1998/248

Rapport
Op 24 februari 1997 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer K. te Voorburg, met een klacht over een gedraging van het regionale politiekorps Haaglanden. Naar deze gedraging, die wordt aangemerkt als een gedraging van de beheerder van het regionale politiekorps Haaglanden (de burgemeester van 's-Gravenhage), werd een onderzoek ingesteld. Op grond van de door verzoeker verstrekte gegevens werd de klacht als volgt geformuleerd:Verzoeker klaagt erover dat hij in de nacht van 25 op 26 mei 1996 zonder aanleiding of waarschuwing vooraf, door een politiehond van het regionale politiekorps Haaglanden is gebeten. ACHTERGROND1. De tekst van artikel 8, eerste en vijfde lid van de Politiewet 1993 luidt als volgt:"1. De ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak is bevoegd in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening geweld te gebruiken, wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik van geweld verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt. Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing vooraf.          (...)5. De uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste (...) lid, dient in verhouding tot het beoogde doel redelijk en gematigd te zijn."2. In de ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar wordt in artikel 15, eerste lid bepaald dat het inzetten van een politie-surveillancehond slechts geoorloofd is onder direct en voortdurend toezicht van een geleider bij onder andere de surveillancedienst. Dit artikel is geplaatst in de derde paragraaf van het tweede hoofdstuk, onder de kop "Overige geweldmiddelen".3. De tekst van artikel 10 van de Politiewet 1993 luidt als volgt:"Alle ambtenaren, belast met een politietaak, verlenen elkaar

wederkerig de nodige hulp en betrachten bij voortduring een eendrachtige samenwerking bij het uitvoeren van die taak. Zij verlenen elkaar zoveel mogelijk de gevraagde medewerking."

Onderzoek

In het kader van het onderzoek werd de beheerder van het regionale politiekorps Haaglanden verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben. Daarnaast werd enige betrokken ambtenaren gelegenheid geboden om commentaar op de klacht te geven. Een van de betrokken ambtenaren werd door medewerkers van het Bureau Nationale ombudsman mondeling gehoord. Tijdens het onderzoek kregen betrokkenen de gelegenheid op de door ieder van hen verstrekte inlichtingen te reageren. Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. Betrokken ambtenaar H. deelde mee zich met de inhoud van het verslag te kunnen verenigen. Verzoeker, de beheerder van het regionale politiekorps Haaglanden en twee van de betrokken ambtenaren gaven binnen de gestelde termijn geen reactie.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:. De feiten 1. In de nacht van 25 op 26 mei 1996 bezocht verzoeker een feest in een feestgelegenheid aan het Z. te Den Haag. Nadat verzoeker omstreeks 04.00 uur de feestgelegenheid had verlaten werd hij gebeten door een politiehond.2. Naar aanleiding van dit incident diende verzoeker bij brief van 15 juni 1996 een klacht in bij het regionale politiekorps Haaglanden. In deze brief gaf hij onder meer te kennen dat hij direct na het verlaten van de feestzaal, voordat hij vijf stappen had gezet, geheel onverwacht en zonder enige aanleiding door een politiehond in zijn been was gebeten, waarna agenten hem en zijn vrienden met knuppels hadden geslagen.3. Bij brief van 24 oktober 1996 deelde de burgemeester van Den Haag verzoeker mee de klacht ongegrond te achten.

In zijn brief deelde hij verder onder meer het volgende mee:"Op 26 mei 1996, omstreeks 04.00 uur, op het Z. in Den Haag, vond plaats.(...) (Volgens lezing politie) Vier politiemensen, twee van bureau Hoefkade en twee van bureau De Heemstraat, hadden naar aanleiding van een melding over een massale ruzie bij een feestgelegenheid op het Z., aldaar twee groepen mensen gescheiden. Beide groepen – ieder ongeveer 40 in aantal – hadden eerst tezamen feest gevierd, maar kregen ruzie met elkaar in de feestgelegenheid. De ruzie had zich buiten de feestgelegenheid voortgezet. Binnen bevonden zich nog minstens honderd mensen. Het politieoptreden ter plaatse was erop gericht de partijen te scheiden. Een groep werd daartoe onder begeleiding van twee agenten richting R.plein geleid, terwijl de andere groep onder begeleiding van de twee resterende agenten bij het Z. werd gehouden, danwel werd bewogen terug te keren in de feestgelegenheid. Vervolgens vertrokken de twee agenten bij het Z. om hun surveillance te vervolgen, terwijl de twee agenten op het R.plein nog iemand, die zich bedreigd voelde, naar zijn auto begeleidden. Deze auto stond vlak bij de feestgelegenheid geparkeerd. Naar zeggen van de betrokken politiemensen zagen zij bij nadering van de feestgelegenheid vier mensen tussen een groep feestgangers staan die qua gedrag opvielen. De politiemensen hoorden, dat de vier de feestgangers aanzetten tot het voortzetten van de ruzie met de andere groep feestgangers en tot vechten met politie. Tevens hoorden zij dat de vier betrokkenen, waaronder u (naar later bleek), hen uitscholden. Tot slot kwam het de twee agenten voor dat alle vier in kennelijke staat van dronkenschap verkeerden. De agenten vreesden, dat door het gedrag van de vier betrokkenen, de zojuist gesuste ruzie tussen de twee groepen zou terugkeren. Zij spraken de vier daarom aan over hun gedrag en sommeerden hen verschillende malen het Z. te verlaten. De vier, waaronder u, voldeden hier niet aan. Zij bleven staan waar ze stonden, scholden op de twee politiemensen, vroegen aan omstanders zich samen met hen te keren tegen de politie en n van hen – niet zijnde u – belette de politieauto verder te rijden. Hierop is een agent uitgestapt en heeft tot twee keer toe de

vier, waaronder u, nogmaals gesommeerd van het Z. te verdwijnen. Hierop werd de agent aangevallen door n van de vier (...) – niet zijnde u – en viel samen met zijn aanvaller op de grond. Hierop trachtte de andere agent zijn collega te ontzetten, maar werd daarin opzettelijk fysiek door u gehinderd. De betreffende agent zag zich genoodzaakt zich met de wapenstok tegen u te weren. Volgens de lezing van de politie arriveerde op dat moment assistentie van onder andere twee collega's van de Hondenbrigade. Door een van de leden van de Hondenbrigade werd u vervolgens minstens twee maal bevolen van het Z. te verdwijnen. U voldeed niet aan dit herhaald gegeven bevel en probeerde in plaats daarvan de vriend, die met een politieman aan het vechten was, te ontzetten dan wel te beletten dat deze werd aangehouden. Hierop gaf de begeleider aan de hond het bevel u te bijten. Vervolgens zijn drie van de vier betrokkenen, waaronder u, aangehouden en ingesloten op bureau Hoefkade. (einde versie politie.) (...) U heeft, nadat u de feestgelegenheid op het Z. had verlaten, onder andere:- een groep feestgangers aangezet tot het voortzetten van hun conflict met een andere groep feestgangers; - dezelfde groep mensen opgeroepen zich samen met u tegen de politie te keren; - gevochten met minstens n politieagent; - gescholden op minstens twee politiemensen; - getracht n van uw metgezellen te ontzetten bij zijn aanhouding en daarbij een politieagent gehinderd in de uitoefening van zijn bevoegdheden; - u heeft minstens viermaal geweigerd het bevel van het Z. te verdwijnen op te volgen. Dit bevel had u onmiddellijk moeten opvolgen ingevolge de bevoegdheden, die de politie toekomt in het noodgebied (…), waar het Z. onder valt. Van belang voor mijn oordeel acht ik voorts, dat uit alle verklaringen van politiezijde eenduidig valt af te leiden, dat u bovengenoemde gedragingen vertoonde nog voordat de Hondenbrigade ter plaatse was. Pas daarna kon u gebeten worden door de politiehond. Tot slot heb ik met betrekking tot dit klachtelement meegewogen, dat u geen verklaring heeft voor het feit – en dit heeft u zelf verklaard – dat in de korte tijd, nodig om vijf stappen te

zetten, reeds n van uw vrienden op de grond lag en geboeid was, terwijl een tweede vriend reeds hard wegliep en werd achterna gezeten door een politiehond. Voorts neem ik een tweede klachtelement in overweging waarin u verklaart, dat u in woord en gedrag op geen enkele wijze aanleiding heeft gegeven tot het bijten van de politiehond. Uit de verklaringen van alle direct en indirect betrokken politiemensen komt eensluidend een geheel ander beeld naar voren. Hierboven is reeds beschreven wat volgens politiemensen met betrekking tot uw gedrag voorafging aan het moment dat de politiehond het bevel tot bijten kreeg. Ik ben van oordeel dat het hier niet om een belevingsverschil gaat van eenzelfde gebeurtenis, maar om een verschil in weergave van de feiten. Hierbij hecht ik grote waarde aan de volstrekte eensluidendheid in de verklaringen van alle betrokken politiemensen met betrekking tot twee zeer belangrijke elementen uit uw klacht, namelijk:1. het doen van vijf stappen uit de feestgelegenheid en vervolgens onmiddellijk en zonder waarschuwing worden gebeten;2. het noch in woord noch in gebaar ook maar enige aanleiding hebben gegeven tot het bijten van de politiehond. Ik acht de klacht op beide elementen, en daarmee in zijn geheel niet gegrond. Gelet op het bovenstaande zie ik geen reden voor verontschuldigingen van of maatregelen tegen betrokken politiemensen.(...)". Het standpunt van verzoeker 1. Het standpunt van verzoeker staat – samengevat – weergegeven onder

Klacht

.2. Ter toelichting van zijn klacht verklaarde verzoeker op 28 april 1997 tegenover twee medewerkers van het Bureau Nationale ombudsman het volgende:"Ik ben het niet eens met de weergave in de brief van 24 oktober 1996 (zie

Bevindingen

onder A.3.; N.o.). Op pagina 4. staan enige gedragingen aangegeven. Dat heb ik niet gedaan. Ik heb geen groep zien vechten. Ik heb zelf niet meegevochten in een groep. Nadat ik op het feest ben binnengekomen, ben ik tussentijds niet naar buiten gegaan.

Ik was met vier vrienden op het feest. Wij gingen ongeveer gelijktijdig weg. Ik ging waarschijnlijk als laatste naar buiten. Toen ik naar buiten liep zag ik dat er politie stond. De politie heeft niets tegen mij gezegd. Ik heb geen commando voor de hond gehoord. Ik deed ongeveer vijf stappen naar buiten en werd toen in mijn been gebeten door een politiehond. Ik heb daartoe geen aanleiding gegeven en ik heb ook niets gezegd of gedaan tegen de politie. Toen de hond mij nog vasthield, riep ik tegen de agent: 'pak 'm, pak 'm, haal hem van me af.' De politieagent zei toen 'Rustig' tegen de hond. Nadat de hond mij had losgelaten ben ik schreeuwend naar een politieagente toegerend. Ik schreeuwde: "Ik ben gebeten." Verder niets en ik heb daarbij niet gescholden. Ik heb haar ook niet aangeraakt. Op dat moment werd ik door ongeveer drie agenten gegrepen, op de grond gelegd en geboeid. Daarna ben ik in een auto gezet en meegenomen naar het politiebureau. Daar ben ik in een cel gezet. Ik weet niet hoelang ik daar heb gezeten voordat ik naar een ziekenhuis werd gebracht. Naderhand ben ik teruggebracht naar het politiebureau. Ik heb daar een nacht in een cel doorgebracht. De volgende ochtend ben ik verhoord. Daarna mocht ik weer naar huis gaan. Ik heb daarna nooit meer iets over de zaak gehoord, behalve dan naar aanleiding van mijn klacht. Na indiening van de klacht ben ik gehoord door iemand van de politie. Die heeft vervolgens de vier politieambtenaren gehoord. Daarna heb ik de brief van 24 oktober 1996 ontvangen. In de tussentijd heb ik niets gehoord. Nadat ik gebeten was en ging rennen zag ik dat mijn vriend geboeid op de grond lag. Een andere vriend zag ik wegrennen. Hij werd later gepakt. Hij zei mij later dat hij wel een hond achter zich had zien rennen. Hij is niet gebeten. Ik weet niet of dat dezelfde hond was die mij gebeten heeft. Ik heb niet geprobeerd mijn vriend te bevrijden. Ik kon niet eens bij hem komen want toen was ik al gepakt. Ik heb de politie niet gehinderd. Ik heb bij het boeien wel wat tegengestribbeld. Maar niet gehinderd. Verder heeft de politie mij geen bevel gegeven weg te gaan. Op geen enkel moment.". Het standpunt van de korpsbeheerder1. In reactie op de klacht van verzoeker deelde de beheerder van het regionale politiekorps Haaglanden bij brief van 3 juni 1997

mee, zich aan te sluiten bij het oordeel van de chef van het onderdeel Den Haag/Centrum, zoals weergegeven in diens brief aan de korpsbeheerder van 2 juni 1997.2. In de bij de reactie van de korpsbeheerder gevoegde brief van 2 juni 1997 deelde de onderdeelschef Den Haag/Centrum de korpsbeheerder mee, dat de door verzoeker bij de Nationale ombudsman ingediende klacht identiek was aan de door verzoeker bij brief van 15 juni 1996 bij het regionale politiekorps Haaglanden ingediende klacht (zie

Bevindingen

onder A.2.) Omdat hem geen nieuwe feiten of omstandigheden waren gebleken, was de onderdeelschef van mening dat geen aanleiding bestond om terug te komen op zijn eerdere beoordeling van verzoekers klacht (zie

Bevindingen

onder A.3.).3. Bij de brief van de onderdeelschef van 2 juni 1997 was als bijlage een rapportage van inspecteur van politie W. aan de waarnemend bureauchef Hoefkade, hoofdinspecteur van politie P., van 5 augustus 1996 gevoegd. Deze rapportage had plaatsgehad in het kader van de behandeling van de door verzoeker bij de regiopolitie Haaglanden ingediende klacht.3.1. In zijn aanbiedingsbrief bij de rapportage van 5 augustus 1997 deelde de heer W. onder meer het volgende mee:"Naast dat dit onderzoek een beeld geeft van het incident (...) komt tevens naar voren dat het politieoptreden zich voor een deel ongeorganiseerd heeft voltroken. De wachtcommandant van het bureau Hoefkade, (...) heeft met vier collega's (...) een naar de situatie toegesneden operationeel plan opgesteld. Naar het oordeel van ondergetekende een goed plan, ondanks de moeilijkheden die men ondervond. Met name het streven om als politie zo min mogelijk repressief in te grijpen en in principe geen aanhoudingen te verrichten komen ondergetekende zeer ge igend voor in de situatie die zich vooral kenmerkte door massaliteit en potenti le escalatie-dreiging. De uitvoering ervan wordt echter volstrekt onmogelijk vanaf het moment dat collega's uit andere bureaus te hulp komen. Er is geen overleg vooraf geweest, noch is er geco rdineerd opgetreden. Hoe deze assistentie tot stand is gekomen is niet duidelijk. Ondergetekende vraagt uw aandacht voor deze gang van zaken, welke niet direct op de klacht betrekking heeft en derhalve geen afzonderlijke plaats in het onderzoek krijgt.(...)" 3.2.1. In de rapportage van inspecteur van politie W., was onder meer het volgende opgenomen:

"Wat (...) uit de politieverklaringen eenduidig is komen vast te staan is het gegeven dat klager, evenals zijn drie metgezellen, reeds eerder buiten de feesttent gesignaleerd waren door politieambtenaren (...) dan het moment waarop de leden van de hondenbrigade arriveerden op de plaats waar klager is gebeten. Er stond dus volgens de politieverklaringen geen politiehond voor de uitgang van de feesttent op het Z. op het moment dat klager naar buiten komt. Ook is komen vast te staan dat klager vanaf het moment dat hij buiten de feesttent werd gesignaleerd niet meer terug naar binnen is gegaan. Hij heeft daarentegen voortdurend met politieambtenaren verbaal en non-verbaal contact gehad (...). Voorts is op basis van verklaringen van de betrokken politieambtenaren komen vast te staan dat klager meermalen is gevorderd zich te verwijderen van het Z. Ook was er toen nog geen sprake van aanwezigheid van politiehonden. Deze komen pas aan op de plaats van het incident als onder andere klager reeds feitelijk aan het vechten is met collega L, om te voorkomen dat deze zijn collega T. ontzet.(...) Overwegende dat:-door klagers gedrag (feestgangers ophitsen, politie hinderen in taakuitvoering, meermalen niet voldoen aan bevel tot weggaan, fysiek geweld tegen politieambtenaar) de dreiging van escalatie van het conflict tussen de twee groepen Afrikanen, maar ook in de richting van de politie sterk toenam; -dat er daardoor een ontoelaatbare openbare orde problematiek zou kunnen ontstaan van een massaal karakter (ongeveer 60 betrokkenen buiten en zeker nog honderd binnen in de feesttent); -dat alvorens de hond klager beet hij diverse malen is gevorderd zich van het Z. te verwijderen; -dat klager fysiek geweld had gebruikt tegen minstens een politieambtenaar en deze daarmee ernstig en opzettelijk hinderde in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening; -de op dat moment voorhanden zijnde en gebruikte middelen (praten, waarschuwen, wapenstok, fysiek ingrijpen) niet genoeg bleken het gedrag van klager te veranderen danwel hem te doen heengaan; is er naar de mening van ondergetekende voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit van het politieoptreden (zie

Achtergrond

onder 1.; N.o.).(...)" 3.2.2. Bij de rapportage van inspecteur van politie W. waren gevoegd de gespreksverslagen van het horen van politieambtenaren

die betrokken waren bij het in dit onderzoek aan de orde zijnde voorval. 3.2.2.1. In het gespreksverslag van het horen op 24 juli 1997 van de heer H., ploegchef bureau Hoefkade, was als verklaring van H. onder meer het volgende opgenomen:"In de nacht van 26 mei jl. was ik wachtcommandant op de Hoefkade en als zodanig lokale verantwoordelijke voor het politieoptreden op o.a. het Z. (...) Zoals gezegd was het onze inzet niet om aanhoudingen te verrichten. Ik heb daartoe ook niet het bevel gegeven, noch een van de vier betrokken collega's (St., T., L., S.). Ook om inzet van de hondenbrigade heb ik niet verzocht. Kennelijk hebben collega's van andere bureaus dan Hoefkade en Heemstraat, uit ons portoverkeer opgemaakt dat iets ernstigs aan de hand was en zijn van alle kanten op het Z. af gekomen. Wat er vervolgens in detail is gebeurd weet ik niet. Ik kom vanuit verklaringen van collega's tot de conclusie dat er fors is opgetreden, de wapenlat is gebruikt, twee honden zijn ingezet die beiden het bevel tot bijten hebben gekregen ( n weigerde te bijten, de andere beet klager K.), er drie aanhoudingen zijn verricht zonder dat men weet wie daartoe het bevel gaf, de LBK (Leidinggevende Buiten Kantoortijd; N.o.) ter plaatse was maar niet de leiding overnam, en dat ten slotte alle collega's weer naar hun eigen bewakingsgebied zijn teruggekeerd.(...)." 3.2.2.2. In het gespreksverslag van het horen op 2 augustus 1997 van politieambtenaar St., was als – niet letterlijke - verklaring van St. onder meer het volgende opgenomen:"St. was in dienst in de nacht van 26 mei j.l. en was samen met haar collega S. aan het surveilleren toen zij om 3.45 uur bij het Z. twee groepen mensen zag. Zij was via de porto op de hoogte van onenigheid tussen twee groepen , maar wist ook dat er reeds twee andere collega's (T. en L., bureau Hoefkade) ter plaatse waren en de groepen hadden weten te scheiden. Ter assistentie daarvan waren zij en haar collega S. even hiervoor al op het Z. geweest. Twee groepen feestende Afrikanen waren toen van elkaar gescheiden en de gemoederen waren bedaard. Zij en haar collega S. hadden daarop hun surveillance hervat maar waren in de buurt van het Z. Op dat moment was er dan ook geen assistentie nodig en hielden St. en S. zich op afstand. De onenigheid tussen de twee groepen (Afrikanen, naar haar later bleek), had toen ongeveer een kwartier geduurd, althans het deel van de onenigheid dat zich op straat had

afgespeeld. Er was naar later bleek een ruzie ontstaan tussen de twee groepen in een feestgelegenheid aan het Z., die zich op straat had voortgezet. St. schat het aantal betrokkenen op ongeveer 60. Over de porto kregen zij en haar collega S. op dat moment het verzoek te assisteren omdat T. en L. problemen kregen met een aantal personen. Onmiddellijk gingen St. en collega S. ter plaatse. Daar zag St. dat collega L. op de grond lag en een persoon op zich had. Dit bleek later de heer A. te zijn. Tegelijk zag zij dat drie andere personen, waaronder naar later bleek de klager K., A te hulp schoten en tevens T. verhinderde zijn collega die op de grond lag, te helpen. Zij zag hoe collega S. de vechtende A. van collega L. haalde. Op dat moment kwamen de collega's van de Hondenbrigade ter plaatse. Een van hen sommeerde tot twee maal toe de heer K. om door te lopen. K. deed dat niet: hij trachtte zijn metgezel te ontzetten, schold op de agenten en was kennelijk dronken, evenals overigens zijn drie andere metgezellen. Na twee keer te hebben gesommeerd verder te lopen, en nadat dit twee maal niet werd opgevolgd door K., gaf de collega van de Hondenbrigade het bevel tot bijten, waarop K. in zijn been werd gebeten. Een andere politiehond was achter een inmiddels vluchtende derde man (Ha.) aangegaan. Gedurende deze gebeurtenis waren er van vele kanten collega's aan komen rijden. Wie deze had opgeroepen wist St. niet. Ook was LBK (...) ter plaatse. St. weet niet waarom plotseling het bevel tot het aanhouden van de vier vechtende figuren werd gegeven, noch wie het bevel gaf. In ieder geval werden er drie aanhoudingen verricht: K., A. en Ha. Alle drie waren direct betrokken bij de vechtpartij (...). De aanwezigheid van onverwachte collega's heeft volgens St. verwarrend gewerkt op de aanpak van het incident. Op de vraag welke tijdspanne er zat tussen het eerste moment dat zij de vier vechtende personen ziet, waaronder klager K., en het moment dat klager wordt gebeten, antwoord St. dat zij dat moeilijk kan schatten, maar dat het voor haar zeker is dat klager eerst aan de vechtpartij met collega's T. en L. deelnam en aan de inleidende woordenwisseling die eraan voorafging, alvorens de collega's van de Hondenbrigade arriveren en ingrijpen. Op de vraag of het kan dat de heer K. vijf stappen uit de feesttent doet en vervolgens zonder reden en/of waarschuwing door een politiehond wordt gebeten, antwoord St. dat het haar volstrekt duidelijk is uit eigen waarneming dat het anders is verlopen dan de heer K. het voorstelt. Zij verwijst daarbij naar de zojuist door haar gegeven lezing van het incident." 3.2.2.3. In het gespreksverslag van het horen op 1 augustus 1997

van politieambtenaar S., was als – niet letterlijke - verklaring van S. onder meer het volgende opgenomen: "In de nacht van 26 mei j.l. had ik dienst. Om ongeveer 3.45 uur surveilleerde ik samen met collega St. in de stationsbuurt van Den Haag. Wij waren daar omdat wij op de hoogte waren van een incident tussen twee groepen Afrikanen die daar eerst in een feesttent aan het Z. feest hadden gevierd, vervolgens binnen ruzie hadden gekregen en dat op straat voortzetten. Twee collega's van de Hoefkade waren reeds ter plaatse en hadden samen met mij en collega St. de gemoederen weten te bedaren en de twee partijen, ieder ongeveer 40 man groot, weten te scheiden. Feitelijk was daarmee de onenigheid tussen de twee groepen Afrikanen be indigd en was er op dat moment geen noodzaak, noch een verzoek tot assistentie. We waren in de opzet geslaagd de partijen te scheiden zonder ingrijpende middelen zoals geweld en aanhoudingen. Het was ook de bedoeling om zonder aanhoudingen te verrichten, de orde zo snel mogelijk te herstellen. Naast de groepen op straat waren er in de feesttent op het Z. nog eens zeker 100 mensen. Als die zich er ook mee zouden gaan bemoeien was het voor de politie onhoudbaar om middels de inzet van de vier collega's de orde te handhaven. Zo snel mogelijk scheiden en vervolgens zorgen dat een ieder naar huis ging was dan ook vanaf het begin de bedoeling van ons. Tevens was dit het enige oogmerk van de dienstdoende wachtcommandant aan de Hoefkade I.v.P. H. In eerste instantie hoefden wij geen verdere assistentie te verlenen omdat het orde-herstellen volgens plan was verlopen. Toch werd door T. en L. op een gegeven moment om assistentie gevraagd via de porto. Met collega St. ging ik er onmiddellijk op af en zag vervolgens dat een van de collega's, L. op de grond lag te vechten met een Afrikaan, terwijl tegelijkertijd drie andere Afrikanen de andere collega, T. fysiek beletten L. te ontzetten. Ik zag tevens dat de vier Afrikanen niet leken op de andere feestgangers in die zin, dat zij geen feestkleding aan hadden zoals alle anderen. Ook dacht ik uit het gedrag van de vier Afrikanen te kunnen opmerken dat ze alle vier dronken waren. Ik hoorde ze ook schelden op collega's T. en L. en hoorde ze meermalen de feestgangers aanzetten zich met hen tegen de politie te keren. Ik sommeerde een van hen, A. naar later bleek, onmiddellijk door te lopen. Dit deed hij niet en nadat hij tevens op mijn tweede bevel tot doorlopen niet reageerde was ik genoodzaakt ter voorkoming van verder geweld hem met de wapenstok te slaan. Op dat moment komen er plotseling een aantal politiewagens het

Z. op. Ik weet niet waar die vandaan kwamen en wie deze heeft opgeroepen, als ze waren opgeroepen. In ieder geval werd door het optreden van de collega's voor mij alles volkomen onduidelijk en zonder structuur. Ook zag ik de LBK van dat moment (...). Even later was hij weer vertrokken. In de onduidelijke situatie die was ontstaan na het verschijnen van de collega's, werd geroepen dat de vier vechtende Afrikanen moesten worden aangehouden. Van wie dat bevel kwam en waarom het werd gegeven is mij niet bekend. Onze opzet was om zonder aanhoudingen de zaak te regelen. Naar later bleek hebben geen van de direct betrokkenen (dus T., L., St., H. en ikzelf) tot aanhouding besloten, noch daarover overlegd met wie dan ook. Terwijl werd geroepen dat de Afrikanen moesten worden aangehouden verschenen ook twee collega's van de Hondenbrigade. Een van de honden ging achter een van de vechters aan, de andere hond beet een van de andere vechters in het bovenbeen, nadat deze eerst twee keer had geweigerd het bevel weg te gaan op te volgen. De hond kreeg vervolgens het bevel te bijten. Het slachtoffer was, naar later bleek, de heer K., klager. Hij en de twee andere betrokkenen werden direct daarop aangehouden. De heer S. wenst zich uitdrukkelijk te distanti ren van de gevolgen van het ongeorganiseerde optreden van de toegeschoten collega's." 3.2.2.4. In het gespreksverslag van het horen op 2 augustus 1997 van politieambtenaar L., was als – niet letterlijke - verklaring van L. onder meer het volgende opgenomen:"Om ongeveer 03.30 uur in de nacht van de 26e mei j.l. kregen we de melding door dat we naar het Z. moesten. Daar zou rondom een feestgelegenheid een grote groep Afrikanen ruzie met elkaar hebben. Op het Z. aangekomen zagen wij inderdaad een grote groep (moeilijk te schatten hoeveel) Afrikanen (ze hadden herkenbare Afrikaanse feestkledij aan). Ze hadden onderling ruzie. Te samen met collega's S. en St. wisten T. en L. de partijen te scheiden. Een groep liep met T. en L. richting R.plein, de andere groep de andere kant op richting feesttent, waarbij een deel weer naar binnen ging. In eerste instantie ging dit goed. Op een gegeven moment komt er een man op T. en L. af die zei achterna gezeten te worden door een groep feestgangers, richting R.plein. Deze man sprak ons aan en verzocht ons hem naar zijn auto te begeleiden. Die auto stond vlak bij de feesttent. Daar aangekomen stapt de man in zijn auto en rijdt weg. Op dat moment zien T. en L.

vier naar hun oordeel Marokkanen tussen de feestgangers staan. Ze vallen hen op om twee redenen. Ten eerste hebben ze geen feestkleren aan zoals de rest, maar zijn in trainingspak e.d. gekleed. Ten tweede lopen ze stemming te maken onder de uitstromende feestgangers om de ruzie voort te zetten en ze lijken bovendien behoorlijk dronken. Om te voorkomen dat dit viertal de herstelde rust toch nog zou kunnen gaan verstoren spreekt L. ze aan (vanuit auto) en verzoekt ze door te lopen. Dit verzoek heeft hij herhaald, maar weer zonder dat de vier Marokkanen er gevolg aan geven. In plaats daarvan worden ze voor alles en nog wat uitgescholden en vragen de vier aan de rest van de feestgangers hen te helpen tegen de politie. L. stapt uit omdat nu door een van de Marokkanen de politieauto wordt belet door te rijden. Hij sommeert nogmaals dat ze hun weg vervolgen. Nu komt een van de vier op hem af en begint met hem te vechten. Beiden komen te vallen en de Marokkaan ligt boven op L. T. komt uit de auto om zijn collega te ontzetten. Hij kan de Marokkaan nog wel van zijn collega aftrekken maar wordt dan aangevallen door de twee andere Marokkanen. Een van deze twee bleek later klager K. te zijn. L. ontzet zich door tweemaal de wapenstok te gebruiken. Op dit moment stromen een aantal collega's uit andere bureaus toe n ziet L. dat er klappen vallen met de wapenstok. Ook ter ontzetting van hem en collega T. vallen er klappen dmv de wapenstok. Vervolgens verschijnen er twee politiehonden met begeleiding. De ene bijt een van de vechtende Marokkanen nadat deze tot twee maal toe weigerde gevolg te geven aan het bevel door te lopen. Deze man werd kort daarop aangehouden en is dezelfde persoon als klager: K. Waarom de vier moesten worden aangehouden (een ontkwam) is L. nu nog niet duidelijk. Het was niet de opzet en zelfs na de vechtpartij was hij en collega T. bereid om omwille van de openbare orde de vier Marokkanen te laten gaan.. distantieert zich expliciet van het ongeordend optreden van de assisterende collega's van andere bureaus dan Hoefkade en Heemstraat en vraagt zich af wat nu de rol van de LBK was (had moeten zijn)."4. In aanvulling op de brief van de korpsbeheerder van 3 juni 1997, waarmee de korpsbeheerder reageerde op verzoekers klacht, zond de klachtenco rdinator van de regiopolitie Haaglanden de Nationale ombudsman bij brief van 4 juli 1997 een groot aantal in dit onderzoek van belang zijnde processen-verbaal, mutaties en (gewelds-) rapportages toe. Hieronder bevond zich een rapport geweldsaanwen- ding opgemaakt op 26 mei 1996 door hoofdagent D., van het bureau Levende Have van de regiopolitie Haaglanden. Hierin was onder meer

het volgende opgenomen:         "7. Werd de verdachte gewaarschuwd door de betrokken ambtenaar?Ja, mondeling. 'Verwijdert U of de hond zal worden ingezet' en 'Ik vorder van U dat U nu weggaat (3x)'.(...)9. Korte omschrijving van de geweldsaanwendingOp bovengenoemde datum en tijdstip (zondag 26 mei 1996 omstreeks 04.00 uur; N.o.) hoorden wij van personeel van Bureau 14 dat er problemen waren op het Z. alhier, alwaar enkele mannen, kennelijk, op een confrontatie met de aldaar aanwezige politieambtenaren uit waren, die de geluidsoverlast van een feestzaal binnen de perken trachtten te houden. Onmiddellijk gingen wij derwaarts. Gekomen op het Z. zagen wij politieambtenaren met de korte wapenstok buiten de auto staan. Wij zagen enkele mannen tegenover de agenten staan en dat een aantal van hen met de collega's aan het vechten waren. Ik zag dat een aantal andere mannen zich met de vechtpartij wilde bemoeien. Teneinde verdere escalatie te voorkomen heb ik mijn gecertificeerde diensthond uit de dienstauto gehaald en ben op de groep mannen toegelopen. Vervolgens heb ik de mannen enkele malen gevorderd door te lopen. Een van de mannen bleef staan en zei dat ik 'de kanker' kon krijgen. Vervolgens heb ik nog eenmaal gevorderd dat de man door moest lopen. Toen hij bleef staan heb ik de hond het commando 'vast' gegeven, waarna de hond de man in zijn rechteronderbeen beet. Hierna heb ik de hond zo snel mogelijk losgemaakt en liep de verdachte weg in de richting van het Sp. alhier. Kennelijk is de man even later teruggekomen want ik hoorde dat hij was aangehouden omdat hij een collega te lijf was gegaan en een andere collega had gebeten.". Reactie van verzoeker Verzoeker reageerde bij brief van 7 september 1997 op het standpunt van de beheerder van het regionale politiekorps Haaglanden. Verzoeker deelde onder meer mee, de lezing van de korpsbeheerder onverminderd te bestrijden. Ook gaf verzoeker de naam en adresgegevens op van een getuige die de door verzoeker gegeven lezing zou kunnen onderschrijven. Het ging hierbij om de heer A., n van de drie personen waarmee verzoeker in de bewuste nacht had opgetrokken.. Informatie door getuige A.1. De Nationale ombudsman had bij brief van 3 oktober 1997 de heer A.

verzocht contact op te nemen met een met name genoemde medewerkster van het Bureau Nationale ombudsman. De desbetreffende brief kwam op 7 oktober 1997 retour bij het Bureau Nationale ombudsman, voorzien van de handgeschreven aantekening op de enveloppe, dat de heer A. niet meer woonachtig was op het op de enveloppe aangegeven adres.2. In een daarop op 30 oktober 1997 volgend telefonisch contact tussen verzoeker en een bij dit onderzoek betrokken medewerkster van het Bureau Nationale ombudsman, heeft verzoeker te kennen gegeven dat hij getuige A. had gesproken, dat deze niet bereid was zijn correcte adresgegevens te geven, maar dat getuige A. wel bereid was zelf contact op te nemen met de Nationale ombudsman. De medewerkster van het Bureau Nationale ombudsman heeft verzoeker daarop meegedeeld dat getuige A., of eventueel een andere getuige, in verband met de voortgang van het onderzoek uiterlijk 21 november 1997 contact met haar moest opnemen voor het maken van een afspraak. Getuige A., noch enige ander getuige, heeft echter contact opgenomen met het Bureau Nationale ombudsman.. Informatie van betrokken ambtenaar D. Op 13 november 1997 verklaarde de heer D., ambtenaar van het regionale politiekorps Haaglanden, tegenover twee medewerkers van het Bureau Nationale ombudsman, inzake verzoekers klacht het volgende:                  "Mijn functie houdt in het begeleiden van politiehonden, dat wil          zeggen het africhten en bedienen van de honden. Wij worden          ingezet bij het opsporen van mensen en goederen. En bij groot-          scheepse acties waarbij ordeverstoringen worden verwacht, zoals          bijvoorbeeld een voetbalwedstrijd of een studentendemonstratie.          Ook surveilleren wij met de hond. Onze voertuigen zijn niet          herkenbaar als politievoertuig. Wij verrichten ook andere          politiewerkzaamheden, maar onze meerwaarde ligt natuurlijk in          het meebrengen van de hond.          Wij rijden altijd rond. Via de mobilofoon worden wij dan naar          een bepaalde plek gedirigeerd, of we treden op als we zelf iets          zien gebeuren.          Bij een ordeverstoring worden wij ingezet omdat van een hond          meer dreiging uitgaat dan van een agent.          Er zijn regels voor het inzetten van een hond. Het moet om          ernstige ordeverstoringen of ernstige misdrijven gaan.          Gaat het om een acute noodweersituatie dan wordt de hond zonder          waarschuwing ingezet. Betreft het een normale langzaam escale-          rende situatie dan wordt eerst gewaarschuwd dat de hond zal          worden ingezet. Deze waarschuwing wordt dan een of meermaals

         herhaald. Ik weet niet of deze procedure in de Politiewet of de          ambtsinstructie is vastgelegd. Het is ons in elk geval zo geleerd.          Over het algemeen gebruiken wij als commando voor de hond          'Stellen'.          Ik heb een eigen hond toegewezen gekregen. De hond is eigendom          van het korps, maar hij verblijft bij mij thuis.          Ik reed in de nacht van 26 mei 1996 met een collega rond. Wij          reden op de P.kade. Vandaar hadden wij zicht op de situatie op          het Z. Wij zagen twee groepen staan met daartussenin ongeveer          vier collega's. Wij zagen dat een of meer collega's de          wapenstok in de hand hadden. Wij zijn er dus heen gegaan. Wij          hebben onze honden uit de auto gehaald. Wij hebben de groepen op          afstand gehouden, terwijl de collega's met vier Marokkanen bezig          waren. Ook was er een dronken Ghanees bij. Een of twee collega's          waren met een man bezig. Ik zag toen vanuit mijn ooghoeken dat          een andere man op hen af kwam en dat een van de collega's een          gebaar maakte van "wegwezen". Hij deed dat niet. Ik heb hem toen          meermalen gewaarschuwd dat de hond zou worden ingezet als hij          zich niet terstond zou verwijderen. De man voldeed hier niet aan.          Daarop heb ik de hond het commando 'stellen' gegeven.          Wij zijn niet ter assistentie naar het Z. gestuurd. Wij kwamen er          langs en zagen dat er een oploop was. Er waren twee groepen van          mensen aanwezig. Wij zagen dat collega's met een wapenstok          liepen. Dat doe je normaal niet. Wij hebben toen zelf de          inschatting gemaakt dat onze inzet voor het scheiden van de          twee groepen nodig kon zijn.          Mijn collega met de andere hond en ik stelden ons aan beide          zijden van de al aanwezige collega's op.          Wij zagen dat er bij de Afrikaanse groepen duidelijk andere          mensen aanwezig waren. Dat waren mensen uit NoordAfrika of          Turkije.         De collega's waren met een verdachte bezig die op de grond lag. Daar waren nog enige andere Marokkanen en een Ghanees bij aanwezig. Wij, de hondengeleiders, zorgden daarbij voor werkruimte. Op een gegeven moment zag ik dat een van de Marokkanen niet luisterde naar een opdracht van een collega. Dat was waarschijnlijk iets van 'Wegwezen'. Ik heb die opdracht overgenomen en herhaald. Hij gaf daar geen gehoor aan. Hij rende door in de richting van de collega's. Dat was een paar meter. Ik dacht dat hij op de vuist zou gaan met een collega om de andere Marokkaan te ontzetten. Daarop heb ik hem in elk geval meer dan een keer gewaarschuwd. Wat ik precies gezegd heb, weet ik niet meer. Hij bleef doorlopen. Daarop heb ik de hond ingezet.          Er was kennelijk duidelijk sprake van een ordeverstoring.

         Collega's liepen met een wapenstok. Er is diverse keren          gewaarschuwd.          Ook de andere hond is ingezet. Die hond heeft niet gebeten.          Op een gegeven moment stonden de groepen wat verder uit elkaar.          Dat wilden wij met behulp van de honden zo houden. Toen kwam de          Marokkaan terug. Het was kennelijk zijn bedoeling om de zaak weer          te verstoren. Er zijn diverse mensen aangehouden, waaronder de          man die gebeten was. De afhandeling van de aanhouding is door          andere agenten verricht. Ik heb de man ook niet aangehouden.          Nadat hij gebeten was, liep de man een andere kant op en hield          mijn rol daarbij op.          Ik werk sinds 6 jaar bij de hondenbrigade. De inzet was op zich          niet bijzonder. Het gebeurt wel vaker zo. Het was een zaterdag-          avond. Het is dan natuurlijk altijd wel drukker dan op een          doordeweekse avond.          U vraagt mij of de inzet en de situatie chaotisch was. Elke grote          ordeverstoring is natuurlijk al gauw chaotisch. Maar voor een          ervaren politieambtenaar was het niet bijzonder. Ik werk al          18 jaar bij de politie.          Onze komst heeft m.i. niet escalerend gewerkt. Er was een          ordeverstoring en de inzet van de hond heeft daar geen          escalerende rol bij gespeeld. Uiteraard kun je op zo'n moment          niet goed met collega's communiceren. Ik begrijp niet dat een          collega zich van de gevolgen van onze inzet distantieerde. Onze          aanwezigheid was gerechtvaardigd en nuttig.          Eerder op de avond had ik via de portofoon gehoord dat er al wat          problemen waren geweest op het Z.          Wij zijn echter niet naar het Z. gedirigeerd. Onze aankomst          gebeurde op eigen inzicht.          De naam A., heb ik in mijn rapport genoteerd omdat op het bureau          die naam genoemd werd als zijnde de gebeten man. Mogelijk zijn          mij op het bureau de verkeerde gegevens verstrekt. Het was druk          die nacht op het bureau, dus het is mogelijk dat de verkeerde          naam werd genoemd en genoteerd. De man die gebeten was, was op          het moment dat ik het rapport opmaakte niet aanwezig. De beide          mannen werden toen wel binnengebracht.          Ik weet niet of K. (verzoeker; N.o.) al aanwezig was bij de          oploop toen ik daar arriveerde.". Nadere reactie van verzoeker Verzoeker heeft geen gebruik gemaakt van de hem geboden gelegenheid te reageren op de verklaring van betrokken ambtenaar D.

BEOORDELING 1. Verzoeker bevond zich in de nacht van 25 op 26 mei 1996 op een feest dat gehouden werd in een feestgelegenheid aan het Z. te 'sGravenhage. Na het verlaten van deze feestgelegenheid werd verzoeker om ongeveer 04.00 uur gebeten door een politiehond van het regionale politiekorps Haaglanden. Verzoeker klaagt erover dat dit bijten plaatsvond zonder enige aanleiding en ook zonder waarschuwing vooraf.2. Vaststaat dat op het door verzoeker bezochte feest de gemoederen zodanig verhit waren geraakt, dat een massale vechtpartij tussen twee groepen feestgangers op straat direct voor de feestzaal dreigde. Door tussenkomst van enige politieambtenaren kon echter worden voorkomen dat de twee groepen, elk bestaand uit zo'n dertig veertig personen, daadwerkelijk met elkaar slaags raakten. Deze politieambtenaren wisten de ene groep in de richting van het R.plein te bewegen, terwijl de andere groep in en bij de feestzaal aan het Z. kon worden gehouden.3. De beheerder van het regionale politiekorps Haaglanden heeft in zijn reactie op de klacht van verzoeker gewezen op diverse gespreksverslagen van bij het bewuste voorval betrokken politieambtenaren (zie

Bevindingen

onder C.3.2.2.) Deze gespreksverslagen komen veelal tot in details met elkaar overeen. Verzoeker heeft de inhoud van deze gespreksverslagen slechts summier en ongemotiveerd weersproken. Verzoeker heeft er verder niet voor gezorgd dat de door hem genoemde getuige ook daadwerkelijk bij de Nationale ombudsman is verschenen om te worden gehoord. Op de hem bij brief van 11 december 1997 toegestuurde verklaring van de betrokken ambtenaar D., de hondengeleider, heeft verzoeker niet meer gereageerd.4. Bij gebrek aan tegenspraak door verzoeker zal er hier verder als vaststaand van worden uitgegaan dat verzoeker en minimaal twee van zijn drie metgezellen de politieambtenaren zijn gaan hinderen bij hun poging een massale vechtpartij tussen de twee groepen feestgangers te voorkomen. Vast staat verder dat een en ander is ge scaleerd tot een handgemeen tussen verzoeker en zijn metgezellen en enige van de betrokken ambtenaren. Een inmiddels ter plaatse gearriveerde politiehondengeleider sommeerde verzoeker minimaal tweemaal het Z. te verlaten. Toen verzoeker niet voldeed aan deze sommeringen gaf de hondengeleider zijn politiehond opdracht verzoeker te bijten. De hond heeft daarop verzoeker in zijn been gebeten. Direct daarna liet de

hond, op commando, verzoeker weer los. Verzoeker verwijderde zich, maar kwam vrijwel meteen weer terug en ging opnieuw de confrontatie aan met enige politieambtenaren. Daarop werd verzoeker aangehouden en overgebracht naar het politiebureau.5. Ingevolge artikel 8 van de Politiewet, dient de daadwerkelijke inzet van een diensthond, evenals iedere andere geweldstoepassing door de politie, in overeenstemming te zijn met de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Aan het gebruik van geweld moet bovendien zo mogelijk een waarschuwing vooraf gaan (zie

Achtergrond

onder 1.).6. Wanneer de politie in het kader van een (grootschalig) politie-optreden ter handhaving van de openbare orde geweld gebruikt, zijn daaraan risico's verbonden. De politie dient in dat verband bij de inzet van een politiehond rekening te houden met het ervaringsgegeven dat die hond niet (altijd) in staat is om onderscheid te maken tussen personen die wel of niet in aanmerking komen om te worden gebeten. Dit onderstreept het grote belang van een duidelijke waarschuwing aan alle aanwezigen om zich van de plaats te verwijderen. Daarnaast komt aan de burger die – al dan niet bedoeld – wordt geconfronteerd met een dergelijk politieoptreden een zekere eigen verantwoordelijkheid toe waar het betreft (het vermijden van) het risico om betrokken te raken bij eventueel geweldgebruik. In dit verband mag van hem worden verwacht dat hij zich, zo enigszins mogelijk, van de plaats van het (mogelijke) politieoptreden verwijdert, ongeacht de vraag of de politie daar al dan niet om vraagt.7. In dit geval is voldoende gebleken dat de omstandigheden aan het Z. te Den Haag in de bewuste nacht van dien aard waren dat deze geweldstoepassing als zodanig rechtvaardigden. Voorafgaand aan de inzet van de politiehond tegen verzoeker is meermaals gewaarschuwd dat tot gebruik van geweld zou worden overgegaan. Toen verzoeker deze waarschuwingen had genegeerd, heeft de politie terecht geweld tegen hem gebruikt (zie

Achtergrond

onder 2.). De politie heeft niet onjuist gehandeld door in dat kader over te gaan tot de inzet van de politiehond. De onderzochte gedraging is daarmee behoorlijk.8. Ten overvloede wordt overwogen dat gebleken is dat het ter plaatse verschijnen van de politiehondenbegeleiders en hun diensthonden en de daaropvolgende inzet van de honden geheel op eigen initiatief van de hondenbegeleiders is gebeurd, en zonder overleg met de reeds aanwezige collega's. Op zichzelf kan begrip worden opgebracht voor de kennelijk op artikel 10 van de Politiewet (zie

Achtergrond

onder 3.) gebaseerde beslissing van de beide hondenbegeleiders om hun in het

gedrang geraakte collega's te hulp te schieten, niettemin moet worden opgemerkt dat zo'n goed bedoelde maar ongevraagde en ongeco rdineerde bijstand een mogelijk voor die situatie gemaakt plan van aanpak kan doorkruisen. Dat lijkt ook hier het geval te zijn geweest (zie

Bevindingen

onder C.3.1. en onder C.3.2.2.2., 3.2.2.3. en 3.2.2.4.). Ook heeft dergelijk optreden het risico van het bijdragen aan escalatie.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van het regionale politiekorps Haaglanden, die wordt aangemerkt als een gedraging van de beheerder van het regionale politiekorps Haaglanden (de burgemeester van 's-Gravenhage), is niet gegrond.

Instantie: Regiopolitie Haaglanden

Klacht:

Verzoeker zonder aanleiding of waarschuwing vooraf door politiehond gebeten.

Oordeel:

Niet gegrond