2018/012 Bureau Jeugdzorg doet recht aan belangen kinderen, maar klachtbehandeling kan beter

Twee pleegzorgouders dienen een klacht in over Bureau Jeugdzorg Limburg (BJL) over de gang van zaken rond het weghalen van twee kinderen en de manier waarop BJL op hun klacht heeft gereageerd. De ombudsman onderzoekt daarnaast ook het initiatief van de Raad voor de Kinderbescherming om de pleegzorgouders mee te laten werken aan een gesprek waarin hun pleegdochter te horen zou krijgen dat zij weg moest bij hen. Dit terwijl de rechtbank zich daarover nog niet had uitgesproken. De Nationale ombudsman vindt de klacht over het BJL niet gegrond, behalve wat betreft de klachtbehandeling, die is gegrond. De gedraging van de Raad voor de Kinderbescherming vindt de ombudsman behoorlijk.

Instantie: Bureau Jeugdzorg Limburg te Roermond

Klacht:

verzoekers op 20 oktober 2016 geprobeerd te overreden om mee te werken om hun pleegdochter mee te delen dat zij weg moest bij hen, terwijl de Rechtbank zich daarover nog niet definitief had uitgesproken

Oordeel: niet gegrond

Instantie: Bureau Jeugdzorg Limburg te Roermond

Klacht:

na de beschikking niet met verzoekers overlegd over het moment en de wijze waarop hun pleegkinderen bij hen zouden worden weggehaald

Oordeel: niet gegrond

Instantie: Bureau Jeugdzorg Noord-Holland (BJZ)

Klacht:

klacht niet in behandeling genomen

Oordeel: gegrond

Instantie: Raad voor de Kinderbescherming

Klacht:

initiatief om verzoekers op 20 oktober 2016 te bezoeken, om hen mee te laten werken om hun pleegdochter mee te delen dat zij weg moest bij hen, terwijl de Rechtbank zich daarover nog niet definitief leek te hebben uitgesproken

Oordeel: niet gegrond

Een moeder en dochter zijn professionele pleegzorgouders. Een moeder bracht haar twee jonge kinderen bij hen ter verzorging. Bureau Jeugdzorg Limburg (BJL) en de Raad voor de Kinderbescherming waren ook betrokken bij dat gezin en was van oordeel dat de kinderen beter op hun plek waren ergens anders. Dit wilden zij bespreken met de oudste pleegdochter voordat de rechter daarover zou oordelen. Na de uitspraak van de rechter werden de kinderen bij de pleegzorgouders weggehaald door BJL zonder verder overleg vooraf. De pleegzorgouders klaagden onder andere bij BJL over de gang van zaken. Die klacht werd niet in behandeling genomen door BJL.

De klacht was dat BJL:

1. de leegzorgouders heeft geprobeerd te overreden om mee te werken om hun pleegdochter mee te delen dat zij weg moest bij hen, terwijl de Rechtbank zich daarover nog niet definitief had uitgesproken;

2. na de beschikking niet met hen heeft overlegd over het weghalen van hun pleegkinderen;

3. de klacht over bovenstaande niet in behandeling wilde nemen.

De ombudsman onderzocht ook het initiatief van de Raad voor de Kinderbescherming om de pleegzorgouders te bezoeken, om hen mee te laten werken om hun pleegdochter mee te delen
dat zij weg moest bij hen.

Op basis van het onderzoek vindt de ombudsman de klacht over BJL niet gegrond. BJL mocht op basis van de evenredigheid de afweging maken om de kinderen zo snel mogelijk, zonder voorbereiding, naar hun nieuwe plek te brengen. Wat betreft de klachtbehandeling had JBL de klacht
dienen te behandelen, ook al was de vorm waarin de klacht was gegoten anders dan gebruikelijk.

De gedraging van de Raad voor de Kinderbescherming vindt de ombudsman behoorlijk. Een kind behoort in het kader van de transparantie tijdig over overheidsingrijpen dat haar betreft te worden geïnformeerd.

Gebruikte behoorlijkheidsvereisten:

- Transparantie; - Evenredigheid; - Behoorlijk overheidsoptreden

Wat is de klacht?

Verzoekers klagen erover dat Bureau Jeugdzorg Limburg:

1. hen op 20 oktober 2016 heeft geprobeerd te overreden om mee te werken om hun pleegdochter mee te delen dat zij weg moest bij hen, terwijl de Rechtbank zich daarover nog niet definitief had uitgesproken;

2. na de beschikking niet met hen heeft overlegd over het moment en de wijze waarop hun pleegkinderen bij hen zouden worden weggehaald.

Daarnaast klagen zij er erover dat Bureau Jeugdzorg Limburg hun klacht over bovenstaande niet in behandeling wilde nemen.

Omdat ook de Raad voor de Kinderbescherming een rol had bij het gesprek van
20 oktober 2016, richt de Nationale ombudsman zijn onderzoek ook op de Raad voor de Kinderbescherming (uit eigen beweging, op grond van artikel 9:26 Awb).

De Nationale ombudsman onderzoekt het initiatief van de Raad voor de Kinderbescherming om verzoekers op 20 oktober 2016 te bezoeken, om hen mee te laten werken om hun pleegdochter mee te delen dat zij weg moest bij hen. Dit terwijl de Rechtbank zich daarover nog niet definitief leek te hebben uitgesproken.

Beschouwing ter inleiding

Achter de klachten die de Nationale ombudsman in deze zaak heeft behandeld, ligt een groot conflict tussen verzoekers als betrokken pleegouders en vooral Bureau Jeugdzorg Limburg (BJL). Daarbij gaat het over wat de beste plek is voor twee jonge, kwetsbare kinderen, die niet bij hun biologische ouders terecht kunnen. Verzoekers denken vanwege de ontstane band met de kinderen en hun lange ervaring als pleegouders, dat de kinderen het best op hun plek zijn bij hen. BJL denkt daar anders over. Uiteindelijk is het de rechter die heeft beslist dat de kinderen naar een andere plek moeten. Het is niet de rol van de Nationale ombudsman om hier een standpunt over in te nemen.

Wat ging er aan de klacht vooraf?

Verzoekers, moeder en dochter, zijn professionele pleegzorgouders. Met (BJL) hebben zij een lange voorgeschiedenis. Vanaf 1996 waren er regelmatig conflicten tussen hen.
Verzoekers hebben Jessica1, geboren in 2008, vanaf september 2013 tot augustus 2015 verzorgd als pleegouders. Zij was daar via een daklozenopvang terecht gekomen. In augustus 2015 is Jessica geplaatst bij haar overgrootouders op Aruba. In juli 2016 is de moeder van Jessica samen met Jessica en haar zusje Caya2, geboren in 2015, teruggekeerd naar Nederland. De moeder had voor de terugkeer de hulp ingeroepen van verzoekers, omdat het volgens haar in Aruba fout ging met de kinderen. Zij verbleven toen alle drie bij verzoekers. Kort daarna is de moeder vertrokken bij het pleeggezin, en bleven de zusjes achter bij verzoekers.

Op 15 juli 2016 heeft de rechtbank beide kinderen voorlopig onder toezicht gesteld van BJL. Op 27 juli 2016 heeft de rechtbank een machtiging uithuisplaatsing, eerst in het netwerkpleeggezin, en aansluitend in een voorziening voor pleegzorg of een accommodatie van een jeugdzorgaanbieder, afgegeven tot 15 oktober 2016 (een zogenoemde trajectmachtiging). Het lukte niet om de meisjes voor die datum uit het netwerkpleeggezin van verzoekers te plaatsen. Op 21 september 2016 heeft de Raad voor de Kinderbescherming (hierna de Raad) de rechtbank verzocht om een ondertoezichtstelling voor de meisjes van een jaar, en om de kinderen uit huis te plaatsen middels een nieuwe trajectmachtiging. Ook werd aangegeven dat er onderzoek zou plaatsvinden naar de noodzaak tot beëindiging van het ouderlijk gezag. In een beschikking van
10 oktober 2016 heeft de rechtbank het verzoek van de Raad ter behandeling verwezen naar de meervoudige kamer op 3 november 2016.

Op 20 oktober 2016 was er een gesprek met drie medewerkers van BJL, drie medewerkers van de Raad, verzoekers, de bestuursvoorzitter van een stichting betrokken bij hun opvang, en hun advocaat, over Jessica en Caya. De Raad wilde onder andere aan Jessica zelf uitleggen waarom de Raad een onderzoek was gestart en waarom de Raad het in haar belang achtte dat zij bij het gezin van verzoekers weg zou gaan. Daar wilden verzoekers echter niet aan meewerken, omdat er op 3 november 2016 nog een rechtszitting zou zijn, waarin een definitieve beslissing over de plaatsing van de kinderen zou worden genomen. Verzoekers waren voor die zitting vooralsnog als belanghebbenden aangemerkt, en wilden ter zitting protesteren tegen de verzochte doorplaatsing.

Tijdens de zitting van 3 november 2016 besliste de rechtbank dat verzoekers niet belanghebbend waren en dat de meisjes overgeplaatst moesten worden naar een andere plek. De dag na die zitting werden de kinderen zonder vooraankondiging weggehaald bij verzoekers door medewerkers van BJL. De één werd uit haar middagslaapje gehaald, en de ander uit school. Er was daarbij politiebegeleiding aanwezig. Verzoekers waren op dat moment nog niet op de hoogte van de uitslag van de zitting, omdat zij als niet-belanghebbenden de zitting niet konden volgen. Sindsdien verblijven de meisjes elders.

Wat was de oorspronkelijke klacht bij BJL?

Verzoekers dienden op 14 december 2016 een klacht in bij BJL, over de gang van zaken rond het weghalen van Jessica en Caya bij hen. Zij verwezen in deze klacht naar een uitgebreide notitie van de bestuursvoorzitter van een stichting, betrokken bij hun opvang, over de gang van zaken.

Welke reactie VAN BJL komt er op de klacht?

Op 7 februari 2017 liet het bestuur van BJL verzoekers weten dat besluiten binnen BJL zorgvuldig worden genomen, dat het handelen van BJZ wordt getoetst door de rechter, en dat er daarom geen aanleiding was voor verder onderzoek. BJL herkende zich niet in het beeld dat in de notitie werd geschetst.

Wat was de oorspronkelijke klacht bij de Raad voor de kinderbescherming?

Voor zover van belang voor deze zaak, klaagden verzoekers erover dat de Raad een gesprek op 20 oktober 2016 wilden aangaan met Jessica, met als doel om haar voor te bereiden op het besluit dat zij in de toekomst niet bij verzoekers zou wonen, terwijl de rechtbank zich daarover nog niet had uitgesproken.

Welke reactie van de Klachtencommissie van de Raad komt er op de klacht?

De klachtencommissie acht de klacht ongegrond. De Raad mocht er, op basis van de al eerder afgegeven trajectmachtiging, vanuit gaan dat er doorgeplaatst zou gaan worden en had de taak Jessica daarover te informeren. De raadsmedewerkers zijn geschoold om met jonge kinderen te praten over hun perspectief en om hen uit te leggen dat het de rechter is die een finaal oordeel velt. Het is daarom niet onbegrijpelijk dat de Raad met verzoekers wilde spreken hoe zij Jessica konden voorbereiden op het vertrek uit het gezin van verzoekers, aldus de klachtencommissie. Overigens betreurde de klachtencommissie het dat de Raad en verzoekers in het gesprek van 20 oktober 2016 onvoldoende openstonden voor elkaars standpunten, ondanks dat allen doordrongen waren van een goede voorbereiding in geval van overplaatsing van Jessica. Los van het verschil van mening over de noodzaak van overplaatsing, konden zij het niet eens worden over de timing daarvan, en over de wijze van voorbereiding. De discussie spitste zich toe op de vraag of Jessica weg moest uit het gezin, en niet op de vraag als ze weg moest, hoe dat dan moest worden voorbereid.

Wat was de aanleiding voor de klacht bij de Nationale ombudsman?

Verzoekers richtten zich tot de Nationale ombudsman, enerzijds om de gang van zaken rond het weghalen van Jessica en Caya door BJL bij hen aan de orde te stellen, en anderzijds om te klagen over de wijze waarop het bestuur van BJL op hun klacht had gereageerd.

Wat heeft de Nationale ombudsman gedaan?

Een medewerker van de Nationale ombudsman heeft de Raad van Bestuur van BJL (hierna BJL) verzocht om alsnog de klacht in behandeling te nemen dan wel door te sturen naar de klachtencommissie. Wanneer het bestuur daar geen reden toe zag, werd verzocht dat te motiveren. Daarbij werd er op gewezen dat in de brief van 14 december 2016 een aantal concrete klachten werden benoemd, zoals de klacht dat BJL de kennelijke samenwerkingsproblemen met verzoekers nooit met hen zelf had besproken, en de klacht over de wijze waarop de pleegkinderen uit het pleeggezin zijn weggehaald.

Hoe reageerde BJL op de interventie van de nationale ombudsman?

De Raad van Bestuur stelde dat de Raad van Bestuur zich had laten informeren door zijn medewerkers en kennis had genomen van de uitspraak van de rechtbank. De Raad van Bestuur was op basis van die informatie ervan overtuigd dat er zorgvuldig was gehandeld en zag daarom geen reden voor verder onderzoek of klachtbehandeling.
Buiten kijf staat dat verzoekers zich altijd vol overgave hebben ontfermd over hun pleegkinderen. De werkrelatie tussen verzoekers en BJL is echter steeds moeizaam geweest, al vanaf de jaren '90. Er was vaak verschil van pedagogisch inzicht, daarover zijn vele gesprekken gevoerd. Meningsverschillen ontstonden met name over de positie van de biologische ouder van pleegkinderen. Doordat hierop herhaaldelijk de samenwerking stuk liep, heeft BJL rond 2005 besloten om geen kinderen meer te plaatsen bij verzoekers. De samenwerkingsproblemen zijn herhaaldelijk onderwerp van gesprek geweest. Wat betreft deze casus was het daarom voor BJL vanaf het begin af aan duidelijk dat de kinderen tijdelijk bij verzoekers zouden verblijven. Verzoekers wensten echter als langdurig pleeggezin te worden aangewezen. Om die reden is de beslissing in volle omvang aan de rechter voorgelegd.
Wat betreft de wijze waarop pleegkinderen worden overgeplaatst vanuit een pleeggezin, hanteert BJL het uitgangspunt dat dit voor de kinderen zo soepel mogelijk en met zo min mogelijk extra spanning moet verlopen. Als wordt voorzien dat een overplaatsing gecompliceerd kan verlopen, omdat bijvoorbeeld pleegouders niet zullen meewerken, wordt ondersteuning gevraagd van de politie. Dat is een uitzondering. BJL had de vrees dat verzoekers de kinderen op een geheime plek wilden onderbrengen. Daarom had de politie geadviseerd om hen niet van te voren te informeren. Die vrees was gebaseerd op eerdere signalen die BJL over verzoekers had gekregen en eerdere ervaringen bij overplaatsingen vanuit verzoekers van zowel BJL als de politie. In een eerder geval had één van verzoekers een kind langdurig ondergebracht op een voor BJL onbekende plek om te voorkomen dat het kind overgeplaatst zou worden.
BJL is niet verder in gegaan op de notitie opgesteld door de bestuursvoorzitter, omdat BJL geen formele relatie daarmee heeft, maar enkel met verzoekers als pleegouders.

Hoe reageerde BJL op de opening van het onderzoek naar de klacht door de Nationale ombudsman?

De Raad van Bestuur vindt dat er geen sprake was van een klacht, maar van een uiting van onvrede, waarbij gevraagd is om een onderzoek. Al eerder heeft BJL laten weten waarom daar geen gehoor aan is gegeven. De door verzoekers opgestuurde notitie was niet door hen opgesteld, en kon daarom niet worden aangemerkt als een klacht.
Verder gaf BJL aan dat de rol van BJL bij het gesprek van 20 oktober 2016 toehoorder en deelnemer was, op uitnodiging van de Raad voor de Kinderbescherming. In eerste instantie was niets met de kinderen besproken omdat dit alleen maar onzekerheid bij de kinderen zou oproepen, zolang niet duidelijk was waar ze naar toe gingen. De kinderen verbleven echter inmiddels te lang bij verzoekers, volgens zowel de Raad als BJL. Moeder zou al iets tegen de kinderen gezegd hebben, en mogelijk hadden verzoekers dat ook gedaan. Van daaruit was het belangrijk dat er in ieder geval duidelijkheid zou komen over de visie van de Raad voor de Kinderbescherming en BJL over de verblijfplaats van de kinderen.
Verder deelde BJL onder andere het volgende mee. Bij de eerdere plaatsing van Jessica bij verzoekers verliep de overplaatsing naar Aruba op een vervelende manier. Omdat verzoekers het niet eens waren met die overplaatsing, moest Jessica per direct weg bij hen. Hierdoor moest Jessica elders opgevangen worden, in plaats van een begeleide overgang naar de nieuwe situatie.
BJL was steeds van mening dat de kinderen elders geplaatst moesten worden en had dat ter toetsing aan de rechtbank voorgelegd.

Hoe reageerden verzoekers op het standpunt van BJL?

Verzoekers stellen dat BJL ook na 2005 nog vele kinderen bij hen heeft geplaatst. Zij kunnen verder niet begrijpen waarom BJL hun brief van 14 december 2016 niet als klacht heeft opgevat. Er stond immers boven "betreft klacht" en ook in de brief zelf staat vermeld dat ze een klacht in willen dienen. De bijgevoegde notitie diende als onderbouwing daarvan. Zij zien het als onwil van BJL om hun klacht te behandelen.
Verzoekers achtten het gelet op de korte tijdsperiode, van 20 oktober tot 3 november 2016, beter dat de zeer kwetsbare Jessica nog iets langer in onzekerheid bleef, dan eerst te horen dat ze weg moest en later misschien toch weer dat ze kon blijven.
Dat Jessica indertijd eerder bij hen wegging had te maken met het feit dat ze het er erg moeilijk mee had, daarom werd die tijd bekort, en dat ze zo nog contact met haar biologische moeder kon hebben voor haar vertrek naar Aruba.
Jessica en Caya hadden in hun belang ook via een andere gecertificeerde instelling, waarmee verzoekers wel samenwerkten, bij hen geplaatst kunnen blijven.
Verzoekers bestrijden dat ze niet samen konden werken en toegang weigerden. Wanneer zij aangaven een bepaalde datum niet te kunnen, werd dat als toegang weigeren gezien door BJL. In het gesprek op 20 oktober 2016 hebben zij aangegeven mee te werken aan overplaatsing, wanneer de rechter daartoe op 3 november zou beslissen.
Doordat verzoekers overrompeld werden op 4 november 2016 lukte het hen inderdaad niet helemaal om rustig het slapende kindje uit haar bedje te halen.

Hoe reageerde de Raad voor de kinderbescherming op de klachtopening door de Nationale ombudsman?

De Raad gaf aan er vanuit te gaan dat de meisjes uit huis zouden worden geplaatst, gelet op de eerdere beschikking van de rechter van 27 juli 2016, maar dat de rechtbank op
3 november 2016 de uiteindelijke beslissing zou nemen. De Raad zag verzoekers niet als perspectief biedend pleeggezin, vanwege de samenwerkingsproblemen tussen verzoekers en BJL en ook tussen verzoekers en de pleegzorgaanbieder.
Het doel van het gesprek op 20 oktober 2016 was om met verzoekers te bespreken waarom de Raad vond dat er met Jessica moest worden gesproken voor de zitting van
3 november, en om te bespreken op welke wijze een gesprek met Jessica kon worden gevoerd. Het was niet de bedoeling om op die datum met Julia zelf te spreken. De Raad heeft als beleid dat de kinderen worden geïnformeerd over de stappen die de Raad neemt en wat dat voor consequenties kan hebben. De medewerkers zijn geschoold om dergelijke gesprekken te voeren. Verzoekers wilden echter niet meewerken om zo'n gesprek plaats te laten vinden. Vanwege de afstemming met BJL was ook BJL uitgenodigd bij het gesprek. De Raad wilde het gesprek voor de zitting laten plaatsvinden, zodat Jessica niet zou worden overvallen door het besluit van de rechter.

Hoe reageerden verzoekers op het standpunt van de Raad?

Verzoekers zijn van mening dat de Raad de zaak zuiver juridisch protocollair afdoet, zonder het belang van de meisjes als uitgangspunt te nemen.

Wat is het oordeel van de Nationale ombudsman?

Wat betreft de rol van BJL bij het initiatief van de Raad voor de Kinderbescherming

Het vereiste van transparantie houdt in dat de overheid open en voorspelbaar is in haar handelen, zodat het voor de burger duidelijk is waarom de overheid bepaalde dingen doet.

Hierna wordt geoordeeld dat de Raad het initiatief mocht nemen om in gesprek te gaan met Jessica over haar waarschijnlijke vertrek. Het meewerken aan dat gesprek door BJL als uitvoerder van de onder toezicht stelling is dan ook in het kader van de transparantie niet onjuist geweest.

De gedraging is op dit punt behoorlijk.

Wat betreft de wijze waarop de kinderen zijn weggehaald bij verzoekers

Het evenredigheidsvereiste houdt in dat de overheid een middel kiest om haar doel te bereiken dat niet onnodig ingrijpt in het leven van de burger en dat in evenredige verhouding staat tot dat doel.

Duidelijk is dat de wijze waarop de kinderen zijn weggehaald, voor hen volkomen onverwacht en onder politiebegeleiding, niet de voorkeur verdient. In beginsel hoort een kind te worden voorbereid op een uithuisplaatsing en dient politie inzet te worden vermeden.3 De vraag is of het te rechtvaardigen is dat BJL in dit geval voor deze handelwijze heeft gekozen.
BJL zegt dat voor deze handelwijze is gekozen, omdat werd voorzien dat verzoekers de kinderen op een geheime plek wilden onderbrengen. Dan wordt ondersteuning gevraagd van de politie. De politie had vanwege die vrees geadviseerd om verzoekers niet van te voren te informeren. De vrees van BJL was gebaseerd op eerdere signalen die BJL over verzoekers had gekregen, en eerdere ervaringen bij overplaatsingen vanuit verzoekers van zowel BJL als de politie. Verzoekers stellen daar tegenover dat zij slechts één keer in een ver verleden een kind tijdelijk op een ander adres hebben ondergebracht en dat zij in het gesprek van 20 oktober 2016 hadden aangegeven dat zij zouden meewerken aan een overplaatsing als de rechter dat had beslist. Dit staat ook vermeld in het verslag van de Raad over dat gesprek.
Wat er zich in het verleden heeft afgespeeld is nu niet meer door de Nationale ombudsman vast te stellen. Wel staat vast dat er sprake was van een groot onderling wantrouwen tussen verzoekers en BJL. In dit geval verbleven de meisjes bij een gezin (verzoekers) dat niet (meer) geschikt bevonden werd als pleeggezin door BJL, en had de rechter eerder een trajectmachtiging afgegeven en nu opnieuw. Belangrijk voor de kinderen was daarom dat zij zo spoedig mogelijk op een nieuwe plek kwamen en daar in rust zich verder konden ontwikkelen. Met het oog daarop deed het handelen van BJL recht aan de belangen van de kinderen. In die context paste, hoe ongelukkig ook, de inzet van politie.

De gedraging is op dit punt behoorlijk.

Wat betreft de klachtbehandeling door BJL

Het is een vereiste van behoorlijk overheidsoptreden dat de overheid ervoor zorgt dat haar medewerkers volgens hun professionele normen werken. De burger mag van hen bijzondere deskundigheid verwachten.

Van een instantie met een overheidstaak mag in dat kader worden verwacht dat zij burgers serieus neemt. Dit betekent dat zij voldoende aandacht moet besteden aan uitingen van ongenoegen van burgers over de wijze waarop zij omgaan met hun belangen, hen behandelen of hen bejegenen. Als bezwaar of beroep niet aan de orde is, biedt het klachtrecht daarvoor de mogelijkheid.

De Nationale ombudsman acht het in dit kader onjuist dat BJL geen contact met verzoekers heeft opgenomen over hun ongenoegen, en met hen heeft afgestemd over de afhandeling daarvan. Dat de toelichting bij hun klacht deels niet klachtwaardig was, niet was opgesteld door hen zelf, en dat er gevraagd werd om een onderzoek, was juist reden te meer om afstemming te zoeken over de bedoeling van verzoekers. Nu het verzoekers wens was om de zaak als een klacht af te handelen, had BJL daar gehoor aan moeten geven.

De gedraging is op dit punt niet behoorlijk.

Wat betreft het initiatief van de Raad voor de Kinderbescherming

Het vereiste van transparantie houdt in dat de overheid open en voorspelbaar is in haar handelen, zodat het voor de burger duidelijk is waarom de overheid bepaalde dingen doet.

De Raad nam het initiatief om verzoekers op 20 oktober 2016 te bezoeken, om hen mee te laten werken om Jessica voor
3 november 2016 te vertellen dat zij volgens de Raad weg moest bij hen. Dit terwijl de Rechtbank zich daarover nog niet definitief had uitgesproken. Dit wilde de Raad, om te voorkomen dat Jessica zou worden overvallen met dit besluit. Er was in feite al te lang mee gewacht, volgens de Raad. Verzoekers begrijpen niet waarom er niet kon worden gewacht tot na de zitting, ook omdat ze hadden aangegeven dan hun medewerking te zullen verlenen.

De Nationale ombudsman concludeert dat het nog niet voor 100% zeker was, dat de kinderen weg moesten bij verzoekers, maar dat dit gelet op de eerdere uitspraken en de visie van de Raad en BJL wel zeer waarschijnlijk was. Verzoekers vonden niet dat Jessica nog voor de zitting zou moeten worden ingelicht, omdat dit zou kunnen betekenen dat er later weer op terug zou moeten worden gekomen. Voor beide visies valt iets te zeggen. De Nationale ombudsman spreekt zich er niet over uit welke visie het beste is, maar of de visie van de Raad in het kader van transparantie acceptabel is. Hoewel de timing van de Raad ongelukkig is te noemen, er had immers al eerder contact kunnen worden gezocht, acht de Nationale ombudsman het niet onjuist dat de Raad vanuit zijn rol Jessica wilde voorbereiden op een waarschijnlijk vertrek bij verzoekers. Dit ook vanuit het perspectief van Jessica. Een kind heeft recht op informatie en het recht om gehoord te worden over alles wat het raakt. In dit geval was Jessica acht jaar oud en was het aannemelijk dat zij overgeplaatst zou gaan worden. Om er voor te zorgen dat zij zich daar eventueel op kon voorbereiden, en om rekening te kunnen houden met eventuele wensen van haar rond haar vertrek, was het goed geweest als zij tijdig was geïnformeerd door de Raad en is de beslissing van de Raad om op 20 oktober met elkaar in gesprek te gaan over de vraag hoe en wanneer dat moest gebeuren terecht.

De onderzochte gedraging is op dit punt behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van het Bureau Jeugdzorg Limburg is niet gegrond, behalve wat betreft de klachtbehandeling.
Wat betreft de klachtbehandeling is de klacht gegrond, wegens strijd met het vereiste van behoorlijk overheidsoptreden.

De onderzochte gedraging van de Raad voor de Kinderbescherming is behoorlijk.

De Nationale Ombudsman

Reinier van Zutphen

Notes

[←1]

Vanwege de privacy gefingeerde naam

[←2]

Ook een gefingeerde naam

[←3]

Zie het rapport van de Kinderombudsman KOM006/2015, waarin de Kinderombudsman een aantal normen formuleerde die bij de feitelijke uithuisplaatsing in acht moeten worden genomen.

Publicatiedatum
Rapportnummer
2018/012