1998/433

Rapport
Op 4 februari 1998 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van mevrouw P. te 's-Gravenhage, met een klacht over een gedraging van de Belastingdienst/Ondernemingen 's-Gravenhage. Nadat verzoekster nadere informatie had verstrekt werd naar deze gedraging, die wordt aangemerkt als een gedraging van de Minister van Financi n, een onderzoek ingesteld. Op grond van de door verzoekster verstrekte gegevens werd de klacht als volgt geformuleerd:Verzoekster klaagt er over dat de Belastingdienst/Ondernemingen 's-Gravenhage niet heeft voldaan aan een verzoek van 28 juli 1996 van haar en haar (toenmalige) echtgenoot om teruggaven inkomstenbelasting van elk van hen beiden over de jaren 1994 en 1995 te (doen) storten op een bankrekening ten name van een in het verzoek genoemde derde. Voorts klaagt verzoekster over de lange tijd die de Belastingdienst nodig heeft gehad voor de afhandeling van haar aangifte inkomstenbelasting 1994, voor het betalen van de teruggaven over 1994 en 1995 van haar echtgenoot en het verschaffen van inzicht in de wijze waarop dit was gebeurd. ACHTERGROND zie BIJLAGE

Onderzoek

In het kader van het onderzoek werd de Belastingdienst/Ondernemingen 's-Gravenhage verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben. Tevens werd de Belastingdienst een aantal specifieke vragen gesteld. Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. Verzoekster deelde mee zich met de inhoud van het verslag te kunnen verenigen. De Belastingdienst berichtte dat het verslag hem geen aanleiding gaf tot het maken van opmerkingen.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:

1.Feiten1.1. Verzoekster en haar (toenmalige) echtgenoot leverden in het jaar 1995 bij de Belastingdienst/Ondernemingen 's-Gravenhage (hierna: de Belastingdienst) de aan hen uitgereikte aangiftebiljetten voor de inkomstenbelasting over het jaar 1994 in. Van het biljet van verzoekster was het rechterbovenhoekje afgeknipt, waarmee verzoekster aangaf dat zij vroeg om een voorrangsbehandeling in verband met een te verwachten teruggaaf. Haar aangifte vermeldde een bedrag als verlies uit onderneming. De aangifte van de echtgenoot vermeldde geen winst of verlies uit onderneming. Achter het woord "zelfstandigenaftrek" was in het aangiftebiljet van de echtgenoot een bedrag van f 9.810 ingevuld.1.2. Voor de inlevering van de aangiftebiljetten hadden verzoekster en haar echtgenoot geen uitstel aangevraagd. De uiterste inleverdatum voor beide biljetten was dientengevolge 1 april 1995. De Belastingdienst gaf door middel van een stempel op het biljet van verzoekster aan dat het was ontvangen op 19 april 1995. Op het biljet van de echtgenoot gaf de Belastingdienst als datum van binnenkomst aan 4 april 1995.1.3. Op 29 maart 1996 stelde de Belastingdienst een boekenonderzoek in bij verzoekster. Blijkens de voorafgaande schriftelijke aankondiging was het boekenonderzoek gericht op het vaststellen van de aanvaardbaarheid van de aangiften inkomsten- en omzetbelasting over het jaar 1994.1.4. Met een brief van 9 april 1996 vroeg de Belastingdienst verzoekster v r 23 april 1996 een aantal vragen te beantwoorden. Deze vragen vloeiden blijkens de brief voort uit het ingestelde boekenonderzoek. Vraag 4 had betrekking op de geclaimde zelfstandigenaftrek van de echtgenoot. Vraag 10 van de brief luidde als volgt:"Tot slot hebben wij een priv -vermogensvergelijking gemaakt. (...) De uitkomst van deze vermogensopstelling is negatief. Wij verzoeken u hier een verklaring voor te geven. Ook verzoeken wij u de priv bank en/of girobescheiden van uw echtgenoot over het jaar 1994 te willen overleggen."1.5. In een brief van 23 april 1996 deelde de Belastingdienst verzoekster mee dat op de brief van 9 april 1996 nog geen antwoord was ontvangen. De Belastingdienst stelde verzoekster in de gelegenheid om v r 8 mei 1996 alsnog op deze brief te reageren.1.6. De vragen van de Belastingdienst werden schriftelijk beantwoord op 19 mei 1996. In een brief van 29 mei 1996 nodigde de Belastingdienst verzoeksters gemachtigde D. uit om op 17 juni 1996 op het kantoor van de Belastingdienst te verschijnen teneinde de bevindingen van het boekenonderzoek te bespreken. De brief van de Belastingdienst vermeldde onder meer het volgende:"...Voorzover door ons geconstateerd deelt de echtgenoot van uw cli nt in 1994 niet meer in de winst. Ook bedraagt zijn ondernemingsvermogen ultimo 1994 nihil. Dit houdt naar onze mening in dat de echtgenoot zijn deel van de onderneming heeft gestaakt en dient af te rekenen. Hetgeen tevens inhoudt dat hij geen recht meer heeft op de ondernemersfaciliteiten. Indien u van mening bent dat de echtgenoot van belastingplichtige in 1994 nog ondernemer was, verzoek ik u te verklaren waarom er geen winst werd toegerekend aan de echtgenoot. Van een verandering in de winstgerechtigdheid is ons niet gebleken..." Nadat het gesprek verschillende keren op verzoek van verzoekster en/of haar belastingconsulent was uitgesteld, vond dit uiteindelijk plaats op 4 juli 1996.1.7. Op 28 juli 1996 schreven verzoekster en haar echtgenoot de Belastingdienst Den Haag een door hen beiden ondertekende brief met de volgende inhoud:"...Betreft: Eventuele teruggaven inkomstenbelasting 1994 en 1995 van fiscale nrs. xxxx.xx.xxx en yyyy.yy.yyy. Zeer geachte heer, Hierbij verzoeken wij u eventuele teruggaves over bovengenoemde jaren te storten op bankrekeningnr. (...) t.n.v. (de gemachtigde D.; N.o.)..."1.8. Blijkens het daarop afgedrukte stempel van de datum van binnenkomst ontving de Belastingdienst op 5 augustus 1996 het aangiftebiljet inkomstenbelasting 1995 van verzoeksters echtgenoot. Het biljet diende uiterlijk op 1 april 1996 te worden ingeleverd. Voor de inlevering was geen uitstel gevraagd of verleend. Verzoeksters echtgenoot had door middel van het afknippen van het rechterbovenhoekje verzocht om een voorrangsbehandeling.1.9. Op 3 oktober 1996 vond de aanslagregeling 1994 ten aanzien van verzoekster en haar echtgenoot plaats.1.10. Met een brief van 7 oktober 1996 zond de Belastingdienst verzoekster en haar echtgenoot een afschrift van het openbaar deel van het naar aanleiding van het boekenonderzoek opgemaakte rapport.1.11. Op 12 november 1996 werd de teruggaaf inkomstenbelasting, die voortvloeide uit de aan verzoekster met dagtekening 30 november 1996 opgelegde aanslag over 1994, gestort. De storting vond plaats op verzoeksters eigen bankrekening.1.12. In een brief van 20 november 1996 schreef verzoekster aan de Belastingdienst/Centrale betalingsadministratie Apeldoorn (hierna: Cba) het volgende:"...Op 28 juli 1996 heeft u mijn schrijven ontvangen, waarvan bijgaand een fotokopie. De uitbetaling van de teruggave over 1994 heeft echter niet op de verzochte bankrekening plaatsgevonden. Vandaar dit bezwaarschrift met het verzoek dit alsnog te corrigeren. De teruggave over 1995 heeft nog niet plaatsgevonden. Ik verzoek u tevens ervoor te willen zorg dragen dat dit bedrag wel op de genoemde rekening (...) gestort wordt. Gaarne ontvang ik per omgaande een bevestiging van deze brief..."1.13. Op 10 maart 1997 schreef verzoekster aan het Cba het volgende:"...Op 20-11-1996 heb ik aan u een bezwaarschrift verstuurd. Voor de inhoud verwijs ik naar bijgevoegde fotokopie n. Ik verzocht u mij per omgaande de ontvangst hiervan te bevestigen. Helaas heb ik tot op heden niets vernomen. Ik verzoek u thans dringend over te gaan tot beantwoording van dit bezwaarschrift..."1.14. Het Cba reageerde op 19 maart 1997 met een brief met de volgende inhoud:"...Hierbij bevestig ik de ontvangst van uw brief van 10-3-1997. De Belastingdienst is gereorganiseerd. Dit heeft voor u tot gevolg dat u al uw belastingzaken kunt afhandelen met de eenheid waaronder u valt. Ik heb uw brief daarom doorgestuurd naar de Belastingdienst/Particulieren te Den Haag met het verzoek de behandeling over te nemen..."1.15. Op 14 augustus 1997 vond de aanslagregeling 1995 ten aanzien van verzoeksters echtgenoot plaats. Met dagtekening 30 september 1997 ontving hij de aanslag inkomstenbelasting 1995. De daaruit voortvloeiende teruggaaf was reeds op 18 september 1997 gestort op een rekening ten name van hemzelf.1.16. Verzoekster schreef op 7 november 1997 een brief aan de Belastingdienst/Ondernemingen 's-Gravenhage. Deze brief luidde als volgt:"...Betreft: Bezwaarschrift d.d. 10-3-97 en 20-11-96 Op 2 oktober jl. stuurde ik u per fax fotokopie n van bovenvermeld bezwaarschrift alsmede de bijbehorende brieven. Hieraan voorafgaand hadden wij telefonisch kontakt. U zou ervoor zorgen dat ik antwoord op mijn verzoek zou ontvangen. Tot op heden is dit helaas niet gebeurd. Intussen is het een jaar geleden dat ik mijn bezwaarschrift heb ingediend en u begrijpt dat ik enigszins ongeduldig begin te worden.."1.17. Met dagtekening 29 november 1997 ontving verzoeksters echtgenoot de aanslag inkomstenbelasting 1994. De daarop vermelde teruggaaf was voor een deel verrekend met de nog openstaande voorlopige aanslag inkomstenbelasting 1995 van verzoekster. Het restant was op 27 november 1997 overgemaakt op een rekening ten name van hemzelf.1.18. Op 15 december 1997 wendde verzoekster zich opnieuw tot de Belastingdienst Den Haag met de volgende brief:"...Heden 15-12-97 om 14.00 uur hebben wij telefonisch afgesproken dat ik u de kopie n m.b.t. het bezwaarschrift (opnieuw) zou doen toekomen, waarna u ervoor zou zorgen dat ik antwoord krijg op mijn schrijven..."1.19. De Belastingdienst reageerde met een brief van 6 januari 1998 als volgt:"...Uw brief van 28 juli 1996 waarin u verzoekt om teruggaves 1994 en 1995 over te maken op een ander rekeningnummer dan het tot op dat moment in mijn administratie aanwezige rekeningnummer werd om mij onduidelijke redenen buiten behandeling gelaten. Hetzelfde geldt voor uw brieven van 20 november 1996 en 10 maart 1997. Hiervoor mijn excuses namens de Belastingdienst Den Haag. De afschriften die u op 2 oktober j.l. aan mij zond zou ik ter verdere behandeling voorgelegd hebben aan mijn collega. Deze 2e oktober was mijn laatste werkdag voor de vakantie. Helaas kan ik mij niet herinneren of ik de zaak ter verdere behandeling heb doorgegeven. Ook hiervoor mijn excuses. Los hiervan staat dat uw teruggaaf (inkomstenbelasting 1994; N.o.) t.b.v. f 11.659,- op uw eigen rekening, nummer (...) werd overgemaakt. Misschien niet zoals door u bedoeld, doch wel rechtsgeldig omdat de rekening op uw naam stond en u derhalve gebaat bent bij deze betaling. Voor 1995 had n en ander geen consequenties omdat er een zgn. nihil-aanslag werd opgelegd. De teruggaves 1994 en 1995 (aan de echtgenoot; N.o.) ten bedrage van resp. f 2.350,- en f 8.077,- werden voor een bedrag van f 1.406,- verrekend met (de voorlopige aanslag inkomstenbelasting 1995 ten name van verzoekster; N.o.) en voor een bedrag van f 9.021 overgemaakt naar rekeningnummer (...). Voor deze overboeking geldt hetzelfde als hiervoor medegedeeld; wellicht niet zoals door u bedoeld doch wel rechtsgeldig. Bovenstaande is voor mij aanleiding om niet op uw verzoek, als verwoord in uw brief van 20 november 1996, in te gaan..."2. Standpunt van verzoeksterVoor het standpunt van verzoekster wordt verwezen naar de klacht-samenvatting onder

Klacht

. In haar verzoekschrift stelde verzoekster dat haar aangiftebiljet 1994 reeds op 26 maart 1995 bij de Belastingdienst was ingeleverd. Telefonisch liet verzoekster nog weten dat haar belang bij het verzoek om overmaking van de belastingteruggaven op een rekening van haar belastingconsulent was gelegen in een echtscheiding. Zij en haar echtgenoot hoopten dat na overmaking van het bedrag op deze rekening zichtbaar zou worden wat aan elk van hen zou toekomen zodat alsnog een verdeling van de teruggaves mogelijk was.3. Standpunt van de Belastingdienst/Ondernemingen 's-Gravenhage3.1. In reactie op de klacht liet de Belastingdienst het volgende weten:"...1. Aangifte Inkomstenbelasting 1994 t.n.v. (verzoekster; N.o.) Voornoemd biljet diende bij de Belastingdienst binnen te zijn uiterlijk 01.04.95. Het biljet heeft als datum binnenkomst 19.04.95 (datumstempel binnenkomst). Van het biljet 1994 was het hoekje afgeknipt, waarmee men aangaf dat het biljet met voorrang behandeld diende te worden. Echter door het niet tijdig indienen van de aangifte en het niet verzoeken om uitstel voor het indienen van de aangifte vervalt de voorrangsbehandeling. De termijn waarbinnen de aangifte geregeld diende te worden en het uiteindelijk opleggen van de definitieve aanslag is uiterlijk drie jaar na afloop van het fiscale jaar. (...) 3. Aangifte Inkomstenbelasting 1994 t.n.v. (de echtgenoot; N.o.) Voornoemd biljet diende bij de Belastingdienst binnen te zijn uiterlijk 01.04.95. Het biljet heeft als datum binnenkomst 04.04. 95 (datumstempel binnenkomst). Het biljet werd definitief geregeld d.d. 03.10.96 (was meegenomen in het boekenonderzoek (...)). (...) 5. Verzoek storting teruggave op bankrekening derde. Hiervoor verwijs ik u naar de brief d.d. 06.01.98 (zie onder 1.19.; N.o.), welke door de ontvanger is gezonden naar (verzoekster; N.o.)..."3.2. Naar aanleiding van de reactie op de klacht stelde de Nationale ombudsman de Belastingdienst de volgende vragen:1.       "... Gaarne verneem ik de oorzaak van het verstrijken van een periode van drie maanden tussen het gesprek op 4 juli 1996, waarna het boekenonderzoek blijkens uw schrijven van 27 april 1998 kon worden afgerond, en het vaststellen op 3 oktober 1996 van de definitieve aanslag ten name van verzoekster over 1994. 2.       Verzoekster schrijft in haar verzoekschrift dat haar aangifte inkomstenbelasting 1994 zou zijn ingeleverd op 26 maart 1995. U stelt dat uit het datumstempel van binnenkomst zou blijken dat het biljet pas op 19 april 1995 (dus na de fatale datum voor de toepasselijkheid van de voorrangsregeling) zou zijn binnengekomen. Gaarne ontvang ik een afschrift van de bladzijde van het betrokken aangiftebiljet waarop het stempel van de datum van binnenkomst is afgedrukt. Tevens verzoek ik u daarbij aan te geven hoe de gang van zaken met betrekking tot het zetten van het stempel van de datum van binnenkomst in de betrokken periode was en daarbij te verklaren dat het stempel is gezet op of direct na de dag van werkelijke binnenkomst.(...) 3.       Uit uw brief van 27 april 1998, onder punt 3., blijkt dat het belastbaar inkomen over 1994 van verzoeksters echtgenoot definitief werd vastgesteld op 3 oktober 1996 en dat de definitieve aanslag is gedagtekend op 29 november 1997, derhalve meer dan een jaar later. Voor dit opmerkelijke tijdsverloop geeft u in uw brief geen enkele verklaring. Verzoeksters klacht ziet met name op het late tijdstip van betaling van de teruggaaf over onder meer 1994 aan haar echtgenoot. Ik verzoek u alsnog aan te geven wat de oorzaak is van de opgetreden vertraging van ruim een jaar. 4.       Volgens punt 4. van uw brief is de aangifte IB 1995 van verzoeksters echtgenoot bij de Belastingdienst binnengekomen op 5 augustus 1996 en is deze aangifte pas ruim een jaar later, op 14 augustus 1997, geregeld. Het zal u bekend zijn dat de Nationale ombudsman de, ook door de Belastingdienst onderschreven, regel hanteert dat een aanslag in beginsel moet zijn opgelegd uiterlijk een jaar na het inleveren van het aangiftebiljet. Gaarne verneem ik alsnog de oorzaak van het late tijdstip van in behandeling nemen van het betrokken aangiftebiljet. Daarbij verneem ik tevens graag of verzoeksters echtgenoot door middel van het afknippen van het hoekje of anderszins kenbaar had gemaakt dat hij op grond van de gegevens in het biljet een teruggaaf verwachtte. 5.       Gaarne ontvang ik nader informatie over de omstandigheden die ertoe geleid hebben dat verzoekster pas op 6 januari 1998 uitsluitsel kreeg omtrent de verwerking van de teruggaves van haar echtgenoot over 1994 en 1995. De laatste zin van de klachtsamenvatting laat zien dat verzoekster met name ook klaagt over deze late informatieverstrekking. De Belastingdienst beantwoordde deze vragen als volgt:"...Ad 1. Het eindgesprek ter afsluiting van het ingestelde boekenonderzoek vond plaats op 4.07.1996. Hierna werd door de controlerende ambtenaren een conceptrapport opgesteld. Voornoemd rapport wordt opgemaakt aan de hand van gegevens en kladstukken, die tijdens het boekenonderzoek zijn verzameld c.q. opgemaakt. Dit concept-rapport wordt beoordeeld op fiscale aspecten. Hierna volgt het eindrapport. Waarna het openbaar deel van het rapport wordt toegezonden aan belastingplichtige. Gelet op het tijdstip moet ook de vakantieperiode van de betrokken ambtenaren meegewogen worden. Ad 2. Het biljet is bij de belastingdienst binnengekomen d.d. 19 april 1995.

De gang van zaken bij de binnenkomst van biljetten is als volgt:Bij de belastingdienst wordt ieder binnengekomen stuk, dus ook de biljetten, voorzien van een datumstempel van de dag van binnenkomst, een en ander i.v.m. het verstrijken van termijnen. Bij grote aanvoer kan hier hoogstens 1 dag verschil in zitten, het streven van de belastingdienst is echter dagelijks de binnengekomen post te verwerken. De datumstempel van binnenkomst geldt tevens als datum voor het registratiesysteem. De postverwerking van de belastingdienst is als volgt:1.       Aanlevering door de PTT, deze wordt massaal verwerkt door de Centrale Aangifte Verwerking. 2.       Eigen brievenbus, deze wordt iedere ochtend geleegd, waarna de post onmiddellijk van een datumstempel wordt voorzien. 3.       Afgifte aan de balie. Ook hier worden de stukken direkt van een datumstempel voorzien. Op aanvraag kan de afgever een ontvangstbewijs krijgen. Op grond van de algemene werkwijze en de in het dossier aanwezige stukken concludeer ik dat de datum van binnenkomst 19 april 1995 is. (...) Ad 3. Voor het tijdsverschil van 1 jaar, welke is gelegen tussen de regeling van het biljet 1994, van verzoeksters echtgenoot, en de definitieve aanslag, heb ik geen verklaring. Naspeuringen mijnerzijds hebben niets opgeleverd. Gedacht kan worden aan een eventuele intoetsfout c.q. onjuiste verwerking in de automatiseringssfeer. Ad 4. Ik onderschrijf hetgeen is gesteld in uw brief, dat de belastingdienst de regel hanteert dat ze er naar streeft dat een aanslag in beginsel moet zijn opgelegd uiterlijk een jaar na het inleveren van het aangiftebiljet. Echter door het niet tijdig indienen van de aangifte en het niet verzoeken om uitstel voor het indienen van de aangifte vervalt de voorrangsbehandeling en gelden de normale AWR termijnen. Verzoeksters echtgenoot had inderdaad door middel van het afknippen van het hoekje kenbaar gemaakt dat hij op grond van de gegevens in het biljet vermeld, een teruggaaf verwachtte. Dit staat los van hetgeen hiervoor is vermeld en heeft hierop geen invloed. Degenen die wel recht hebben op voorrang worden dus eerst behandeld. Dit streven legt, gelet op de grote omvang van de ingediende voorrangsbiljetten, een enorm beslag op de beschikbare menskracht. Ad 5. Hiervoor verwijs ik u naar de brief d.d. 06.01.98 (...), welke door de ontvanger is gezonden naar (verzoekster; N.o.). In de periode augustus 1997 t/m januari 1998 is hierover regelmatig tel. contact geweest met (verzoekster; N.o.), dit is gebeurd door verschillende personen, hetgeen resulteerde in bovengenoemde brief..." Telefonisch liet de Belastingdienst nog weten dat aangiftebiljetten die niet op tijd waren ingeleverd en waarvoor geen uitstel voor de inlevering was aangevraagd, biljetten waarvoor dus geen voorrangsbehandeling gold, na ontvangst zo snel mogelijk summier inhoudelijk werden beoordeeld. Biljetten waarvan bij de summiere beoordeling werd verwacht dat deze zonder problemen konden worden afgedaan, werden zo snel mogelijk behandeld. Biljetten waarvan werd verwacht dat deze niet zonder nader onderzoek konden worden afgedaan werden apart gelegd en in behandeling genomen nadat de biljetten die zonder nader onderzoek konden worden afgedaan, waren afgehandeld. Bij de behandeling van deze laatste categorie werd geen onderscheid meer gemaakt tussen biljetten waarvan het hoekje was afgeknipt en biljetten waarbij dat niet het geval was.

Beoordeling

I. . Met betrekking tot de reactie op het verzoek de teruggaven te storten op een rekening van een derde1. Verzoekster klaagt er in de eerste plaats over dat de Belastingdienst/Ondernemingen 's-Gravenhage (hierna: de Belastingdienst) geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek van 28 juli 1996 van haar en haar (toenmalige) echtgenoot om eventuele teruggaven inkomstenbelasting over 1994 en 1995 te storten op de in het verzoek genoemde bankrekening van een derde. Deze derde was hun belastingconsulent. Verzoekster en haar echtgenoot hadden dit verzoek gedaan met het oog op de verdeling van de teruggaven bij hun op handen zijnde echtscheiding.2. De Belastingdienst stortte de teruggaaf aan verzoekster over 1994 op 12 november 1996 echter op haar eigen bankrekening. De teruggave aan de echtgenoot over 1994 stortte de Belastingdienst, na verrekening van een deel ervan met een openstaande aanslag van verzoekster, op 27 november 1997 op diens eigen rekening. Het bedrag van de aan hem toekomende teruggaaf over 1995 was al op 18 september 1997 eveneens op zijn eigen rekening gestort.3. Voor de beoordeling van verzoeksters klacht is het volgende van belang. De toelichting bij het aangiftebiljet stelt voor het veranderen van het nummer waarop een belastingplichtige een teruggaaf wenst te ontvangen geen andere eis dan dat de wens daartoe zo spoedig mogelijk schriftelijk wordt kenbaar gemaakt bij de betrokken eenheid van de Belastingdienst. Verzoekster heeft haar verzoek weliswaar pas geruime tijd na het inleveren van het aangiftebiljet 1994 bij de Belastingdienst ingediend, maar de datum van het verzoek (28 juli 1996) lag nog geruime tijd v r de datum (3 oktober 1996) waarop de eerste van de aanslagen waarop het verzoek betrekking had, werd vastgesteld en ook ruim voor de datum (12 november 1996) waarop de eerste teruggaaf over deze jaren plaatsvond. Er zijn geen redenen op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat de Belastingdienst het verzoek van 28 juli 1996 niet zou hebben ontvangen. De Belastingdienst heeft derhalve ruim de tijd gehad om op verzoeksters verzoek te reageren. De Belastingdienst heeft tijdens het onderzoek door de Nationale ombudsman aangegeven dat het verzoek om onduidelijke redenen buiten behandeling is gelaten. Het is niet juist dat de Belastingdienst niet heeft gereageerd op het verzoek van 28 juli 1996 van verzoekster en haar echtgenoot. De Belastingdienst had aan het verzoek gevolg moeten geven, dan wel verzoekster moeten aangeven waarom dit niet mogelijk was.4. Verzoekster heeft haar verzoek herhaald in haar brief van 20 november 1996 aan het Cba. In dit herhaalde verzoek vroeg verzoekster om de betaling van de teruggaaf op de aan haar opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting 1994 op haar eigen bankrekening te corrigeren. De Belastingdienst heeft dit verzoek na ontvangst van verzoeksters brieven van 7 november en 15 december 1971 afgewezen. Voorzover verzoekster bedoelt er over te klagen dat de Belastingdienst de betaling van teruggaven inkomstenbelasting op haar eigen bankrekening en op een eigen bankrekening van haar echtgenoot niet heeft gecorrigeerd, kan zij in haar klacht niet worden gevolgd. De diverse terugbetalingen zijn immers door de storting op een rekening op naam van de rechthebbende ter beschikking van deze laatste gekomen. De Belastingdienst kon zich derhalve, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 28 februari 1997 (zie

Achtergrond

, onder 1.), nu de gedane betalingen niet waren geweigerd en teruggestort, op het standpunt stellen dat bevrijdend was betaald. De onderzochte gedraging is niet behoorlijk voorzover deze eruit bestaat dat de Belastingdienst niet op het verzoek van 28 juli 1996 heeft gereageerd en behoorlijk voorzover deze eruit bestaat dat de Belastingdienst heeft geweigerd de gedane betalingen te corrigeren.II. . Met betrekking tot de behandelingstijd van verzoeksters aangifte 19941. Verzoekster klaagt voorts over de lange tijd die de Belastingdienst nodig heeft gehad voor de behandeling van haar aangiftebiljet inkomstenbelasting 1994. Zij stelt dat zij het biljet reeds op 26 maart 1995 bij de Belastingdienst heeft ingediend en dat zij daarbij had gevraagd om voorrang, door het verwijderen van het rechterbovenhoekje van het biljet. De definitieve aanslag is opgelegd met dagtekening 30 november 1996.2. De Belastingdienst stelt dat verzoeksters biljet 1994 blijkens het daarop geplaatste datumstempel pas is binnengekomen op 19 april 1995, derhalve na de uiterste inleverdatum van 1 april 1995, en dat voor het indienen niet om uitstel was gevraagd. De Belastingdienst wijst er op dat er dientengevolge geen aanspraak meer bestond op een voorrangsbehandeling, zodat de aanslag diende te worden opgelegd uiterlijk drie jaar na afloop van het fiscale jaar.3. In antwoord op de vragen van de Nationale ombudsman beschrijft de Belastingdienst de gang van zaken bij binnenkomst van een aangiftebiljet met betrekking tot het plaatsen van een stempel van de datum van binnenkomst. Er is geen reden om aan te nemen dat bij de binnenkomst van verzoeksters biljet van deze gang van zaken is afgeweken. Nu verzoekster ook geen argumenten aanvoert ter onderbouwing van haar stelling dat zij het biljet reeds op 26 maart 1995 heeft ingeleverd, wordt aangenomen dat verzoekster haar biljet heeft ingeleverd op of kort voor de datum van het stempel van binnenkomst van de Belastingdienst, derhalve omstreeks 19 april 1995. Dit betekent dat verzoekster niet had voldaan aan n van de voorwaarden voor een voorrangsbehandeling, namelijk dat het biljet is ingeleverd v r 1 april van het jaar volgend op het belastingjaar. Verzoekster kon derhalve geen aanspraak maken op een voorrangsbehandeling voor haar aangifte inkomstenbelasting 1994.4. De Belastingdienst heeft geoordeeld dat de gegevens in verzoeksters aangifte inkomstenbelasting over 1994 een nader onderzoek noodzakelijk maakten. Dit gegeven vormt een bijzondere omstandigheid die vervolgens een langere behandelingsduur dan een jaar (zie

Achtergrond

, onder 4.) van verzoeksters aangifte 1994 rechtvaardigde. Weliswaar is bij de verdere behandeling van verzoeksters aangifte over 1994 sprake geweest van enige vertraging, maar de oorzaak van deze vertraging is wisselend aan verzoekster of haar belastingconsulent en aan de Belastingdienst te wijten. Verzoekster of haar belastingconsulent heeft immers met vertraging geantwoord op de vragen van 9 april 1995 van de Belastingdienst. Voorts heeft verzoekster of haar belastingconsulent meer dan n keer uitstel gevraagd voor het gesprek waarvoor de Belastingdienst verzoeksters gemachtigde bij brief van 25 mei 1996 had uitgenodigd, zodat dit gesprek pas op 4 juli 1996 plaatsvond. De Belastingdienst aan de andere kant heeft nog drie maanden na het gesprek van 4 juli 1996 gewacht met het opleggen van de definitieve aanslag. De redenen die de Belastingdienst daarvoor aanvoert, vormen weliswaar geen afdoende rechtvaardiging voor het verloop van de volledige termijn, maar gelet op de gang van zaken bij de aanslagregeling in zijn geheel, weegt dit niet zo zwaar dat dit ertoe moet leiden dat de gedraging op dit punt als niet behoorlijk moet worden beoordeeld. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat niet gezegd kan worden dat het in overwegende mate aan de Belastingdienst is te wijten dat de behandeling van verzoeksters aangifte inkomstenbelasting 1994 lang heeft geduurd. De onderzochte gedraging is op dit punt behoorlijk.III. . Met betrekking tot de betaling van de teruggaven 1994 en 1995 aan de echtgenoot1. Verzoekster klaagt tevens over het late tijdstip waarop de Belastingdienst de terugbetalingen 1994 en 1995 aan haar echtgenoot heeft gedaan.2. De aanslag inkomstenbelasting 1994 van verzoeksters echtgenoot is na afloop van het boekenonderzoek vastgesteld op dezelfde dag (3 oktober 1996) als de aanslag 1994 van verzoekster. Gelet op het feit dat verzoeksters echtgenoot geen winst of verlies uit onderneming (meer) aangaf, maar wel toepassing van de zelfstandigenaftrek - een faciliteit die alleen geldt voor ondernemers - is het te billijken dat de Belastingdienst de aangifte van verzoeksters echtgenoot betrok bij het boekenonderzoek en de aanslag pas na afloop daarvan vaststelde. De echtgenoot ontving echter pas met dagtekening 29 november 1997 de definitieve aanslag 1994, derhalve ruim een jaar nadat de aanslagregeling had plaatsgevonden. De terugbetaling vond eveneens in november 1997 plaats.3. De Belastingdienst laat weten voor het tijdsverloop tussen 3 oktober 1996 en 29 november 1997 geen verklaring te kunnen geven. Dit betekent dat geen andere conclusie mogelijk is dan dat de Belastingdienst in gebreke is gebleven de aangifte 1994 van verzoeksters echtgenoot voortvarend af te handelen. Daardoor heeft ook de betaling van de teruggave over 1994 later plaatsgevonden dan noodzakelijk was. De onderzochte gedraging van de Belastingdienst is op dit punt niet behoorlijk.4. Verzoeksters echtgenoot leverde zijn aangifte inkomstenbelasting 1995 in op 5 augustus 1996, terwijl de uiterste inleverdatum 1 april 1996 was. Hij had niet verzocht om uitstel voor de inlevering van het biljet. Door middel van het verwijderen van het hoekje gaf hij aan een teruggaaf te verwachten en te verzoeken om voorrang. De Belastingdienst legde een definitieve aanslag op met dagtekening 30 september 1997, ruim een jaar na inlevering van het aangiftebiljet. De terugbetaling vond eveneens plaats in september 1997.5. Door pas op 30 september 1997 een aanslag op te leggen, heeft de Belastingdienst de termijn van een jaar voor het opleggen van en aanslag overschreden zonder dat sprake was van bijzondere omstandigheden die deze overschrijding konden rechtvaardigen (zie

Achtergrond

, onder 4.). Daardoor heeft ook de betaling van de teruggave over 1994 later plaatsgevonden dan noodzakelijk was. De onderzochte gedraging is ook op dit klachtonderdeel niet behoorlijk. IV. Met betrekking tot het verschaffen van inzicht in de gang van zaken1. Verzoekster klaagt er verder over dat de Belastingdienst haar pas na lange tijd inzicht heeft verschaft in de wijze waarop de terugbetalingen aan haar echtgenoot hadden plaatsgevonden.2. Verzoekster heeft op 2 oktober 1997, na voorafgaand telefonisch contact met de Belastingdienst, per fax copie n naar de Belastingdienst gezonden van de brieven van 20 november 1996 en 10 maart 1997, die gericht waren aan de Belastingdienst/Centrale betalingsadministratie Apeldoorn. In deze brieven wees zij de Belastingdienst op haar verzoek van 28 juli 1996 en vroeg zij om een reactie. Op 7 november 1997 bevestigde verzoekster de zending per fax nog eens en vroeg zij wederom om een reactie. Zij herhaalde haar verzoek nogmaals op 15 december 1997. De Belastingdienst reageerde in zijn brief van 6 januari 1998.3. In zijn reactie op de klacht verwijst de Belastingdienst naar de inhoud van de brief van 6 januari 1996. Daaruit blijkt dat de Belastingdienst de op 2 oktober 1997 gefaxte brieven heeft ontvangen. De Belastingdienst heeft derhalve pas na ruim drie maanden, en na herhaalde verzoeken van verzoekster, gereageerd op haar verzoek van 2 oktober 1997. Daarmee heeft de Belastingdienst niet voldaan aan de voortvarendheid die van hem bij de beantwoording van verzoeksters verzoek mocht worden verwacht. Dit klemt te meer nu het verzoek van 2 oktober 1997 zag op het feit dat de Belastingdienst eerder al op geen enkele wijze had gereageerd op haar verzoek van 28 juli 1996. De onderzochte gedraging is op dit onderdeel eveneens niet behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van de Belastingdienst/ Ondernemingen 's-Gravenhage, die wordt aangemerkt als een gedraging van de Minister van Financi n, is gegrond, behoudens voorzover deze ziet op de weigering de gedane betalingen te corrigeren en op de behandelingsduur van de aangifte inkomstenbelasting 1994; in zoverre is de klacht niet gegrond. BIJLAGE ACHTERGROND1. Arrest van de Hoge Raad van 28 februari 1997, nummer 16 193(RVDW 1997/64c):"...Indien het bedrag, ondanks de uitsluiting van de rekening, toch volledig of ten dele ter beschikking van de schuldeiser is gekomen, zal hij de betaling op die rekening in beginsel slechts kunnen weigeren met terugbetaling van hetgeen waarmee hij aldus is verrijkt. Ook zal de schuldenaar dan de hem toekomende vordering ter zake van deze verrijking kunnen verrekenen met de schuld die hij bedoelde te voldoen. Indien evenwel het bedrag (...) in het geheel niet ter beschikking van de schuldeiser is gekomen en derhalve geen verrijking heeft plaatsgevonden, zal de schuldenaar het aan de schuldeiser toekomende bedrag zonder meer alsnog dienen te voldoen..."2. De toelichting bij het door verzoekster ontvangen aangiftebiljet voor de inkomstenbelasting over het jaar 1994 vermeldde de volgende tekst:"...Uitbetaling van een teruggaafDe Belastingdienst maakt een teruggaaf over op het rekeningnummer van u dat is gebruikt bij de laatste teruggaaf of betaling. Als u meent dat dit niet (meer) het juiste nummer is (dit kan met name na echtscheiding het geval zijn) dan moet u dit zo spoedig mogelijk schriftelijk doorgeven aan de eenheid van de Belastingdienst waarvan u het aangiftebiljet heeft ontvangen. Is er geen rekeningnummer van u bekend dan krijgt u te zijner tijd een verzoek om uw rekeningnummer op te geven..."3. In de toelichting bij het aangiftebiljet inkomstenbelasting 1994 en 1995 wordt de belastingplichtige erop gewezen dat hij - om in aanmerking te komen voor een voorrangsbehandeling - zijn aangiftebiljet volledig ingevuld en ondertekend bij de Belastingdienst moet indienen v r 1 april van het jaar volgend op dat waarover aangifte wordt gedaan. Daarnaast moeten de vereiste stukken zijn bijgevoegd en moet de rechterbovenhoek van het voorblad van het aangiftebiljet zijn verwijderd. Als aan deze voorwaarden is voldaan, mag de belastingplichtige ervan uitgaan dat hij v r 30 november van het jaar van indiening van de aangifte bericht ontvangt omtrent eventuele teruggaven.4. In het geval van aanslagen die elk jaar opnieuw worden opgelegd stelt de Nationale ombudsman zich op het standpunt dat in beginsel de vaststelling en uitreiking van de desbetreffende aanslag dient plaats te vinden binnen een jaar na de datum waarop de aangifte uiterlijk moet worden ingediend. Aldus wordt bereikt dat de belastingplichtige op het moment van opstellen van zijn aangifte voor het volgend jaar beschikt over de beslissing van de Belastingdienst op zijn aangifte over het vorige jaar. Deze regel lijdt uitzondering als bijvoorbeeld niet tijdig, onvolledig of na verkregen uitstel aangifte is gedaan. Alsdan mag echter van de Belastingdienst worden verwacht dat de aanslag wordt vastgesteld en uitgereikt een jaar na ontvangst van de volledige aangifte. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat een behandelingsduur voor de vaststelling en uitreiking van een aanslag die langer is dan een jaar niet redelijk kan worden genoemd, behalve als er sprake is van bijzondere omstandigheden die een langere behandelingsduur rechtvaardigen.

Instantie: Belastingdienst/Ondernemingen Den Haag

Klacht:

Niet voldaan aan verzoek om teruggaven inkomstenbelasting op rekening derde te storten; lange behandelingsduur.

Oordeel:

Niet gegrond