2010/058

Rapport

De dochter van verzoekster werd in 2007 onder toezicht gesteld van BJAA en uit huis geplaatst.

Verzoekster klaagde er onder meer over dat BJAA onvoldoende had getracht om te werkdoelen te behalen, die door BJAA waren vastgesteld in het op haar behoeften afgestemde plan van aanpak. Verder klaagde zij er onder meer over dat BJAA geen uitvoering had gegeven aan het advies van de RvK om een psychologisch onderzoek te laten afnemen.

De No overwoog dat hoewel al bij de eerste evaluatie in december 2007 was gebleken dat de werkdoelen nauwelijks waren gehaald, had BJAA geen nieuw plan van aanpak opgesteld, waarin de hulpverlening was bijgesteld. Ook had geen multidisciplinair overleg plaatsgevonden, waarin was besproken wat er met N. verder moest gaan gebeuren. Pas in april 2008 werd het volgende plan van aanpak opgesteld, waardoor onduidelijk was wat er in de tussentijd door BJAA was geïndiceerd.

Hierdoor kon worden gesteld dat BJAA niet voldoende had getracht om de werkdoelen te behalen. BJAA had niet de eindverantwoordelijkheid genomen toen al snel bleek dat de hulpverlening niet het gewenste effect had. Voorts was N. eind 2007 niet in een multidisciplinair overleg besproken.

Voorts overwoog No dat er voldoende reden was om het advies van de RvK op te volgen, om meer inzicht in de problematiek te krijgen.

De No achtte de gedragingen niet behoorlijk.

BJAA handelde in strijd met het vereiste van professionaliteit.

Instantie: Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam locatie Centrum/Oud-West

Klacht:

Onvoldoende getracht om werkdoelen te behalen die na ondertoezichtstelling van verzoeksters dochter zijn vastgesteld; geen psychologisch onderzoek aangevraagd ondanks advies Raad voor de Kinderbescherming.

Oordeel:

Gegrond

Instantie: Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam locatie Centrum/Oud-West

Klacht:

Niet in de eerste helft van 2008 om een machtiging tot gesloten plaatsing verzocht.

Oordeel:

Niet gegrond