2007/270

Rapport

Op 9 mei 2006 deelde het college van burgemeester en wethouders van Zandvoort verzoeker mee dat in een later stadium handhavend zou worden opgetreden tegen de te hoge schutting van zijn buren. Bijna een jaar later vroeg verzoeker het college handelend op te treden, waarna werd meegedeeld dat het handhaving­traject in de week van 14 tot en met 20 mei 2007 zou worden opgestart.

De overtreder is bij brief van 25 april 2007 verzocht de erfafscheiding binnen vier weken te verwijderen en is vervolgens op 16 augustus 2007 gesommeerd deze binnen twee weken te verwijderen, dan wel te verlagen. In laatstgenoemde brief werd tevens overwogen om, indien geen gehoor werd gegeven aan de sommatie, een last onder dwangsom op te leggen of bestuursdwang toe te passen. Uiteindelijk is de erfafscheiding begin oktober verlaagd, nadat de wethouder een bezoek had gebracht aan de buren van verzoeker.

De Nationale ombudsman overwoog dat de lage prioriteit die in april 2006 aan de handhaving van illegaal geplaatste erfafscheidingen was gegeven niet impliceert dat gewekte verwachtingen over het tijdstip van afhandeling niet gehonoreerd hoeven te worden. Met de toezegging dat uiterlijk in week 20 het handhavingtraject zou worden opgestart, zonder daarbij te vermelden wat dit traject inhoudt en welke acties ondernomen moeten worden, was bij verzoeker de gerechtvaardigde verwachting gewekt dat een en ander binnen afzienbare termijn zou worden afgerond. Nu dit niet was gebeurd, was naar het oordeel van de Nationale ombudsman gehandeld in strijd met het vereiste van rechtszekerheid en werd de klacht gegrond geacht.

Instantie: Gemeente Zandvoort

Klacht:

Toezegging om handhavend op te treden tegen de door verzoekers buren opgerichte erfafscheiding niet nagekomen.

Oordeel:

Gegrond