanger der Belastingen en samen met hem en ondergetekende naar een passende oplossing zoeken..."1.3. De Staatssecretaris van Financi n deelde verzoekers belastingadviseur op 22 juli 1997 naar aanleiding van diens brief van 11 april 1997 schriftelijk het volgende mee:"...In artikel 8, lid 1, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 is bepaald dat geen kwijtschelding wordt verleend voorzover het feit dat een belastingaanslag niet kan worden voldaan aan de belastingschuldige is toe te rekenen. Ik acht deze bepaling op uw cli nt van toepassing nu hij geen gelden heeft gereserveerd voor de voldoening van de over de in 1994 en 1995 genoten inkomsten verschuldigde belasting/premie, die krachtens de wet bevoorrecht is boven andere schulden. In plaats daarvan heeft hij, blijkens de op 18 maart 1997 door uw kantoor opgemaakte balansen over 1994 en 1995, in die jaren onderscheidenlijk f 58.662,04 en f 67.643,82 aan concurrente schuldeisers voldaan. In verband met het bovenstaande vind ik niet de vrijheid algehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de onderwerpelijke aanslagen te verlenen, de aanslagen buiten invordering te stellen of de ontvanger uit te nodigen de invordering van de aanslagen te staken..."1.4. Op 26 september 1997 betekende de belastingdeurwaarder van de Belastingdienst aan verzoeker de dwangbevelen ter zake van respectievelijk de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1994, de derde voorlopige aanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen 1994 en de voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1995. Voor de betekening van het dwangbevel ter zake van de derde voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1994 en de voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1995 bracht de Belastingdienst aan verzoeker geen kosten in rekening.1.5. Op 17 november 1997 schreef verzoeker aan de betrokken invorderingsmedewerker van de Belastingdienst onder meer het volgende:"...Terugkomend op ons gesprek bij u ten kantore betreffende een betalingsregeling van diverse aanslagen. ESSENTIEIn feite is er tussen U en mij een consensus bereikt betreffende toekomstige betalingen op basis van realisme. De inkomsten van de N.O.G.-uitkering vier keer per jaar (...) kunnen min of meer weggestreept worden tegen de huurkosten van het atelier. (...). Alle andere inkomsten buiten de N.O.G. uitkering zullen door de fiscus en mijzelf worden gedeeld volgens een 50-50 verdeelsleutel (...) EVALUATIE Als uitgangspunt voor de hernieuwde betalingsaktiviteiten dient het kunstproject A waarvan de realisatie c.q. oplevering op korte termijn kan worden verwacht. De inkomsten hieruit voortvloeiend, zullen door de Belastingdienst en mijzelf worden gedeeld zoals afgesproken. Andere toekomstige inkomsten uit mijn artistieke arbeid zoals honoraria uit onderwijsprojecten, verkoop van kunstwerken en stipendia zullen eveneens door de fiscus en mijzelf worden gedeeld. Deze betalingsstrategie zal zo blijven doorgaan tot er weer sprake is van een herstel van de vertrouwensband en een normalisering van de situatie. Debet aan alle complicaties en voor mij levensgevaarlijke dreigingen waren:A:       (...) B:       Fouten door mij zelf gemaakt. Overbesteding in de priv sfeer en het zoek laten raken tijdens (...) verhuizingen (...) van financi le administratie (...) GEMEENTELIJKE KREDIETBANK In het jaar 1998 zullen nog 11 termijnen van fl 380,60 moeten worden voldaan. Een zeer goede vriend van mij (...) staat hiervoor borg en het is voor mij dus een erezaak, in deze..." De Belastingdienst merkte deze brief van verzoeker aan als verzoek tot (gedeeltelijke) kwijtschelding. De betrokken invorderings-medewerker, met wie verzoeker op het belastingkantoor had gesproken voordat hij de brief schreef, maakte op de brief de aantekening dat de door verzoeker in de brief aangegeven afspraken niet waren gemaakt.1.6. Met betrekking tot de voorlopige aanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen 1995, de derde voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1994, de voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1997, de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1994, de naheffingsaanslag omzetbelasting 1994 en de rekening motorrijtuigenbelasting 1996 deelde de Belastingdienst verzoeker bij brief van 8 december 1997 het volgende mee:"...Naar aanleiding van uw verzoek om kwijtschelding van de openstaande belastingaanslagen: (...) deel ik u mede dat ik geen termen aanwezig acht om kwijtschelding te verlenen. Wel ben ik bereid geen verdere invorderingsmaatregelen te nemen na betaling van een bedrag ineens van f 20.500,00 op de openstaande schuld volgens aangehechte specificatie. Dit bedrag dient te worden voldaan volgens de termijnen genoemd in de door mij ontvangen fax van 9 oktober 1997 van de Gemeente A te weten: f 6.000,- bij de start van de bouw f 9600,- na oplevering, f 5.000,- 30 dagen na oplevering. Voorts zou ik deze bedragen graag rechtstreeks ontvangen van de Gemeente A, zulks om misverstanden te vermijden. Daartoe heb ik een machtiging bijgevoegd, welke ik per omgaande ondertekend wil terugontvangen. Het bedrag zal worden afgeboekt op de kosten en de enkelvoudige belasting. Teruggaven van belasting en premie zullen niet worden uitbetaald maar gedurende 3 jaar na datum van deze beschikking worden afgeboekt van de voorshands buiten invordering gelaten bedragen..."1.7. Op 6 april 1998 betekende de deurwaarder van de Belasting-dienst aan verzoeker het op 13 maart 1998 uitgevaardigde dwangbevel ter zake van de tweede voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1996. De verschuldigde belasting bedroeg f 920. De kosten van betekening waren f 245.1.8. Verzoekers belastingadviseur schreef de Belastingdienst op 22 april 1998 het volgende:"...Namens mijn cli nt maak ik hierbij bezwaar tegen bovengenoemd dwangbevel (zie hierv r onder 1.7.; N.o.) en de kosten daarvan ad f 245,00. De reden van het bezwaar is lopend overleg met u resp. het treffen van een betalingsregeling ter zake van de totale belastingschuld over meerdere belastingjaren. Het is u bekend dat (verzoeker; N.o.) niet in een keer de uitstaande vordering kan betalen, maar onvoorwaardelijk bereid is tot een betalingsregeling. In dit kader heeft hij reeds de opbrengst van een kunstproject aan de belastingdienst gecedeerd. Gisteren, 21 april 1998 is een betaling ad f 2.500 gedaan. Het is in deze zaak een vorm van onbehoorlijk bestuur om een goedwillende belastingschuldige op te zadelen met f 245,00 aan onnodige kosten..."1.9. Bij brief van 23 april 1998 deelde de Belastingdienst verzoekers belastingadviseur het volgende mee:"...U maakt bezwaar tegen de uitvaardiging met de daaraan verbonden kosten van het dwangbevel betreffende aanslagnummer (...)H61. U voert als reden aan dat er lopend overleg zou zijn c.q. dat (verzoeker; N.o.) een betalingsregeling zou hebben aangeboden. Telefonisch vroeg (verzoeker; N.o.) recentelijk om uitstel voor onbepaalde tijd voor deze aanslag. Uiteraard moest ik hem meedelen, dat zulks niet mogelijk was. W l heb ik kunnen meedelen dat ik bereid ben een betalingsregeling te treffen, mits deze zou voldoen aan de voorwaarden welke daaraan gesteld worden in de Leidraad Invordering. Tevens heb ik meegedeeld dat hiermede niet te lang gewacht moest worden, daar de invordering niet gestaakt zou worden gedurende de tijd die uw cli nt nodig dacht te hebben voor het zoeken naar een oplossing van zijn probleem. (Verzoeker; N.o.) zou nog bezien wat tot de mogelijkheden behoorde en zou nog nader contact opnemen. Dat is tot heden niet gebeurd. Voor wat betreft de betalingsregeling welke afkomstig is van het kunstproject te A. kan ik het volgende mededelen. Voor een aantal met name genoemde aanslagen tot een totaalbedrag van f 74979,- is na overleg genoegen genomen met de opbrengst van eerder genoemd project hetgeen f 20.500,- zal bedragen hetwelk slechts 27,34% van de werkelijk verschuldigde bedragen. De Belastingdienst neemt hiermee een zeer coulant standpunt in. Uit uw bericht begrijp ik dat een eerste betaling op de beschikking thans onderweg is. Mocht uw cli nt dus in staat zijn een passende betalingsregeling aan te bieden, zou ik dit graag vernemen..."2. Standpunt van verzoekerHet standpunt van verzoeker staat verwoord in de klachtformulering onder

Klacht

.3. Standpunt van de Belastingdienst/Ondernemingen Den HaagNaar aanleiding van de klacht deelde de Belastingdienst/Onder-nemingen Den Haag het volgende mee:"...De klacht van (verzoeker; N.o.) concentreert zich op de onnodige uitvaardiging van een dwangbevel met de daaraan verbonden kosten betreffende aanslagnummer (...)H61 terwijl hij nog in overleg zou zijn over een betalingsregeling. Alvorens op deze klacht in te gaan lijkt het wenselijk om voor een beter begrip van de klacht de gang van zaken vanaf medio 1997 te bezien. Vanaf het belastingjaar 1994 maakt (verzoeker; N.o.) gebruik van de diensten van (zijn huidige belastingadviseur; N.o.). Voor het indienen van de aangifte inkomstenheffing over 1994 is op verzoek uitstel verleend tot 1 maart 1996. Doch eerst op 23 september 1996 is de aangifte binnengekomen. Voor het jaar 1995 was uitstel verleend tot 1 juli 1996. Doch eerst op 20 maart 1997 is de aangifte binnengekomen. Voor het jaar 1996 was uitstel verleend tot 1 april 1997. Doch eerst op 6 november 1997 is de aangifte binnengekomen. De opmerking van (de belastingadviseur; N.o.), dat de belastingdienst "de zaak op zijn beloop heeft gelaten" komt naar mijn mening hierdoor in een wat ander licht te staan. Door de (te) late indiening van de diverse aangiften was eerdere afdoening niet mogelijk. Omdat de diverse aanslagen onbetaald bleven heeft de deurwaarder voor een viertal betekende dwangbevelen op 20 oktober 1997 beslag gelegd op roerende zaken conform het gestelde in artikel 439 e.v. Wetboek Burgerlijke Rechtsvordering. Aan alle voorgeschreven vormvereisten is voldaan. Na een telefonisch verzoek om een onderhoud verscheen (verzoeker; N.o.) op 12 november 1997 ten kantore. Hij deed hierbij zeer uitvoerig uit de doeken hoe zijn werkwijze in elkaar zat en benadrukte het feit, dat hij anders dan in het verleden niet meer kon rekenen op vele opdrachten. Daartegenover stond, dat hij nog steeds een stipendium ontving van het Fonds voor de Beeldende Kunst te Amsterdam hetgeen voor het jaar 1997 een bedrag ad. f 70.000,- inhield. Netto uit te betalen per kwartaal. Voorts geniet hij per 3 maanden een lijfrente van f 2000,-. Omdat (verzoeker; N.o.) behalve de fiscus meerdere schulden had, is een belangrijk deel van de f 70.000,- aan die andere schuldeisers besteed. Daarom kon de fiscale schuld niet voldaan worden. (Verzoeker; N.o.) vertelde bij deze gelegenheid bezig te zijn met diverse musea, waarvoor hij speciale objecten zou maken. Volgens (verzoeker; N.o.) zou voldoening van de gehele schuld binnen redelijke termijnen niet tot de mogelijkheden behoren. Uiteindelijk kwam naar voren, dat vanuit een nog uit te voeren project in de gemeente A. nog ongeveer f 20.000,- te verwachten was. Dit bedrag of een gedeelte daarvan wilde (verzoeker; N.o.) gebruiken als aanbod voor de op dat moment openstaande fiscale schuld. Omdat het gebruikelijk is dat een verzoek om (gedeeltelijke) kwijtschelding schriftelijk gedaan wordt, is een nieuwe afspraak gemaakt voor 17 november 1997. (Verzoeker; N.o.) kwam op 17 november ten kantore met documentatie van het nog te leveren project in de gemeente A. Daarbij bleek, dat hem inmiddels een bedrag ad. f 18.245,- was uitgekeerd als honorarium. Voldoening van althans een gedeelte van de fiscale schuld vanuit dit bedrag heeft niet plaats gehad. Het verzoek van (verzoeker; N.o.) om een gedeelte van de nog te ontvangen som te accepteren als aanbod voor de nog openstaande bedragen is als verzoek om gedeeltelijke kwijtschelding in behandeling genomen. Tijdens het onderhoud van 17 november 1997 is (verzoeker; N.o.) er met nadruk op gewezen dat, indien akkoord zou worden gegaan met het voorstel, dit slechts zou gelden voor die aanslagen voor welke het verzoek werd gedaan. Deze zijn naderhand dan ook gespecificeerd opgenomen in de beschikking. Nieuwe verplichtingen dienen uiteraard te worden bijgehouden. De ambtenaar die de uiteindelijk beslissing hierover heeft genomen was van oordeel dat, gelet op de overige inkomsten van (verzoeker; N.o.) en het feit dat niet gereserveerd wordt voor toekomstige aanslagen, geen redenen te vinden zijn om met n g minder dan de nog te ontvangen som ad. f 20.500,- genoegen te nemen. Immers, (verzoeker; N.o.) is niet slechts van d ze opdracht afhankelijk voor zijn levensonderhoud. Daarbij komt nog dat blijkens het bepaalde in art. 25, paragraaf 14 van de Leidraad Invordering voor zakelijke en persoonlijke schuld van ondernemers een terughoudend beleid m.b.t. uitstel en kwijtschelding moet worden gevoerd. Naar mijn mening is met de beschikking van 8 december 1997 (...) voldoende tegemoetkoming verleend voor de op dat moment openstaande schuld van f 74.979,- ,waarbij slechts de (gedeeltelijke) opbrengst van 1 kunstwerk wordt aangewend ter voldoening van een aantal met name genoemde aanslagen. Overigens is in de beschikking een aanslag omzetbelasting opgenomen welke het resultaat was van een aanvullende aangifte over 1994. Zelfs is een aanslag motorrijtuigenbelasting opgenomen waarvoor in art. 26, paragraaf 1 punt 6 van de Leidraad nadrukkelijk is bepaald, dat voor deze belasting g n kwijtschelding mag worden verleend. Begin 1998 is er gebeld door (verzoeker; N.o.) met het verzoek om een onderhoud. Gelet op eerdere ervaringen met betrekking tot het hoge tijdsbeslag en de overvolle agenda is gevraagd waarover het onderhoud zou moeten gaan. (Verzoeker; N.o.) deelde mede een (tweede) voorlopige aanslag 1996 te hebben ontvangen welke door hem niet voldaan kon worden. Zijn verzoek was uitstel te verlenen tot er weer een kunstwerk kon worden verkocht c.q. opdracht hiervoor was ontvangen. Op de vraag of dit al binnenkort aan de orde was moest ontkennend worden geantwoord. Bij die gelegenheid is (verzoeker; N.o.) meegedeeld dat een onderhoud, waarbij slechts kan worden meegedeeld dat thans geen gelden voor voldoening van de schuld aanwezig zijn, weinig zin heeft. Wel is meegedeeld dat van de kant van de fiscus de bereidheid bestaat een betalingsregeling te treffen. Doch op dat moment kon ook dat niet worden aangeboden. Toen is (verzoeker; N.o.) meegedeeld dat er niet te lang gewacht moest worden met het aanbod van een redelijke betalingsregeling, daar er geen enkele vrijheid was om de invordering te staken. Mocht hij in staat zijn alsnog een regeling aan te bieden zou dat van hem vernomen worden. Van (verzoeker; N.o.) is daarna niets meer vernomen. Betreffende de eerder opgelegde voorlopige aanslagen IH aan (verzoeker; N.o.) kan overigens het volgende worden opgemerkt. Gedagtekend 25 jan. 1994 werd een eerste voorlopige aanslag over 1994 opgelegd, groot f 7295,- Na ingediend verzoek om verlaging werd deze aanslag geheel vernietigd. Gedagtekend 23 mei 1995 werd een tweede voorlopige aanslag over 1994 opgelegd, welke eveneens na ingediend verzoek om verlaging geheel werd vernietigd. De op 31 oktober 1996 opgelegde derde voorlopige aanslag 1994 werd opgelegd nadat op 23 september 1996 de aangifte 1994 was binnengekomen. Deze bedraagt maar liefst f. 57661,-! (deze aanslag is thans opgenomen in de beschikking van 8 december 1997.) Ook de eerste voorlopige aanslag over 1996 is op verzoek geheel verminderd. Het heeft er de schijn van dat tijdelijke liquiditeitsproblemen worden opgelost door (naar later blijkt ten onrechte) om vermindering van voorlopige aanslagen te verzoeken. Om u overigens een indruk te geven van het bestedingspatroon van (verzoeker; N.o.) in de jaren 1994 en 1995 is een bladzijde uit de naderhand ingekomen jaarstukken bijgevoegd. (...) Betreffende de tweede voorlopige aanslag over 1996. Gedagtekend 16 februari 1998 is de wettelijke voorgeschreven aanmaning verzonden. Gedagtekend 8 april 1998 heeft de deurwaarder het wettelijk voorgeschreven dwangbevel betekend. Het is d t dwangbevel met de voorgeschreven kosten waartegen de adviseur van (verzoeker; N.o.) bezwaar maakt. De stelling van de adviseur dat (verzoeker; N.o.) nog in overleg zou zijn omtrent een betalingsregeling is derhalve onjuist. De brief van 23 april 1998 (...) aan de adviseur brengt dit ook duidelijk tot uitdrukking. Gelet op de hierboven geschetste gang van zaken ben ik van mening dat de fiscus in het geheel geen verwijten gemaakt kan worden. Het enkele feit, dat iemand onvoldoende middelen zou hebben geeft geen aanleiding de in de Invorderingswet voorgeschreven invordering te staken. De Invorderingswet biedt voldoende gelegenheid voor het verzoeken van een betalingsregeling, of indien voldoening van de schuld vrijwel onmogelijk is, kan zelfs om gehele kwijtschelding worden verzocht. Geconstateerd moet echter worden, dat (verzoeker; N.o.) onvoldoende gereserveerd heeft voor toekomende aanslagen en dat concurrente crediteuren wel voldaan zijn. Overigens is de f 2000,- welke recentelijk voldaan zou zijn, nog niet ontvangen..." De Belastingdienst verstrekte bij deze reactie een kopie van twee bladzijden van de door verzoekers belastingadviseur over respectievelijk het boekjaar 1994 en het boekjaar 1995 opgemaakte financi le balans van verzoekers activiteiten. Daaruit komt naar voren dat verzoeker in 1994 f 140.378,50 aan priv -opnamen heeft gedaan en in 1995 f 179.991,30. Tegenover deze bedragen stond in 1994 een bedrag van 43.759,29 aan priv -stortingen en in 1995 een bedrag van priv -storting van f 70.719,20. Tevens heeft verzoeker aan andere crediteuren dan de belastingdienst in 1994 f 58.662,04 en in 1995 f 67.643,82 betaald.

4. Reactie van verzoeker Naar aanleiding van de door de Belastingdienst verstrekte informatie merkte verzoekers belastingadviseur voor de duidelijkheid op dat verzoeker vanaf 1996 bij hem cli nt was. Voorts was hij van mening dat de Belastingdienst in verzoekers situatie te laat in actie was gekomen. In 1994 en 1995 waren er aanslagbiljetten naar verzoekers voormalige boekhouder gestuurd. Deze boekhouder had geen reactie gegeven op deze aanslagbiljetten terwijl verzoeker in de veronderstelling verkeerde dat dit wel zou gebeuren. Niet eerder dan in 1996 ondernam de Belastingdienst actie en wendde verzoeker zich tot zijn huidige belastingadviseur. Tevens wees verzoekers belastingadviseur er op dat de Belastingdienst op 26 september 1997 kostenloos dwangbevelen aan verzoeker had betekend voor respectievelijk de derde voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1994 en de voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1995, terwijl de betekening van het dwangbevel ter zake van de tweede voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen f 245,- aan kosten met zich meebracht. Verzoeker was daardoor onnodig op kosten gebracht. De belastingadviseur bracht vervolgens naar voren dat voor en na het uitreiken van de dwangbevelen, die op 26 september 1997 aan verzoeker waren betekend, was onderhandeld met de Belastingdienst over het treffen van een betalingsregeling. Daarbij was ook de aanslag over 1996 betrokken. Aan de Belastingdienst was duidelijk gemaakt dat verzoeker geen geld had om de openstaande belastingschuld over de jaren 1994 tot en met 1996 te betalen. Regelmatig had verzoeker de Belastingdienst benaderd voor het nader plannen van een betalingsregeling. Daarbij was het zelfs enkele malen voorgekomen dat de Belastingdienst verzoeker niet te woord wilde staan.5. Nadere informatie van de Belastingdienst/Ondernemingen Den HaagDe Belastingdienst/Ondernemingen Den Haag deelde met betrekking tot de kostenloze betekening in september 1997 van de dwangbevelen ter zake van de derde voorlopige aanslag over 1994 en de voorlopige aanslag over 1995 mee dat deze betekening kostenloos was geschied, omdat het hier dwangbevelen betrof die voor de tweede keer aan verzoeker waren betekend. Voor de derde voorlopige aanslag over 1994 was op 8 april 1997 voor de eerste keer een dwangbevel betekend. Daarbij waren kosten in rekening gebracht. Dit dwangbevel was echter bij de Belastingdienst in het ongerede geraakt, waardoor een tweede betekening noodzakelijk werd, die op 12 september 1997 plaats vond. Voor de voorlopige aanslag over 1995 was de betekening van het tweede dwangbevel noodzakelijk geworden, omdat na de betekening van het eerste dwangbevel op 24 maart 1997 het bedrag van de aanslag door twee ambtshalve verminderingen op 28 maart en 2 mei 1997 was verminderd.6. Reactie van de Belastingdienst/Ondernemingen Den HaagNaar aanleiding van het verslag van bevindingen deelde de Belastingdienst/Ondernemingen Den Haag mee dat met klem ontkend moest worden dat de behandelend invorderingsmedewerker enkele malen verzoeker niet te woord had willen staan. Dit was bij n gelegenheid geweest, toen verzoeker telefonisch met de mededeling kwam dat hij geen middelen had voor de betaling van de belastingschuld. Ter informatie merkte de Belastingdienst op dat aan de hand van de veranderde omstandigheden in het geval van verzoeker thans de Belastingdienst een verzoek om kwijtschelding van de tweede voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1996 in behandeling had. Een beslissing daarop zou zo spoedig mogelijk volgen.

Beoordeling

1. Op 6 april 1998 betekende de Belastingdienst/Ondernemingen Den Haag aan verzoeker een dwangbevel ter zake van de tweede voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1996. De kosten van de betekening van het dwangbevel waren f 245. Verzoeker klaagt er over dat de Belastingdienst hem met dit dwangbevel onnodig op kosten heeft gejaagd. Ter ondersteuning van zijn standpunt brengt hij naar voren dat hij op het moment van betekening nog in overleg met de Belastingdienst was over het treffen van een betalingsregeling over onder meer de voorlopige aanslag over 1996. Tevens wijst hij er op dat op 26 september 1997 de Belastingdienst aan hem twee dwangbevelen had betekend, waarbij geen kosten in rekening waren gebracht.2. In reactie op de klacht heeft de Belastingdienst meegedeeld dat van lopend overleg met verzoeker over het treffen van een betalingsregeling over onder meer de tweede voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1996 geen sprake was geweest. Verzoeker had op 17 november 1997 een onderhoud met de Belastingdienst gehad over het treffen van een betalingsregeling. Dit gesprek had geleid tot de beslissing van 8 december 1997 om ter afwending van verdere invorderingsmaatregelen voor een aantal met name genoemde aanslagen genoegen te nemen met de opbrengst van een door verzoeker te leveren kunstwerk. In de opsomming van deze aanslagen was de tweede voorlopige aanslag over 1996 niet opgenomen. Daarna had verzoeker nog begin 1998 getracht met de Belastingdienst een onderhoud te hebben over het treffen van een betalingsregeling voor (onder meer) de tweede voorlopige aanslag over 1996. Dit onderhoud was niet tot stand gekomen, omdat verzoeker op dat moment geen andere mededeling had kunnen doen dan dat hij geen geld had om deze aanslag te voldoen. Over de kostenloze betekening op 26 september 1997 van de dwangbevelen ter zake van de derde voorlopige aanslag over 1994 en de voorlopige aanslag over 1995 deelde de Belastingdienst mee dat bij deze betekening geen kosten in rekening waren gebracht omdat het hier dwangbevelen betrof die voor de tweede keer aan verzoeker waren betekend. De Belastingdienst gaf daarbij aan wat de reden was geweest voor het voor de tweede keer betekenen van deze dwangbevelen.3. Op grond van de artikelen 1 en 3 van de Kostenwet invordering rijksbelastingen (zie onder

Achtergrond

) brengt de Belastingdienst bij de betekening van een dwangbevel kosten in rekening. In verzoekers geval zijn bij de betekening op 8 april 1998 van het dwangbevel voor de tweede voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1996 in overeenstemming met deze bepalingen kosten in rekening gebracht. Het feit dat op 26 september 1997 aan verzoeker dwangbevelen zijn betekend waarbij geen kosten in rekening zijn gebracht, doet daaraan niet af. Overigens ging het op 26 september 1997 – anders dan op 8 april 1998 – om de betekening van dwangbevelen die voor de tweede keer aan verzoeker werden betekend. Voorts is niet aannemelijk geworden dat er op of omstreeks 8 april 1998 sprake was van lopend overleg van verzoeker met de Belastingdienst over het treffen van een betalingsregeling voor de tweede voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1996. De onderzochte gedraging van de Belastingdienst/Ondernemingen Den Haag is dan ook behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van de Belastingdienst/ Ondernemingen Den Haag, die wordt aangemerkt als een gedraging van de Minister van Financi n, is niet gegrond.

Instantie: Belastingdienst/Ondernemingen Den Haag

Klacht:

Verzoeker onnodig op kosten gebracht door voor invordering openstaand bedrag inkomstenbelasting dwangbevel uit te vaardigen.

Oordeel:

Niet gegrond