2016/034 JBRA handelt niet transparant naar pleegvader door onvoldoende uitleg te geven over onderzoek

Een man zorgt al enige jaren voor de 10-jarige dochter van zijn ex-echtgenote. Jeugdbescherming Regio Amsterdam (JBRA) laat een onderzoek instellen naar de veiligheid van het meisje. De man klaagt dat hij zich al die jaren niet gesteund heeft gevoeld. Tevens heeft de JBRA zich niet bekommerd over zijn situatie destijds. De Nationale ombudsman vindt dat JBRA onvoldoende vooraf met de man heeft gecommuniceerd over het onderzoek en hem onvoldoende vooraf uitleg heeft gegeven. JBRA heeft hiermee onvoldoende transparant gehandeld.

Instantie: Jeugdbescherming Regio Amsterdam

Klacht:

niet bekommerd om de positie van verzoeker en wat dit voor hem betekende. De klacht, overwegingen en een deel van de uitspraak van de klachtencommissie genegeerd.

Oordeel: gegrond

Verzoeker zorgde al jarenlang voor Sofie1 en ving haar regelmatig op. Sofie woonde sinds december 2012 bij verzoeker. Jeugdbescherming Regio Amsterdam (JBRA) heeft begin juni 2014 een onderzoek laten instellen naar de veiligheid van Sofie bij verzoeker thuis. Dit zorgde voor wrijving tussen verzoeker en JBRA.

Het onderzoek van de Nationale ombudsman richt zich op de communicatie van JBRA met verzoeker rond de beslissing om onderzoek bij hem thuis te doen en hoe dit onderzoek aan hem is uitgelegd. De Nationale ombudsman vindt het in deze situatie van belang dat JBRA voorafgaande aan dit onderzoek duidelijk maakt welke zorgen JBRA heeft, wat JBRA van hem verwacht, en aan hem duidelijk maakt wat de gevolgen zullen zijn als hij niet aan deze verwachting tegemoet komt.

De Nationale ombudsman toetst aan het behoorlijkheidsvereiste van transparantie. De Nationale ombudsman geeft in dit onderzoek aan dat JBRA onvoldoende vooraf met verzoeker heeft gecommuniceerd over het onderzoek en hem hierover onvoldoende vooraf uitleg heeft gegeven.

Notes

[←1]
 

DE KLACHT

Verzoeker is al enige jaren betrokken bij de zorg voor Sofie1 het inmiddels 10-jarige kind van zijn ex-echtgenote. Hij klaagt er over dat JBRA zich niet heeft bekommerd om zijn positie en wat dit voor hem betekende. In dit verband klaagt hij erover dat de directeur van Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: JBRA) in de uitspraak van 5 januari 2015 op de klacht, de overwegingen en een deel van de uitspraak (onder andere dat JBRA onvoldoende de samenwerking heeft gezocht) van de klachtencommissie heeft genegeerd.

KADER VAN HET ONDERZOEK

Dit onderzoek gaat over een klacht van verzoeker, die al jarenlang regelmatig een kind (Sofie) heeft opgevangen dat niet van hem is, omdat de moeder niet in staat was om voor haar te zorgen. Nadat Sofie ongeveer anderhalf jaar bij hem woonde, heeft Jeugdzorg (JBRA, voorheen BJAA) een onderzoek laten uitvoeren om te bezien of Sofie bij hem veilig was. Dit zorgde voor wrijving tussen JBRA en verzoeker. Verzoeker had zich in de jaren daarvoor niet gesteund gevoeld door JBRA toen hij de zorg voor Sofie overnam van haar moeder. Hij vond dat JBRA zich niet heeft bekommerd om zijn positie en wat het voor hem betekende om voor Sofie te zorgen. Zo verloor hij in maart 2013 zijn baan, waarbij hij als oorzaak gaf dat hij de zorg voor Sofie niet kon combineren met zijn werk en in oktober 2013 werd hij, in het bijzijn van Sofie, slachtoffer van een ernstig incident in zijn woning.

De onafhankelijke klachtencommissie heeft in de interne klachtbehandeling opgemerkt dat de indruk bestaat dat JBRA onvoldoende de samenwerking met verzoeker heeft gezocht toen JBRA bij verzoeker onderzoek liet doen om te bezien of Sofie bij verzoeker veilig was. Het bestuur van JBRA gaat in de uitspraak op de klacht niet in op deze overwegingen van de klachtencommissie. Na bemoeienis van de Nationale ombudsman heeft JBRA aan verzoeker een brief gestuurd, waarin staat dat JBRA respect heeft voor het feit dat hij de zorg voor Sofie van haar moeder heeft overgenomen en JBRA de rol van verzoeker als opvoeder van Sofie erkent. Hiermee heeft JBRA verzoeker alsnog de erkenning gegeven voor zijn positie. De Nationale ombudsman spitst het onderzoek daarom toe op de manier waarop JBRA met verzoeker heeft gecommuniceerd over het onderzoek naar de situatie van Sofie bij verzoeker en hem heeft uitgelegd waarom JBRA dit traject wilde inzetten.

De wrijving tussen JBRA en verzoeker leidde er verder toe dat verzoeker tuchtrechtelijke procedures is gestart tegen medewerkers van JBRA, meerdere klachten over JBRA heeft ingediend en ook schadevergoeding van JBRA eist. Na een melding over de veiligheid van Sofie trok hij in oktober 2015 al deze procedures in. Deze ontwikkelingen blijven verder buiten het onderzoek van de Nationale ombudsman.

WAT GING ER AAN DE KLACHT VOORAF

1. De voorgeschiedenis

Sofie is de dochter van verzoekers ex-echtgenote. Na ingrijpen van de politie eind 2008 woonde Sofie in 2009 in een pleeggezin en sinds 2010 weer bij haar moeder. De politie trof Sofie vanaf 2010 een aantal malen verwaarloosd en in een onveilige situatie aan en bracht haar naar verzoeker. Sinds december 2012 woont Sofie (toen 7 jaar) permanent bij verzoeker. Zij beschouwt hem als haar vader. De rechter stelde Sofie in maart 2013 onder toezicht van (thans) JBRA en er kwam een gezinsmanager. In de gronden van deze beslissing staat onder meer genoemd de zorgelijke opvoedsituatie van Sofie bij haar moeder. Een uithuisplaatsing is niet geïndiceerd omdat verzoeker (stiefvader) met instemming van de moeder volledig voor Sofie zorgt en verantwoordelijk voor haar is.

2. Het onderzoek naar de opvoedsituatie bij verzoeker

Eind 2013 erkent verzoeker Sofie en krijgt verzoeker samen met de moeder van Sofie het ouderlijk gezag.

In november 2013 verleent de rechter een machtiging tot uithuisplaatsing (uhp) voor verblijf bij een pleegouder tot begin maart 2014 vanwege de zorgen over de situatie van Sofie's moeder.

De gezinsmanager meldt in haar rapport van 19 december 2013, na een huisbezoek, dat verzoeker samen met Sofie's moeder het gezamenlijk gezag heeft. Zij geeft aan dat Sofie bij verzoeker veilig is, maar dat terugkeer van Sofie naar haar moeder niet aan de orde is.

Zij schrijft ook in haar rapport dat Jeugdzorg een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling (ots) en uhp zal indienen. De reden hiervoor is onder meer het belaste verleden en het gevoel van onveiligheid van Sofie (vanwege het incident in oktober 2013), ondanks dat zij veel aandacht, zorg en structuur krijgt van haar stiefvader (verzoeker). De uhp was in eerste instantie aangevraagd, omdat het contact tussen Sofie en haar moeder moest worden beperkt. Het is nog onduidelijk hoe de veiligheid van Sofie op de lange termijn gegarandeerd gaat worden als Sofie wel weer contact met haar moeder heeft. Hiervoor is volgens de gezinsmanager een ots en uhp nodig.

Begin maart 2014 verlengt de rechter de ots en uhp bij een pleegouder voor de duur van één jaar. In deze beschikking staat dat verzoeker en Sofie's moeder zijn belast met de uitoefening van het gezag. Ook is vermeld dat Sofie in het kader van de ots uit huis is geplaatst en dat de gronden voor de ots en de gronden die hebben geleid tot het verlenen van de machtiging uhp nog aanwezig zijn.

Verzoeker schrijft de gezinsmanager per mail dat hij deze beslissing niet rechtsgeldig vindt omdat hij het gezag heeft en daarmee geen pleegvader meer is.

Begin februari 2014 en op 11 maart 2014 bezoekt de gezinsmanager verzoeker thuis. Mevrouw B. wordt de nieuwe gezinsmanager. Zij belt verzoeker op 8 mei 2014 voor een bezoek op 30 mei 2014. Die dag komt mevrouw B. met twee medewerkers van de pleegzorgbegeleiding bij verzoeker.

De gezinsmanager schrijft in haar rapport van 3 juni 2014 dat er sinds maart 2014 onvoldoende zicht is op de ontwikkeling en veiligheid van Sofie. JBRA zet Altra's Families First (hierna Altra) in om een onderzoek bij verzoeker in te stellen. JBRA wil namelijk weten hoe verzoeker zorgt voor de (emotionele) veiligheid van Sofie, of hij voldoende kan aansluiten bij haar behoefte en ontwikkeling, hoe hij haar ondersteunt in haar negatieve houding tegenover haar moeder, welke vervolghulp Sofie nodig heeft en welke rol haar moeder heeft. De gezinsmanager meldt dat dit nog niet is besproken met het gezin. Zij meldt verder dat stiefvader graag de regie neemt, zaken snel geregeld wil hebben en geen samenwerking mogelijk is als niet gebeurt wat hij wil. Als verzoeker niet meewerkt zal Sofie uit huis worden geplaatst.

Op 4 juni 2014 spreken de gezinsmanager en verzoeker elkaar telefonisch.

Op 5 juni 2014 komen twee medewerksters van Altra bij verzoeker thuis voor een startgesprek.

Op 10 juni 2014 bevestigt de gezinsmanager verzoeker per email wat er volgens haar op 30 mei 2014 is besproken. Zij schrijft dat zij op 30 mei 2014 tegen verzoeker heeft gezegd dat er geen zicht is op de veiligheid van Sofie en dat JBRA zo snel mogelijk zicht wil hebben op de thuissituatie, de (emotionele) veiligheid van Sofie bij hem en wat zij mogelijk in de toekomst nodig heeft. Zij wilde na dit gesprek in haar team overleggen welke hulpvorm wordt ingezet. Dat is Altra geworden, een intensieve hulpvorm. Deze kan snel starten en kan snel de vragen van JBRA beantwoorden. De gezinsmanager noemt de doelen uit het rapport van 3 juni 2014. Zij schrijft ook dat zij tegen verzoeker heeft gezegd dat Sofie uit huis wordt geplaatst als hij niet meewerkt, omdat de machtiging uhp nog steeds geldig is.

Verzoeker mailt de gezinsmanager op 12 juni 2014. Hij heeft van Altra gehoord dat dit het zwaarste en de meest intensieve wijze van onderzoek is. Hij wil uitleg van JBRA waarom zij voor dit traject heeft gekozen. Hij vraagt ook waarom dit middel niet is ingezet in de jaren toen Sofie echt in gevaar was.

Op 23 juni 2014 vindt een gesprek plaats tussen verzoeker en JBRA, onder andere met de huidige gezinsmanager en de teamleider. In een brief van 7 juli 2014 schrijft de teammanager dat is gesproken over verzoekers onvrede over de handelwijze en communicatie van JBRA en dat hij het rapport van 3 juni 2014 niet heeft ontvangen. De teammanager schrijft dat het duidelijk is dat hij last heeft van de strijd met JBRA. In deze brief bevestigt de teammanager dat een aantal afspraken zijn gemaakt: Altra zal onderzoek doen en als blijkt dat er geen zorgen zijn over de veiligheid, zal JBRA de rechter hierover informeren. Als de situatie veilig blijft, hoeft er geen uhp plaats te vinden en kan JBRA toewerken naar afsluiting van de ots.

Op 17 juli 2014 brengt Altra rapport uit. Altra is in dit rapport positief over verzoeker en adviseert om geen vervolg hulpverlening in te zetten. Altra gaat in het rapport in op de zorgen van JBRA. Altra geeft onder meer aan dat Sofie's moeder accepteert dat Sofie bij verzoeker opgroeit omdat zij ziet dat het daar goed gaat.

Daarna wil JBRA een borgingsplan opstellen. Verzoeker wil dat niet.

Verzoeker dient bij de rechter een verzoek in om opheffing van de ots en intrekking van de machtiging uhp. In november 2014 honoreert de rechter deze verzoeken.

3. De interne klachtbehandeling

Op 24 juli 2014 dient verzoeker een klacht in bij de Nationale ombudsman. Op verzoek van de Nationale ombudsman heeft JBRA deze klacht eerst zelf behandeld. Op 10 november 2014 doet de onafhankelijke klachtencommissie uitspraak.

De klachtencommissie behandelt onder andere de klachten dat JBRA zonder reden Altra heeft ingezet en heeft gedreigd Sofie op een neutrale plek te zullen plaatsen, en dat JBRA ondanks positief advies van Altra de ots en uhp nog steeds niet heeft beëindigd.

JBRA brengt onder meer naar voren dat Altra is ingezet om snel zicht te krijgen op Sofie. JBRA wilde dat er een goed borgingsplan kwam, zodat zij zeker wisten dat er geen zorgen meer waren over de opvoedsituatie bij verzoeker. Daarna gedroeg verzoeker zich zodanig dat JBRA zich afvroeg of de ots en uhp wel moesten worden beëindigd en keek nu of er redenen waren om de ots en de uhp, die tot maart 2015 lopen, te verlengen. JBRA vindt verzoeker dwingend, beschuldigend en soms niet respectvol.

De klachtencommissie overweegt onder meer dat zowel de positie van JBRA als van verzoeker is te begrijpen. Verzoeker heeft zich snel over de dochter van zijn
ex-echtgenote ontfermd toen bleek dat de moeder het kind niet kon verzorgen. Hij heeft zich voor haar ingezet, heeft zich daar veel moeite voor getroost. Hij is uiteindelijk met de moeder overeengekomen om Sofie te erkennen en het gezamenlijk gezag te verzoeken. Hij is er ook in geslaagd om het contact tussen Sofie en haar moeder weer te herstellen. Dit is zeer te respecteren. In zijn ogen kon Sofie eenvoudig bij hem wonen en was er geen reden voor verdere bemoeienis van JBRA.

JBRA kon kennelijk niet meteen vertrouwen hebben in verzoeker toen hij opdook. Wat daarvan de reden is geweest ligt buiten het bereik van deze klacht. Feit is dat verzoeker zich zonder reden buitenspel gezet heeft gevoeld en daar erg boos over is. Geleidelijk aan verschoof de houding van JBRA en ging JBRA verzoeker een plek toekennen in het leven van Sofie. Men bleef daarbij aan de voorzichtige kant en wilde zekerheid over de veiligheid van de plek. Ook dat is te begrijpen en te respecteren, en is de taak van JBRA. Kennelijk is het echter niet gelukt die zorgen met verzoeker te bespreken zonder hem het gevoel te geven dat hij werd aangevallen of op zijn minst niet werd erkend. De commissie laat zich niet uit over de vraag waaraan dat heeft gelegen. Verzoeker zelf heeft zich niet steeds even plezierig opgesteld, maar ook JBRA lijkt meer tegenover verzoeker te zijn blijven staan dan naast hem.

Over de klacht dat JBRA Altra heeft ingezet, zegt de klachtencommissie dat het JBRA vrij staat en dat JBRA zelfs verplicht is om heel zorgvuldig te onderzoeken wat de beste plek is voor een kind dat aan hun zorg is toevertrouwd. De klachtencommissie vindt de klacht ongegrond, met de kanttekening dat het de commissie voorkomt dat JBRA onvoldoende de samenwerking heeft gezocht en verzoeker onvoldoende erkenning heeft gegeven en daarmee zelf voor een deel de moeizame samenwerking heeft gecreëerd die nu zorgt dat JBRA twijfelt aan de juistheid van de beëindiging van ots en uhp.

ONDERZOEK VAN DE NATIONALE OMBUDSMAN

Op 27 augustus 2015 stuurt JBRA verzoeker een brief, waarin JBRA onder meer aangeeft respect te hebben voor het feit dat verzoeker de zorg van Sofie van haar moeder heeft overgenomen, en hem erkenning geeft voor zijn rol als vader.

De Nationale ombudsman vraagt in het kader van het onderzoek aan JBRA om, onderbouwd met stukken, aan te geven op welke wijze JBRA met verzoeker heeft gecommuniceerd en hem heeft geïnformeerd over de beslissing om Altra in te zetten en hoe deze beslissing is gemotiveerd.

1. Reactie JBRA

JBRA geeft in de reactie aan dat JBRA zich heeft gericht op de veilige ontwikkeling van Sofie, een meisje met een getraumatiseerde start van haar leven. Volgens JBRA blijkt uit de hierna vermelde informatie dat het inzetten van Altra een besluit is geweest naar aanleiding van het bericht dat de pleegzorgbegeleiding op 3 juni 2014 van rechtswege moest eindigen. De zorgen over de veiligheid van Sofie waren te groot om alle hulp af te sluiten en er was onvoldoende zicht op de thuissituatie omdat verzoeker deze niet wilde geven. JBRA stuurt geen stukken mee. JBRA geeft hierover aan dat JBRA niet kan voldoen aan het verzoek om inzage te geven in de contactjournaals en telefoonnotities over de inzet van Altra, omdat JBRA niet meer met contactjournaals werkt en geen telefoonnotities meer bijhoudt. Dit betekent niet dat JBRA niets meer registreert. JBRA houdt bij wanneer de gezinsmanager een gesprek heeft gehad en maakt daarvan een korte samenvatting.

Volgens JBRA heeft de gezinsmanager in december 2013, februari 2014 en maart 2014 verzoeker thuis bezocht. Tijdens het bezoek in december wil verzoeker volgens JBRA dat pleegzorgbegeleiding en JBRA meekijken naar de ontwikkeling van Sofie vanwege haar gevoel van onveiligheid. Volgens de gezinsmanager staat verzoeker achter de verlenging van de ots en de uhp. Tijdens het bezoek in februari spreken zij volgens JBRA over het belaste verleden van Sofie en over het risico van contact tussen Sofie en haar moeder. Verzoeker geeft aan dat het hem goed lijkt als Sofie's moeder uit het gezag wordt ontheven. Tijdens het bezoek in maart spreken zij volgens JBRA opnieuw over de zorgen om de veiligheid van Sofie.

Op 30 mei 2014 vindt een gesprek plaats bij verzoeker met de gezinsmanager en de pleegzorgbegeleiding. Volgens JBRA overhandigt verzoeker stukken waaruit blijkt dat hij het gezag heeft, zodat de pleegzorgbegeleiding moet stoppen. Volgens JBRA zijn er echter nog zorgen, omdat er geen zicht is op de thuissituatie, noch op de emotionele onveiligheid van Sofie. En ook zijn er zorgen over het afstoten van haar moeder. Volgens JBRA wordt ook besproken dat er geen goede samenwerking is met verzoeker en wil verzoeker meewerken om deze zorgen op te lossen.

Op 3 juni 2014 geeft de pleegzorgbegeleiding aan dat zij van rechtswege de pleegzorgbegeleiding moeten beëindigen. De gezinsmanager bespreekt de zorgen met haar team. Besloten wordt om Altra in te zetten. Als verzoeker hier niet aan meewerkt, zal overwogen worden om Sofie uit huis te plaatsen.

Op 4 juni 2014 neemt de gezinsmanager contact op met verzoeker om een intake van Altra af te spreken. Verzoeker geeft aan open te staan voor Altra omdat hij zo snel mogelijk van alle hulp af wil. Op 23 juni 2014 vindt een tussen evaluatie plaats.

Op 17 juli 2014 adviseert Altra om geen vervolghulp in te zetten.

2. Reactie verzoeker

Verzoeker geeft in reactie op de informatie van JBRA een andere lezing van de gesprekken en van de bedoeling van het onderzoek naar Sofie.

Hij ontkent dat hij tijdens het huisbezoek in december 2013 heeft gezegd dat hij tevreden zou zijn over een verlenging van een ots en uhp. Hij had Sofie immers zojuist erkend. Tijdens het bezoek begin februari 2014 bespreken zij volgens verzoeker dat het goed gaat met Sofie. Hij heeft met haar moeder afgesproken dat zij tot haar 18e jaar bij hem blijft wonen. Hij ontkent dat de moeder van Sofie afstand wilde doen van haar voogdij of gezag.

Volgens verzoeker spreken de gezinsmanager en de pleegzorgbegeleiding op 11 maart 2014 over de erkenning. De pleegzorgbegeleiding stopt aangezien hij geen pleegvader meer is. JBRA zou zich terugtrekken. Verzoeker vindt het erg vreemd dat JBRA niet zou weten dat hij Sofie had erkend en het gezamenlijk gezag heeft. Hij had alle communicatie ook aan JBRA gestuurd.

Over het gesprek op 30 mei 2014 geeft hij aan dat hij volledig inzage in de rapportage van Jeugdzorg wilde nu hij juridisch vader is. Hij kreeg toen te horen dat er geen rapportage was.

Verzoeker geeft aan dat hij het rapport van 3 juni 2014 van JBRA pas op 24 juni 2014 heeft gelezen. In reactie op dit rapport ontkent hij dat er geen contact was omdat hij huisbezoek tegenhield. JBRA had niet om een huisbezoek gevraagd. Hij vindt de doelen onzin. Hij hield Sofie niet bij haar moeder weg. Sofie zag haar moeder weer vanaf 27 april 2014 en dat was een prima weerzien. Hij had pas aan contactherstel gedaan na overleg met de behandelaar van haar moeder.

Hij betwist dat hij geen inzicht wilde geven in de situatie van Sofie. Als de gezinsmanager had willen weten hoe het met Sofie ging, had zij bij verschillende instanties zonder meer informatie kunnen inwinnen. Bovendien had JBRA al sinds 2005 inzicht in de situatie kunnen hebben, omdat de gezinsmanager al sinds 2011 diverse keren op huisbezoek was geweest en er ook veel contact was. Toen was de veiligheid van Sofie bij hem blijkbaar niet aan de orde.

Volgens verzoeker is Altra ingezet om de uhp van Sofie voor te bereiden, en moet hierover op 17 mei 2014 (en dus voor het gesprek op 30 mei 2014) een vergadering zijn geweest. Hij vindt het onjuist dat hierover niets in het rapport van 3 juni 2014 is opgenomen. Ook vindt hij onduidelijk welk gevaar hij vormde en vindt hij de onderbouwing in dit rapport van de reden voor het onderzoek onvoldoende, omdat hier alleen melding wordt gemaakt van allerlei zaken, zonder bronvermelding, die achteraf gezien onjuist blijken te zijn. Volgens verzoeker had de gezinsmanager op 4 juni 2014 tegen hem gezegd dat zij alleen wat dingen wilde checken. Als Sofie het goed maakte zou JBRA zich terugtrekken. Dat zou twee weken duren. Daarmee was hij akkoord.

Toen vervolgens op 5 juni 2014 twee medewerksters van Altra bij verzoeker thuiskwamen voor een startgesprek, bleek hem dat dit een veel zwaarder en intensiever traject was: van zes weken, drie uur per dag, drie dagen per week. En niet twee weken, zoals hij eerder dacht. Altra deelde hem mee dat de reden voor hun inzet onder meer was dat hij te bepalend was. Volgens verzoeker is het beslist niet juist dat hij het er mee eens was om zes weken mee te werken aan het zwaarste traject. Hij heeft meegewerkt onder bedreiging omdat Sofie anders uit huis zou worden geplaatst en onder protest.

Altra was vervolgens erg lovend over hem in het rapport van 17 juli 2014 en adviseerde geen vervolg hulpverlening. Hij wil nog steeds weten waarom Sofie niet veel eerder uit huis was geplaatst toen zij onveilig was en bij hem kon wonen. Hij had acht jaar lang zijn best gedaan voor een kind. Daarom was duidelijk dat hij veel om haar gaf. Daarnaast zorgde hij ongeveer 13 jaar voor zijn zieke ex-echtgenote.

Verzoeker vindt de brief van JBRA waarin JBRA hem erkenning geeft voor zijn rol als vader een loze brief, omdat hij opnieuw onterecht is beschuldigd, toen hij jeugdrapportages probeerde te bemachtigen. Hij is niet uit op erkenning. Hij wil opheldering over de handelwijze van JBRA.

BEOORDELING

Verzoeker zorgt al enige jaren voor Sofie, de dochter van zijn ex-echtgenote, omdat zij dat zelf niet kan. De pijn bij verzoeker zit in het punt dat hij hierbij in de beginperiode geen ondersteuning heeft ondervonden van JBRA, terwijl hij zelf in een moeilijke situatie verkeerde. Ook miste hij erkenning van JBRA voor zijn vrijwillige inzet om een verwaarloosd kind op te vangen. Daarna heeft hij zaken zelf geregeld en heeft hij samen met de moeder van Sofie het ouderlijk gezag gekregen. Op dat moment kreeg JBRA zorgen over de veiligheid van Sofie bij hem, terwijl JBRA voorheen alleen zorgen had over de veiligheid van Sofie bij haar moeder. Hierdoor ontstond wrijving tussen verzoeker en JBRA. Dit heeft geleid tot verzoekers klacht dat JBRA zich niet heeft bekommerd om zijn positie en wat het zorgen voor Sofie voor hem betekende.

De klachtencommissie beschreef deze eerdere periode en gaf ook aan dat zij de indruk heeft dat JBRA onvoldoende met verzoeker de samenwerking heeft gezocht bij het onderzoek of Sofie veilig was bij verzoeker. Deze beide punten vormden voor de Nationale ombudsman reden om te onderzoeken hoe JBRA met verzoeker heeft gecommuniceerd. Juist vanwege de complexe voorgeschiedenis is het van belang dat een overheidsinstantie open en duidelijk handelt.

Vanuit de kernwaarde van open en duidelijk overheidsoptreden, toetst de Nationale ombudsman het handelen van JBRA aan het behoorlijkheidsvereiste van transparantie.

Het vereiste van transparantie houdt in dat de overheid open en voorspelbaar is in haar handelen, zodat het voor de burger duidelijk is waarom de overheid bepaalde dingen doet. Dit brengt mee dat de overheid tijdig duidelijke informatie aan de burger verstrekt.

Het onderzoek van de Nationale ombudsman richt zich op de communicatie met verzoeker rond de beslissing van JBRA om (via Altra) onderzoek bij hem te doen en hoe dit onderzoek aan hem is uitgelegd. Het onderzoek van de Nationale ombudsman richt zich dus niet op de vraag of JBRA dit onderzoek mocht laten doen. De Nationale ombudsman sluit zich aan bij de mening van de klachtencommissie dat JBRA verplicht is om heel zorgvuldig te onderzoeken wat de beste plek is voor een kind dat aan hun zorg is toevertrouwd.

JBRA wilde laten onderzoeken of de situatie bij verzoeker thuis veilig was voor Sofie. JBRA gaf hiervoor als reden dat er sinds maart 2014 onvoldoende zicht was op de ontwikkeling en de veiligheid van Sofie, omdat verzoeker geen inzicht wilde geven in de thuissituatie en de pleegzorgbegeleiding bovendien op 3 juni 2014 moest eindigen, zodat er ook via deze weg geen zicht meer op Sofie zou zijn.

In deze situatie acht de Nationale ombudsman het van belang dat JBRA voorafgaande aan het onderzoek van Altra aan verzoeker duidelijk maakt welke zorgen JBRA heeft, wat JBRA van hem verwacht, en hem waarschuwt wat de gevolgen zullen zijn als hij niet aan deze verwachting tegemoet komt.

Uit het onderzoek is gebleken dat JBRA dit niet heeft gedaan. In het rapport van JBRA van 19 december 2013 staat dat Sofie bij verzoeker veilig is. JBRA heeft niet aangegeven dat tijdens de huisbezoeken in de periode van december 2013 tot maart 2014 aan verzoeker is gevraagd om inzicht te geven in de situatie bij hem thuis of dat is gezegd dat Sofie bij hem niet veilig zou zijn. Evenmin heeft JBRA aangegeven dat zij daarna, tussen 11 maart 2014 en 30 mei 2014, mondeling of schriftelijk zorgen over Sofie heeft geuit of heeft getracht om meer duidelijkheid te krijgen over de situatie van Sofie. Hieruit volgt dat JBRA verzoeker in de periode voor 30 mei 2014 kennelijk niet heeft benaderd. Dit betekent dat de aankondiging van JBRA op 30 mei 2014 om onderzoek te laten doen voor verzoeker vrij onverwacht zal zijn geweest.

Het is onduidelijk waarom JBRA niet eerder heeft geprobeerd meer duidelijkheid te krijgen over de situatie van Sofie. In het rapport van de gezinsmanager van 19 december 2013 staat immers dat verzoeker samen met de moeder van Sofie het ouderlijk gezag heeft. Het zou dan ook logisch zijn geweest als JBRA op dat moment al aan verzoeker duidelijk had gemaakt dat er via de pleegzorgbegeleiding geen zicht meer zou zijn op de situatie van Sofie bij hem thuis en dat JBRA van verzoeker verlangde dat hij dit inzicht zelf zou geven. Misschien heeft JBRA zich toen niet gerealiseerd dat de pleegzorgbegeleiding zou eindigen, maar dit kan verzoeker niet worden verweten

Bovendien is het onjuist dat JBRA verzoeker niet vooraf schriftelijk of per email duidelijk informatie heeft gegeven over de aard en intensiteit van het onderzoek.

Uit het voorgaande volgt dat JBRA onvoldoende vooraf met verzoeker heeft gecommuniceerd over het onderzoek van Altra en hem onvoldoende vooraf uitleg heeft gegeven over dit onderzoek. Hiermee heeft JBRA onvoldoende transparant gehandeld.

De onderzochte gedraging is niet behoorlijk.

BESCHOUWING

De Nationale ombudsman heeft zich in dit rapport vooral gericht op de communicatie tussen JBRA en verzoeker rond het onderzoek naar de situatie van Sofie bij verzoeker thuis en heeft geconstateerd dat die onvoldoende is geweest. De communicatie heeft een rol gespeeld in het proces van toenemende escalatie tussen JBRA en verzoeker. De Nationale ombudsman ziet dat JBRA een poging heeft gedaan om verzoeker tegemoet te komen door hem schriftelijk erkenning te geven voor zijn rol als vader. De Nationale ombudsman ziet echter ook dat dit voor verzoeker onvoldoende is, omdat verzoeker aangeeft dat hij niet meer open kan staan voor deze boodschap. Voor hem is er al teveel gebeurd en komt de erkenning te laat. Bovendien wordt deze boodschap overschaduwd doordat er kort na deze brief opnieuw (ditmaal na een melding bij Veilig Thuis) onderzoek bij hem wordt gedaan.

CONCLUSIE

De klacht over de onderzochte gedraging van JBRA is gegrond, wegens strijd met het vereiste van transparant overheidsoptreden.

De Nationale ombudsman

Reinier van Zutphen

Notes

[←1]

Gefingeerde naam

Publicatiedatum
Rapportnummer
2016/034