2003/003

Rapport

Verzoeker klaagt erover dat een met naam genoemde deskundige praktische rijgeschiktheid van de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (het CBR), regio Oost, hem heeft meegedeeld dat hij zou slagen voor de (tweede) rijtest als hij rijlessen nam bij een bevriende rijschool.

Beoordeling

1. Indien een aanvrager van vernieuwing van een rijbewijs ouder is dan zeventig jaren, dient hij bij de aanvraag een niet langer dan een jaar voor de aanvraag afgegeven verklaring van geschiktheid over te leggen (artikel 35, aanhef en onder a en b.I van het Reglement rijbewijzen, zie Achtergrond, onder 2.). Deze verklaring van geschiktheid kan worden verkregen door het indienen van een eigen verklaring en, ook weer indien men de leeftijd van zeventig jaren heeft bereikt, een geneeskundig verslag (artikel 100, eerste lid, onder a en derde lid, onder a van het Reglement rijbewijzen, zie Achtergrond, onder 2.).

Ingevolge artikel 97, eerste lid van het Reglement rijbewijzen geeft de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (het CBR) een verklaring van geschiktheid af aan een ieder die voldoet aan de bij de Regeling eisen geschiktheid 2000 vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen (zie Achtergrond, onder 2. en 3.). Op grond van hoofdstuk 9 van de bijlage bij de Regeling eisen geschiktheid 2000 wordt de geschiktheid van personen met een lichamelijke handicap in eerste instantie door het CBR beoordeeld op basis van het geneeskundig verslag. In de tweede plaats kan het CBR, indien de aanvrager een lichamelijke handicap heeft, een beoordeling vragen door een deskundige op het gebied van de praktische geschiktheid van het CBR. Deze deskundige neemt veelal een rijtest af en adviseert daarna het CBR over de rijgeschiktheid van de aanvrager. Het CBR neemt vervolgens een beslissing over het al dan niet afgeven van een verklaring van geschiktheid.

2. Verzoeker heeft de onder 1. weergegeven procedure doorlopen. Hij verzocht om vernieuwing van zijn rijbewijs en diende, aangezien hij ouder was dan zeventig jaren, een eigen verklaring en een geneeskundig verslag in bij het CBR. Op het geneeskundig verslag had de keurend arts vermeld dat verzoeker leed aan artrose, traagheid en stijfheid. Deze aantekeningen op het geneeskundig verslag gaven het CBR aanleiding om de rijgeschiktheid van verzoeker aan de hand van een testrit te bepalen.

3. Op 2 januari 2002 nam de heer S., deskundige praktische rijtest, een rijtest af bij verzoeker. In het door hem opgemaakte rapport van 2 januari 2002, alsook in het interne rapport van 1 maart 2002 tekende S. onder meer aan dat verzoekers rijstijl traag, onzeker en op sommige punten niet juist was. Zo had verzoeker zich stelselmatig verkeerd opgesteld op de rijbaan, was hij kruispunten overgestoken zonder uit te kijken en wilde hij zelfs twee keer door rood rijden (zie Bevindingen, onder respectievelijk A.3. en A.5.). S. adviseerde verzoeker nog enige rijlessen te volgen, waarmee de tekortkomingen wellicht voldoende zouden kunnen worden ondervangen. S. raadde verzoeker aan deze extra rijlessen te volgen bij rijschool Sp.

4. Verzoeker volgde een aantal rijlessen bij Sp., maar stopte daar voortijdig mee. Hij legde geen nieuwe rijtest af.

5. Bij beschikking van 4 maart 2002 deelde het CBR aan verzoeker mee dat hem geen verklaring van geschiktheid werd verstrekt, omdat het CBR van oordeel was dat verzoeker ongeschikt was voor het besturen van motorrijtuigen, nu was gebleken dat hij een onvoldoende rijtest had afgelegd.

6. Verzoeker klaagt er bij de Nationale ombudsman over dat de deskundige praktische rijgeschiktheid, de heer S., hem heeft meegedeeld dat hij zou slagen voor de (tweede) rijtest als hij rijlessen nam bij een bevriende rijschool. Naast deze corrupte handelwijze van S. was de mededeling bovendien niet juist gebleken, omdat aan hem ook nadat hij rijlessen had genomen bij de bevriende rijschool Sp., toch nog geen verklaring van geschiktheid werd verleend, aldus verzoeker.

7. Het CBR liet in reactie op de klacht onder meer weten dat de reden van het niet verlenen van de verklaring van geschiktheid was gelegen in de onvoldoende rijtest. Van een niet nagekomen toezegging door S. was geen sprake.

Het CBR deelde verder mee dat de ervaring heeft geleerd dat zich vaak aanzienlijke verbeteringen in het rijgedrag kunnen manifesteren indien een betrokkene enige rijlessen neemt en vervolgens opnieuw een rijtest doet. Dit positieve effect van rijlessen wordt nog eens versterkt indien de rijlessen worden gevolgd bij een rijschool, die ervaring heeft met het lessen met personen die een geschiktheids- of een vaardigheidsbeperking hebben. Volgens het CBR was dit de reden waarom S. aan verzoeker had geadviseerd nog enige rijlessen te nemen bij rijschool Sp., die voornoemd specialisme in huis heeft. In het advies van de deskundige praktische rijgeschiktheid wordt een concrete rijschool genoemd omdat de betrokkene niet weet hoe hij een gespecialiseerde rijschool moet vinden.

8. De heer S. heeft tijdens het onderzoek van de Nationale ombudsman verklaard dat hij verzoeker had aangeraden de extra rijlessen bij rijschool Sp. te volgen, omdat deze rijschool in het bezit is van een aangepaste lesauto. Bovendien is rijschool Sp. op de hoogte van de eisen die het CBR stelt aan de praktische rijgeschiktheid en is Sp. bekend met de verdere procedure. S. legde tevens een lijst over, waarop 34 rijscholen zijn vermeld die de beschikking hebben over aangepaste lesauto's. Rijschool Sp. is de enige genoemde rijschool in de woonplaats van verzoeker.

9. Het spreekt voor zich dat ambtenaren zich niet mogen inlaten met corrupte praktijken. Ook brengt het vereiste van een professioneel optreden mee dat een ambtenaar zich dient te onthouden van een handeling die de schijn kan wekken van dergelijke praktijken.

10. Het lijdt geen twijfel dat de in het geneeskundig verslag genoemde lichamelijke omstandigheden een beletsel kunnen vormen voor de rijgeschiktheid. Het CBR heeft dan ook terecht geoordeeld dat verzoeker een rijtest diende te ondergaan teneinde te kunnen bepalen of en in hoeverre de handicaps de rijgeschiktheid beïnvloedden. Op grond van het hiervóór onder 1. genoemde hoofdstuk 9 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 was het CBR ook bevoegd om te besluiten tot het opleggen van een rijtest.

11. Op grond van de inhoud van de hiervóór onder 3. bedoelde rapporten van de deskundige praktische rijgeschiktheid en de beschikking van 4 maart 2002 van het CBR (zie hiervóór, onder 5.) is voldoende aannemelijk geworden dat de reden dat verzoeker een verklaring van geschiktheid is geweigerd, is gelegen in een onvoldoende mate van rijgeschiktheid. Voldoende staat vast dat de weigering geen verband hield met een volgens verzoeker door S. gedane toezegging.

Ten aanzien van het oordeel van S. over de door verzoeker afgelegde testrit merkt de Nationale ombudsman nog op dat vooropgesteld moet worden dat het aan de deskundige praktische rijgeschiktheid is om te oordelen of een kandidaat bij de testrit heeft voldaan aan de eisen. Bij verschil van mening over de beoordeling van de testrit, dient daarom te worden uitgegaan van het oordeel van de deskundige. De juistheid van dat oordeel kan de Nationale ombudsman alleen marginaal toetsen. Dat betekent dat het oordeel van de deskundige slechts kan worden aangemerkt als onjuist indien feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de conclusie kunnen dragen dat de deskundige niet in redelijkheid tot dat oordeel heeft kunnen komen. Van dergelijke feiten of omstandigheden is in het onderhavige geval niet gebleken.

12. Ook overigens is op geen enkele wijze gebleken van corruptie door S. Uit de door S. afgelegde verklaring, de door het CBR gegeven toelichting en de overgelegde lijst van rijscholen is daarentegen juist gebleken dat het advies van S. uit een oogpunt van klantvriendelijkheid is gegeven. Een dergelijke opstelling van (een medewerker van) een bestuursorgaan kan alleen maar worden geprezen.

De onderzochte gedraging is behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (het CBR) is niet gegrond.

Onderzoek

Op 8 juli 2002 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer T. te Ede, met een klacht over een gedraging van de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (het CBR).

Naar deze gedraging werd een onderzoek ingesteld.

In het kader van het onderzoek werd het CBR verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben.

Daarnaast werd de betrokken ambtenaar de gelegenheid geboden om commentaar op de klacht te geven.

Vervolgens werd verzoeker in de gelegenheid gesteld op de verstrekte inlichtingen te reageren.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen.

Het CBR berichtte dat het verslag hem geen aanleiding gaf tot het maken van opmerkingen.

De reactie van verzoeker gaf geen aanleiding het verslag aan te vullen.

De betrokken ambtenaar gaf binnen de gestelde termijn geen reactie.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:

A. feiten

1. Ten behoeve van de vernieuwing van zijn rijbewijs voor de categorieën B (personenauto's) en E (aanhangwagens en opleggers) bij B vroeg verzoeker, die de leeftijd van zeventig jaren had bereikt, bij de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (het CBR) een verklaring van geschiktheid aan (artikel 35, aanhef en onder b.I. van het Reglement rijbewijzen, zie Achtergrond, onder 2.). Daartoe legde hij op 4 december 2001 een zogenoemde eigen verklaring en een door een arts opgemaakt geneeskundig verslag over (artikel 100, eerste lid, onder a en derde lid, onder a van het Reglement rijbewijzen).

Op de eigen verklaring, gedateerd 22 november 2001, tekende verzoeker onder meer aan dat hij in grote ruimtes last had van evenwichtstoornissen, maar dat hij daarvan geen hinder ondervond bij het autorijden.

Het op 30 november 2001 door de keurend arts ondertekend geneeskundig verslag - deel uitmakend van de eigen verklaring - houdt onder meer het volgende in:

“C. Beschikt de aanvrager volgens uw oordeel over voldoende gebruik van zijn wervelkolom en zijn 4 ledematen voor het besturen van motorrijtuigen?

Is nogal stijf (arthrose), alles traag, onzeker, loopt met stok

Opmerkingen: Advies: Rijbewijs voor 1 á 2 jaar

Daarna opnieuw keuren

2. Naar aanleiding van de opmerking van de keurend arts over de lichamelijke gesteldheid van verzoeker oordeelde het CBR dat er voldoende reden was om verzoeker op grond van hoofdstuk 9 uit de bijlage bij de Regeling eisen geschiktheid 2000 (zie Achtergrond, onder 3.) te onderwerpen aan een rijtest met een deskundige van het CBR.

3. Op 2 januari 2002 werd door de deskundige praktische rijgeschiktheid, de heer S., een rijtest met verzoeker afgenomen. Op het rapport van verzoekers rijtest tekende de heer S. onder meer het volgende aan:

“rijschool Sp.

(volgt telefoonnummer; N.o.)

tempo

kijken.

plaats op de rijbaan

verkeerslichten.

enige lessen + testrit”

4. Na het afleggen van de rijtest volgde verzoeker in januari en februari 2001 een aantal rijlessen bij rijschool Sp. Vervolgens gaf verzoeker aan geen verdere rijlessen meer te willen nemen. Verzoeker legde niet opnieuw een rijtest af.

5. Op 1 maart 2002 stelde de heer S. een “intern rapport aanpassingen” op, dat onder meer het volgende inhoudt:

Reden adviesaanvraag: Arthrose en traag

Datum (…) rijtest(en) + deskundige praktische rijgeschiktheid:

02-01-2002 (…), S.

Zichtbare lichamelijke afwijkingen:

Is stijf en traag, loopt onzeker met rollator

(…)

Besturing:

Betrokkene rijdt steeds te ver links, houdt niet de juiste plaats op de rijbaan, rijdt vaak op of over de middenstreep, en wijkt onvoldoende uit voor tegenliggers.

(…)

Verkeersdeelname:

Onvoldoende: rijdt te traag ten opzichte van het overige verkeer. Is op kruispunten erg onzeker, geeft onnodig voorrang aan verkeer van links, het lijkt er op dat hij de voorrangsregels niet meer kent. Dit geldt dan voor kruispunten waar hij wel kijkt en reageert, op de meeste kruispunten rijdt hij zonder te kijken door. Ook op kruispunten die met verkeerslichten zijn beveiligd, rijdt hij zonder op te letten door. Hij wil zelfs twee keer door rood rijden. Dit toch maar door ingrepen weten te voorkomen.

Diversen:

Ondanks de tijdens de testrit gerezen twijfels aan zijn rijgeschiktheid, heb ik hem de mogelijkheid geboden te gaan lessen, om door middel van lessen zijn rijgedrag te verbeteren. Op 01-03-2002 is met de administratie contact geweest. Betrokkene informeerde waar zijn rijbewijs bleef. Er is toen nog eens getracht hem duidelijk te maken dat van vernieuwing van zijn rijbewijs pas sprake kan zijn na een positieve testrit in een lesauto. Betrokkene reageerde hierop dat hij niet wilde lessen en gewoon door zou rijden met zijn auto. (…)

Conclusie:

Onvoldoende testrit.”

6. Bij beschikking van 4 maart 2002 deelde het CBR verzoeker mee dat aan hem geen verklaring van geschiktheid werd verstrekt. De beslissing houdt onder meer het volgende in:

“Voor het verkrijgen van een Verklaring van geschiktheid hebt u een Eigen verklaring ingediend.

Op grond van de ons bekende gegevens, waaruit blijkt dat bij u sprake is van onvoldoende rijtest, zijn wij van oordeel dat u ongeschikt bent voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie(ën) B, E bij B. Daarom kunnen wij u geen Verklaring van geschiktheid voor die categorie(ën) verstrekken.

Deze beslissing nemen wij op basis van artikel 103 Reglement rijbewijzen, waarbij wij ons houden aan de Regeling eisen geschiktheid 2000, die gepubliceerd is in de Staatscourant 99 van 23 mei 2000 (zie Achtergrond, onder 2. en 3.; N.o.).”

7. Bij brief van 8 maart 2002 liet verzoeker het CBR onder meer het volgende weten:

“In het aanvraagformulier voor de Verklaring van geschiktheid diende ik verschillende vragen betreffende mijn gezondheid te beantwoorden. De vraag betreffende eventuele evenwichtstoornis heb ik waarheidsgetrouw met “Ja” beantwoord. Het feit, dat ik bedoelde vraag met “Ja” heb beantwoord, maakte dat ik een rijtest diende te ondergaan. Hoewel deze test is bedoeld om mijn gezondheid te checken, bleek dat deze test alleen wordt gebruikt voor het testen van de rijvaardigheid. Men wordt niet afgewezen op grond van een minder goede gezondheid, doch op grond van feiten waaruit een minder goede rijvaardigheid blijkt.

Ik heb de test gedaan. Ik heb een ervaring van 54 jaar autorijden, gedurende welke ik nimmer een ongeval heb veroorzaakt. Naar mijn mening heb ik gedurende de test geen fouten gemaakt, doch een corrupte examinator was van mening, dat ik wél enige fouten zou hebben gemaakt. Doch deze fouten waren z.i. echter van dien aard, dat - wanneer ik enige rijlessen zou nemen bij een door hem genoemde rijschool, deze fouten verder geen bezwaar zouden opleveren voor het slagen van de test. Ik heb aan deze voorwaarde voldaan door 6 lessen te nemen bij genoemde rijschool.

Op grond daarvan meen ik te zijn geslaagd voor de test.”

8. Bij brief van 19 maart 2002 antwoordde het CBR onder meer als volgt:

“De Regeling eisen geschiktheid 2000 (Staatscouranten 99 van 23 mei 2000 en 20 van 29 januari 2002) schrijft in hoofdstuk 9, lichamelijke handicaps, dat de geschiktheid van personen met een lichamelijke handicap door het CBR wordt beoordeeld op basis van de aantekening van de keurend arts op de Eigen verklaring. Het CBR kan tevens een beoordeling vragen van de deskundige op het gebied van de praktische geschiktheid van het CBR.

Aangezien de keurend arts op de Eigen verklaring heeft vermeld dat er bij u sprake is van artrose waardoor er twijfel is ontstaan of u beschikt over voldoende gebruik van wervelkolom en ledematen voor het besturen van motorrijtuigen is met u een afspraak gemaakt voor beoordeling door de deskundige praktische rijgeschiktheid van het CBR. Uit het verslag van de deskundige blijkt dat de rijtest onvoldoende was.

Dat de Regeling eisen geschiktheid voor de juiste oordeelsvorming een rijtest nodig acht, impliceert dat als de rijtest negatief is het oordeel van het CBR ook negatief zal zijn.”

9. Op 14 maart 2002 diende verzoeker een schriftelijke klacht in bij het CBR. De klacht betrof onder meer de door verzoeker vermeende corruptie door de examinator, zoals hij deze ook had geformuleerd in zijn hiervóór onder 6. weergegeven brief van 8 maart 2002.

10. Bij brief van 23 april 2002 deelde het CBR in reactie op verzoekers klacht onder meer het volgende mee:

“Op 2 januari 2002 werd er (…) door onze deskundige de heer S. een rijtest met u afgenomen. In deze rijtest werd, blijkens het verslag ervan, de door dokter G. genoteerde traagheid bevestigd. De conclusie van de deskundige de heer S. was dat de rijtest met onvoldoende resultaat was afgelegd. Omdat bekend is dat functiestoornissen met een negatief effect op de rijgeschiktheid vaak door aanpassingen in het rijgedrag gecompenseerd kunnen worden, stelde de heer S. u voor om enige rijlessen te nemen en vervolgens terug te komen voor een tweede, definitieve testrit.

Hij heeft u zelfs op papier een rijschool genoemd die hiervoor zeer geschikt is. Uw stelling dat het nemen van rijlessen op zichzelf voldoende zou zijn voor een Verklaring van geschiktheid houdt geen stand. Op de notitie die u van de heer S. hebt gekregen staat duidelijk "enige lessen + testrit”.

Dat er een relatie bestaat tussen de heer S. en de genoemde rijschool Sp. bestrijden wij evenzeer. Deze rijschool is u slechts aangeraden omdat de instructeurs ervaring hebben met het geven van rijlessen aan ervaren rijbewijsbezitters, hetgeen iets heel anders is dan het geven van rijles aan onervaren beginnende bestuurders. Uit de gegevens uit uw dossier blijkt dat u telefonisch hebt aangegeven geen rijlessen te willen nemen. Daarop heeft de deskundige S. een rapport opgemaakt voor de medisch adviseur van het CBR en deze heeft u vervolgens op basis van de onvoldoende rijtest de Verklaring van geschiktheid geweigerd.”

B. Standpunt verzoeker

Het standpunt van verzoeker staat samengevat weergegeven onder Klacht. Verder liet verzoeker onder meer nog het volgende weten:

“Ik had het ongeluk, dat mij de rijtest is afgenomen door de corrupte “deskundige”. Naar mijn mening heb ik de rijtest goed gedaan, doch op grond van het feit, dat ik enige “fouten” zou hebben gemaakt - naar mijn mening door de deskundige verzonnen - bepaalde de deskundige, dat ik alsnog enige rijlessen diende te nemen bij een door hem genoemde rijschool. Nadat ik dat zou hebben gedaan, zou ik de test met goed gevolg hebben gedaan. De deskundige gaf mij daarvan een verklaring, waarvan een copy (zie hiervóór, onder A.3; N.o.) hierbij gaat.

Ten einde te voldoen aan de door de rijschool gestelde voorwaarde, heb ik een aantal lessen genomen bij genoemde rijschool (…).

Na enige tijd realiseerde ik dat ik aan corruptie meewerkte. Ik heb toen de lessen beëindigd.”

C. Standpunt Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen

Het CBR reageerde bij brief van 27 september 2002 onder meer als volgt op de klacht:

“Uit die weergave (bedoeld wordt: brief van 23 april 2002, zie hiervóór, onder A.10; N.o.), maar ook uit de rapportage met betrekking tot dat onderzoek, die u bijgaand ontvangt (zie hiervóór, onder A.5; N.o.), blijkt dat betrokkene een onvoldoende resultaat heeft gescoord. Dit betekent dat de deskundige geen positief advies aan de geneeskundige zou kunnen geven met betrekking tot de rijgeschiktheid van betrokkene.

Uit de ervaring die CBR met dergelijke rijtests heeft opgedaan blijkt evenwel dat zich vaak aanzienlijke verbeteringen in het rijgedrag kunnen manifesteren indien een betrokkene enige rijlessen in een lesauto neemt en vervolgens, op basis van een positief advies van de rij-instructeur, opnieuw een rijtest doet.

Dit positieve effect van rijlessen wordt, zo is onze ervaring, nog versterkt indien men de lessen neemt bij een rijschool die ervaring heeft met het lessen met personen die op de een of andere wijze een geschiktheids- of vaardigheidsbeperking hebben. Op deze manier wordt de mogelijke medische beperking geabstraheerd van de technische rijvaardigheid.

Dit alles is de reden waarom de deskundige aan (verzoeker; N.o.) heeft geadviseerd nog enige lessen te nemen bij rijschool Sp. te Ede, die genoemd specialisme in huis heeft. In zo'n advies wordt een concrete rijschool genoemd omdat een belanghebbende niet weet hoe hij/zij zo'n rijschool moet vinden.

Aan (verzoeker; N.o.) is tegelijkertijd aangegeven dat na de lessen opnieuw een rijtest zou moeten plaatsvinden, waarvan de uitslag zeker niet van tevoren vaststond. Eén en ander in samenhang bezien kan betrokkene niet de indruk gekregen hebben dat hij bij voorbaat zou "slagen".

D. Reactie betrokken ambtenaar

1. Op 3 oktober 2002 ontving de Nationale ombudsman de navolgende reactie op verzoekers klacht van de heer S., deskundige praktische rijgeschiktheid:

“Op 02-01-2002 heb ik een testrit gereden met (verzoeker; N.o.). Deze testrit was onvoldoende. Ik heb hem toen de mogelijkheid geboden zijn rijden door middel van lessen te verbeteren. Ik heb hem toen de punten genoemd waarop de testrit onvoldoende was, en hem bovendien een briefje meegegeven, met de genoemde punten, en de mededeling dat hij na het lessen een nieuwe testrit moet doen (zie hiervóór, onder A.3; N.o.). (…)

Op dat zelfde briefje heb ik de naam en het telefoonnummer vermeld van rijschool Sp. uit Ede. Deze rijschool is gevestigd in de woonplaats van (verzoeker; N.o.). Wij werken wel meer samen met deze rijschool, omdat die ook in het bezit is van een aangepaste lesauto. Daardoor is deze rijschool op de hoogte van de eisen die wij stellen aan de praktische rijgeschiktheid, en bekend met de verdere procedure, onder meer het maken van afspraken met de afdeling praktische rijgeschiktheid.

Om onze klanten goed te kunnen adviseren hebben wij een lijst met namen van rijscholen met wie wij op deze wijze samen werken (zie hierná, onder 2.; N.o.). (…) Voor de (wijde) omgeving van Ede is dit rijschool Sp. uit Ede. Deze samenwerking verloopt prima, er is echter geen sprake van "vriendjes".

2. Als bijlage stuurde S. een lijst met namen van 34 rijscholen mee. Achter elke rijschool is vermeld welke aanpassingen in de lesauto van de verschillende rijscholen mogelijk zijn. Op de lijst wordt één rijschool in Ede genoemd, te weten rijschool Sp.

E. Reactie verzoeker

Bij brief van 31 oktober 2002 deelde verzoeker onder meer het volgende mee:

“Tijdens de test diende ik gedurende plm. een half uur wat rond te rijden.

Dat was voor mij geen probleem. Ik was er van overtuigd, dat ik de test goed had gedaan, doch de “deskundige”, die de test afnam, beweerde dat ik enige kleine fouten had gemaakt, welke het nodig maakte, dat ik enige rijlessen diende te nemen bij de autorijschool Sp. te Ede, waarna ik kon worden geacht te zijn geslaagd. Hij was zo dom om mij daarvan een verklaring te geven. Een copy daarvan gaat hierbij (zie hiervóór, onder A.3; N.o.).

Daar ik graag wilde blijven autorijden, heb ik een aantal rijlessen genomen bij autorijschool Sp. Maar het zat mij toch niet lekker.

Als oud-ambtenaar weet ik, dat het een ambtenaar verboden is om een bepaalde persoon of instelling aan te bevelen of te bevoordelen. Gebeurt dat wel, dan is aan te nemen, dat die ambtenaar voordeel heeft van die handeling. Aan te nemen is dat er in zo'n geval sprake is van corruptie. Daar wilde ik niet aan meewerken. Ik heb toen een brief geschreven, waarin ik dat geval van corruptie meldde aan het CBR. Tevens heb ik er op gewezen, dat wanneer men bepaalde aanvragers nader wilde controleren, dat diende te geschieden door middel van een keuring in plaats van door middel van een rijtest, aangezien - wanneer betrokkenen niet aan de test kunnen voldoen - afwijzing geschiedt op grond van onvoldoende rijvaardigheid en niet als gevolg van de gezondheid.

(…)

Uit het aan U gerichte schrijven van de deskundige blijkt (…), dat niet mijn “artrose” de reden tot weigering is, doch het feit, dat de rijtest onvoldoende was. Blijkbaar voorzag men moeilijkheden bij het bewijzen van de artrose. Daarom was men blijkbaar weer overgestapt naar “onvoldoende rijtest”.

Het rapport van die “deskundige” is van A tot Z gelogen en staat in schril contrast met zijn mij verstrekte verklaring als zou ik zijn geslaagd nadat ik enige lessen bij vriend Sp. had genomen. De gehele zaak hangt van leugens en bedrog aan elkaar.

Ik dacht dat het geval van corruptie van de “deskundige” op zichzelf stond en het had mij bevreemd, dat het CBR niet daartegen is opgetreden. Maar uit de door het CBR opgemaakte lijst van rijschoolhouders, welke door het CBR worden aanbevolen, blijkt dat men zich aan die praktijk op grote schaal bezondigt.

Iedere ambtenaar weet, dat het verboden is. Men kan zich er niet op beroepen dat men dat niet weet. Gebeurt dat wel, dan is er reden om aan te nemen, dat er sprake is van corruptie. Het CBR heeft geen kans gezien waar te maken waarom de voorkeur dient te worden gegeven aan de aanbevolen rijschoolhouders. Men geniet blijkbaar voordeel van dat aanbevelen.”

Achtergrond

1. Wegenverkeerswet 1994

Artikel 111, eerste lid aanhef en onder b, en vierde lid:

“1. Een rijbewijs wordt op aanvraag en tegen betaling van het daarvoor vastgestelde tarief, slechts afgegeven aan degene die:

(…)

b. blijkens een overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels door of vanwege de overheid ingesteld onderzoek dan wel blijkens een eerder aan hem afgegeven rijbewijs of een hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs dat voldoet aan de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde eisen, beschikt over een voldoende mate van rijvaardigheid en geschiktheid.

(…)

4. Bij ministeriële regeling worden nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het eerste lid, onderdeel b.”

2. Reglement rijbewijzen

Artikel 35, aanhef en onder a en b.I.

"Indien de aanvraag betrekking heeft op de vernieuwing van het eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs, dienen, behoudens de in artikel 33 genoemde bescheiden, bij de aanvraag tevens te worden overgelegd:

a. dat eerder afgegeven rijbewijs;

b. een niet langer dan een jaar vóór de aanvraag afgegeven verklaring van geschiktheid indien

I. de aanvrager de leeftijd van 70 jaren heeft bereikt"

Artikel 97, eerste lid:

"1. Verklaringen van geschiktheid worden op aanvraag en tegen betaling van het daarvoor vastgestelde tarief afgegeven door het CBR aan een ieder die voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen."

Artikel 100, eerste lid, onder a en derde lid, onder a:

"1. Bij de aanvraag (van een verklaring van geschiktheid; N.o.) dienen te worden overgelegd:

a. een niet langer dan twee weken voor de aanvraag getekende, volledig ingevulde eigen verklaring volgens door het CBR vastgesteld model;

(...)

3. Bij de aanvraag dient tevens een door een arts opgemaakt, niet langer dan twee weken voor de aanvraag getekend, geneeskundig verslag volgens door het CBR vastgesteld model te worden overgelegd indien de aanvraag betrekking heeft op:

a. de afgifte van een rijbewijs aan een aanvrager die de leeftijd van 70 jaren heeft bereikt"

Artikel 101, eerste lid en onder a:

"1. Het CBR is bevoegd te vorderen dat de aanvrager zich op eigen kosten laat keuren door een of meer door het CBR aangewezen artsen indien:

a. de door de aanvrager overgelegde eigen verklaring dan wel, indien een geneeskundig verslag wordt vereist, het geneeskundig verslag daartoe aanleiding geeft"

Artikel 103, eerste en tweede lid:

"1. Indien de aanvrager naar het oordeel van het CBR voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën waarop de aanvraag betrekking heeft, geeft het voor die categorie of categorieën een verklaring van geschiktheid af.

2. Indien naar het oordeel van het CBR redelijke grond bestaat voor de verwachting dat de aanvrager slechts aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voldoet voor een daarbij te bepalen termijn die korter is dan de in artikel 122, eerste lid, van de wet (WVW 1994; N.o.) voorziene geldigheidsduur, tekent het CBR die termijn aan op de verklaring van geschiktheid."

3. Regeling eisen geschiktheid 2000

Artikel 1:

"In deze regeling wordt verstaan onder:

a. groep 1: bestuurders van motorrijtuigen van de categorieën A, B en B + E"

Artikel 2:

"De eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen worden vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage."

Hoofdstuk 9 (Lichamelijke handicaps) van de "Bijlage behorende bij de Regeling eisen geschiktheid 2000" houdt het volgende in:

“De geschiktheid van personen met een lichamelijke handicap wordt in eerste instantie beoordeeld door het CBR op basis van de aantekening van de keurende arts op de eigen verklaring en de eventueel reeds beschikbare overige gegevens (bijvoorbeeld een rapport van een revalidatiearts).

In de tweede plaats kan het CBR een beoordeling vragen door een deskundige op het gebied van de praktische geschiktheid van het CBR. Deze deskundige adviseert het CBR - veelal na uitvoering van een technisch onderzoek of een rijtest - over de mogelijkheden van de aanvrager van het rijbewijs om, zo nodig met aanpassingen aan het voertuig, een motorrijtuig te besturen.

Bij twijfel over de geschiktheid van de betrokkene in de nabije toekomst dient een beperkte geschiktheidstermijn voor de desbetreffende rijbewijscategorie te worden gehanteerd. Het CBR kan dan tijdig de geschiktheid opnieuw bezien.”

Instantie: Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen

Klacht:

Een deskundige praktische rijgeschiktheid heeft meegedeeld dat verzoeker zou slagen voor rijtest als hij lessen nam bij bevriende rijschool .

Oordeel:

Niet gegrond