2003/017

Rapport

Verzoeker, die slachtoffer is geworden van een gewapende roofoverval waarvan de verdachten waren gedagvaard, klaagt er over dat het arrondissementsparket te Utrecht hem in de brief van 15 januari 2001 heeft verzocht het in te vullen voegingsformulier binnen 8 dagen na dagtekening van die brief in te zenden en daarbij heeft bericht dat later inzenden administratieve en organisatorische problemen oplevert.

Voorts klaagt verzoeker er over dat het arrondissementsparket te Utrecht hem niet heeft geïnformeerd dat de tegen de beide verdachten geplande terechtzitting van 25 januari 2001 niet doorging.

Ten slotte klaagt verzoeker er over dat het arrondissementsparket te Utrecht hem niet op de hoogte heeft gesteld van het feit dat beide verdachten in hoger beroep zijn gegaan van het tegen hen op 3 mei 2001 gewezen vonnis.

Beoordeling

I. Inleiding

In de nacht van 15 oktober 2000 werd verzoeker in zijn woning te Utrecht overvallen door twee gewapende mannen. Kort daarna, op 24 oktober 2000, hield de politie de twee verdachten voor dit misdrijf aan. Het openbaar ministerie dagvaardde de verdachten op 12 januari 2001 om op 25 januari 2001 te verschijnen voor de meervoudige kamer van de arrondissementsrechtbank te Utrecht. Verzoeker ontving hiervan bericht op 15 januari 2001 met het verzoek het voegingsformulier voor slachtoffers ingevuld terug te sturen. Ter terechtzitting werd vervolgens besloten de zaak aan te houden tot een latere datum.

Op 3 mei 2001 wees de arrondissementsrechtbank te Utrecht het vonnis tegen beide verdachten. De arrondissementsrechtbank informeerde verzoeker vervolgens op 21 mei 2001 dat het vonnis tegen één van de verdachten onherroepelijk was geworden, en voegde een afschrift van dat vonnis bij de brief.

Op 15 september 2001 informeerde het ressortsparket te Amsterdam verzoeker dat beide verdachten hoger beroep hadden aangetekend.

II. Ten aanzien van het retour zenden van het voegingsformulier

1. Verzoeker klaagt er over dat het arrondissementsparket te Utrecht hem in de brief van 15 januari 2001 heeft verzocht het in te vullen voegingsformulier binnen 8 dagen na dagtekening van die brief in te zenden en daarbij heeft bericht dat later inzenden administratieve en organisatorische problemen zou opleveren. Verzoeker liet weten zich te storen aan deze zinsnede, en gaf aan zich als slachtoffer gegriefd te voelen.

2. De Minister van Justitie acht de klacht gegrond nu ten tijde van de behandeling van de zaak van verzoeker het nogal eens voorkwam dat de slachtoffermedewerkers pas zeer kort voor de zitting bij de meervoudige kamer werden geïnformeerd. Hierdoor kon het wel eens gebeuren dat slachtoffers weinig tijd hadden om voegingsformulieren in te vullen en terug te sturen. Hij gaf aan dat deze gang van zaken inmiddels is gewijzigd, nu de slachtoffermedewerkers een appointeringslijst krijgen die in de regel twee weken voor de zitting van de meervoudige kamer is vastgesteld. Aan de hand van deze lijst controleren de slachtoffermedewerkers of er nog slachtoffers zijn die moeten worden geïnformeerd. Bovendien is er sinds begin 2001 een voegingscontroleur aangesteld die de voortgang van zaken bewaakt waarin een slachtoffer bekend is, aldus de Minister.

3. De hoofdofficier van justitie liet weten te betreuren dat het in deze zaak kennelijk niet gelukt was om het slachtoffer meer tijd te geven om het formulier in te vullen.

4.1. Volgens artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering geschiedt de voeging voor de aanvang van de terechtzitting, uiterlijk voordat de officier van justitie in de gelegenheid is gesteld het woord te voeren. De memorie van toelichting op dit artikel stelt dat het voor voeging niet noodzakelijk is dat vervolging al is ingesteld (zie Achtergrond, onder B. en C.).

4.2. De Aanwijzing slachtofferzorg, vastgesteld door het college van procureurs-generaal (verder: het college; N.o.), geeft aan dat het verschaffen van begrijpelijke en relevante informatie aan slachtoffers een belangrijk element van correcte bejegening is. Verder is hierin onder meer bepaald dat indien het slachtoffer heeft aangegeven schadevergoeding te wensen en/of op de hoogte te willen blijven van de gehele gang van zaken volgend op de aangifte, het openbaar ministerie hem van voor hem relevante beslissingen in de strafzaak op de hoogte houdt. De aanwijzing schrijft onder meer voor dat indien een verdachte bekend is en de zaak ten parkette wordt ingeschreven, het slachtoffer daarvan "zo spoedig mogelijk" in kennis wordt gesteld. Zoals een werkgroep reeds in 1997 aan het college rapporteerde, rust op de overheid een verplichting om mensen die ongewild met een strafbaar feit in aanraking komen op een zorgvuldige en correcte wijze te bejegenen en informatie te geven, ook omdat dit de waarheidsvinding in strafzaken bevordert (zie Achtergrond, onder A. en D.).

5. Het staat vast dat de zaak op 26 oktober 2000 is ingeschreven op het parket. Verzoeker had daarvan zo spoedig mogelijk op de hoogte moeten worden gebracht. Dit is eerst gebeurd in de brief van 15 januari 2001, waarin verzoeker is gemeld dat op 25 januari 2001 een terechtzitting zou plaatsvinden.

Hoewel het begrijpelijk is dat die laatste mededeling niet eerder kon worden gedaan, is het niet juist dat van verzoeker niet zo spoedig mogelijk na 26 oktober 2000 een voegingsformulier is toegezonden. Een termijn van twee maanden en 20 dagen voor toezending van het voegingsformulier is, bezien vanuit het oogpunt van voortvarend handelen dat van de overheid mag worden verwacht, te lang, temeer nu van verzoeker op korte termijn werd gevraagd om het voegingsformulier met bewijsstukken retour te zenden.

De onderzochte gedraging is op dit punt niet behoorlijk.

6. Ten overvloede wordt het volgende overwogen. De Minister van Justitie heeft aangegeven dat, in tegenstelling tot de Aanwijzing slachtofferzorg, de interne handleiding van het Mavim-systeem en de gebruikelijke gang van zaken, verzoeker niet is gevraagd of hij prijs stelt op een gesprek met de officier van justitie. De reden hiervoor heeft het parket niet kunnen achterhalen. De Nationale ombudsman is van oordeel dat deze gang van zaken niet juist is.

III. Ten aanzien van het informeren over de terechtzitting van 25 januari 2001

1. Verzoeker klaagt er over dat het arrondissementsparket hem niet heeft geïnformeerd dat de tegen de beide verdachten geplande terechtzitting van 25 januari 2001 niet doorging. Verzoeker schreef dat hij van een rechercheur had vernomen dat de rechtszitting niet doorging omdat één van de verdachten een psychologisch onderzoek moest ondergaan. Hij klaagt er over dat als hij op eigen gelegenheid was gegaan, hij voor niets naar de zitting was gekomen.

2. De Minister van Justitie liet weten dat er sinds begin 2001 een voegingscontroleur op het parket te Utrecht is aangesteld, die de voortgang van zaken bewaakt waarin een slachtoffer bekend is. Echter, de Minister stelde vast de klachten van verzoeker gegrond te achten en, in navolging van de reeds door de hoofdofficier van justitie aangeboden excuses, de gehele gang van zaken te betreuren.

3. Vast is komen te staan dat de terechtzitting van 25 januari 2001 wél heeft plaatsgevonden, zij het dat de zaak op dat moment werd aangehouden vanwege een nog in te stellen psychiatrisch onderzoek bij één van de verdachten, terwijl de tweede verdachte een verklaring had getekend dat hij niet aanwezig zou zijn bij de terechtzitting. Gelet hierop mist verzoekers klacht feitelijke grondslag.

De onderzochte gedraging is op dit punt behoorlijk.

IV. Ten aanzien van het informeren over het hoger beroep

1. Verzoeker klaagt erover dat het arrondissementsparket te Utrecht hem niet op de hoogte heeft gesteld van het feit dat beide verdachten in hoger beroep zijn gegaan tegen het op 3 mei 2001 gewezen vonnis. Nadat hij in september 2001 door het ressortsparket te Amsterdam hierover was geïnformeerd, had hij bij brief van 17 oktober 2001 bij het parket te Utrecht om opheldering gevraagd en expliciet zijn verbazing geuit over het door beide verdachten ingestelde hoger beroep, terwijl de arrondissementsrechtbank te Utrecht hem op 21 mei 2001 had verteld dat het vonnis tegen één van de verdachten onherroepelijk was. Hij klaagt er over dat de hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket te Utrecht, ondanks het feit dat hij in zijn brief van 17 oktober 2001 hierop wees, bevestigde dat slechts één van de twee verdachten in hoger beroep was gegaan.

2. De Minister van Justitie laat weten de onjuiste mededeling van de hoofdofficier te betreuren en ook deze klacht gegrond te vinden.

3. Uit het antwoord van de hoofdofficier van justitie te Utrecht blijkt dat zij het strafdossier niet voorhanden had omdat het zich bij het ressortsparket bevond. Daarom volgde zij in haar reactie de informatie van verzoeker dat de griffie van de rechtbank op 21 mei 2001 aan verzoeker kenbaar had gemaakt dat het vonnis tegen één van de verdachten, namelijk tegen A., onherroepelijk was geworden. Zij liet weten dat door een achterstand bij het betrokken team verzoeker pas was geïnformeerd over het hoger beroep, nadat dat door de andere verdachte, namelijk Ho., was ingesteld. Zij bood haar excuses aan voor de ongelukkige gang van zaken.

4. De Aanwijzing slachtofferzorg stelt dat het verschaffen van begrijpelijke en duidelijke informatie een belangrijk element van een zorgvuldige en correcte bejegening van het slachtoffer is (zie Achtergrond, onder A.).

5. Vast staat dat de arrondissementsrechtbank Utrecht verzoeker bij brief van 21 mei 2001 inlichtte dat het vonnis jegens één van de verdachten onherroepelijk was geworden. Voorts staat vast dat het ressortsparket te Amsterdam verzoeker op 15 september 2001 informeerde over het door beide verdachten ingestelde hoger beroep. Ondanks dat verzoeker bij brief van 17 oktober 2001 op de inconsistente informatie wees, bevestigde de hoofdofficier van justitie te Utrecht bij brief van 6 december 2001 de informatie van de arrondissementsrechtbank te Utrecht. Nu verzoeker onjuist is voorgelicht over het hoger beroep, is niet tegemoetgekomen aan het vereiste van de Aanwijzing slachtofferzorg dat begrijpelijke en duidelijke informatie aan het slachtoffer moet worden verschaft en is het uit het zorgvuldigheidsbeginsel voortvloeiende vereiste van adequate informatieverstrekking geschonden.

De onderzochte gedraging is op dit punt niet behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van het arrondissementsparket te Utrecht, die wordt aangemerkt als een gedraging van de Minister van Justitie, is gegrond, behalve op het punt van het informeren over de terechtzitting op 25 januari 2001; op dit punt is de klacht niet gegrond.

Onderzoek

Op 5 november 2001 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer H. te Utrecht, met een klacht over een gedraging van het arrondissementsparket te Utrecht.

Nadat verzoeker bij brieven van 7 en 14 december 2001 en van 9 februari 2002 zijn verzoekschrift nader had aangevuld werd naar deze gedraging, die wordt aangemerkt als een gedraging van de Minister van Justitie, op 13 maart 2002 een onderzoek ingesteld.

In het kader van het onderzoek werd de Minister van Justitie verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben.

Tijdens het onderzoek kregen betrokkenen de gelegenheid op de door ieder van hen verstrekte inlichtingen te reageren.

Tevens werd de Minister van Justitie een aantal specifieke vragen gesteld.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen.

Noch de Minister van Justitie noch verzoeker gaf binnen de gestelde termijn een reactie.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:

A. feiten

1. In de nacht van 15 oktober 2000 werd verzoeker in zijn woning te Utrecht overvallen door twee gewapende mannen. Naar aanleiding van zijn aangifte hield het regionale politiekorps Utrecht op 24 oktober 2000 beide verdachten aan.

2. Bij brief van 15 januari 2001 liet het arrondissementsparket te Utrecht verzoeker weten dat de verdachten waren gedagvaard voor de zitting van de meervoudige kamer van de arrondissementsrechtbank te Utrecht op 25 januari 2001. Voorts stond in deze brief onder meer het volgende vermeld:

"Op de dagvaarding van de verdachte staat het feit waardoor u werd benadeeld. Indien u nog schade heeft die op geen andere wijze vergoed wordt en die u op de verdachte wenst te verhalen, kunt u in de strafzaak een vordering tot schadevergoeding indienen. Daartoe dient u het bijgevoegde voegingsformulier volledig ingevuld aan mij terug te sturen.

Zodra ik het formulier heb ontvangen heeft u zich officieel als benadeelde partij in het strafproces gevoegd. De rechter zal bij de behandeling van de strafzaak een beslissing nemen over uw vordering.

Ik verzoek u vriendelijk het formulier binnen 8 dagen na dagtekening van deze brief in te zenden. Later inzenden levert administratieve en organisatorische problemen op.

Van alle schadeposten dient u zoveel mogelijk bewijsstukken (…) mee te sturen."

3. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 25 januari 2001 vermeldt dat er een zitting heeft plaatsgevonden, maar dat deze werd aangehouden tot een later tijdstip vanwege de noodzaak van een psychiatrisch onderzoek van één van de verdachten, en vanwege het niet verschijnen van de andere verdachte. Opgemerkt werd dat verzoeker diende te worden opgeroepen voor de hervatting van de strafzaak.

4. Op 3 mei 2001 veroordeelde de meervoudige kamer van de arrondissementsrechtbank te Utrecht beide verdachten tot een gevangenisstraf en tot het betalen van een schadevergoeding aan verzoeker. Verzoeker werd door de arrondissementsrechtbank te Utrecht bij brief van 21 mei 2001 op de hoogte gesteld van het onherroepelijke vonnis tegen één van de verdachten, namelijk A., onder vermelding van onder meer het volgende:

"Hierbij doe ik u toekomen een afschrift van het vonnis van de rechtbank Utrecht waarin u zich als benadeelde partij heeft gesteld.

Het vonnis is onherroepelijk geworden en kan ten uitvoer worden gelegd. (…)

U zult te zijner tijd van het parket van de officier van justitie nog nader schriftelijk geïnformeerd worden. Mocht u daarna nog vragen hebben dan kunt u zich wenden tot het Slachtoffer Informatie Loket bij het parket."

5. Bij brief van 17 oktober 2001 aan het arrondissementsparket te Utrecht schreef verzoeker onder meer het volgende:

"Groot was mijn verbazing toen ik op 15-09-2001 een brief ontving van het Openbaar Ministerie Ressortsparket Amsterdam dat de heren A. en Ho. in hoger beroep zijn gegaan en maar niet te spreken van wat er allemaal bij ondergetekende naar boven komt.

Van (…), Bureau Rechtshulp Utrecht, heb ik vernomen dat de uitspraak gedateerd van 18-05-2001 (kennelijk bedoelt verzoeker; 3 mei 2001; N.o.) niet verzonden had mogen worden.

Tevens had het parket toegezegd mij nog een excuusbrief te schrijven, tot op heden heb ik nog niets vernomen vandaar mijn reactie.

Ik voel mij als slachtoffer gegriefd en krijg het gevoel door Justitie in de steek gelaten te zijn. Je moet zelf maar proberen je zaken te regelen en traumatische ervaring te verwerken. Voor bovengenoemde heren wordt alles geregeld.

Op 15-01-2001 heb ik een brief ontvangen (…), of ik maar binnen 8 dagen na dagtekening van voornoemde brief, het schadeformulier wilde insturen met de door mij geleden schade.

Ik citeer letterlijk uit de brief van 15-01-2001, 'Later inzenden levert administratieve en organisatorische problemen op.' Einde citaat.

Een excuus brief op korte termijn is niet mogelijk.

De zitting werd verdaagd, omdat een van de verdachten nog een psychologisch onderzoek moest ondergaan. Ik had een afspraak gemaakt met de rechercheurs om naar de rechtszitting te gaan. Was ik op eigen gelegenheid gegaan en niet met de rechercheurs, dan was ik voor niets gekomen.

En nu moet ik via Amsterdam vernemen dat de heren in hoger beroep zijn gegaan."

6. Verzoeker ontving op 6 december 2001 van de hoofdofficier van justitie te Utrecht het antwoord op zijn brief van 17 oktober 2001, dat onder meer het volgende behelsde:

"Op 15 oktober 2000 bent u slachtoffer geworden van een ernstig misdrijf. Hiervoor zijn twee verdachten aangehouden. Kort voor de geplande zitting van 25 januari jl. ontving u een brief van mijn parket waarin u werd gevraagd om binnen acht dagen een schadeformulier retour te zenden. Ik realiseer mij dat dit een korte termijn is, maar in de praktijk blijkt het niet altijd goed mogelijk om het toezenden van een door het slachtoffer in te vullen schadeformulier ruimschoots voor de zitting te verzorgen. De slachtoffermedewerkers op mijn parket doen evenwel hun best om de slachtoffers zoveel mogelijk tijd te geven om de formulieren in te vullen. Dat dat in uw geval kennelijk niet gelukt is, betreur ik.

Eveneens betreur ik het dat u door mijn parket kennelijk niet tijdig op de hoogte bent gesteld van het uitstellen van de zitting van 25 januari jl. Hoe dit zo heeft kunnen komen heb ik niet kunnen nagaan, mede omdat het strafdossier dat op deze zaak betrekking heeft zich nog bij het ressortsparket te Amsterdam bevindt.

Op 3 mei jl. zijn beide verdachten door de rechtbank Utrecht veroordeeld tot een gevangenisstraf en tot het betalen van een schadevergoeding aan u van in totaal ƒ 2.912,67. Verdachte Ho. is in hoger beroep gegaan, verdachte A. is niet in hoger beroep gegaan tegen het vonnis in de zaak waarin u slachtoffer bent. Dit vonnis is op 18 mei jl. onherroepelijk geworden en is u, zo maak ik uit uw brief op, door de griffie van de rechtbank toegezonden. In dit verband kan ik de opmerking van (…) het Bureau rechtshulp, dat de uitspraak tegen A. niet had mogen worden verzonden, niet goed plaatsen.

Pas na de behandeling van het hoger beroep tegen verdachte Ho. door het gerechtshof Amsterdam, werd u door mijn parket geïnformeerd over het feit dat er hoger beroep was ingesteld. Deze te late toezending is het gevolg van een tijdelijke achterstand, bij het betrokken team, in de verwerking van zaken waarin hoger beroep is ingesteld. Voor deze ongelukkige gang van zaken bied ik u mijn excuses aan.

Van het ressortsparket heb ik vernomen dat de veroordeling van Ho. bij het Gerechtshof in stand is gebleven. De zaak is inmiddels overgedragen aan het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB) te Leeuwarden, dat is belast met het innen, voor u, van de schadevergoeding van ƒ 2912,67.

Indien er ontwikkelingen zijn bij het innen van de schadevergoeding, meldt het CJIB dat aan het ressortsparket Amsterdam en aan mijn parket.

Vervolgens zal de slachtoffermedewerkster van het ressortsparket u op de hoogte brengen van eventuele inningsperikelen in de zaak Ho. en de slachtoffermedewerker van mijn parket zal u op de hoogte brengen van eventuele inningsperikelen in de zaak A. Het ressortsparket zal ik ook een kopie van deze brief sturen.

Ik kan mij voorstellen dat u als slachtoffer teleurgesteld bent over de wijze waarop u door mijn parket op de hoogte bent gehouden van het verloop van de strafzaak tegen de beide verdachten. Met het bovenstaand heb ik getracht enige uitleg te geven. Mocht u desondanks nog vragen hebben, dan verneem ik dat graag."

B. Standpunt verzoeker

1. Het standpunt van verzoeker staat samengevat weergegeven onder Klacht en staat voorts vermeld onder A. Feiten, onder 5.

2. Bij brief van 5 november 2001 schreef verzoeker ter onderbouwing van zijn klacht onder meer het volgende:

"Op 15-01-2001 heb ik een brief van Justitie Utrecht ontvangen (…) of ik maar binnen 8 dagen na dagtekening van deze brief, het schadeformulier ingevuld retour wilde sturen. Het citaat uit die brief waar ik mij het meest aan stoorde was: 'Later inzenden levert administratief en organisatorische problemen op.' Dankzij de hulp van (…) Bureau Rechtshulp te Utrecht is alles nog op tijd bij Justitie gekomen.

Beide verdachten zouden op 25-10-2000 (25-01-2001; N.o.) voorkomen, in overleg met 2 rechercheurs van voornoemd bureau zou ik naar de zitting gaan. Op die bewuste dag heeft mijn vertrouwen in Justitie een deuk opgelopen. Via een van de rechercheurs heb ik vernomen dat de bewuste rechtszitting niet doorging aangezien een van de verdachten nog een psychologisch onderzoek moest ondergaan. Had ik op eigen gelegenheid gegaan, dan was ik voor niets gegaan."

3. Verder deelde verzoeker bij brief van 14 december 2001 nog het volgende mee:

"In de brief van 06-12-2001 van het Arrondissementsparket Utrecht Stafteam wordt gesteld dat één van de verdachten in hoger beroep is gegaan. Uit het extract Arrest blijkt dat beiden in hoger beroep zijn gegaan.

De brief van 06-12-2001 heeft mij als slachtoffer nog steeds niet het gevoel gegeven dat het Arrondissementsparket Utrecht Stafteam niet echt de moeite heeft genomen mij een excuus brief te sturen, ik vind het meer een opsomming van de feiten."

C. Opening onderzoek

Op 13 maart 2002 opende de Nationale ombudsman het onderzoek naar de gedraging en stelde de volgende specifieke vragen aan de Minister van Justitie:

"Wanneer is de zaak tegen de verdachten van de overval op verzoeker op het parket te Utrecht ingeschreven?

Wanneer is verzoeker in kennis gesteld van die inschrijving?

Heeft het arrondissementsparket verzoeker gevraagd of hij prijs stelt op een gesprek met de behandelend officier van justitie?

Heeft het openbaar ministerie onderzocht of er een schadebemiddeling tussen verzoeker en de verdachten in gang kon worden gezet. Zo ja, op welke wijze is dat gebeurd? Zo nee, wat is hiervoor de reden geweest?

Wanneer zijn de verdachte(n) gedagvaard?

Heeft het openbaar ministerie verzoeker op de hoogte gebracht van de beslissing tot het vervolgen van de verdachten? Indien dat het geval is geweest, verneem ik graag wanneer en op welke wijze dat is gebeurd.

Bestaat er op het arrondissement te Utrecht een protocol over de wijze waarop dient te worden omgegaan met zaken waarin slachtoffers van delicten zich hebben gevoegd als benadeelde partij?

Welke taken zijn er in verband met het voorgaande toebedeeld aan het Slachtoffer Informatie Loket van het arrondissementsparket te Utrecht?

Welk onderdeel van het openbaar ministerie is verantwoordelijk voor het verstrekken van informatie aan het slachtoffer over het instellen van hoger beroep door de verdachte?"

D. Standpunt Minister van Justitie

1. In reactie op verzoekers klacht en op de vragen van de Nationale ombudsman deelde de Minister van Justitie bij brief van 3 mei 2002 onder meer het volgende mee:

"Bij brief van 13 maart 2002, (…), heeft u gevraagd om een reactie op de klacht van de heer H. (verzoeker; N.o.) te Utrecht. Verzoeker, die slachtoffer is geworden van een gewapende roofoverval waarvan de verdachten waren gedagvaard, klaagt er over dat het arrondissementsparket te Utrecht hem in de brief van 15 januari 2001 heeft verzocht het in te vullen voegingsformulier binnen 8 dagen na dagtekening van die brief in te zenden en daarbij heeft bericht dat later inzenden administratieve en organisatorische problemen oplevert. Voorts klaagt verzoeker er over dat het arrondissementsparket te Utrecht hem niet heeft geïnformeerd dat de tegen de beide verdachten geplande terechtzitting van 25 januari 2001 niet doorging. Tenslotte klaagt verzoeker er over dat het arrondissementsparket te Utrecht hem niet op de hoogte heeft gesteld van het feit dat beide verdachten in hoger beroep zijn gegaan van het tegen hen op 18 mei (lees: 3 mei; N.o.) gewezen vonnis. Voorts verzoekt u mij in te gaan op een 9-tal vragen.

Naar aanleiding van uw brief heb ik het College van procureurs-generaal (hierna: het College) om inlichtingen gevraagd.

Het College verwijst in de eerste plaats in reactie op de klacht naar de brief van de hoofdofficier van justitie te Utrecht d.d. 6 december 2001, die zich bij de stukken bevindt.

In aanvulling daarop is het College uit inlichtingen van de hoofdofficier van justitie gebleken dat ten tijde van de behandeling van de onderhavige zaak het bij het arrondissementsparket nogal eens voorkwam dat de slachtoffermedewerkers pas zeer kort voor de zitting bij de meervoudige kamer werden geïnformeerd. Hierdoor kon het vervolgens gebeuren dat slachtoffers, zoals ook in het geval van de heer H., weinig tijd hadden om voegingsformulieren in te vullen en terug te sturen. Deze gang van zaken is inmiddels gewijzigd. De slachtoffermedewerkers op het parket Utrecht krijgen nu zelf een zogeheten appointeringslijst zodra deze door de rechtbank is vastgesteld. In de regel is dat twee weken voor de zitting van de meervoudige kamer. Aan de hand van deze lijst controleren zij of er slachtoffers zijn die nog moeten worden geïnformeerd. Tevens is er begin vorig jaar een voegingscontroleur op het parket Utrecht aangesteld, die de voortgang van de behandeling bewaakt van zaken waarin een slachtoffer bekend is.

Voorts bericht het College nog dat de mededeling aan de heer H. in de brief van de hoofdofficier van justitie d.d. 6 december 2001, dat verdachte A. niet in hoger beroep is gegaan, onjuist is, zoals ook moge blijken het uit arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 7 november 2001. Het College betreurt dat deze onjuiste mededeling is gedaan. De heer H. is bij brief van 29 januari jl. (…) door (…) het ressortsparket Amsterdam over de uitkomst van het hoger beroep en over het in gang gezette executietraject geïnformeerd.

De klachten van de heer H. acht het College gegrond. In navolging van de reeds door de hoofdofficier van justitie bij brief van 6 december 2001 aangeboden excuses, hecht ook het College er aan op te merken de gehele gang van zaken te betreuren.

De antwoorden op de 9 specifiek door u gestelde vragen luiden als volgt:

De zaak tegen de verdachten is op 26 oktober 2000 ingeschreven op het parket Utrecht.

Bij brief van 15 januari 2001, (…), is de heer H. in kennis gesteld van de inschrijving van de zaak op het parket Utrecht.

Nee, anders dan de Aanwijzing slachtofferzorg en een interne handleiding (zie hierna onder 7) voorschrijven, en in tegenstelling tot de gebruikelijke gang van zaken op het parket Utrecht, is de heer H. in deze zaak niet gevraagd of hij prijs stelt op een gesprek met de officier. De reden hiervoor heeft het parket niet kunnen achterhalen. Overigens is de heer H. gedurende het onderzoek regelmatig op de hoogte gehouden door de recherche.

De mogelijkheid van schadebemiddeling is door het parket Utrecht om niet meer te achterhalen reden niet onderzocht. Om op een relatief eenvoudige wijze zijn schade te kunnen verhalen, heeft het parket de heer H. evenwel in de gelegenheid gesteld om zich te voegen als benadeelde partij. Van deze gelegenheid heeft hij - met succes -gebruik gemaakt.

Op 12 januari 2001 is de dagvaarding voor de zitting van 25 januari 2001 aan beide verdachten in persoon betekend. De dagvaardingen voor de volgende zitting zijn in persoon betekend op 12 maart en op 19 april 2001.

De heer H. is middels de (…) brief van 15 januari 2001 op de hoogte gebracht van de vervolgingsbeslissing.

Op het parket Utrecht wordt sinds vorig jaar gebruik gemaakt van een systeem voor de Methodische Aanpak van Informatiemanagement (Mavim). Mavim biedt alle medewerkers de mogelijkheid om op een eenvoudige manier de werkprocessen (diverse procesbeschrijvingen, werkinstructies, afspraken, richtlijnen en wetgeving) geautomatiseerd te raadplegen. Sinds het najaar van 2001 is ook het proces van de behandeling van slachtofferzaken opgenomen in Mavim. Een uitdraai van de tekst uit Mavim over slachtofferzaken treft u bijgaand aan. Daarin staat overigens onder andere opgenomen (onder "versturen gevraagde informatie, handelingen") dat slachtoffers van ernstige delicten zonodig moeten worden uitgenodigd voor een gesprek.

Het slachtofferinformatieloket (SIL) is een telefonische helpdesk voor slachtoffers, in het leven geroepen om te voorkomen dat zij door de politie/OM/slachtofferhulp van het kastje naar de muur worden gestuurd. Het SIL benadert slachtoffers dus niet actief. Voor meer informatie over de werkwijze van het SIL in Utrecht verwijst het College naar bijgevoegde brochure.

De medewerkers van de afdeling executie van het arrondissementsparket laten de slachtoffermedewerkers van het arrondissementsparket weten dat er hoger beroep is aangetekend, waarna de slachtoffermedewerkers van het arrondissementsparket de betrokken slachtoffers daarover informeren.

Ik deel het standpunt van het College."

2. De Minister voegde bij zijn reactie een uitdraai uit het zogenoemde Mavim-systeem, waarin onder meer het volgende wordt vermeld:

"Versturen gevraagde informatie

Handelingen

- Verstuur een brief met de zittingsdatum aan het slachtoffer

- overdracht naar/van ander arrondissement

- bij ernstige delicten, schorsing/opheffing voorl. Hechtenis

- Verstuur wanneer de strafzaak gevoegd is een ad-info-brief aan het slachtoffer

- Verstuur bij een OM-afdoening de toepasselijke brief. (…)

- bij ernstige delicten zo nodig/wenselijk een uitnodiging voor een gesprek

- een vonnisbrief

- slachtofferverklaringen (door Bureau Slachtofferhulp en OvJ)

Handelingen

- bepaal i.o.m. de Ovj een gespreksdatum

- registreer (…) het gesprek (…)

- print formulier uit ten behoeve van een gespreksverslag en voeg deze in so- (slachtoffer; N.o.) dossier

- stuur uitnodiging naar het slachtoffer"

3. Voorts voegde de Minister bij zijn reactie een brochure over het Slachtoffer Informatie Loket waarin onder meer het volgende staat weergegeven:

"Tot voor kort kreeg het slachtoffer bij vragen over de afhandeling van de zaak, soms het gevoel 'van het kastje naar de muur' te worden gestuurd. (…) U kunt hier telefonisch terecht voor al uw vragen, van aangifte tot vonnis."

Achtergrond

A. Aanwijzing slachtofferzorg

Op 1 augustus 1999 is de Aanwijzing slachtofferzorg in werking getreden, die regels bevat met betrekking tot slachtofferzorg.

De Aanwijzing slachtofferzorg luidt onder meer:

"Een belangrijk element van correcte bejegening is het verschaffen van begrijpelijke informatie aan slachtoffers en benadeelden. (…)

Uitgangspunten basistaken slachtofferzorg

Als basistaken van de uitvoering slachtofferzorg gelden de volgende uitgangspunten:

Een correcte en waar nodig een persoonlijke bejegening van het slachtoffer.

Verstrekking van informatie aan het slachtoffer waarbij geldt dat deze informatie zo snel mogelijk aan het slachtoffer moet worden verstrekt en tevens ook dat deze informatie duidelijke en relevant is. (…)

VERVOLGING

1. Informeren van het slachtoffer

Indien een verdachte in de zaak is bekend geworden en de zaak op het parket wordt ingeschreven, wordt het slachtoffer door het openbaar ministerie hiervan - indien hij niet heeft aangegeven geen prijs te stellen op verdere berichten - onder vermelding van het parketnummer zo spoedig mogelijk in kennis gesteld.

Indien het slachtoffer heeft aangegeven schadevergoeding te wensen en/of op de hoogte te willen blijven van de gang van zaken volgend op de aangifte, houdt het openbaar ministerie hem van voor hem relevante beslissingen op de hoogte. Indien het een ernstig delict betreft wordt het slachtoffer gevraagd of hij prijs stelt op een gesprek met de behandelend officier van justitie voorafgaand aan de behandeling ter zitting.

Indien informatie in het door de politie ingezonden proces-verbaal over (de wensen van) het slachtoffer onvolledig is of niet actueel, vraagt het openbaar ministerie het slachtoffer of hij:

a. op de hoogte wenst te worden gehouden van het verloop van de strafprocedure;

b. prijs stelt op de mogelijkheid van schadevergoeding binnen het strafproces;

c. prijs stelt op een gesprek met de behandelende officier van justitie voorafgaand aan de behandeling ter zitting, voorzover het gaat om een ernstig delict.

(…)

3. Voeging van het slachtoffer op zitting

Indien het slachtoffer heeft aangegeven schadevergoeding te wensen en het openbaar ministerie besluit de verdachte(n) (verder) te vervolgen ter zake van het strafbare feit waardoor het slachtoffer schade heeft geleden, stuurt het openbaar ministerie het slachtoffer overeenkomstig artikel 167, derde lid WvSv. onverwijld het speciale voegingsformulier toe en brengt hem tijdig op de hoogte van plaats, datum en tijdstip van de zitting ook al heeft het slachtoffer het formulier niet geretourneerd omdat hij zich alsnog zou kunnen voegen ter terechtzitting.

(...)

Bij de beslissing op welke termijn de verdachte wordt gedagvaard, houdt het openbaar ministerie zoveel mogelijk rekening met de belangen van het slachtoffer in verband met voeging en het daarop gebaseerde inzagerecht".

B. Wetboek van Strafvordering (Sv)

Artikel 51a, eerste lid:

"Degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, kan zich terzake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces."

Artikel 51b, eerste en tweede lid:

"1. Voor de aanvang van de terechtzitting geschiedt de voeging door een opgave van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust, bij de officier van justitie die met de vervolging van het strafbare feit is belast. Deze opgave vindt plaats door middel van een door onze Minister van Justitie vastgesteld formulier en bevat de naam, voornamen, geboortedatum en woon- en verblijfplaats van de benadeelde partij.

2. Ter terechtzitting geschiedt de voeging door de opgave, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, bij de rechter uiterlijk voordat de officier van justitie in de gelegenheid is gesteld overeenkomstig artikel 311 het woord te voeren. Deze opgave kan ook mondeling worden gedaan."

Artikel 167, eerste en derde lid:

"1. Indien naar aanleiding van het ingestelde opsporingsonderzoek het openbaar ministerie van oordeel is dat vervolging plaats moet hebben, gaat het daartoe zoo spoedig mogelijk over.

(…)

3. Indien het eerste lid toepassing vindt, doet het openbaar ministerie een ieder, die te kennen heeft gegeven zich terzake van zijn vordering tot schadevergoeding overeenkomstig artikel 51a als benadeelde partij te willen voegen in het strafproces, zo spoedig mogelijk als het dit gelet op het belang van het onderzoek in de zaak mogelijk acht, hiervan schriftelijk mededeling. Het openbaar ministerie zendt betrokkene onverwijld het formulier, bedoeld in artikel 51b, eerste lid, toe."

C. Memorie van Toelichting, Kamerstukken 1989/1990, 21 345, nr. 3.

"2.6. (…) Het eerste lid van artikel 51b opent de mogelijkheid dat de benadeelde partij zich reeds in de fase van het voorbereidende onderzoek voegt. (…)

Artikel 51b

(…) Opgemerkt kan nog worden dat de omschrijving van de officier van justitie bij wie de voeging dient plaats te vinden als «de officier van justitie die met de vervolging van het strafbare feit is belast,» is ontleend aan artikel 9 van het Wetboek van Strafvordering. Dit artikel bepaalt dat de officier van justitie belast is met de vervolging van de strafbare feiten waarvan de rechtbank waarbij hij is geplaatst, kennis neemt. De omschrijving betekent dus niet dat er al een vervolging behoeft te zijn ingesteld."

D. Rapport van de werkgroep begeleiding van getuigen/ slachtoffers in strafzaken aan het College van procureurs-generaal, 29 mei 1997

"Een zorgvuldige bejegening van getuigen is noodzakelijk om tot een goede waarheidsvinding in een strafzaak te kunnen komen. Door slechte ervaringen van individuele getuigen kan bij het publiek de bereidheid afnemen om in de toekomst te getuigen. Maar nog afgezien daarvan geldt, dat op de overheid een verplichting rust om mensen die ongewild met een strafbaar feit in aanraking komen op een zorgvuldige wijze te bejegenen en informatie te geven. (…)

6.3 Het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep Het uitlopen van de zitting.:

De werkgroep meent dat met de tijd van de opgeroepen getuigen zorgvuldig dient te worden omgegaan. Als bijvoorbeeld van tevoren bekend is dat de zaak zal worden aangehouden, betekent dit dat de getuige op tijd hierover moet worden ingelicht door het parket."

Instantie: Arrondissementsparket Utrecht

Klacht:

Verzoeker, slachtoffer van gewapende roofoverval, verzocht het in te vullen voegingsformulier binnen 8 dagen na dagtekening van die brief in te zenden en daarbij bericht dat later inzenden problemen oplevert en verzoeker niet op hoogte gesteld dat verdachten in hoger beroep zijn gegaan tegen hen gewezen vonnis.

Oordeel:

Gegrond

Instantie: Arrondissementsparket Utrecht

Klacht:

Niet geïnformeerd dat de tegen beide verdachten geplande hoorzitting niet doorging .

Oordeel:

Niet gegrond