2017/036 Officier van justitie heeft behandeling valse aangifte niet getraineerd

Een man klaagt over de zaaksofficier van justitie van het arrondissementsparket Den Haag. De ex-vrouw van de man zou valse aangifte hebben gedaan. Hiertegen heeft de man op zijn beurt aangifte gedaan. De betrokken zaaksofficier zou de afhandeling van zijn aangifte opzettelijk hebben getraineerd. De ombudsman acht delen van de klacht over de vertraging van de behandeling van de aangifte deels gegrond. Maar hij is ook van mening dat de zaaksofficier de behandeling niet opzettelijk heeft getraineerd. Deze zaaksofficier heeft het vereiste van integriteit niet geschonden.

Instantie: Minister van Veiligheid en Justitie

Klacht:

niet nakomen van de toezeggingen over de afdoening

Oordeel: gegrond

Instantie: Minister van Veiligheid en Justitie

Klacht:

lange tijd niets doen met de aangifte van valse aangifte

Oordeel: gegrond

Instantie: Minister van Veiligheid en Justitie

Klacht:

de weergave van de strafbare feiten in het ambtsbericht

Oordeel: niet gegrond

Instantie: Minister van Veiligheid en Justitie

Klacht:

het geven van dezelfde reactie op brieven

Oordeel: niet gegrond

Instantie: Minister van Veiligheid en Justitie

Klacht:

het willens en wetens traineren van de afhandeling van de aangifte van het doen van valse aangifte

Oordeel: niet gegrond

Tussen verzoeker en zijn ex-echtgenote bestaat onenigheid over het gezag en de omgang met betrekking tot hun kind T. Verzoeker en zijn ex-echtgenote hebben bij de politie diverse aangiften tegen elkaar gedaan. Deze aangiften worden ingebracht in de civiele procedures over de omgang en het gezag. Op een gegeven moment deed verzoekers ex-echtgenote tegen verzoeker aangifte van het vervaardigen van kinderporno en seksueel misbruik van hun destijds drie jaar oude kind T. Naar aanleiding van deze en andere aangiften deed verzoeker tegen zijn ex-echtgenote aangifte van smaad/laster en gaf hij aan dat ze een valse aangifte had gedaan.

Verzoeker klaagde erover dat de zaaksofficier van justitie van het arrondissementsparket Den Haag de afhandeling van zijn aangifte van het doen van valse aangifte willens en wetens had getraineerd.

De Nationale ombudsman achtte elementen van de klacht over de vertraging van de behandeling van de aangifte deels gegrond. Alles in onderlinge samenhang beschouwd, kwam de Nationale ombudsman echter tot de conclusie dat de zaaksofficier van justitie de afhandeling van verzoekers aangifte van het doen van valse aangifte niet willens en wetens had getraineerd. De Nationale ombudsman was daarom van oordeel dat de zaaksofficier van justitie het vereiste van integriteit niet had geschonden.

Aanleiding

Verzoeker is van 2008 tot 2009 met een Amerikaanse vrouw M. gehuwd geweest. Zij hebben samen een kind (T.) gekregen. Sinds januari 2010 is er tussen verzoeker en zijn ex-echtgenote onenigheid ontstaan over het gezag en de omgang met betrekking tot T. Verzoeker is van mening dat zijn ex-echtgenote sinds de scheiding vele leugens en onwaarheden over hem heeft verspreid. Hij is in de jaren negentig strafrechtelijk veroordeeld voor seksueel misbruik van jongens in de leeftijdscategorie van rond de twaalf jaar. Het feit dat verzoeker hiervoor veroordeeld is geweest, heeft zijn
ex-echtgenote tegen hem gebruikt in de civielrechtelijke procedure waarin de omgangsregeling met betrekking tot T. wordt bepaald. Volgens verzoeker worden er door zijn ex-echtgenote voortdurend civielrechtelijke procedures gestart die veelal gaan over het eenhoofdige ouderlijk gezag met betrekking tot hun kind T. Verzoeker en zijn
ex-echtgenote hebben bij de politie diverse aangiften tegen elkaar gedaan.

Op 20 januari 2011 meldde de ex-echtgenote van verzoeker telefonisch bij de politie dat zij bang was dat verzoeker pornografische foto's van hun tweejarige zoontje (T.) had gemaakt en op internet gezet. Naar aanleiding van deze melding bekeek de zedenrecherche dezelfde dag de foto's en concludeerde dat er geen sprake was van kinderpornografische foto's.

Op 7 april 2011 deed verzoekers ex-echtgenote tegen verzoeker aangifte van het vervaardigen van kinderporno en seksueel misbruik van hun destijds drie jaar oude kind T. Het misbruik zou blijkens de aangifte hebben bestaan uit het kietelen van de penis van T. Verder wordt gesuggereerd dat er 'iets' met bananen zou zijn gedaan. Daarnaast gaf de ex-echtgenote aan dat verzoeker vele naaktfoto's van T. zou hebben gemaakt waarbij zijn ex-echtgenote zich afvroeg of dit geen kinderporno betrof.

Op 21 april 2011 stuurde Sjöcrona –Van Stigt advocaten een brief naar de hoofdofficier van het parket Den Haag. De bijlage bij deze brief bevatte een e-mail van de
ex-echtgenote van verzoeker d.d. 20 april 2011. Zij informeerde haar advocaat over een nieuw incident dat volgens haar op 14 april 2011 had plaatsgevonden. T. zou zijn vinger in zijn anus hebben gestoken en aan het bed hebben afgeveegd en vervolgens hebben gezegd dat verzoeker dat zo deed.

Naar aanleiding van de aangifte van 7 april 2011 werd verzoeker op 5 juni 2011 door de politie gehoord. Op 25 juni 2011 heeft verzoeker tegen zijn ex-echtgenote aangifte gedaan van smaad/laster. In deze aangifte maakt verzoeker vermelding van de valse aangifte van ontucht en het vervaardigen van kinderpornografie die zijn ex-echtgenote tegen hem had gedaan op 7 april 2011.

Op 9 september 2011 drong verzoeker bij de (hoofd)officier van justitie aan op een spoedige behandeling van de nog openstaande strafrechtelijke procedures. Voor hem was dit van belang omdat de aangiften tegen hem in de tussentijd door zijn
ex-echtgenote waren ingebracht in de civielrechtelijke procedure met betrekking tot de omgang en het gezag in relatie tot T.

Op 27 oktober 2011 besloot de rechtbank Den Haag in deze civielrechtelijke procedure om de ex-echtgenote van verzoeker te belasten met het eenhoofdige gezag over hun zoon T. Dit vonnis was niet uitvoerbaar bij voorraad. Op 12 december 2011 schreef verzoekers advocaat een brief naar de (hoofd)officier van justitie waarin hij het verzoek deed om verzoeker te informeren over de eventuele behandeling van de aangiften die door de ex-echtgenote waren gedaan.

Op 13 maart 2012 liet de zaaksofficier G. aan de advocaat van verzoeker weten dat zij het, gelet op de civiele zitting die op 15 maart 2012 bij het Gerechtshof Den Haag zou plaatsvinden, geboden achtte om met betrekking tot de aangifte van ontucht te berichten dat zij niet tot vervolging zou overgaan. G. was van oordeel dat er sprake van gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Verder deed G. de toezegging dat deze sepotbeslissing nog afzonderlijk aan verzoeker zou worden bericht.

Op 18 maart 2012 stuurde verzoeker een brief naar de zaaksofficier G. met het verzoek om de processen-verbaal van de eerdere aangiften (waaronder die van ontucht en het vervaardigen van kinderporno) die door zijn ex-echtgenote tegen hem waren gedaan, naar hem te sturen. Hij wilde zijn aangifte van 25 juni 2011 adequaat kunnen onderbouwen.

Op 3 april 2012 zond zaaksofficier G. een brief naar verzoeker waarin zij hem meedeelde dat zij in reactie op de brief van 18 maart 2012 nog op een aantal openstaande punten zou reageren.

Op 24 april 2012 stuurde de zaaksofficier G. een brief naar de advocaat van verzoeker waarin zij liet weten dat zij nog niet kon beslissen in de nog openstaande strafzaken waarin er tegen verzoeker aangifte was gedaan. Zij deed de toezegging dat zij binnen vier weken nader zou berichten.

Op 25 april 2012 werd verzoeker in hoger beroep door het gerechtshof belast met het eenhoofdige gezag over T.

Op 3 juli 2012 schreef zaaksofficier G. in een brief aan verzoeker dat zij naar aanleiding van informatie die haar via de processen-verbaal ter beschikking was gesteld met betrekking tot een aantal aangiften al beslissingen had genomen. Het onderzoek naar de smaad/lasteraangifte van verzoeker was nog niet afgerond. Zodra dit onderzoek was afgerond, zou de zaaksofficier G. haar beslissing met betrekking tot die aangifte aan verzoeker meedelen.

Op 13 juli 2012 stuurde verzoeker een brief naar de zaaksofficier G. waarin hij opmerkt dat uit de brief van 3 juli 2012 blijkt dat er geen vooruitgang is geboekt ten aanzien van de aangiften van verzoeker en dat zijn verzoeken worden afgewezen zonder daarbij inhoudelijk in te gaan op verzoekers argumenten.

Op 22 november 2012 had verzoeker een gesprek met zaaksofficier G. waarin G. haar standpunten en beslissingen ten aanzien van de openstaande zaken toelichtte.

Op 23 november 2012 stuurde verzoeker aan G. een brief waarin hij onder andere aangaf dat hij wilde dat zijn ex-echtgenote zou worden vervolgd voor het doen van valse aangifte van ontucht.

Op 27 februari 2013 stuurde G. aan verzoeker een brief waarin zij haar beslissingen ten aanzien van de aangiften van verzoeker nader toelichtte. Zij gaat in op verzoekers aangifte van smaad/laster, en het doen van valse aangiften. G. liet weten dat verzoekers ex-echtgenote in deze kwestie op 27 augustus 2012 als verdachte was gehoord en dat de uitwerking van dat verhoor door de politie enige tijd op zich had laten wachten. G. had besloten om geen nader onderzoek te doen naar verzoekers aangifte van valse aangifte en zijn ex-echtgenote daar niet voor te vervolgen. Ten aanzien van de aangifte van smaad/laster besloot G. tot een voorwaardelijk sepot.

Op 26 augustus 2013 diende verzoeker een klaagschrift ex artikel 12 Wetboek van Strafvordering in bij het Gerechtshof Den Haag omdat hij nog steeds geen (officieel) bericht had ontvangen met betrekking tot de afdoening van de aangiften. Uiteindelijk werden verzoekers aangiften op 23 oktober 2013 officieel geseponeerd. Verzoekers beklag tegen de beslissing van de zaaksofficier van justitie G. om zijn aangifte te seponeren, werd op 12 februari 2015 door het Gerechtshof Den Haag afgewezen.

De hoofdofficier van het parket Den Haag verklaarde op 20 februari 2015 verzoekers klacht voor wat betreft het tijdsverloop van de beoordeling van de door verzoeker gedane aangiften en het overschrijden van termijnen gegrond. Verzoekers klacht dat de zaaksofficier van justitie G. de rechtsgang traineert en vertraagt en ten onrechte weigerde om een afschrift van het ontuchtdossier te verstrekken, achtte de hoofdofficier niet gegrond.

Onderzoek Nationale ombudsman

Verzoeker was het niet eens met het oordeel van de hoofdofficier van justitie te Den Haag en verzocht de Nationale ombudsman om zijn klacht over het traineren van de rechtsgang te onderzoeken.

De Nationale ombudsman nam in dat verband de volgende klachten in onderzoek.

Verzoeker klaagt erover dat de zaaksofficier van justitie van het arrondissementsparket Den Haag de afhandeling van zijn aangifte van het doen van valse aangifte willens en wetens heeft getraineerd.

Verzoeker klaagt er in het bijzonder over dat:

- de weergave van de strafbare feiten zoals die in de pv's van aangifte van seksueel misbruik zijn opgenomen niet letterlijk zijn overgenomen in het ambtsbericht aan het Hof;

- in de twee jaar van de afhandeling van de aangifte, tot vijf keer toe een toezegging over de afdoening niet is nagekomen, op diverse brieven negen keer dezelfde reactie is gegeven en gedurende lange tijd niets is gedaan met de aangifte.

Bevindingen

I. Correspondentie tussen verzoeker en de zaaksofficier G.

In het kader van het onderzoek heeft de Nationale ombudsman correspondentie (22 schriftelijke stukken) tussen verzoeker en de zaaksofficier (zie: bijlage I) in de periode van 9 september 2011 t/m 25 april 2014 inhoudelijk onderzocht. Dit leverde de volgende bevindingen op.

Verzoeker stelde in zijn brieven aan de zaaksofficier G. een aantal vragen waarop hij pas na maanden antwoord kreeg.

Verzoeker heeft meerdere malen schriftelijk aan de zaaksofficier G. gevraagd om processen-verbaal te krijgen van de aangiften die zijn ex-echtgenote tegen hem had gedaan. Hij had deze dossiers nodig om bewijs te kunnen verzamelen voor zijn aangifte tegen zijn ex-echtgenote van het doen van valse aangifte. Zaaksofficier G. heeft op 3 juli 2012 kort gemotiveerd aan verzoeker laten weten dat zij de processen-verbaal waar verzoeker aldoor om vroeg, niet naar hem zou sturen. G. gaf aldoor in reactie op verzoekers herhaalde verzoeken aan dat zij hem die dossiers niet zou geven omdat dat in beginsel niet gebeurt bij zaken die geseponeerd worden/zijn. In reactie op de afwijzing van zijn verzoek probeerde verzoeker telkens keer op keer met nieuwe argumenten G. ervan te overtuigen dat hij toch echt recht had op (kennisneming van de inhoud van) die dossiers.

Voor wat betreft verzoekers herhaalde vraag naar de behandeling van zijn smaad/lasteraangifte, herhaalde G. enkele keren dat het onderzoek nog niet was afgerond. Ook deed zij aan verzoeker een aantal toezeggingen om hem binnen een bepaalde termijn nader te berichten over haar beslissing. Op 7 september 2012 liet G. bij brief aan verzoeker weten dat zij de politie geen termijn had gegeven waarbinnen het onderzoek moest zijn afgerond. Naar haar oordeel was er bij verzoekers aangifte van smaad/laster geen sprake van een spoedeisend belang.

Op 3 juli 2012 schreef zaaksofficier G. in haar brief aan verzoeker dat zij naar aanleiding van informatie die haar via processen-verbaal ter beschikking is gesteld met betrekking tot een aantal aangiften al beslissingen had genomen. G. gaf verder aan dat hetgeen verzoeker in zijn gesprek met G. (dat uiteindelijk op 22 november 2012 plaatsvond) nog aan de orde zou brengen, nog wel van invloed kon zijn op haar weging van die informatie.

In haar brief van 27 februari 2013 schreef zaaksofficier G. aan verzoeker dat zij had besloten om geen nader onderzoek in te stellen naar de aangifte van valse aangiften omdat er zelden voldoende wettig en overtuigend bewijs is. Voor de beoordeling van sommige aangiften zou nader onderzoek nodig zijn om te kunnen bezien of deze aangiften wel of niet vals zijn. Gelet op de complexe situatie achtte G. nader onderzoek niet aangewezen. Zij had daarom besloten om de ex-echtgenote van verzoeker daar niet voor te vervolgen en verzoekers aangifte ter zake het doen van valse aangifte op te leggen. Voor wat betreft de aangifte van smaad had G., na een gesprek dat zij op
22 november 2012 met verzoeker had gehad, bij nader inzien besloten om deze aangifte voorwaardelijk te seponeren. Zij deed dit om enerzijds recht te doen aan verzoekers oproep de aangifte niet 'zo maar' te seponeren en een signaal af te geven en anderzijds recht te doen aan de complexe familierechterlijke situatie waarin verzoeker en zijn ex-echtgenote zich bevinden en waarin de oplossing niet in het strafrecht moet of kan worden gevonden.

Verzoeker gaf meerdere malen aan dat hij het niet eens is met de beslissing van de zaaksofficier G. om de aangifte van ontucht en het vervaardigen van kinderpornografie met code 02 te seponeren. De zaaksofficier G. liet in reactie daarop meerdere malen aan verzoeker weten waarom zij tot deze beslissing was gekomen.

Verzoeker brengt in een aantal brieven de zaaksofficier op de hoogte van de achtergrond van het conflict met zijn ex-echtgenote. Daarnaast brengt hij nieuwe gebeurtenissen die in het kader van het conflict met zijn ex-echtgenote hebben plaatsgevonden, onder de aandacht van de zaaksofficier.

II. De inhoud van het OM - en politiedossier

In het kader van het onderzoek kreeg een onderzoeker van het Bureau Nationale ombudsman bij het Openbaar Ministerie en de politie eenheid Den Haag inzage in twee aangifte dossiers. Het betrof enerzijds het dossier dat betrekking had op de aangifte tegen verzoeker van ontucht en kinderpornografie en anderzijds verzoekers aangifte van smaad/laster (waar binnen verzoeker melding maakt van de valse aangifte tegen hem van ontucht en het vervaardigen van kinderpornografie). De inzagen leverden de volgende bevindingen op.

1. Aangifte ontucht- en kinderpornografie

Het politie en het OM dossier bevatte de volgende informatie. Een proces-verbaal van aangifte tegen verzoeker van ontucht en kinderpornografie, een verslag informatief gesprek zeden, een proces-verbaal van bevindingen n.a.v. een bezoek aan een kinderdagverblijf, een proces-verbaal van verhoor van verzoeker op 5 juni 2011, een proces-verbaal van relaas en dagboekaantekeningen van verzoeker waarvan de Nationale ombudsman, gelet op verzoekers privacy, geen kennis heeft genomen.

Los van de bovenstaande overlap bevond zich in het OM dossier een aantal bijlagen die verband houden met de civiele procedure rond de omgang en gezag met betrekking tot T. Het politiedossier bevatte een mutatierapport n.a.v. de telefonische melding van de
ex-echtgenote over kinderporno en het daarop volgende huisbezoek aan de
ex-echtgenote. Ten slotte bevatte het OM dossier nog een brief van de advocaat van de ex-echtgenote van verzoeker d.d. 13 september 2011 met als bijlage een brief van zaaksofficier Van der L. d.d. 27 juni 2011. In deze laatste brief gaf Van der L. een reactie op de brieven van de advocaat van de ex-echtgenote van verzoeker van 21 april 2011 en 16 mei 2011.

2. Aangifte smaad/laster

Het politie en het OM dossier bevatte de volgende informatie.

Een proces-verbaal van aangifte van 25 juni 2011 tegen de ex-echtgenote van verzoeker, twee processen-verbaal van verhoor aangever van 4 februari 2012 en een proces-verbaal van verhoor van de ex-echtgenote van verzoeker d.d. 25 augustus 2012.

Los van de overlap bevatte het politiedossier nog een brief van de politie gericht aan verzoeker, twee brieven van de politie gericht aan zijn ex-echtgenote en twee processen-verbaal van bevindingen met betrekking tot contact tussen de politie en een werknemer van de basisschool van T.

Het OM dossier bevatte een Word-document "Aangifte van diefstal, smaad en laster van 20 januari 2012" (door verzoeker geschreven), een groot aantal stukken die deel uitmaakten van de civiele procedure rondom de omgang en gezag m.b.t. T. en een brief die is gericht aan de korpsbeheerder van de politie eenheid Den Haag die zag op een klacht tegen een rechercheur van de afdeling zeden van de politie eenheid Den Haag.

De aangifte die verzoeker op 25 juni 2011 tegen zijn ex-echtgenote had gedaan, is blijkens de kwalificatie van de politie primair gericht op het strafbare feit smaad/laster. In deze aangifte benoemt en beschrijft verzoeker chronologisch en uitvoerig een reeks gebeurtenissen waarbij zijn ex-echtgenote telkenmale handelingen heeft verricht om hem jegens derden in een kwaad daglicht te stellen. Verder somt hij een aantal verschillende aangiften op die zijn ex-echtgenote valselijk tegen hem had gedaan. Binnen dit geheel maakt verzoeker onder andere melding van haar poging tot het doen van valse aangifte van het vervaardigen van kinderporno van zijn zoon T. en beschrijft hij de valse aangifte van incest die zijn ex-echtgenote op 6 april 2011 tegen hem had gedaan. De valse aangiften en gebeurtenissen vormen een patroon. Uit het aangifte dossier blijkt verder dat de enige en laatste opsporingshandeling (het verhoor van verzoekers ex-echtgenote over de dagboekaantekeningen) op 25 augustus 2012 heeft plaatsgevonden. Verder stelt de Nationale ombudsman vast dat de ex-echtgenote tijdens dit verhoor niet is bevraagd over de door haar vermeend gedane valse aangifte van het vervaardigen van kinderpornografie en het plegen van ontucht met hun drie jarige zoon T. De rechercheur die het verhoor afnam, gaf tijdens het verhoor aan dat hij niet gerechtigd was om de
ex-echtgenote vragen te stellen over de pedofilie omdat hij dat aan de speciaal opgeleide collega's van de zedenrecherche moest overlaten.

III. Het ambtsbericht van 20 februari 2014

In het kader van de artikel 12 WvSv procedure werd door de zaaksofficier van justitie G. en de teamleider interventies J. een ambtsbericht opgesteld. In dit ambtsbericht werd aangegeven dat met ingang van 2010 zowel door de ex-echtgenote van verzoeker als verzoeker over en weer een groot aantal aangiften is gedaan. Daarbij zijn volgens J. vier feitencomplexen te onderscheiden waarin er over en weer aangifte is gedaan.

  1. De strafzaak inzake mishandeling, poging diefstal en smaad;
  2. De strafzaak inzake kinderpornografie en ontucht met een kind;
  3. De strafzaak inzake smaad en laster;
  4. De strafzaak van mishandeling.

In het ambtsbericht staat vermeld dat de zaaksofficier G. bij brief van 12 maart 2012 heeft aangegeven dat in de strafzaak die betrekking heeft op de kinderpornografie en ontucht met een kind, niet zal worden overgegaan tot vervolging van verzoeker wegens gebrek aan bewijs. Daarbij is aangegeven dat deze beslissing alleen ziet op de aangifte van ontucht, daar met betrekking tot de aangifte van het bezit van kinderpornografische afbeeldingen door de politie reeds is aangegeven dat de aangetroffen afbeeldingen niet van kinderpornografische aard zijn. Verder staat vermeld dat verzoeker bij brief van
18 maart 2012 heeft aangegeven dat de aangifte van ontucht met code 01 (onterecht als verdachte aangemerkt) dient te worden geseponeerd, aangezien het naar zijn mening gaat om een valse aangifte. Bij brief van 3 juli 2012 heeft de zaaksofficier G. aangegeven deze mening niet te delen en herhaald dat de aangifte inzake kinderpornografie en ontucht met code 02 (onvoldoende wettig en overtuigend bewijs) wordt geseponeerd.

De Nationale ombudsman stelt vast dat in het ambtsbericht wordt gesproken over een aangifte van ontucht. Daarnaast staat in het ambtsbericht vermeld dat de opmerking dat verzoeker de penis van T. zou hebben aangeraakt op een manier die ontucht suggereert en dat dit de enige feitelijke handeling is die in de aangifte van de ex-echtgenote van verzoeker wordt genoemd. Nergens wordt in het ambtsbericht melding gemaakt van de opmerking van T. dat verzoeker en hij 'iets' met bananen hadden gedaan en dat er wat problemen waren om T. zindelijk te maken, noch dat hij in deze periode, zo had de
ex-echtgenote van personeel van de crèche begrepen, met poep in zijn luier begon te spelen. Ook staat er niets vermeld over de vinger die verzoeker, volgens de bijlage bij de brief van de advocaat van Sjöcrona –Van Stigt advocaten d.d. 21 april 2011, in de anus van zijn zoontje T. zou hebben gestoken.

IV. Gerechtshof Den Haag raadkamer beklagzaken

Op 21 mei 2014 onderzocht de raadkamer van het gerechtshof Den Haag het klaagschrift van verzoeker. Tijdens deze zitting gaf verzoeker mondeling aan dat de aangifte van zijn ex-partner ziet op drie onderdelen, te weten het beweerdelijk vervaardigen van kinderpornografische beelden van hun minderjarige zoon T. en het beweerdelijk plegen van ontucht bestaande uit het anaal penetreren en het kietelen van de penis van T. Verzoeker vertelde aan de raadkamer dat de aangifte die naar aanleiding van de brief van 7 april 2011 was opgemaakt samen met zijn persoonlijke aantekeningen over zijn in het verleden aanwezige pedoseksuele gevoelens, door zijn ex-echtgenote zijn ingebracht in de civiele procedure met betrekking tot de omgang.

Verzoeker gaf aan dat twee onderdelen van de aangifte van 7 april 2011 in het ambtsbericht zijn weggelaten, te weten het vervaardigen van kinderporno en het anaal penetreren van zijn zoon T. Volgens verzoeker zijn deze twee onderdelen weggelaten omdat ze evident vals waren. Door deze twee punten weg te laten, is volgens verzoeker weggepoetst hoe vals haar aangifte in totaliteit was. Volgens verzoeker vormt dit ondersteunend bewijs dat er een valse aangifte tegen hem was gedaan.

Nadat het hof had beraadslaagd, besloot het hof om de behandeling in raadkamer aan te houden teneinde het Openbaar Ministerie te verzoeken de (ontbrekende) stukken in de zedenzaak, waarin verzoeker als verdachte was aangemerkt, aan het hof te overleggen. Het ging het hof met name om het proces-verbaal van aangifte van de ex-echtgenote van kinderpornografie en ontucht dat was opgemaakt naar aanleiding van de eerder genoemde brief van 6 april 2011. Daarnaast wilde het hof in het bezit komen van verzoekers aangifte van valse aangifte. Ten slotte wilde de raadkamer de ex-echtgenote van verzoeker gaan horen.

Gelet op de complexiteit van de zaak en de samenhang met het klaagschrift van de
ex-echtgenote van verzoeker, koos het hof erover om deze beide klaagschriften op één zitting te behandelen.

Verzoekers beklag tegen de sepotbeslissingen, waaronder de aangifte van smaad/laster waarin verzoeker melding maakt van de door zijn ex-echtgenote gedane valse aangifte van ontucht en het vervaardigen van kinderpornografie, werd op 12 februari 2015 door het hof Den Haag afgewezen. Volgens het hof is voor wat betreft de aangifte van smaad en laster een voorwaardelijk sepot in dit geval te billijken. Een eventuele strafvervolging zou in dit stadium naar het oordeel van het hof niet bijdragen aan een oplossing van de tussen partijen bestaande problemen, doch zou veeleer escalerend werken. Voor wat betreft de aangifte van ontucht en het vervaardigen van kinderporno van 6 april 2011 was het hof van oordeel dat niet was gebleken dat deze aangiften waren gedaan met de opzet om een valse aangifte te doen. Het hof achtte het niet ondenkbaar dat deze voortvloeiden uit bezorgdheid van de ex-partner van verzoeker voor het welzijn van hun zoon T.

V. Standpunt verzoeker

Verzoeker heeft zijn standpunt uitvoerig bij de Nationale ombudsman bepleit. De Nationale ombudsman heeft kennis genomen van alle correspondentie van verzoeker. Hieronder wordt volstaan met een beknopte weergave van het standpunt van verzoeker

Volgens verzoeker heeft hij op 25 juni 2011 tegen zijn ex-echtgenote aangifte van valse aangifte (artikel 188 wetboek van Strafrecht) gedaan. Volgens verzoeker werden door zijn ex-echtgenote valse aangiften (van mishandeling en ontucht) tegen hem gedaan met het doel het contact tussen verzoeker en zijn zoon T. te verbreken zodat zijn ex-echtgenote met hun kind naar Amerika kon verhuizen. Zijn ex-echtgenote bracht de door haar gedane aangiften tegen hem in bij de civielrechtelijke procedures in 2011 als gevolg waarvan de rechtbank haar met het eenhoofdige ouderlijk gezag wilde belasten.

Verzoeker wilde, gelet op het hoger beroep met betrekking tot het gezag over zijn zoon T., graag snel duidelijkheid krijgen over de afdoening van de aangiften die zijn
ex-echtgenote tegen hem had gedaan. Het OM weigerde echter mededelingen te doen over vervolging waardoor de incestbeschuldigingen tot maart 2012 onterecht 'levend' werden gehouden, aldus verzoeker.

Volgens verzoeker is hem onrecht aangedaan door de valsheid van de aangiften niet te (willen) onderzoeken. Hierdoor werd hij veroordeeld tot een jarenlange strijd met kwalijke gevolgen voor zijn zoon T. Een ouder die valse aangifte doet is naar de mening van verzoeker geen goede ouder die rekening houdt met het belang van het kind. Een reeks strafrechtelijke delicten zoals het doen van valse aangiften onbestraft laten, is juist in een echtscheiding een onacceptabele manier van partij kiezen door politie en justitie. Het is niet de taak van de officier van justitie om een oplossing te bieden in een scheiding maar om opsporingsonderzoek te leiden naar wettig en overtuigend bewijs voor strafbare feiten, zoals het bewijs voor het doen van een valse aangifte. In plaats daarvan heeft de officier haar eigen overtuiging dat beide ouders in een 'vechtscheiding' even schuldig zijn, laten prevaleren. Daardoor heeft geen objectieve beoordeling plaatsgevonden van zijn aangifte van valse aangiften en kwam de waarheid niet aan het licht, aldus verzoeker.

Volgens verzoeker wilde de zaaksofficier geen opsporingsonderzoek laten uitvoeren omdat er civielrechtelijke procedures over en weer werden gevoerd. Verzoeker geeft aan dat er tot april 2012 al dertien procedures waren gevoerd die vrijwel allemaal waren aangespannen door zijn ex-echtgenote. Na de 'gezag beslissing' bleef zijn ex-echtgenote doorprocederen waardoor het aantal procedures steeg naar 25 rechtszaken.

1. Weergave van de valse ontucht en kinderporno in het ambtsbericht

Verzoeker kwam er tijdens de behandeling van zijn beklag achter, dat de zaaksofficier van justitie de beschrijving van de aangifte die zijn ex-echtgenote tegen hem had gedaan, moedwillig zodanig in het ambtsbericht van 2 februari 2014 had afgezwakt, dat er naar zijn mening voor het gerechtshof geen enkele reden was om vervolging van zijn
ex-echtgenote te bevelen. Juist die twee handelingen die het bewijs van het doen van een valse aangifte vormden, werden in het ambtsbericht verzwegen waardoor het gerechtshof doelbewust werd misleid. De weergave van de zaaksofficier dat de 'enige feitelijke handeling' het betasten van de penis zou zijn, is volgens verzoeker feitelijk onjuist. Aangezien er voor de beschuldiging van de anale verkrachting met vinger of bananen volgens verzoeker juist bewezen kon worden dat zijn ex-echtgenote moedwillig loog, moet er volgens verzoeker geconcludeerd worden dat de zaaksofficier het bewijs voor de valse aangifte in de doofpot liet verdwijnen om haar eigen handelen te rechtvaardigen. Verzoeker neemt aan dat de zaaksofficier niet tot doel had om zijn
ex-echtgenote te beschermen, maar dit was wel het resultaat van haar keuze om geen onderzoek te willen doen.

Volgens verzoeker blijkt het traineren en het rechtvaardigen van de onwil van de zaaksofficier om het opsporingsonderzoek uit te voeren uit het volgende. De brieven van 6, 7 en 21 april 2011 van de advocaat van zijn ex-echtgenote (met als bijlagen onder meer de e-mail van 20 april 2011) ontbreken in het OM dossier dat het gerechtshof te zien kreeg. Dit terwijl in deze brieven veel nadrukkelijker en explicieter aangifte wordt gedaan van verkrachting (van T.) en kinderporno. De brieven voegden dus wel iets toe, aldus verzoeker. Het gaat immers om grovere beschuldigingen dan alleen het kietelen van een penis. Verder acht verzoeker het niet aannemelijk dat de brief van 6 april 2011 niet door zijn ex-echtgenote bij het doen van haar aangifte zou zijn overlegd aan de politie. Het dagboek van verzoeker dat een bijlage was bij deze brief, bevond zich echter wel in het dossier. Er moet volgens verzoeker een keuze zijn gemaakt om de brief van
6 april 2011 te verwijderen uit het strafdossier. In de brief van 21 april 2011 aan de hoofdofficier van het parket Den Haag wordt melding gemaakt van een incident waarbij T. zijn vinger in zijn anus stak en zei dat verzoeker dat ook doet en zijn vinger aan de deken afveegt alvorens zijn luier wordt omgedaan. Volgens verzoeker blijft ongemotiveerd waarom deze brieven niet (langer) in dit dossier aanwezig waren terwijl in het proces-verbaal van aangifte staat vermeld dat voornoemde brieven zouden worden aangehecht. Dit wijst er volgens verzoeker op dat de zaaksofficier G. het gerechtshof moedwillig onjuist of in ieder geval doelbewust onvolledig heeft geïnformeerd tijdens de artikel 12 WvSv procedure.

2. In de twee jaar van de afhandeling van de aangifte, tot vijf keer toe een toezegging over de afdoening niet is nagekomen

Volgens verzoeker blijkt uit de correspondentie dat de zaaksofficier geen enkele toezegging is nagekomen. De zaaksofficier heeft hem pas in oktober 2013 enkele sepotberichten gestuurd omdat verzoeker in augustus 2013 een artikel 12 Wetboek van Strafvordering klaagschrift had ingediend bij het hof. Zijn belangrijkste aangifte, te weten het doen van valse aangifte, bleek volgens verzoeker niet te zijn geregistreerd, niet te zijn onderzocht, niet te zijn beoordeeld en ook niet officieel te zijn geseponeerd.

3. Op diverse brieven negen keer dezelfde reactie is gegeven

Volgens verzoeker schreef de zaaksofficier in vier jaar tijd negen brieven en getuigen die niet van zorgvuldig handelen omdat zij in negen brieven slechts de weigering herhaalt om de aangiften serieus te nemen; steeds beweert antwoord te geven maar nooit echt antwoord op de vraag geeft zoals deze door verzoeker werd gesteld en jarenlang heeft beweerd dat 'het onderzoek loopt'. Dit terwijl er in feite maar één verhoor plaatsvond dat geen betrekking had op het doen van valse aangiften.

Voorts heeft de zaaksofficier in de periode van 12 december 2011 t/m 28 oktober 2013 onvoldoende gemotiveerd geweigerd om de processen-verbaal van de valse aangiften van ontucht en kinderpornografie aan hem te verstrekken. In deze processen-verbaal wordt volgens verzoeker een groot aantal feiten en omstandigheden aangedragen die als bewijs konden dienen voor de valse aangifte.

4. Gedurende lange tijd niets is gedaan met de aangifte

Verzoeker is van mening dat zaaksofficier G. van de beschuldigingen die door zijn ex-echtgenote waren geuit, had kunnen vaststellen dat zij opzettelijk loog. Onderzoek naar de vraag of er wettig en overtuigend bewijs was, zou namelijk hebben aangetoond dat de beschuldiging van kinderporno door zijn ex-echtgenote al in scène was gezet in 2009 toen zij haar eerste advocaat in de arm nam. Verder had kunnen worden aangetoond dat dat de beschuldiging van anale verkrachting van T. met een vinger of een banaan niet alleen ongeloofwaardig was maar ook inconsistent met het handelen van zijn ex-echtgenote na haar ontdekking van 'zeer pijnlijke anale irritatie' of verklaringen van de kinderopvang. Tijdens de civiele zaken werd verzoeker vergeleken met "Robert M". De zaaksofficier reduceerde de ontuchtaangifte tot de beschuldiging dat "mijn zoontje zegt dat papa zijn piemel kietelt" en daar kan je weinig mee als bewijsvoering voor ontucht dan wel de valsheid van die bewering. Volgens verzoeker gaf de zaaksofficier daarmee een misleidende voorstelling van zaken.

Volgens verzoeker liet de zaaksofficier pas in januari 2013 weten dat zij geen opsporingsonderzoek wilde doen naar het doen van valse aangifte. Dit terwijl het politieonderzoek naar de ontuchtaangifte volgens een politieambtenaar van het politiebureau Leidschendam-Voorburg in de eerste week van juli 2011 naar justitie was verzonden. Volgens verzoeker is zijn ex-echtgenote pas op 25 augustus 2012 gehoord en dan alleen over smaad. De zaaksofficier had veel eerder aan verzoeker moeten laten weten dat zij geen opsporingsonderzoek wilde doen naar de opzet bij het doen van een valse aangifte. Verzoeker had dan de mogelijkheid gehad om daartegen een artikel 12 WvSv klaagschrift in te dienen.

Tijdens dit verhoor was zijn aangifte van valse aangifte helemaal niet aan de orde gekomen. De zaaksofficier kan dus geen logische verklaring geven voor het niet afronden van de zaak na augustus 2012. Door dat niet te doen, heeft de zaaksofficier de afhandeling van zijn aangifte van valse aangifte getraineerd.

Volgens verzoeker is er geen aangifte van smaad/laster die volgens de zaaksofficier in januari 2013 zou zijn gedaan. Het is volgens verzoeker daarom onjuist dat de zaaksofficier tot oktober 2013 zou hebben moeten wachten met het versturen van de sepotberichten. Ook beweert de zaaksofficier onterecht dat verzoeker steeds 'heel veel' nieuwe informatie zou aanleveren. Hij heeft alleen in juni 2011 aangifte gedaan en deze aangifte in februari 2012 aangevuld. Hierna heeft hij geen nieuw bewijsmateriaal aangedragen.

Samenvattend heeft de zaaksofficier de behandeling van zijn aangifte van valse aangifte getraineerd door in het geheel geen onderzoek te laten verrichten naar deze aangifte, de feiten (de valse aangifte) niet aan de Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken (LEBZ) voor te leggen en zijn ex-echtgenote niet over de valse aangifte te horen.

VI. Verklaring van de zaaksofficier G.

De betrokken zaaksofficier van justitie G. verklaarde in het kader van het onderzoek van de Nationale ombudsman voor zover van belang het volgende.

1. Ten aanzien van het Ambtsbericht

G. had zich ten doel gesteld om bij het schrijven van het ambtsbericht wel alle invalshoeken en punten te benoemen maar het niet te uitgebreid te gaan verwoorden. In dat kader probeerde zij aldoor weer te samenvatten en te verwijzen om zo tot de kern te kunnen komen. Als iemand van het gerechtshof het verder wil lezen dan kan dat. De onderliggende stukken waaronder het proces-verbaal van de ontucht aangifte zaten er allemaal bij. Om die reden had G. de ontuchtaangifte niet helemaal uitgeschreven.

Het onderzoek dat nog steeds liep, betrof het onderzoek naar de smaad/laster aangifte. Dat is ook het onderzoek waar G. aldoor op doelde in haar communicatie met verzoeker.

2. Ten aanzien van het niet nakomen van toezeggingen over de afdoening

Voor wat betreft de toezeggingen gaf G. aan dat ze niet meer wist of ze iedere keer een toezegging had gedaan maar wel dat ze een aantal maal een datum had genoemd.

Zij nam zichzelf iedere keer weer voor om aan de zaak te gaan werken maar stelde dat soms te lang uit waardoor bepaalde termijnen niet gehaald zijn. Verder had ze aangegeven dat de aangifte van smaad/laster nog niet kon worden afgedaan omdat de ex-echtgenote van verzoeker nog moest worden gehoord.

De andere aangiften konden volgens G. nog niet worden afgedaan omdat het hele dossier zo in elkaar greep. Er waren volgens G. vier feitencomplexen en dat maakte het dossier complex. Als op een bepaald moment aangifte was gedaan dan werd die aangifte later weer aangevuld met een andere aangifte.

3. Ten aanzien van het negen keer dezelfde reactie geven op brieven

G. kreeg iedere keer weer van verzoeker dezelfde vragen met dan nog een vraag erbij waardoor de reactie op de brieven van verzoeker aldoor dezelfde is. Iedere keer kreeg G. weer hetzelfde verzoek om het verstrekken van het proces-verbaal, de stukken of de aangifte en iedere keer gaf G. weer aan dat zij dat niet zou doen onder verwijzing naar de Wjsg en omdat er een sepotbeslissing kwam. G. gebruikte vaak dezelfde woorden en verwijzingen omdat verzoeker iedere keer weer om hetzelfde vroeg.

4. Ten aanzien van het gedurende lange tijd niets doen met de aangifte

De nieuwe input van verzoeker werkte de lange duur van de afhandeling in de hand. Daarbij komt dat G. zelf daar ook een aandeel in heeft gehad omdat ze het werk aan de zaak soms te lang uitstelde waardoor bepaalde termijnen niet zijn gehaald. Wat had meegespeeld was dat verzoeker iedere keer weer met heel veel nieuwe informatie kwam. Het ging naast de aangifte uit februari 2012 ook om informatie in de brieven die verzoeker naar G. stuurde. Verzoeker ging steeds weer naar de politie. Dit alles heeft ervoor gezorgd dat de beoordeling en afhandeling zo lang had geduurd.

G. had wel aldoor in de richting van verzoeker aangegeven dat de aangifte van smaad/laster niet tot vervolging zou leiden. De aangifte van smaad/laster hing samen met de aangifte van ontucht. G. heeft in een persoonlijk gesprek met verzoeker geprobeerd om aan hem uit te leggen wat haar beweegredenen waren om de aangiften te seponeren.

5. Ten aanzien van het traineren van de afhandeling van de aangifte

In maart 2013 raakte G. bij de zaak betrokken. Zij ontving van de advocaat van verzoeker een brief met het verzoek zoveel mogelijk zaken af te doen voor de civielrechtelijke zitting waarin de omgang met T., het kind van verzoeker en zijn ex-echtgenote, zou worden behandeld. Het ging dan met name om de aangifte van ontucht. Het was voor G. al snel duidelijk dat er sprake was van een vechtscheiding met tegengestelde belangen en dat het strafrecht daarin een rol speelde. Haar insteek was dat ze het strafrecht niet wilde inzetten ten behoeve van de civiele procedure tussen verzoeker en zijn ex-echtgenote. Het strafrecht zou niet tot een oplossing leiden. Bij het beoordelen van een aangifte wordt er eerst vastgesteld of er voldoende wettig en overtuigend bewijs is. Daarna wordt de sociale context pas relevant.

Op een gegeven moment had G. in juli 2013 aan verzoeker een brief gestuurd waarin zij alles op een rijtje had gezet en waarin ze over het grootste deel van de zaak beslissingen had genomen. Er was echter nog één punt dat niet door haar kon worden afgehandeld. Dat betrof de aangifte van smaad/laster tegen de ex-echtgenote. Zij had informatie over het strafrechtelijk verleden van verzoeker verspreid. Van dat feit was wel bewijs en er was volgens G. een strafrechtelijke reactie aan de orde. Daar was echter nog informatie van de ex-echtgenote van verzoeker voor nodig. Zij moest daarvoor nog een keer door de politie worden gehoord. Dat verhoor moest in het Engels plaatsvinden en daar was een tolk voor nodig. Het verhoor en de uitwerking daarvan door de politie had achteraf bezien sneller en anders gekund. Als dat allemaal niet nodig was geweest dan had G. de zaak al in juli 2013 af hebben kunnen doen. Door de open eindjes heeft het langer geduurd (tot 23 oktober 2013) en door de open eindjes was er voor verzoeker aldoor de mogelijkheid om de correspondentie voort te zetten.

Verzoeker mocht het proces-verbaal van de aangifte tegen hem van ontucht niet van G. krijgen en deze aangifte ook niet komen inzien. Bij een sepot beslissing is het niet gebruikelijk om stukken te geven. Gelet op de haat en nijd tussen verzoeker en zijn ex-echtgenote en de belangen van zijn ex-echtgenote had G. reden om de aangifte niet aan verzoeker te verstrekken. Zij heeft dat dan ook geweigerd op grond van de Wet Justitiële en Strafvorderlijke Gegevens (Wjsg). G. had wel tegen verzoeker gezegd dat hij in het kader van een artikel 12 WvSv procedure bij het gerechtshof inzage zou kunnen krijgen. De rechter beslist dan vervolgens of die inzage wordt toegestaan.

VII. Standpunt minister van Veiligheid en Justitie

De minister van Veiligheid en Justitie liet op 2 november 2015 in reactie op het onderzoek van de Nationale ombudsman het volgende weten. De beslissing van de officier van justitie om de ex-echtgenote van verzoeker niet te horen, is niet door het gerechtshof afgekeurd. Het gerechtshof heeft de officier van justitie immers geen opdracht gegeven om opsporingshandelingen te verrichten. Het woord 'traineren' dat door verzoeker wordt gebruikt, impliceert volgens de minister moedwilligheid van de officier. Daarvan is naar zijn mening geen sprake.

De klacht dat de afhandeling van de strafzaken te lang heeft geduurd, acht de minister gegrond. Volgens de minister is daarvoor eerder excuses gemaakt aan verzoeker.

De minister stelt zich verder op het standpunt dat de omstandigheid dat de letterlijke tekst van de aangifte niet in het ambtsbericht aan het gerechtshof is overgenomen, niet inhoudt dat het gerechtshof geen kennis heeft kunnen nemen van de volledige aangifte. Het volledige strafdossier inclusief de aangifte van de ex-partner van verzoeker inzake kinderpornografisch materiaal en ontucht is naar het gerechtshof gestuurd. Daarmee heeft het gerechtshof kennis kunnen nemen van alle relevante feiten, meer in het bijzonder de specifieke gedragingen waarvan verzoeker door zijn ex-echtgenote werd beschuldigd. De belangen van verzoeker zijn naar het oordeel van de minister hierdoor niet geschaad. Gelet op deze feiten, het feit dat het schrijven van een ambtsbericht niet aan een vast format is gebonden en het aan de officier van justitie is op welke wijze zij de naar haar oordeel relevante feiten beschrijft en haar beslissing tot niet vervolging verduidelijkt, acht de minister de klacht op dit punt niet gegrond. In aanvulling hierop gaf de minister aan dat het ambtsbericht in een artikel 12 WvSv procedure een (in beginsel intern) document is dat bedoeld is om de advocaat-generaal te informeren over de beslissing om niet verder te vervolgen. Dat de aangifte niet letterlijk in het ambtsbericht is weergegeven of geen uitgebreidere samenvatting is gegeven, maakt niet dat er sprake is van verzwijgen of misleiding.

De minister stelt vast dat de zaaksofficier diverse keren heeft toegezegd dat voor een bepaalde datum de aangiften zouden zijn beoordeeld. Met de hoofdofficier constateert de minister dat deze toezeggingen niet zijn nagekomen. Voor de ontstane vertraging heeft de hoofdofficier bij diverse brieven excuses aangeboden. Op dit punt acht de minister de klacht gegrond.

Volgens de minister is er door de officier van justitie inderdaad een aantal brieven met vergelijkbare inhoud naar verzoeker gestuurd. Dat wil echter niet zeggen dat er niet zorgvuldig is omgegaan met de brieven van verzoeker. Het zijn steeds reacties geweest op herhaalde vragen van de zijde van verzoeker.

De minister stelt zich ten slotte op het standpunt dat de zaaksofficier de afhandeling van verzoekers aangifte tot het doen van een valse aangifte niet willens en wetens heeft getraineerd. Hiervoor zijn geen aanwijzingen gevonden in het dossier. Aangezien er over en weer aangifte was gedaan door verzoeker en zijn ex-echtgenote, was er sprake van complexe zaken. Bovendien heeft verzoeker gedurende de beoordeling meerdere malen nieuwe informatie verstrekt aan de zaaksofficier. Dit maakt dat een zorgvuldige beoordeling meer tijd heeft gekost dan gebruikelijk is.

De zaaksofficier heeft getracht de aangiften van zowel verzoeker als die van zijn
ex-partner met de grootst mogelijke zorgvuldigheid af te handelen en daarbij de belangen van verzoeker, ex-partner en hun zoon T. zo veel mogelijk mee te wegen. Op dit punt acht de minister de klacht niet gegrond.

In reactie op de bevindingen van het onderzoek van de Nationale ombudsman liet de minister van Veiligheid en Justitie nog het volgende weten. Correspondentie tussen zaaksofficieren en partijen zit niet per definitie in het strafdossier en wordt in dit kader ook niet per definitie voorgelegd aan het gerechtshof. Gelet op de inhoud van de brieven van 6 april 2011 aan de politie, een afschrift van deze brief aan het OM (d.d. 7 april 2011) en het rappel van de advocaat van de ex-echtgenote van verzoeker d.d. 21 april 2011 waren deze brieven ook niet relevant voor de inhoud van de strafzaak. Bovendien had de
ex-echtgenote van verzoeker al in persoon aangifte gedaan, hetgeen het startpunt was voor het strafrechtelijk onderzoek. Relevant is dat de brief van 6 april 2011 kennelijk niet door de ex-echtgenote van verzoeker is overlegd bij de aangifte. Nergens in de aangifte wordt melding gemaakt van het feit dat er een brief van de advocaat van de ex-echtgenote bij de aangifte gevoegd zou worden. De minister achtte dit ook niet vreemd aangezien de inhoud en strekking van de brief van de advocaat overeenkomt met de aangifte van de ex-echtgenote bij de politie.

Wél zijn voornoemde brieven in het dossier van de afdeling Beleid & Strategie van het parket Den Haag gevoegd maar dit dossier was verder niet bekend bij de zaaksofficier G. Gelet op de inhoud van de brieven was het voor G. en voor het onder haar resulterende onderzoek ook niet van belang. De minister benadrukt dat er geen brieven zijn verwijderd uit het strafdossier, ze waren slechts opgenomen in een dossier van Beleid & Strategie. Verzoeker gaf aan dat hij de brieven nog meerdere malen aan de zaaksofficier G. had overgelegd. Dit maakt volgens de minister bovenstaande conclusie niet anders; de brieven hadden geen meerwaarde t.o.v. de aangifte van 7 april 2011. Van belang is nog op te merken dat de aangifte van 7 april 2011 is voorgehouden aan het hof, aldus de minister.

Beoordeling

1. Ten aanzien van de weergave van de strafbare feiten in het ambtsbericht

Het is een vereiste van behoorlijk overheidsoptreden dat de overheid de burger de mogelijkheid geeft om zijn procedurele kansen te benutten en daarbij zorgt voor een eerlijke gang van zaken. Dit vereiste brengt met zich mee dat een ambtsbericht aan het Hof in het kader van een artikel 12 Wetboek van Strafvorderingsprocedure voldoende informatie bevat om de beslissing van het Openbaar Ministerie om een zaak te seponeren, te motiveren.

Volgens de minister is het ambtsbericht een intern stuk van de zaaksofficier van justitie dat bedoeld is voor de advocaat-generaal bij het gerechtshof. Hoewel een buitenstaander de indruk kan hebben dat het niet tot in detail vermelden van strafbare feiten van invloed zou kunnen zijn op de uiteindelijke beslissing van het gerechtshof, acht de Nationale ombudsman dit niet aannemelijk. Voor de uiteindelijke beoordeling van het beklag moet het gerechtshof immers kennisnemen van de door de politie opgemaakte processen-verbaal. Hierbij vormden het proces-verbaal van smaad/laster waarin de valse aangifte van ontucht en het vervaardigen van kinderpornografie werd beschreven en het proces-verbaal van de aangifte die de ex-echtgenote tegen verzoeker had gedaan, het uitgangspunt voor de beoordeling van het beklag. Op basis van deze informatie kan het gerechtshof zelfstandig tot het oordeel komen of verdere vervolging en eventueel nader opsporingsonderzoek noodzakelijk is of niet. De Nationale ombudsman merkt in dit verband op dat de processen-verbaal van de aangifte van ontucht en het vervaardigen van kinderpornografie en smaad/laster aanvankelijk niet in het dossier zaten dat door het OM bij het hof was aangeleverd. De ombudsman acht dit slordig aangezien deze informatie van groot belang is voor de uiteindelijke beoordeling van het beklag, dat daardoor vertraging opliep. Voor wat betreft het ontbreken van de correspondentie die tussen de zaaksofficier Van der L. en de advocaat van de ex-echtgenote van verzoeker was gevoerd, acht de Nationale ombudsman het, anders dan verzoeker, niet aannemelijk dat die gewicht in de schaal zou hebben gelegd. Bij de beoordeling van het beklag stond immers de aangifte centraal en niet de correspondentie die tot de aangifte had geleid.

In de beschikking van 12 februari 2015 gaf de raadkamer beklagzaken van het gerechtshof Den Haag expliciet aan dat zij kennis had genomen van de processen-verbaal van de politie en de aan het dossier toegevoegde stukken betreffende de zedenzaak waarin verzoeker als verdachte was aangemerkt. Verder heeft verzoeker in zijn klaagschrift en tijdens de zitting van het hof de mogelijkheid gekregen om voorafgaand aan de uiteindelijke beoordeling van het beklag zijn grieven expliciet mondeling onder de aandacht van de rechters te brengen.

Op basis van de bovenstaande bevindingen is de Nationale ombudsman van oordeel dat verzoeker door de beknopte weergave van de aangifte in het ambtsbericht, niet in zijn belangen is geschaad. De Nationale ombudsman is dan ook van oordeel dat de officier van justitie niet in strijd heeft gehandeld met het vereiste van fair play.

De gedraging is op dit punt behoorlijk.

2. Ten aanzien van het niet nakomen van de toezeggingen over de afdoening

De overheid moet eerlijk en betrouwbaar zijn. Het is een vereiste van behoorlijk

overheidsoptreden dat de overheid binnen het wettelijk kader en eerlijk en oprecht handelt, doet wat zij zegt en gevolg geeft aan rechterlijke uitspraken. Dit brengt met zich mee dat overheidsinstanties expliciet gedane toezeggingen nakomen.

De Nationale ombudsman stelt vast dat de zaaksofficier diverse keren aan verzoeker heeft toegezegd dat de aangiften voor een bepaalde datum zouden zijn beoordeeld. De Nationale ombudsman constateert dat deze toezeggingen niet zijn nagekomen. De zaaksofficier heeft dan ook gehandeld in strijd met het betrouwbaarheidsvereiste.

De gedraging is op dit punt niet behoorlijk.

3. Ten aanzien van het geven van dezelfde reactie op brieven

Het vereiste van goede informatieverstrekking houdt in dat de overheid ervoor zorgt dat de burger de juiste informatie krijgt en dat deze informatie klopt en volledig en duidelijk is. Zij verstrekt niet alleen informatie als de burger erom vraagt, maar ook uit zichzelf.

De Nationale ombudsman stelt vast dat verzoeker meerdere malen schriftelijk aan de zaaksofficier van justitie G. heeft gevraagd om in het bezit te worden gesteld van de processen-verbaal van de aangiften die tegen hem waren gedaan. De zaaksofficier heeft op 3 juli 2012 aan verzoeker laten weten dat zij de processen-verbaal waar verzoeker om vroeg, niet naar hem zou sturen. De Nationale ombudsman stelt verder vast dat verzoeker in de periode daarna iedere keer een ander belang aanvoerde, met het doel alsnog in het bezit te worden gesteld van de door hem verlangde processen-verbaal. Hij kon zich niet neerleggen bij de beslissing van de zaaksofficier om de processen-verbaal niet aan hem te verstrekken. In reactie daarop herhaalde de zaaksofficier haar weigering om de processen-verbaal te verstrekken telkens weer opnieuw. In zoverre werd er aldoor dezelfde reactie gegeven. De Nationale ombudsman acht de beslissing van de zaaksofficier G. om verzoeker niet de door hem verlangde processen-verbaal te verstrekken en het steeds gegeven antwoord hierop, niet onjuist. Op grond van deze conclusie acht de Nationale ombudsman de gedraging op dit punt behoorlijk.

Ten overvloede merkt de Nationale ombudsman het volgende op. Hoewel de processen-verbaal niet fysiek aan verzoeker hoefden te worden verstrekt, had hij naar het oordeel van de Nationale ombudsman echter wel gewezen kunnen worden op een alternatieve mogelijkheid. Verzoeker had het College van procureurs-generaal kunnen vragen of hij, op grond van artikel 39 i Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) inzage zou kunnen krijgen in de informatie die over hem was vastgelegd. Daarnaast had verzoeker erop gewezen kunnen worden dat hij via de privacy functionaris van de politie inzage zou kunnen krijgen in de processen-verbaal die op hem betrekking hadden. Op die manier had verzoeker na kennisname argumenten kunnen aanvoeren voor zijn standpunt dat de aangifte van ontucht- en het vervaardigen van kinderpornografie vals was. De Nationale ombudsman stelt op basis van de beschikbare informatie vast dat dit kennelijk niet is gebeurd en dat verzoeker pas tijdens de artikel 12 (Wetboek van Strafvordering) procedure inzage heeft gekregen bij het gerechtshof Den Haag. Als verzoeker op de boven beschreven mogelijkheden was gewezen dan was de correspondentie op dit punt mogelijk eerder gestopt.

De Nationale ombudsman stelt verder vast dat verzoeker meerdere malen aan de zaaksofficier G. heeft gevraagd om te worden geïnformeerd over de stand van zaken en de voortgang van het politieonderzoek naar zijn aangifte van smaad/laster. Zaaksofficier G. herhaalde in reactie daarop aldoor dat het onderzoek van de politie nog liep zonder daarbij aan te geven wat voor onderzoek er nog nodig was, waar dit onderzoek op gericht zou zijn en waarom het zo lang moest duren. Pas op 23 februari 2013 liet de zaaksofficier aan verzoeker weten dat de uitwerking van het verhoor van zijn ex-echtgenote enige tijd op zich had laten wachten. Voor wat betreft de herhaalde vraag met betrekking tot de voortgang van het politieonderzoek naar zijn aangifte van smaad/laster, is de Nationale ombudsman van oordeel dat deze vraag wel inhoudelijk had moeten worden beantwoord.

De Nationale ombudsman acht de informatieverstrekking aan verzoeker onvoldoende. Op grond van deze conclusie acht de Nationale ombudsman de gedraging op dit punt niet behoorlijk.

De Nationale ombudsman stelt ten slotte vast dat verzoeker meerdere malen heeft aangegeven dat hij het niet eens was met de beslissing van de zaaksofficier G. om de aangifte van ontucht en het vervaardigen van kinderpornografie met code 02 te seponeren. Zaaksofficier G. heeft in reactie daarop meerdere malen aan verzoeker laten weten waarom zij tot deze beslissing was gekomen. Verzoeker kon zich niet bij deze beslissing neerleggen. In dit verband merkt de Nationale ombudsman op dat zaaksofficier G. verzoeker in haar brief van 7 september 2012 nog heeft gewezen op de mogelijkheid om over de gebruikte sepotcode een klacht in te dienen bij de hoofdofficier van justitie.

Voor wat betreft het verzoek om de aangifte van ontucht en het vervaardigen van kinderpornografie met code 01 (onterecht als verdachte aangemerkt) te seponeren, kon de zaaksofficier naar het oordeel van de Nationale ombudsman volstaan met het herhaald geven van dezelfde reactie. De gedraging is op dit punt dan ook behoorlijk.

Alles overziend kon de zaaksofficier van justitie in haar correspondentie met verzoeker volstaan met het herhaald geven van dezelfde reactie op een aantal vragen. De Nationale ombudsman acht het niet verstrekken van informatie over de stand van het onderzoek, niet behoorlijk. Voor het overige acht de Nationale ombudsman de onderzochte gedraging overwegend behoorlijk.

4. Ten aanzien van het gedurende lange tijd niets doen met de aangifte van valse aangifte

Het vereiste van voortvarendheid houdt in dat overheidsinstanties slagvaardig en met voldoende snelheid optreden. Dit impliceert onder meer dat een aangifte door het Openbaar Ministerie binnen een redelijke termijn wordt afgehandeld.

De Nationale ombudsman stelt vast dat de aangifte die verzoeker op 25 juni 2011 tegen zijn ex-echtgenote had gedaan, primair is gericht op het strafbare feit smaad/laster. In deze aangifte wordt ter onderbouwing door verzoeker een reeks gebeurtenissen en valse aangiften, waaronder de valse aangifte van het vervaardigen van kinderporno van en het plegen van ontucht met zijn zoon T., chronologisch opgesomd en beschreven. Verder stelt de Nationale ombudsman vast dat er geen sprake is van een afzonderlijke, losstaande aangifte van valse aangifte van ontucht en het vervaardigen van kinderporno van T.

Uit het aangifte dossier smaad/laster blijkt dat de enige opsporingshandeling (het verhoor van verzoekers ex-echtgenote over het verspreiden van verzoekers dagboekaantekeningen) op 25 augustus 2012 heeft plaatsgevonden. Verder heeft de Nationale ombudsman vastgesteld dat de ex-echtgenote tijdens dit verhoor niet is bevraagd over de valse aangifte van het vervaardigen van kinderpornografie en het plegen van ontucht met hun destijds drie jarige zoon T. Gelet op de opmerking van de verhorend rechercheur in het proces-verbaal van verhoor dat hij niet gerechtigd was om de ex-echtgenote vragen te stellen over de pedofilie (de vermeende ontucht) omdat hij dat aan de speciaal opgeleide collega's van de zedenrecherche moest overlaten, acht de Nationale ombudsman dit niet vreemd. De verhorende rechercheur beschikte immers niet over de vereiste speciale deskundigheid om haar daarover vragen te mogen stellen.

In haar brief van 27 februari 2013 schreef zaaksofficier G. aan verzoeker dat zij, gelet op de complexe situatie, nader onderzoek naar sommige aangiften die valselijk zouden zijn gedaan, niet aangewezen achtte. Zij had daarom besloten om verzoekers aangifte ter zake het doen van valse aangifte op te leggen. Op basis van de informatie waarin de Nationale ombudsman tijdens het onderzoek bij politie en justitie inzage heeft gehad, kan worden geconcludeerd dat er geen enkel onderzoek heeft plaatsgevonden naar de 'aangifte' van valse aangifte van ontucht en kinderpornografie.

Alles in onderlinge samenhang beschouwd, komt de Nationale ombudsman tot de conclusie dat verzoeker in de periode tussen 25 juni 2011 tot en met 27 februari 2013 in de veronderstelling heeft verkeerd dat er onderzoek zou worden gedaan naar zijn aangifte van valse aangifte van ontucht en het vervaardigen van kinderpornografie. Achteraf bezien zou het beter zijn geweest als in een eerder stadium aan hem duidelijk zou zijn gemaakt dat naar die 'aangifte' geen onderzoek zou worden ingesteld. Omdat verzoeker niet duidelijk is gemaakt dat er naar zijn aangifte van valse aangifte geen onderzoek zou worden ingesteld, is de Nationale ombudsman van oordeel dat de officier van justitie in strijd heeft gehandeld met het vereiste van voortvarendheid.

De onderzochte gedraging is op dit punt niet behoorlijk.

5. Ten aanzien van het willens en wetens traineren van de afhandeling van de aangifte van het doen van valse aangifte

Het is een vereiste van behoorlijk overheidsoptreden dat de overheid integer handelt en een bevoegdheid alleen gebruikt voor het doel waarvoor deze is gegeven. Dit vereiste brengt met zich mee dat een officier van justitie de behandeling van aangiften niet opzettelijk vertraagt om een aangever in een slechte civielrechtelijke procespositie te brengen.

Complexiteit zaken

Tussen verzoeker en zijn ex-echtgenote is meerdere malen over en weer aangifte gedaan. Zaaksofficier van justitie G. heeft aangegeven dat deze aangiften vier feitencomplexen vormden die in elkaar grepen en om die reden tegelijk en niet afzonderlijk moesten worden afgedaan. Het gerechtshof Den Haag heeft in haar beschikking van 12 februari 2015 vastgesteld dat er sprake was van samenhang tussen alle aangiften die bij het beklag aan de orde waren, waaronder de aangifte van valse aangifte. Gelet op de complexiteit van de zaak en de samenhang met het klaagschrift van de ex-echtgenote van verzoeker, koos het gerechtshof er bovendien voor om het klaagschrift van verzoeker en zijn ex-echtgenote tegelijk op één zitting te behandelen.

Op grond van deze bevindingen acht de Nationale ombudsman het aannemelijk dat er goede redenen waren om de aangiften, behoudens de aangifte tegen verzoeker van ontucht en kinderpornografie, niet veel eerder afzonderlijk van elkaar middels een officiële vervolgingsbeslissing af te doen.

Aanleveren nieuwe informatie

Zaaksofficier G. heeft gesteld dat verzoeker aldoor veel nieuwe informatie in zijn brieven aanleverde en de beoordeling daardoor was vertraagd. Verzoeker spreekt dit tegen en stelt dat hij na zijn aangifte in juni 2011 en zijn aanvulling daarop in februari 2012 geen nieuw bewijsmateriaal heeft overgelegd. Uit decorrespondentie die verzoeker met de zaaksofficier heeft gevoerd, kan worden opgemaakt dat verzoeker nieuwe informatie heeft aangedragen die betrekking had op het gedrag van zijn ex-echtgenote. Hoewel deze informatie niet als bewijsmateriaal kan worden aangemerkt, was deze informatie (als context) klaarblijkelijk voor de zaaksofficier wel relevant en woog deze mee bij haar beoordeling van de aangiften. Dit wordt bevestigd door de mededeling die de zaaksofficier in haar brief van 3 juli 2012 aan verzoeker deed, dat nieuwe informatie van verzoeker van invloed kan zijn op het wegingsproces.

Gelet op het voorgaande acht de Nationale ombudsman het aannemelijk dat de zaaksofficier G. ook contextinformatie in de vorm van nieuwe ontwikkelingen in het conflict tussen verzoeker en zijn ex-echtgenote heeft meegewogen en dat het aanleveren van nieuwe contextinformatie een rol heeft gespeeld bij de vertraging van haar uiteindelijke beoordeling van alle over en weer gedane aangiften.


Laatste opsporingshandeling

De Nationale ombudsman stelt vast dat de enige en laatste opsporingshandeling, het horen van de ex-echtgenote van verzoeker via een Engelse tolk, op 25 augustus 2012 had plaatsgevonden. Vervolgens moest het verhoor dat was opgenomen, nog worden vertaald door de tolk waarna de vertaling door de verhorend rechercheur nog moest worden verwerkt in een proces-verbaal van verhoor. Op 7 september 2012 liet G. bij brief aan verzoeker weten dat zij de politie geen termijn had gegeven waarbinnen het onderzoek moest zijn afgerond. Naar haar oordeel was er bij verzoekers aangifte van smaad/laster (waarvan de 'aangifte' van valse aangifte van ontucht en het vervaardigen van kinderpornografie deel uitmaakte) geen sprake van een spoedeisend belang. De Nationale ombudsman stelt verder vast dat de zaaksofficier op 27 februari 2013 schriftelijk aan verzoeker heeft laten weten dat de uitwerking van het verhoor van zijn
ex-echtgenote enige tijd op zich had laten wachten. Vanaf dit moment had de zaaksofficier alle aangiften kunnen afdoen. Desondanks duurde het nog bijna acht maanden tot er door zaaksofficier G. op 23 oktober 2013 een formeel sepotbesluit naar verzoeker werd gestuurd. Op grond van deze bevindingen is Nationale ombudsman van oordeel dat de afdoening van bijna alle aangiften uiteindelijk veel langer heeft geduurd dan wenselijk kan worden geacht.

Is de lange duur opzettelijk veroorzaakt?

De vraag die ten slotte moet worden beantwoord, is of de afhandeling van verzoekers aangifte van het doen van valse aangifte willens en wetens door de zaaksofficier G. is getraineerd. Hoewel de lange duur in de beleving van verzoeker bewijs vormt voor het opzettelijk traineren (op de lange baan schuiven) van de afhandeling van zijn aangifte van valse aangifte, heeft de Nationale ombudsman hier tijdens het onderzoek geen enkel concreet aanknopingspunt voor gevonden. Gelet op het voorgaande zijn er andere factoren geweest die de lange duur hebben veroorzaakt. Voor het door verzoeker veronderstelde opzettelijk verwijderen van de brieven van 6 april 2011, 7 april 2011 en
21 april 2011, heeft de Nationale ombudsman geen aanwijzingen gevonden. Achteraf is gebleken dat deze brieven zich in een ander dossier bevonden van het parket waarin correspondentie tussen officieren van justitie en de advocaten van verdachten en aangevers wordt geregistreerd en opgeborgen. De brieven hebben derhalve nooit deel uitgemaakt van het strafdossier.

Alles in onderlinge samenhang beschouwd, komt de Nationale ombudsman dan ook tot de conclusie dat de zaaksofficier van justitie de afhandeling van verzoekers aangifte van het doen van valse aangifte niet willens en wetens heeft getraineerd. De zaaksofficier heeft het vereiste van integriteit niet geschonden.

De onderzochte gedraging is in zoverre behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van de officier van justitie van het arrondissementsparket Den Haag, die wordt aangemerkt als een gedraging van de Minister van Veiligheid, is:

gegrond voor wat betreft:

  • het niet nakomen van de toezeggingen over de afdoening;
  • het lange tijd niets doen met de aangifte van valse aangifte;

niet-gegrond voor wat betreft:

  • de weergave van de strafbare feiten in het ambtsbericht;
  • het geven van dezelfde reactie op brieven;
  • het willens en wetens traineren van de afhandeling van de aangifte van het doen van valse aangifte.

De Nationale ombudsman,

Reinier van Zutphen


Slotbeschouwing
 

In sommige zaken waarin gescheiden ouders met minderjarige kinderen niet meer met elkaar door één deur kunnen, kan de omgangsregeling als machtsmiddel worden ingezet om de ander emotioneel te treffen. In dat kader wordt door één of beide ex-partners geprobeerd om een slecht beeld neer te zetten van de ander. Dit in de hoop dat de civiele rechter dit mee laat wegen in zijn beslissing over het toekennen van het gezag over een minderjarig kind en het vaststellen van een omgangsregeling daarmee. Een manier waarop een slecht beeld van de ander kan worden geschetst, is door het doen van aangifte bij de politie. Deze aangiften worden vervolgens ingebracht tijdens de hiervoor genoemde civiele procedure. Hoewel er zeker aangiften zullen zijn die betrekking hebben op heftige uit de hand gelopen confrontaties, zijn er ook aangiften denkbaar die betrekking hebben op situaties die erger worden voorgesteld dan ze in werkelijkheid (bedoeld) waren. Hier is sprake van een grijs gebied waarin de vraag aan de orde komt of verdere vervolging gewenst is en welk doel daarmee wordt gediend. Het OM stelt zich op het standpunt dat het strafrecht niet is bedoeld om als instrument te worden gebruikt in een civielrechtelijk geschil over omgang en gezag. Om die reden kan er, zoals in het geval van verzoeker, door een officier van justitie worden besloten om bepaalde aangiften te seponeren met code 55 (gewijzigde omstandigheden). Deze beslissing is begrijpelijk omdat de capaciteit van opsporing en vervolging schaars is en er om die reden keuzen moeten worden gemaakt. Voor een ouder is het daarbij wel van groot belang dat de vervolgingsbeslissing voortvarend wordt genomen.

Bij beschuldigingen van zwaardere misdrijven, die volgens de ouder die verdacht wordt gemaakt, absoluut niet op waarheid berusten of ernstig uit hun verband zijn getrokken, kan het OM besluiten om bij gebrek aan getuigen of ander concreet belastend bewijsmateriaal, de betreffende aangifte te seponeren wegens gebrek aan bewijs. Hoewel hiermee in de strafrechtelijke procedure de kous af is, blijft de beschuldiging betwistbaar en daarmee bruikbaar in een civielrechtelijke procedure of kan van invloed zijn op het verkrijgen van een verklaring omtrent gedrag (VOG) benodigd voor (vrijwilligers)werk. Een ouder die dit overkomt, kan dit als uitermate unfair ervaren en er groot belang bij hebben dat de in het leven geroepen beschuldiging zo snel mogelijk uit de wereld wordt geholpen. Hoewel het vuur niet is vastgesteld kan de rook immers in juridische zin nog steeds worden waargenomen. Dit verklaart waarom een ouder zich vanuit een slachtofferrol gedwongen kan voelen om in reactie daarop een tegenaangifte te doen van het doen van valse aangifte en/of smaad/laster. De ouder is daarbij echter afhankelijk van de medewerking van de politie en het OM die daar, vanwege de moeilijke bewijsbaarheid daarvan, waarschijnlijk niet zo snel prioriteit aan zullen geven. De tegenaangifte wordt in dat geval dan eveneens geseponeerd maar de vraag blijft openstaan of de beschuldiging van ontucht, hoewel niet bewezen, reëel was. Gelet op de impact van beschuldigingen van ontucht, de veiligheid van het kind en het mogelijke effect van de beschuldiging op de civiele procedures, zou het de voorkeur verdienen om het Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken (LEBZ) standaard in te schakelen. Bij gerede twijfel aan de zuiverheid van een beschuldiging van ontucht zou de aangever/aangeefster door de politie en/of justitie bewust kunnen worden gemaakt van de strafrechtelijke consequenties daarvan, eventueel in de vorm van een voorwaardelijk sepot. Het strafrecht is immers niet bedoeld om karaktermoord te plegen.


Achtergrond

Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wsjg)

Artikel 18

"1. Onze Minister deelt een ieder op diens verzoek binnen vier weken mede of en zo ja

welke deze persoon betreffende gegevens in de justitiële documentatie zijn

vastgelegd.

2. Hij doet daarbij geen mededelingen in schriftelijke vorm, tenzij hij weigert een

mededeling te doen.

3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het verzoek en

de wijze van kennisneming."

Artikel 39i

"1. Het College van procureurs-generaal deelt een ieder op diens verzoek binnen vier

weken mede of en zo ja welke deze persoon betreffende strafvorderlijke gegevens

zijn vastgelegd.

2Artikel 18, derde lid, is van overeenkomstige toepassing."

Bijlage 1 Overzicht correspondentie tussen verzoeker en de zaaksofficier van justitie

Correspondentie van verzoeker

  • Brief van 9 september 2011
  • Brief van advocaat van verzoeker van 12 december 2011
  • Brief van verzoeker van 18 maart 2012
  • Brief van verzoeker van 3 mei 2012
  • Brief van verzoeker van 13 juli 2012
  • Brief van verzoeker van 5 september 2012
  • Brief van verzoeker van 23 november 2012
  • Brief van verzoeker van 8 maart 2013
  • E-mail van verzoeker van 16 april 2013
  • Brief van verzoeker van 1 mei 2013
  • Brief van verzoeker van 28 oktober 2013

Correspondentie van de zaaksoffcier

  • Gefaxte brief van 18 maart 2012 aan de advocaat van verzoeker
  • Brief van 3 april 2012
  • Brief van 24 april 2012
  • Brief van 7 september 2012
  • Brief van 3 juli 2012
  • Brief van 27 februari 2013
  • Brief van 23 oktober 2013 (voorwaardelijk sepot aangifte smaad gedaan op
    25 juni 2011 en 4 februari 2012)
  • Brief van 23 oktober 2013 sepot 02 aangifte van diefstal van persoonlijke informatie gedaan 25 juni 2011 en 4 februari 2012)
  • Brief van 23 oktober 2013 sepot (55) van aangifte van mishandeling, poging inbraak en vernieling van 1 maart 2010)
  • Brief van 20 februari 2014
  • Brief van 25 april 2014


Bijlage 2 Informatie Overzicht

2011

  • Verslag informatief gesprek zeden politie Haaglanden d.d. 20 januari 2011;
  • Proces-verbaal van aangifte d.d. 7 april 2011 PL1535 xxxx 017181 (aangifte tegen verzoeker van ontucht en het vervaardigen van kinderpornografie);
  • Brief van de advocaat van de ex-echtgenote van verzoeker aan de hoofdofficier van justitie d.d. 21 april 2011 met bijlage;
  • Politie mutatie van 5 juni 2011 waarin verslag wordt gedaan politieonderzoek naar aanleiding van telefonische melding die op 20 januari 2011 door
    ex-echtgenote werd gedaan over kinderpornografie;
  • Proces-verbaal van aangifte d.d. 25 juni 2011 PL1535 xxxx 148997 (verzoekers aangifte smaad en laster waarin vermelding wordt gemaakt van de valse aangifte van ontucht en het vervaardigen van kinderpornografie);

2012

  • Brief van verzoeker aan de hoofdofficier van justitie te Den Haag d.d. 2 februari 2012;
  • Brief van verzoeker aan het Gerechtshof Den Haag d.d. 15 maart 2012 met vier bijlagen;

2013

  • Brief van de hoofdofficier van justitie te Den Haag aan verzoeker d.d. 5 maart 2013;
  • Brief van verzoeker aan de hoofdofficier te Den Haag d.d. 10 maart 2013
  • Brief van de hoofdofficier van justitie te Den Haag aan verzoeker d.d. 21 maart 2013;
  • Klaagschrift van verzoeker inzake de artikel 12 WvSv procedure d.d. 26 augustus 2013;
  • Brief van de hoofdofficier van justitie te Den Haag aan verzoeker d.d. 30 oktober 2013;
  • Brief van verzoeker aan de hoofdofficier te Den Haag d.d. 6 november 2013;
  • Brief van de hoofdofficier van justitie te Den Haag aan verzoeker d.d. 3 december 2013;

2014

  • Ambtsbericht van zaaksofficier G. en officier van justitie en teamleider D. aan de hoofdofficier van justitie te Den Haag d.d. 20 februari 2014;
  • Klaagschrift van verzoeker inzake de artikel 12 WvSv procedure d.d. 21 mei 2014;
  • Proces-verbaal van de raadkamer beklagen zaken van het gerechtshof
    Den Haag d.d. 21 mei 2014;

2015

  • Brief van verzoeker aan de voorzitter van de raadkamer van het gerechtshof
    Den Haag d.d. 12 januari 2015;
  • Brief van verzoeker aan de voorzitter van de raadkamer van het gerechtshof
    Den Haag d.d. 27 januari 2015;
  • Brief van verzoeker aan de hoofdofficier van justitie te Den Haag d.d. 8 februari 2015;
  • Beschikking van de raadkamer beklagzaken van het gerechtshof Den Haag d.d. 12 februari 2015;
  • Brief van de hoofdofficier van justitie te Den Haag aan verzoeker d.d. 20 februari 2015;
  • Brief van verzoeker aan de hoofdofficier te Den Haag d.d. 23 februari 2015;
  • Brief van verzoeker aan het College van procureurs-generaal d.d. 24 februari 2015;
  • Brief van verzoeker aan de Nationale ombudsman van 25 februari 2015
  • Brief van de hoofdofficier van justitie te Den Haag aan verzoeker d.d. 3 maart 2015;
  • Brief van verzoeker aan het College van procureurs-generaal d.d. 6 maart 2015
  • Pleitnota van verzoeker t.b.v. interne klachtprocedure bij het OM d.d. 30 april 2015;
  • Brief van verzoeker aan de Nationale ombudsman d.d. 5 oktober 2015
  • Brief van de minister van Veiligheid en Justitie aan de Nationale ombudsman van 2 november 2015;
  • E-mail van verzoeker aan de Nationale ombudsman d.d. 10 november 2015;
  • Brief van verzoeker waarin hij reactie geeft op standpunt van de minister van Veiligheid en Justitie d.d. 25 november 2015;

2016

  • Wederhoor reactie van de minister van Veiligheid en Justitie op verzoekers reactie op het standpunt van de minister van Veiligheid en Justitie d.d. 8 januari 2016;
  • Verklaring van zaaksofficier van justitie G. tegenover twee medewerkers van de Nationale ombudsman ondertekend op 15 maart 2016;
  • Brief van verzoeker aan de Nationale ombudsman van 18 maart 2015;
  • Schriftelijke reactie van verzoeker (d.d. 31 maart 2016) op de verklaring die zaaksofficier van justitie G. tegenover twee medewerkers van de Nationale ombudsman had afgelegd;
  • Brief van verzoeker met bijlagen waarin hij een reactie geeft op de antwoorden van de minister van V&J in het kader van het onderzoek van de Nationale ombudsman, d.d. 31 maart 2016;
  • Word document van verzoeker Bewijs valse aangiftes 2009-2012; valse incest en kinderpornoaangifte;
  • Overzicht strafrechtelijke aangiftes 2008-2015 (tabel die is gemaakt door verzoeker;
  • Tijdslijn communicatie Openbaar Ministerie over vervolging valse aangifte versie 31-3-2016 (gemaakt door verzoeker).
Publicatiedatum
Rapportnummer
2017/036