2017/068 Politie Oost-Nederland neemt onterecht foto's en vingerafdrukken af om identiteit vast te stellen

Een hardlopende man wordt aangesproken door de politie omdat hij gevaarlijk verkeersgedrag vertoont. Hij kan geen geldig ID-bewijs tonen en wordt aangehouden en meegenomen naar het politie. De politie maakt foto's van de man en neemt vingerafdrukken af. De Nationale ombudsman vindt dat de man terecht is aangehouden omdat hij geen geldig ID-bewijs kon tonen. De klachten over het fotografen en de vingerafdrukken zijn gegrond. De ombudsman vindt het niet redelijk en passend om op deze manier de identiteit vast te stellen.

Instantie: politiechef regionale eenheid Oost-Nederland

Klacht:

vorderen ID-bewijs en aanhouding

Oordeel: niet gegrond

Instantie: politiechef regionale eenheid Oost-Nederland

Klacht:

fotograferen en vingerafdrukken afnemen

Oordeel: gegrond

Instantie: politiechef regionale eenheid Oost-Nederland

Klacht:

intakegesprek en verslaglegging

Oordeel: niet gegrond

Instantie: politiechef regionale eenheid Oost-Nederland

Klacht:

wijze waarop de politie en de klachtencommissie verzoekers klacht hebben afgehandeld

Oordeel: niet gegrond

Een motoragent ziet een hardloper door het langzaam rijdend en stilstaand verkeer rennen terwijl hij voor het stoplicht van een kruising staat. Hij wil de hardloper aanspreken op zijn, in zijn ogen, gevaarlijke verkeersgedrag. De motoragent houdt de hardloper staande. Hij besluit de hardloper te verbaliseren omdat hij de indruk heeft dat de hardloper geen boodschap heeft aan zijn vermanende woorden. Om zijn identiteit te verifiëren vraagt de motoragent om het ID-bewijs van de hardloper. De hardloper kan alleen een pasje van zijn fitnesschool overleggen. De motoragent besluit vervolgens de hardloper aan te houden vanwege het niet kunnen tonen van een geldig ID-bewijs. Bij aankomst op het politiebureau maakt de politie foto's van de hardloper en worden zijn vingerafdrukken afgenomen.

De hardloper dient een klacht in bij de politiechef.

De Nationale ombudsman stelt zich op het standpunt dat het vorderen van het ID-bewijs van de hardloper noodzakelijk was. Om een bekeuring uit te schrijven is verificatie van de opgegeven NAW gegevens aan de hand van het Burgerservicenummer nodig. Het overleggen van een fitnespasje volstond niet. De motoragent had vanwege een storing op zijn BlackBerry geen mogelijkheid om de NAW gegevens op een andere manier te checken. De hardloper kon niet voldoen aan de vordering om een geldig ID te overleggen. De motoragent had geen andere keuze om tot aanhouding over te gaan. De Nationale ombudsman vindt dat de motoragent in overeenstemming met het vereiste van professionaliteit heeft gehandeld. De klacht is op dit punt niet gegrond.

Het fotograferen en afnemen van vingerafdrukken acht de Nationale ombudsman niet redelijk en passend. De politie handelde in strijd met het evenredigheidsvereiste door zondermeer over te gaan op deze ingrijpende manier om de identiteit vast stellen. De klacht over het fotograferen en het afnemen van vingerafdrukken is gegrond.

De klachten over de overige onderzochte gedragingen van de politiechef van de regionale eenheid Oost-Nederland zijn niet gegrond:

- ten aanzien van de wijze waarop het intakegesprek en de verslaglegging tijdens de klachtbehandeling zijn verlopen;
- ten aanzien van het verzuim om klager te laten reageren op de afgelegde verklaring van de betrokken politieambtenaar.

De behoorlijkheidsnormen van fair play en fatsoenlijke bejegening zijn niet geschonden.

Kader

Wanneer een politieambtenaar in het kader van de handhaving van de Wet administratiefrechtelijk handhaving verkeersvoorschriften (hierna: Wahv) een bekeuring uitschrijft dan kan hij op grond van artikel 5:16 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) inlichtingen van de overtreder vorderen. Uit de Memorie van Toelichting bij de Wahv (MvT) blijkt dat een politieambtenaar in dat geval de betreffende persoon kan vorderen om zijn naam, voornamen, geboortedatum, geboortejaar, geboorteplaats en adres op te geven. De overtreder is vervolgens verplicht om deze informatie aan de toezichthouder te verstrekken. De opgave van deze gegevens is volgens de MvT " nodig voor een snelle en effectieve afhandeling van de zaak. Dit laatste is geen doel op zichzelf, maar dient uiteindelijk een zo optimaal mogelijke handhaving van verkeersvoorschriften. Een gebrekkige handhaving zal er uiteindelijk toe leiden dat de verkeersdeelnemers het belang van de gegeven voorschriften steeds minder gaan inzien. "Het vorderen van die inlichtingen op basis van artikel 5:13 Awb dient wel ‘redelijkerwijs nodig te zijn voor de vervulling van de taak van de toezichthouder'.

In de Wet op de identificatieplicht is de verplichting opgenomen tot het kunnen tonen van een identiteitsbewijs. Dit geldt voor elke burger van veertien jaar en ouder. Een belangrijke beperking is opgenomen in artikel 8 Politiewet 2012. De vordering mag alleen worden gedaan voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitoefening van de politietaak, hetgeen verder is uitgewerkt in een richtlijn opgesteld door het College van procureurs-generaal. De Nationale ombudsman heeft eerder rapporten uitgebracht over situaties waarbij burgers staande worden gehouden en er wordt gevraagd zich te identificeren (zie onder meer de rapporten 2011/046, 2014/038, 2015/072 en 2016/029). Niet elke gedraging van een burger of onderbuikgevoel van een opsporingsambtenaar daarbij is voldoende is om naar een identiteitsbewijs te vragen. Telkens moet de afweging worden gemaakt of er voldoende objectieve feiten en omstandigheden aanwezig zijn die een dergelijke vordering kunnen rechtvaardigen.

Wat is er gebeurd?

Op 4 mei 2015 rond 16.45 uur stond motoragent P. met zijn opvallende surveillance motor voor een stoplicht op de A-weg, kruising B-laan in D te wachten. Hij zag dat een hardloper op de rijbaan langs het stilstaande verkeer liep en de kruising overstak. Op het moment dat het tegemoetkomend verkeer ging rijden liep deze hardloper, zijnde verzoeker, tussen het rijdende en stilstaande verkeer door. Nadat de hardloper weer op het voetpad liep is de motoragent het voetpad opgereden met de bedoeling de hardloper aan te spreken op zijn verkeersgedrag. De mededeling om te stoppen werd in eerste instantie genegeerd. Vervolgens werd de hardloper door de motoragent klemgereden. Het gesprek dat volgde verliep onaangenaam. De motoragent noemde de verzoeker op enig moment "een vervelende poepzak".

Een opmerking van verzoeker strekkende dat hij het de volgende keer weer zou doen, was voor de motoragent aanleiding om hem te verbaliseren wegens gevaarlijk verkeersgedrag. Omdat de motoragent de identiteit van verzoeker niet kon vaststellen vroeg hij hem naar een identiteitsbewijs. Verzoeker kon geen geldig identiteitsbewijs tonen. Hij werd vervolgens aangehouden wegens het niet in bezit hebben van een ID-bewijs en meegenomen naar het politiebureau. Verzoeker kon zich niet verenigen met de wijze waarop hij werd bejegend en de gevolgde gang van zaken en diende bij de politie een klacht in.

Interne klachtbehandeling politie

De politie eenheid Oost-Nederland behandelde de klacht van verzoeker. De politieklachtencommissie van de eenheid (hierna: de klachtencommissie) adviseerde de politiechef om de klacht van verzoeker gegrond te verklaren voor wat betreft de opmerking "vervelende poepzak". De klachtencommissie adviseerde de klachtonderdelen over de disproportionele inzet van bevoegdheden en het maken van foto's en afnemen van vingerafdrukken ongegrond te verklaren. De klachtencommissie overwoog dat de staande houding en daarmee de vordering van het identiteitsbewijs rechtmatig was. Immers, verzoeker kon geen identiteitsbewijs tonen en maakte zich hiermee schuldig aan overtreding van artikel 447e Wetboek van Strafrecht. De commissie achtte de aanhouding in het verlengde liggen van hetgeen dat voorafgaand aan de aanhouding plaatsvond en vond dan ook dat er geen sprake was van disproportioneel optreden. Ook het fotograferen en het afnemen van vingerafdrukken teneinde de identiteit van verzoeker vast te kunnen stellen vond de commissie niet onjuist.

De politiechef van de eenheid Oost-Nederland (hierna: de politiechef) nam het advies van de commissie over. Hij deelde de zienswijze van de commissie ten aanzien van de door de motoragent gemaakte opmerking jegens verzoeker en bood hiervoor excuses aan.

Uit de klachtbehandeling komt naar voren dat de motoragent aanvankelijk niet de intentie had om verzoeker te verbaliseren, maar hem slechts wilde aanspreken op zijn gevaarlijke verkeersgedrag. Gedurende het gesprek ontstond volgens de motoragent wederzijdse irritatie over elkaars houding en gedrag. Dit was voor hem aanleiding om nog op het politiebureau met verzoeker in gesprek te gaan. Zowel verzoeker als de motoragent keken op een positieve manier terug op het verloop van het gesprek op het politiebureau. Verzoeker zette zijn klacht door. Hij kon zich niet vinden in de beslissing van de politiechef en wendde zich tot de Nationale ombudsman. Hij verzocht de Nationale ombudsman een onderzoek naar zijn klacht in te stellen.

Klacht

Verzoeker klaagt erover dat een politieambtenaar van de eenheid Oost-Nederland ten onrechte zijn identiteitsbewijs heeft gevorderd en vervolgens is overgegaan tot zijn aanhouding.

Om de identiteit van verzoeker vast te stellen werden op het politiebureau foto’s van hem gemaakt en vingerafdrukken afgenomen. Verzoeker vindt deze gang van zaken buitenproportioneel.

Verder klaagt verzoeker over de wijze waarop de politie en de klachtencommissie zijn klacht hebben afgehandeld.

Hij klaagt er met name over dat:

- de kwaliteit van het intakegesprek met de klachtbehandelaar en de verslaglegging van het gesprek ondermaats was;
- de klachtencommissie hem niet in de gelegenheid heeft gesteld om te reageren op de afgelegde verklaring door de beklaagde ambtenaar.

Bevindingen

Standpunt verzoeker

Verzoeker bracht naar voren dat, wat hem betreft, de kern van de zaak erop neer komt dat de aangeklaagde politieambtenaar zich kennelijk geprovoceerd voelde en om die reden is overgegaan tot het vorderen van zijn identiteitsbewijs. Verzoeker acht dit in de gegeven situatie onrechtmatig. Zelfs als het rechtmatig zou zijn, was het volgens verzoeker niet opportuun om tot aanhouding over te gaan. Het ging om een eenvoudige verkeersovertreding en er was geen reden om aan de juistheid van zijn informatie te twijfelen, aldus verzoeker. Verzoeker had op het moment van zijn staande houding alleen het pasje van zijn fitness club bij zich. Hij stelt dat de beklaagde politieambtenaar het telefoonnummer van de fitnessclub had kunnen bellen om zijn NAW gegevens te controleren. Verder stelt verzoeker dat de beklaagde politieambtenaar slechts door zijn emoties gedreven, machtsmiddelen is gaan inzetten, zelfs tot en met de insluiting op het politiebureau. In reactie op het verslag van bevindingen voegt verzoeker toe dat hij zich gedurende het gesprek formeel en zakelijk heeft opgesteld en de motoragent beleefd te woord heeft gestaan. Ook gaf de motoragent telkens een andere lezing van de reden waarom hij staande werd gehouden. Volgens verzoeker is de motoragent tot aanhouding overgegaan nadat hij, naar eigen zeggen "op discrete wijze" zijn neus had geleegd. Verzoeker trekt verder in twijfel of de BlackBerry van de motoragent was uitgevallen omdat hij wel om zijn initialen werd gevraagd. Verzoeker stelt ook dat hij na het overhandigen van zijn fitnesspasje nog de suggesties heeft gedaan om de fitnessschool te bellen of er naartoe te lopen. De motoragent is hier niet op ingegaan, aldus verzoeker.

Na aankomst op het politiebureau heeft de politie verzoeker niets gevraagd. Hij is overgedragen aan een drietal agenten. Verzoeker heeft zelf wel vragen gesteld over wat het vervolg zou zijn. Hij kreeg daarop het antwoord dat zij daarover niets wisten of konden zeggen en dat zij gewoon uitvoerden wat de standaardprocedure is. Vervolgens werden er foto's en vingerafdrukken genomen, aldus verzoeker

Het gesprek dat de klachtbehandelaar van de politie met verzoeker voerde in het kader van zijn klachtbehandeling, alsmede het verslag dat is opgemaakt van dit gesprek vond verzoeker van ondermaats niveau. Hij stelde dat hij veel correcties en aanpassingen moest verrichten om de klacht klip en klaar te presenteren.

Tijdens de behandeling door de klachtencommissie was de aangeklaagde politieambtenaar wegens ziekte niet aanwezig. Er was door hem wel een schriftelijke verklaring afgelegd, maar daar heeft verzoeker de politieambtenaar niet over kunnen bevragen. De klachtencommissie heeft de politieambtenaar vervolgens op 10 december 2015 alsnog gehoord buiten aanwezigheid van verzoeker. Verzoeker betreurde het dat hij niet heeft kunnen reageren op die afgelegde verklaring.

Standpunt politiechef

Aanhouding

De politiechef liet in zijn reactie op het onderzoek van de Nationale ombudsman weten de klacht nog steeds ongegrond te achten. De politiechef voerde hiertoe aan dat het de bedoeling van de motoragent was om verzoeker aan te spreken op zijn gevaarlijke verkeersgedrag. De motoragent heeft op enig moment besloten om verzoeker te bekeuren. In dat kader was het nodig om de identiteitsgegevens te controleren. De motoragent heeft om de identiteit van verzoeker vast te stellen gevraagd om zijn
ID-bewijs. Verzoeker is volgens de politiechef dan ook niet ten onrechte gevraagd om zijn ID-bewijs te overleggen. Nu verzoeker geen ID-bewijs kon overhandigen kon de motoragent verzoeker terecht aanhouden.

Het afnemen van vingerafdrukken en foto's nemen
In zijn reactie over dit klachtonderdeel stelde de politiechef dat de officier van justitie, dan wel de hulpofficier van justitie op grond van artikel 55 lid c van het Wetboek van Strafvordering kan bevelen dat van degene over wiens identiteit twijfel bestaat, een of meer foto's en vingerafdrukken kunnen worden genomen. Op het moment dat verzoeker naar het politiebureau werd overgebracht bestond twijfel over zijn identiteit. De politiechef zag dan ook niet in dat het afnemen van vingerafdrukken en het nemen van foto's in dit geval als disproportioneel dient te worden beschouwd. In het kader van het onderzoek door de Nationale ombudsman zijn aanvullende vragen gesteld over het doel van het afnemen van vingerafdrukken en foto's. De politiechef heeft de ombudsman in reactie hierop laten weten dat de vingerafdrukken en foto's van verzoeker waren afgenomen omdat hij als verdachte van overtreding van artikel 447 e van het Wetboek van Strafrecht was aangemerkt: het niet kunnen tonen van een geldig ID-bewijs. Over de afname vindt geen overleg plaats met de hulpofficier van justitie omdat het de gebruikelijke procedure is in dit soort situaties. Verzoeker was niet eerder bekend bij de politie en stond ook niet geregistreerd in de politieregisters. Het was dan ook niet mogelijk om op deze wijze de identiteit van verzoeker vast te stellen. De politiechef kwam daarmee terug op de eerdere mededeling dat medewerkers van Arrestantenzorg de identiteit van verzoeker te hebben vastgesteld door hem te fotograferen en zijn vingerafdrukken af te nemen is.

Geen wederhoor mogelijk op de verklaring van de beklaagde ambtenaar
De politiechef heeft de voorzitter van de klachtencommissie gevraagd te reageren op het klachtonderdeel over de behandeling van de klacht van verzoeker door de commissie. De politiechef merkt op dat de eenheidsleiding geen oordeel kan geven over de handelwijze van de onafhankelijke klachtencommissie van de politie Oost Nederland.

De voorzitter constateerde dat tijdens de hoorzitting op 10 september 2015 de betrokken politiemedewerker niet was verschenen omdat hij ziek was. Verzoeker is tijdens die hoorzitting in de gelegenheid gesteld om zijn klacht nader toe te lichten.

Op 10 december 2015 kon de klachtbehandeling worden voortgezet. Die dag is de betrokken politieambtenaar voor de commissie verschenen en heeft een verklaring afgelegd. De klachtencommissie heeft geconstateerd dat de verklaring van de politieambtenaar geen wezenlijke nieuwe gezichtspunten in zich had, afgezet tegen de schriftelijke informatie welke reeds in het dossier was opgenomen. De voorzitter gaf aan dat, gelet op een zo voortvarend mogelijke afdoeningssnelheid, de commissie die dag heeft besloten om - na afloop van de hoorzitting – mondeling te beraadslagen en het uit te brengen advies vast te stellen. Het advies is later op schrift gesteld door de secretaris van de klachtencommissie van 10 december 2015 en door de voorzitter ondertekend. De voorzitter erkende dat het zorgvuldiger was geweest wanneer de overweging van de klachtencommissie (na het horen van de motoragent) in het uitgebrachte advies van 10 december 2015 opgenomen was geweest. Hij stelt vast dat dit helaas niet is niet gebeurd. De voorzitter benadrukt dat het uiteraard niet de intentie van de klachtencommissie is geweest om verzoeker door haar handelwijze en besluitvorming op 10 december 2015 in een nadeliger positie te brengen. Naar de overtuiging van de hoorcommissie is dit ook niet het geval is geweest.

Klachtbehandeling
De politiechef stelde zich op het standpunt dat de klachtbehandelaar tijdens het intakegesprek alle zorgvuldigheid in acht genomen heeft. Het concept verslag van het gesprek is aan verzoeker gestuurd met het verzoek eventuele onjuistheden te verbeteren Er waren enige taal-technische opmerkingen gemaakt maar er is geen commentaar geleverd op de inhoudelijke beschrijving, aldus de klachtbehandelaar van de politie.

Verklaring politieambtenaar P.
Op 31 oktober 2016 is de betrokken motoragent in de gelegenheid gesteld om een reactie te geven op het klachtonderdeel over het ten onrechte vorderen van het ID-bewijs van verzoeker en het overgaan tot de aanhouding.

Over het staande houden verklaarde hij dat hij de indruk had dat verzoeker opzettelijk geen gevolg wilde geven aan zijn mededeling om te stoppen. Bij het aanspreken over zijn gevaarlijke rijgedrag merkte hij aan de reactie van verzoeker en de manier waarop hij non-verbaal reageerde, dat zijn waarschuwing geen enkele indruk maakte. Hij erkende dat hij geïrriteerd was door dit gedrag maar niet opgewonden, zoals verzoeker heeft aangegeven. Hij wijst erop dat zijn handen mogelijk trilden, maar dat dit het gevolg is van een schouderblessure waardoor het voor hem extra belastend was om met een zware motor te manoeuvreren.

De motoragent gaf verder aan dat het zijn voornemen was om verzoeker aan te spreken op zijn gevaarlijke gedrag. Uit de manier waarop hij reageerde leidde hij echter af dat zijn boodschap niet aan kwam. De motoragent meende dat verzoeker ook letterlijk tegen hem zei: "de volgende keer doe ik het weer". Met deze opmerking en zijn complete houding gaf verzoeker volgens de betrokken motoragent de boodschap af dat het hem niets uitmaakte. Vanwege de reactie op zijn aanspreken besloot hij over te gaan tot het verbaliseren van verzoeker.

Over het vorderen van het ID-bewijs verklaarde de motoragent dat hij voldoende reden had om zijn ID-bewijs te vorderen. De opstelling van verzoeker gaf hem echter geen vertrouwen dat de opgegeven NAW-gegevens juist waren. Vanwege een storing op zijn BlackBerry kon hij de opgegeven NAW-gegevens niet checken. Hij verklaarde dat als hij de NAW-gegevens had kunnen verifiëren hij de bekeuring had aangezegd en verzoeker zijn weg had laten vervolgen. De motoragent besloot verzoeker vervolgens aan te houden op grond van de Wet ID.

Verder verbaasde de motoragent zich erover dat verzoeker wel een fitnesspasje zonder persoonsgegevens bij zich droeg maar geen ID-bewijs. De motoragent vond dat onverantwoord. Als verzoeker iets zou overkomen hadden de politie en ambulancediensten geen aanknopingspunten om familieleden te bereiken. Naar aanleiding van de opmerking van verzoeker dat er jonge kinderen alleen thuis waren is de motoragent nagegaan hoe oud de kinderen waren en heeft hij de afweging gemaakt of de aanhouding niet tot onwenselijke situaties voor de kinderen zou leiden. Hij vond dat niet het geval.

Over de afhandeling op het politiebureau verklaarde hij dat hij na aankomst op het politiebureau het initiatief heeft genomen voor een gesprek met verzoeker. Hij zei dit wel vaker te doen als een aanhouding met de nodige emoties gepaard gaat. Hij wil dan voor zichzelf weten waarom de emoties zo hoog worden en of hij hier wat in kan veranderen.

Het gesprek verliep goed volgens de motoragent. Over en weer is uitgesproken waar de irritatie vandaan kwam. Hij herinnerde zich dat zij elkaar na afloop de hand hebben geschud. Hij is er achteraf verbaasd over dat verzoeker alsnog een klacht heeft ingediend.

Verklaring van de klachtbehandelaar van de politie
In het kader van het onderzoek is de behandelend klachtbehandelaar van de politie verzocht om te reageren op het klachtonderdeel met betrekking tot de kwaliteit van het gespreksverslag en het verloop van het intakegesprek.

Op 4 oktober 2016 verklaarde de klachtbehandelaar over het verloop van het intakegesprek dat hij vanwege de achtergrond van verzoeker (hij is jurist) tijdens het intakegesprek het klachtproces zo zorgvuldig mogelijk heeft uitgelegd. Om die reden had hij afgesproken om bij verzoeker thuis de klacht te bespreken. Hij heeft verzoeker in de gelegenheid gesteld om verslag te doen van de gebeurtenissen zoals hij die heeft ervaren. Gedurende het gesprek heeft verzoeker volgens de klachtbehandelaar geen opmerkingen gemaakt of er anderszins blijk van gegeven dat hij kritiek had op het verloop van het gesprek.

Over het gespreksverslag verklaarde de klachtbehandelaar dat hij de e-mail met de reactie van verzoeker op het verslag van het gesprek bewaard heeft. Het commentaar van verzoeker had betrekking op taal technische aspecten van het verslag zoals het woordgebruik en de stijl. Er is geen commentaar geleverd op de inhoud van de weergave van het gesprek, aldus de klachtbehandelaar.

Overige bevindingen
In het kader van het onderzoek heeft de Nationale ombudsman een exemplaar van het concept gespreksverslag en een exemplaar van de definitieve versie bij de politie opgevraagd en met elkaar vergeleken. Daaruit blijkt dat bijvoorbeeld de beschrijving van de behandeling door de motoragent in het concept als "geminacht en respectloos" is beschreven. In het origineel is de formulering "geïntimideerd en bedreigd". Bij de beschrijving van de klachtelementen staat in de definitieve versie een toelichting op de wens van verzoeker om persoonlijke genoegdoening en eerherstel.

Tot zover de bevindingen

Beoordeling

Vorderen ID-bewijs en aanhouding
Het vereiste van professionaliteit houdt in dat de overheid er voor zorgt dat haar medewerkers volgens hun professionele normen werken. De burger mag van hen bijzondere deskundigheid verwachten.

Uit het onderzoek is komen vast te staan dat verzoeker tijdens het hardlopen zich gevaarlijk gedroeg in het verkeer. Een motoragent sprak hem daar op aan. Verzoeker gaf er blijk van dat de boodschap niet aankwam. Daarop besloot de motoragent verzoeker te verbaliseren en vorderde zijn ID-bewijs. Verzoeker had dit niet bij zich.
De politie is bevoegd om, na het constateren van een overtreding in het kader van de Wet Administratieve Handhaving Verkeersvoorschriften (WAHV), de NAW-gegevens van een overtreder te vragen. De overtreder is verplicht om aan deze vordering gevolg te geven (zie kader). In dit geval was het, vanwege een technische storing op de BlackBerry van de agent, niet mogelijk om de opgegeven gegevens te verifiëren. Doorslaggevend voor het kunnen verifiëren van NAW-gegevens is het kunnen overleggen van een Burgerservicenummer. De verplichting om een ID-bewijs te tonen geldt voor iedereen vanaf 14 jaar. Elk ID- bewijs bevat een Burgerservicenummer. Verzoeker was slechts in het bezit van een pasje van zijn fitnessclub. De Nationale ombudsman heeft op basis van een kopie vastgesteld dat dit pasje geen pasfoto, adres of Burgerservicenummer bevat. De politie kan alleen aan de hand van het Burgerservicenummer in de daartoe bestemde systemen, zoals de BRP, het adres achterhalen. Het vorderen van het ID-bewijs acht de Nationale ombudsman in deze situatie behoorlijk. Omdat verzoeker geen ID-bewijs kon tonen en ook omdat de motoragent - gelet op het moeizame gesprek dat kort daarvoor tussen hen beiden had plaatsgevonden - er geen vertrouwen in had dat de door verzoeker opgegeven identiteitsgegevens juist waren, werd hij vervolgens aangehouden wegens overtreding van artikel 447 e van het Wetboek van Strafrecht en overgebracht naar het politiebureau. De keuze van de agent was op dat moment begrijpelijk. De Nationale ombudsman is dan ook van oordeel dat het aanhouden en overbrengen van verzoeker naar het politiebureau een middel was dat in evenredige verhouding stond tot het doel: het achterhalen van de identiteitsgegevens van verzoeker. Door na de aanhouding het initiatief te nemen om met verzoeker in gesprek te gaan gaf de politieambtenaar blijk van zelfreflectie en het vermogen te de-escaleren. De betrokken politieambtenaar heeft niet in strijd met het behoorlijkheidsvereiste van professionaliteit gehandeld.

De gedraging is op dit punt behoorlijk.

Fotograferen en vingerafdrukken afnemen
Het evenredigheidsvereiste houdt in dat de overheid een middel kiest om haar doel te bereiken dat niet onnodig ingrijpt in het leven van de burger en dat in evenredige verhouding staat tot dat doel.

Op grond van het onderzoek stelt de Nationale ombudsman vast dat de politiechef tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over de reden om bij verzoeker vingerafdrukken af te nemen en hem te fotograferen. Ook constateert de Nationale ombudsman dat de betrokken politieambtenaren zich niet hebben afgevraagd of de toegepaste procedure in dit geval redelijk en passend was. Gelet op de aard van het feit zoals in de bevindingen beschreven en de persoon van verdachte had het in de rede gelegen om eerst een voor verzoeker minder bezwarende manier te kiezen om zijn identiteit te verifiëren. De Nationale ombudsman ziet niet in waarom verzoeker niet bijvoorbeeld eerst een familielid of vriend mocht vragen om zijn ID-bewijs naar het politiebureau te brengen. Om die reden acht de ombudsman het toegepaste middel niet in verhouding staan met het doel. Door bij verzoeker vingerafdrukken af te nemen en hem te fotograferen teneinde zijn identiteit vast te stellen is er in strijd met het evenredigheidsvereiste gehandeld.

De gedraging is op dit punt niet behoorlijk

Intakegesprek en verslaglegging
Het behoorlijkheidsvereiste van goede informatieverstrekking houdt in dat de overheid ervoor zorgt dat de burger de juiste informatie krijgt en dat deze informatie klopt en volledig en duidelijk is.
Het is een vereiste van behoorlijk overheidsoptreden dat de overheid de burger respecteert, hem fatsoenlijk behandelt en hulpvaardig is.

Uit het onderzoek is niet gebleken dat verzoeker tijdens of na het intakegesprek zijn onvrede over het verloop van het gesprek duidelijk kenbaar heeft gemaakt. Evenmin is duidelijk geworden wat er precies schortte aan de wijze waarop het gesprek met verzoeker is verlopen. De klachtbehandelaar heeft zich zorgvuldig voorbereid op het gesprek. Hij deed dat naar zijn zeggen omdat hij er rekening mee hield dat verzoeker vanwege zijn achtergrond als jurist meer inhoudelijke vragen kon stellen. Om die reden heeft hij voorgesteld om het gesprek bij verzoeker thuis te laten plaatsvinden. De aanpak en beschrijving over het verloop van het gesprek acht de Nationale ombudsman in overeenstemming met hetgeen een burger mag verwachten van een eerste gesprek met een klachtbehandelaar van de politie.

Zo constateert de ombudsman ook dat de verslaglegging op zorgvuldige wijze is geschied en er oog was voor de door verzoeker ingebrachte kritiek. Bij het vergelijken van het concept gespreksverslag met de definitieve versie blijkt dat de uiteindelijke versie van het verslag op diverse punten immers is aangepast. De ombudsman onderschrijft het belang van correct taalgebruik maar stelt na de vergelijking van de teksten in beide versies van de gespreksverslagen vast dat er geen aanwijzingen zijn voor ernstige taalfouten en/of een verkeerde weergave van hetgeen is verklaard. De door verzoeker voorgestelde aanvullingen en andere formuleringen lijken vrijwel letterlijk door de klachtbehandelaar te zijn overgenomen. In die zin was de klachthandelaar hulpvaardig en nam hij verzoeker serieus. De Nationale ombudsman acht de wijze waarop de klacht is behandeld door de klachtbehandelaar op dit punt behoorlijk.

Klachtencommissie
De overheid hoort de burger de mogelijkheid te geven om zijn procedurele kansen te benutten en zorgt daarbij voor een eerlijke gang van zaken.

De voorzitter van de klachtencommissie erkende in zijn reactie op de klacht dat verzoeker niet in de gelegenheid is gesteld om te reageren op de door de beklaagde politieambtenaar afgelegde verklaring en dat het beter was geweest om de verklaring in het uitgebrachte advies van 10 december 2015 op te nemen.

De voorzitter benadrukte dat de commissie ervan overtuigd was dat verzoeker niet in een nadeliger positie is gebracht. De verklaring bevatte geen nieuwe feiten. In het kader van een behoorlijke klachtbehandeling had verzoeker in principe in de gelegenheid gesteld moeten worden om van de verklaring van de beklaagde ambtenaar kennis te nemen en daar nog op te reageren. De Nationale ombudsman onderkent het belang van voortvarendheid en tijdigheid, maar dat mag niet ten koste gaan van de zorgvuldigheid in de behandeling van klachten. Echter, niet kan worden gezegd dat het niet kunnen reageren op de verklaring van de motoragent, die grotendeels gelijkluidend was als zijn vorige verklaring, zodanig heeft uitgepakt dat geconcludeerd moet worden dat in strijd is gehandeld met het vereiste van fair play.

De gedraging is op dit punt behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van de politiechef van de regionale eenheid Oost-Nederland is gegrond ten aanzien van:
Het fotograferen en afnemen van vingerafdrukken wegens het in strijd handelen met het evenredigheidsvereiste niet gegrond ten aanzien van:

- het vorderen het ID-bewijs en de aanhouding
- intakegesprek en verslaglegging

De klacht over de klachtencommissie voor de politie Oost-Nederland is niet gegrond.

De Nationale ombudsman,

 

Reinier van Zutphen


ACHTERGROND/BIJLAGEN

II. Artikel 2 Wet op de identificatieplicht

"Een ieder die de leeftijd van veertien jaar heeft bereikt, is verplicht op de eerste vordering van een ambtenaar als bedoeld in artikel 8 van de Politiewet 2012 of artikel 6a van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten, een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 ter inzage aan te bieden."

III. Artikel 8 Politiewet

"Een ambtenaar van politie aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, is bevoegd

tot het vorderen van inzage van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht van personen, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitoefening van de politietaak."

IV. Aanwijzing uitbreiding identificatieplicht (van 14 december 2009) van het College van Procureur-generaal

"2.1. Situaties waarin uitoefening van de controlebevoegdheid aangewezen kan zijn

Tijdens de parlementaire behandeling van de Wet op de uitgebreide identificatieplicht is benadrukt dat de bevoegdheid van de ambtenaar van politie, zoals verwoord in het nieuwe artikel 8a van de Politiewet 1993 of artikel 5:16a Awb, alleen mag worden toegepast in het kader van een redelijke taakuitoefening.

2.4. Strafvorderlijke dwangmiddelen om de identiteit te achterhalen

Degene die zich niet conform artikel 2 van de WID identificeert, maakt zich ingevolge artikel 447e Sr. schuldig aan een strafbaar feit. Daarmee worden vanzelf ook de bevoegdheden toepasselijk die het Wetboek van Strafvordering (Sv.) biedt om de identiteit van een verdachte te achterhalen. De aanleiding voor de vordering speelt hierbij een rol. In geval van een zwaar strafbaar feit zal toepassing van dwangmiddelen eerder aangewezen zijn dan in geval van een bekeuringssituatie.

Onder andere middelen wordt in deze context in ieder geval verstaan het raadplegen van de systemen, zoals de gemeentelijke basisadministratie (GBA) en de Basisvoorziening Vreemdelingen (BVV). Daarnaast kan het onderkennen van contra-indicaties van belang zijn, zoals raadpleging van het Nationaal Schengen Informatie Systeem (NSIS) of het Herkenningsdienstsysteem (HKS). Overigens kan men niet volstaan met het uitsluitend controleren van NAW-gegevens, omdat het niet onwaarschijnlijk is, dat deze valselijk worden verstrekt.

Verder is het van belang dat in het proces-verbaal wordt vermeld wat is gedaan om de identiteit te achterhalen.

Wanneer ook op basis van de hiervoor genoemde systemen en contra-indicaties geen duidelijkheid is verkregen over de identiteit van betrokkene, ligt het voor de hand dat bij het niet-voldoen aan de identificatieplicht gepoogd wordt om door de toepassing van dwangmiddelen alsnog de identiteit van betrokkene te achterhalen.

V. Artikel 55c Wetboek van Strafvordering

1. De bij of krachtens artikel 141 aangewezen ambtenaren stellen de identiteit van de aangehouden verdachte vast op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste en tweede volzin.

2. De ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, nemen met het oog op het vaststellen van de identiteit van een verdachte die is aangehouden wegens een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, of die wordt verhoord wegens een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, zonder dat hij is aangehouden, een of meer foto’s en vingerafdrukken. De vingerafdrukken worden vergeleken met de van verdachten overeenkomstig dit wetboek verwerkte vingerafdrukken en, indien vermoed wordt dat de verdachte een vreemdeling is, met de overeenkomstig de Vreemdelingenwet 2000 verwerkte vingerafdrukken.

3. De officier van justitie of de hulpofficier beveelt dat van iedere andere verdachte dan de verdachte, bedoeld in het tweede lid, over wiens identiteit twijfel bestaat, een of meer foto’s en vingerafdrukken worden genomen. Het tweede lid, laatste volzin, is van overeenkomstige toepassing.

4. De foto’s en vingerafdrukken, bedoeld in het tweede en derde lid, kunnen ook worden verwerkt voor het voorkomen, opsporen, vervolgen en berechten van strafbare feiten en het vaststellen van de identiteit van een lijk.

5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor het verwerken van de foto’s en vingerafdrukken, bedoeld in het tweede en derde lid.

VI Artikel 5:16a Algemene wet bestuursrecht

Een toezichthouder is bevoegd van personen inzage te vorderen van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Een toezichthouder is bevoegd van personen inzage te vorderen van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht

Publicatiedatum
Rapportnummer
2017/068