2002/328

Rapport

Verzoekster klaagt over de wijze waarop de Visadienst van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, ondergebracht bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), haar klacht heeft behandeld over de lange duur van de behandeling van haar bezwaarschrift van 8 november 2001 tegen het niet-tijdig beslissen op de ten behoeve van verzoekster ingediende aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).

Beoordeling

1. Op 2 juli 2001 werd namens verzoekster een aanvraag ingediend om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Voor de behandeling van aanvragen om een mvv wordt in de Vreemdelingencirculaire een termijn van drie maanden genoemd (zie Achtergrond, onder 3.). Bij brief van 17 oktober 2001, toen deze termijn reeds was verstreken, bevestigde de Minister van Buitenlandse Zaken de ontvangst op 8 oktober 2001 van de aanvraag met daarbij het advies van de vreemdelingendienst. Daarbij deelde de Minister mee dat de Visadienst van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, ondergebracht bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), na ontvangst van het advies van de vreemdelingendienst op dat moment gemiddeld twee maanden nodig had om de aanvraag te behandelen.

2. Daarop diende verzoekster bij brief van 8 november 2001 op grond van artikel 6:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb; zie Achtergrond, onder 1.1.) een bezwaarschrift in tegen het niet-tijdig beslissen op de aanvraag. Bij brief van 12 december 2001 bevestigde de Minister van Buitenlandse Zaken de ontvangst van het bezwaarschrift en liet daarbij weten dat de Visadienst op dat moment gemiddeld vijf maanden nodig had om een bezwaarschrift tegen het niet-tijdig beslissen op een mvv- aanvraag te behandelen.

3. Verzoekster diende daarop bij brief van 12 december 2001 een klacht in bij de Visadienst naar aanleiding van bovengenoemde mededeling in de ontvangstbevestiging. Bij brief van 8 januari 2002 werd de klacht ongegrond verklaard, omdat de wettelijke beslistermijn van tien weken ingevolge de artikelen 7:10, eerste lid en 7:10, derde lid van de Awb (zie Achtergrond, onder 1.3.), nog niet was verstreken. Daarop wendde verzoekster zich tot de Nationale ombudsman. Zij meende dat, nu met het indienen van haar bezwaarschrift het tegenovergestelde was bereikt van hetgeen was beoogd, namelijk verdere vertraging in plaats van bespoediging van de procedure, in strijd was gehandeld met artikel 6:2 juncto artikel 6:20 van de Awb (zie Achtergrond, onder 1.2.).

4. In reactie op de klacht bevestigde de Staatssecretaris van Justitie bij brief van 20 maart 2002 dat verzoeksters klacht destijds om de hiervoor onder 3. genoemde reden ongegrond was verklaard. De Staatssecretaris deelde mee dat ingevolge artikel 6:20, eerste lid, Awb het bestuursorgaan weliswaar verplicht is een besluit te nemen op de aanvraag indien het bezwaar of beroep is gericht tegen het niet-tijdig nemen van een besluit, maar dat ingevolge het tweede lid, onder a, van deze wet het bepaalde in het eerste lid niet geldt gedurende de periode dat het bezwaar aanhangig is. Zij voegde daar bij brief van 18 juli 2002 aan toe dat noch uit de tekst van artikel 6.20 juncto 6.2 Awb noch uit de wetsgeschiedenis blijkt dat een bezwaarschrift tegen het niet-tijdig beslissen op een aanvraag, versneld dient te worden behandeld.

Verder zou aldus de Staatssecretaris blijkens het advies van de Raad van State en de Memorie van Toelichting bij het voorstel tot wet het rechtsmiddel uitsluitend zijn bedoeld om de belanghebbende een rechtsmiddel te verschaffen indien het bestuursorgaan weigert een beslissing te nemen. De Staatssecretaris was dan ook van oordeel dat zij niet was gehouden een bezwaarschrift tegen niet-tijdig beslissen anders te behandelen dan een gewoon bezwaarschrift.

5. Artikel 6:2, onder b, Awb is erop gericht om een belanghebbende in geval van stilzitten van het bestuursorgaan een rechtsgang te bieden. De ratio van deze bepaling is dat een belanghebbende niet de dupe mag worden van de omstandigheid dat een bestuursorgaan in gebreke blijft om tijdig een besluit te nemen. Wanneer die omstandigheid zich voordoet, kan hij het bestuursorgaan via een bezwaarschrift dwingen tot het alsnog bepalen van een standpunt, via een beslissing op het bezwaarschrift. Zo hoopte verzoekster met haar bezwaarschrift, een spoedige behandeling van haar aanvraag te bewerkstelligen. In plaats daarvan werd haar meegedeeld dat de beslissing mogelijk nog vijfeneenhalve maand op zich kon laten wachten.

6. De Staatssecretaris van Justitie heeft in haar reactie de bedoeling van het tweede lid onder a van artikel 6:20 Awb miskend. Immers, de ratio van dit artikel is dat een beslissing op de aanvraag achterwege kan blijven, omdat de betrokkene spoedig een inhoudelijke beslissing op het bezwaarschrift mag verwachten (zie Achtergrond, onder 2.).

De Staatssecretaris kan derhalve niet in haar standpunt worden gevolgd. Hoewel de behandeltermijn van het bezwaarschrift nog niet was verstreken op het moment van indienen van de klacht, is in de afdoening van de klacht voorbijgegaan aan hetgeen de wetgever voor ogen had in het kader van het bieden van mogelijkheden voor burgers om door het indienen van een bezwaarschrift tegen het niet-tijdig beslissen of het indienen van een klacht te bereiken dat hun zaak voortvarend wordt behandeld. Het was dan ook niet juist om verzoeksters klacht over de mededeling dat de behandeling gemiddeld nog vijf maanden kon duren, ongegrond te verklaren en af te doen met de reactie dat deze mededeling niet meebrengt dat op voorhand vaststaat dat de wettelijke beslistermijn zal worden overschreden.

Het feit dat, zoals de Staatssecretaris van Justitie aangaf, de Visadienst ondanks het ongegrond verklaren van de klacht is tegemoetgekomen aan verzoeksters wens om het bezwaarschrift met voorrang te behandelen, doet daaraan niet af.

De gedraging is niet behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van de Visadienst van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, ondergebracht bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst, die wordt aangemerkt als een gedraging van de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie gezamenlijk, is gegrond.

Onderzoek

Op 9 januari 2002 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van mevrouw D. te Pakistan, ingediend door de heer mr. I. Vreeken, advocaat te Zutphen, met een klacht over een gedraging van de Visadienst van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, ondergebracht bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND).

Naar deze gedraging, die wordt aangemerkt als een gedraging van de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie gezamenlijk, werd een onderzoek ingesteld.

In het kader van het onderzoek werd de Minister van Buitenlandse Zaken en de Staatssecretaris van Justitie verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben.

Tijdens het onderzoek kregen de Staatssecretaris van Justitie en verzoekster de gelegenheid op de door ieder van hen verstrekte inlichtingen te reageren.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen.

De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie deelde mee zich met de inhoud van het verslag te kunnen verenigen.

De Minister van Buitenlandse Zaken en verzoekster berichtten dat het verslag hun geen aanleiding gaf tot het maken van opmerkingen.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:

A. feiten

1. Op 2 juli 2001 werd ten behoeve van verzoekster een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) ingediend. Bij brief van 17 oktober 2001 bevestigde de Minister van Buitenlandse Zaken de ontvangst op 8 oktober 2001 van de aanvraag met daarbij het advies van de vreemdelingendienst. Daarbij deelde de Minister mee dat de Visadienst van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, ondergebracht bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), na ontvangst van het advies van de vreemdelingendienst op dat moment gemiddeld twee maanden nodig had om de aanvraag te behandelen.

2. Daarop diende verzoekster bij brief van 8 november 2001 een bezwaarschrift in tegen het niet-tijdig beslissen op de aanvraag. Bij brief van 12 december 2001 bevestigde de Minister van Buitenlandse Zaken de ontvangst van het bezwaarschrift en liet daarbij weten dat de Visadienst op dat moment gemiddeld vijfeneenhalve maand nodig had om een bezwaarschrift in verband met een mvv-aanvraag te behandelen.

3. Bij brief van 12 december 2001 diende verzoekster de volgende klacht in bij de Visadienst:

“1. Uit de ontvangstbevestiging blijkt dat men zich er geen rekenschap van heeft gegeven dat het bezwaarschrift is gericht tegen het uitblijven van een beslissing op de aanvraag en niet tegen een afwijzing van de aanvraag.

2. In de ontvangstbevestiging van de MVV-aanvraag van 17-10-2001 staat dat er thans een gemiddelde behandelduur van 2 maanden is. In de ontvangstbevestiging van het bezwaarschrift van 8-11-2001 staat echter dat er thans een gemiddelde behandelduur van 5 ½ maanden is.

Hieruit maak ik op dat door de instelling van het bezwaarschrift de behandelduur van de aanvraag met (gemiddeld) 3½ maand is vertraagd.

3. Dit valt niet te rijmen met artikel 6:20 lid 4 Awb (lees: lid 1; zie Achtergrond, onder 1.2; N.o.) waarin is bepaald dat het bestuursorgaan verplicht blijft op de aanvraag te beslissen.

4. Er wordt (derhalve) bij de behandeling van bezwaarschriften kennelijk geen onderscheid gemaakt tussen bezwaarschriften gericht tegen negatieve besluiten en bezwaarschriften gerichte tegen het uitblijven van besluiten?

5. Indien dat wel het geval is dan valt dit nergens uit af te leiden.

6. Indien dat niet het geval dan valt dit niet te rijmen met het karakter van het door mij ingediende bezwaarschrift en het genoemde artikel 6:20 lid 4 Awb?

4. In reactie op de klacht deelde de Minister van Buitenlandse Zaken bij brief van 8 januari 2002 onder meer het volgende mee:

“Ingevolge het gestelde in de vreemdelingencirculaire onder B1/4.7.9 vangt de beslistermijn voor bezwaar aan met de datum van ontvangst van het bezwaarschrift. Ingevolge de artikelen 7:10, eerste lid en 7:10, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht bedraagt de totale beslistermijn tien weken (zie Achtergrond, onder 1.3.; N.o.). Gelet op het feit dat in casu nog geen tien weken zijn verstreken, gerekend vanaf de datum van ontvangst van uw bezwaarschrift, acht ik uw klacht dan ook niet gegrond.”

5. Bij brief van 8 januari 2002 verdaagde de Minister van Buitenlandse Zaken de beslissing op het bezwaarschrift conform artikel 7:10, derde lid, van de Awb, en stelde verzoekster in de gelegenheid te worden gehoord. Bij brief van 22 februari 2002 werd verzoekster verzocht bepaalde gegevens te verstrekken en werd haar toegezegd dat zij uiterlijk 14 maart 2002 zou worden geïnformeerd of de hoorzitting noodzakelijk werd geacht. Op 27 maart 2002 vond de hoorzitting plaats, en op 17 april 2002 werd een afwijzende beslissing genomen.

B. Standpunt verzoekster

1. Voor het standpunt van verzoekster wordt verwezen naar de klachtformulering onder Klacht.

2. In het verzoekschrift bracht verzoeksters gemachtigde onder meer het volgende naar voren:

“De Minister heeft de klacht onjuist gelezen c.q. geïnterpreteerd.

De Minister wijst op de wettelijke beslistermijn, terwijl verzoekster, die uiteraard bekend is met deze wettelijke bepaling, heeft gedoeld op de behandelduur. Deze bedraagt in de aanvraagfase kennelijk 2 maanden en in de bezwaarfase 5½ maand. Verzoekster klaagt erover dat haar bezwaarschrift tegen het niet-tijdig beslissen op de aanvraag kennelijk op dezelfde wijze wordt behandeld als een bezwaarschrift dat is gericht tegen een afwijzing van de mvv-aanvraag. Nu door de indiening van verzoeksters bezwaarschrift het tegenovergestelde is bereikt - namelijk een vertraging van de behandeling van 3½ maand- als met dit bezwaarschrift was beoogd - namelijk een versnelling van de behandeling van de aanvraag - is door het bestuursorgaan onbehoorlijk - immers in strijd met de ratio van artikel 6:2 Awb juncto 6:20 Awb - (zie Achtergrond, onder 1.1.; N.o.) jegens verzoekster gehandeld.”

3. Naar aanleiding van de mededeling van de Visadienst bij brief van 8 januari 2002 dat de beslissing op het bezwaar conform artikel 7:10, derde lid, van de Awb werd verdaagd en dat verzoekster zou worden gehoord, uitte verzoeksters gemachtigde in aanvulling op de klacht bij brief van 16 januari 2002 zijn ongenoegen over deze extra vertraging van de behandeling.

C. Standpunt Minister van Buitenlandse Zaken

De Minister van Buitenlandse Zaken verwees in zijn reactie van 27 maart 2002 op de klacht naar de reactie van de Staatssecretaris van Justitie.

D. Standpunt Staatssecretaris van Justitie

In reactie op de klacht deelde de Staatssecretaris van Justitie bij brief van 20 maart 2002 onder meer het volgende mee:

“De Vreemdelingencirculaire maakt bij de behandeling van bezwaarschriften geen onderscheid tussen bezwaarschriften gericht tegen negatieve besluiten en bezwaarschriften gericht tegen het uitblijven van besluiten. Evenmin valt uit de Algemene wet bestuursrecht een dergelijke onderscheid op te maken.

Wat betreft de beslissing op een bezwaarschrift geldt dat ingevolge het gestelde in de Vreemdelingencirculaire onder B 1/4.7.9 de beslistermijn aanvangt met ontvangst van het bezwaarschrift. Ingevolge de artikelen 7:10, eerste lid en 7:10 derde lid van de Algemene wet bestuursrecht bedraagt de totale beslistermijn tien weken.

Omdat op 12 december 2001 de beslistermijn van tien weken nog niet was verstreken, werd op 8 januari 2002 geoordeeld dat om die reden de klacht ongegrond was (…).

Weliswaar is ingevolge artikel 6:20, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht het bestuursorgaan verplicht een besluit te nemen op de aanvraag inden het bezwaar of beroep is gericht tegen het niet-tijdig nemen van een besluit, maar ingevolge artikel 6:20, tweede lid, onder a, Algemene wet bestuursrecht geldt het bepaalde in het eerste lid niet gedurende de periode dat het bezwaar aanhangig is.

Om toch enigszins tegemoet te komen aan de wens van de heer Vreeken (verzoeksters gemachtigde; N.o.) om een spoedige beslissing op het bezwaarschrift, is aan hem bij brief van 8 januari 2002 meegedeeld dat hij zal worden uitgenodigd voor een hoorzitting (…). Deze hoorzitting werd noodzakelijk geacht, omdat na bestudering van het departementale dossier bleek dat niet zonder meer kon worden overgegaan tot gegrondverklaring van het bezwaarschrift en daarmee samenhangend de afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf. Op 18 februari 2002 werd de heer Vreeken uitgenodigd om op 27 maart 2002 te verschijnen voor een ambtelijke hoorcommissie (…).

Gelet op het vorengaande ben ik van mijn mening dat, ondanks de ongegrondverklaring van de klacht, de Visadienst tegemoet is gekomen aan de wens van de heer Vreeken om zijn bezwaarschrift met voorrang in behandeling te nemen.

Naar aanleiding van uw brief van 8 februari 2002 is de heer Vreeken op 22 februari 2002 verzocht om binnen twee weken de ontbrekende bescheiden te overleggen die nodig zijn om naar behoren te kunnen beslissen op het bezwaarschrift dan wel de aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (…). Aan de heer Vreeken is in dit schrijven meegedeeld dat aan de hand van de door hem overgelegde bescheiden zal worden bezien of de hoorzitting doorgang behoeft. Hierover zal hij uiterlijk 14 maart 2002 nader worden geïnformeerd.

Concluderend ben ik van mening dat de klacht van de heer Vreeken ongegrond is. Dit nu de Visadienst van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, ondergebracht bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (…) niet verplicht is een beslissing te nemen op de aanvraag gedurende de periode dat het bezwaar het aanhangig is. Daarbij is in deze zaak naar behoren gehandeld en is al het mogelijke gedaan om het bezwaarschrift van 8 november 2001 zo spoedig mogelijk af te handelen.”

E. Reactie verzoekster

Op 11 maart 2002 reageerde verzoekster via haar gemachtigde onder meer als volgt op de reactie van de Staatssecretaris van Justitie:

“1. De Staatssecretaris van Justitie (SvJ) gaat voorbij aan de kern van mijn betoog, namelijk dat een wettelijk in het leven geroepen mogelijkheid om te bewerkstelligen dat de behandeling van de mvv-aanvraag wordt versneld, te weten de indiening van een bezwaarschrift gericht tegen het niet-tijdig nemen van een beslissing, in de praktijk leidt tot een nog langere, zelfs aanzienlijk langere wachttijd. (…).

2. Onbegrijpelijk is dan ook de formele opstelling van de SvJ dat op 12-12-2001 wat betreft het bezwaarschrift de beslistermijn van 10 weken nog niet was verstreken. De klacht had immers niet betrekking op de wettelijke, in de Awb neergelegde, beslistermijn, maar op de mededeling van de Visadienst (verder aan te duiden met de SvJ) in de ontvangstbevestiging dat de gemiddelde behandelduur van het bezwaarschrift 5½ maand bedroeg! Ten onrechte is daaraan voorbijgegaan en ten onrechte is de klacht dan ook ongegrond verklaard.

3. Overigens bedraagt de wettelijke beslistermijn op een bezwaarschrift geen 10 maar ingevolge artikel 7:10 Awb lid 1, 6 weken! Ingevolge het derde lid van dat artikel kan de beslistermijn weliswaar met ten hoogste 4 weken worden verdaagd, van deze verdaging moet wel schriftelijk mededeling worden gedaan. In de ontvangstbevestiging van het bezwaarschrift wordt deze mededeling echter niet gedaan. Er wordt in het geheel geen wettelijk kader aangegeven.

(…).”

F. Reactie Staatssecretaris van Justitie

Op 23 juli 2002 ontving de Nationale ombudsman de schriftelijke reactie van de Staatssecretaris van Justitie op verzoekers brief van 11 maart 2002. De reactie van de Staatssecretaris houdt onder meer het volgende in:

“De gemachtigde geeft als eerste bezwaar aan dat het indienen van een fictief bezwaarschrift bedoeld is als een rechtsmiddel om de procedure te versnellen, maar in de praktijk leidt tot een langere wachttijd.

Uit de tekst van artikel 6.20 Algemene wet bestuursrecht juncto 6.2 Algemene wet bestuursrecht blijkt niet dat een fictief bezwaarschrift versneld dient te worden

behandeld. Uit de wetsgeschiedenis van de Algemene wet bestuursrecht blijkt evenmin dat er sprake is van een versnelde behandeling van het bezwaarschrift indien er sprake is van een fictief bezwaarschrift.

Blijkens het advies van de Raad van State bij het voorstel tot wet is het rechtsmiddel uitsluitend bedoeld om de belanghebbende een rechtsmiddel te verschaffen indien het bestuursorgaan weigert een beslissing te nemen. Verder blijkt uit de Memorie van Toelichting bij het voorstel tot wet eveneens dat het rechtsmiddel fictief bezwaar is bedoeld als rechtsbescherming voor de burgers indien een bestuursorgaan weigert een besluit te nemen.

Noch in de wet, noch in de wetsgeschiedenis blijkt dat de procedure versneld dient te worden behandeld. Gelet hierop ben ik van oordeel dat ik niet gehouden ben een fictief bezwaarschrift anders te behandelen dan een gewoon bezwaarschrift. Ik blijf dan ook bij hetgeen ik reeds heb aangegeven in mijn brief van 20 maart 2002.

De gemachtigde geeft in de tweede plaats aan dat hij zijn klacht wel gegrond acht, nu in de ontvangstbevestiging is aangegeven dat de gemiddelde behandelingsduur van een bezwaarschrift vijfeneenhalve maand zal zijn.

Ter informatie wordt bij de ontvangstbevestiging aangegeven wat de gemiddelde behandelingsduur zal zijn, hetgeen niet met zich meebrengt dat op voorhand al vast staat dat de wettelijke beslistermijn zal worden overschreden. Voorts is de gemachtigde bij de ontvangstbevestiging gewezen op de mogelijkheden die er zijn om een bezwaarschrift versneld af te doen (…). Ik volg het standpunt van de gemachtigde dan ook niet.

Ten aanzien van het derde onderdeel van de reactie van de gemachtigde blijkt uit het dossier dat de gemachtigde bij brief van 8 januari 2002 en bij brief van 9 januari 2002 is meegedeeld dat de beslistermijn wordt verdaagd op basis van artikel 7.10 Algemene wet bestuursrecht.

Weliswaar is de beslistermijn niet in de ontvangstbevestiging verdaagd maar op het moment dat referent schriftelijk in kennis werd gesteld van het voornemen om hem te horen aan de hand van het bezwaarschrift is dit wel schriftelijk kenbaar gemaakt.

Tot slot kan ik u berichten dat ten aanzien van de afhandeling van het bezwaarschrift bij beschikking van 17 april 2002 het bezwaarschrift is afgehandeld.”

Achtergrond

1. Algemene wet bestuursrecht

1.1. Artikel 6:2

“Voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep worden met een besluit gelijkgesteld:

a de schriftelijke weigering een besluit te nemen, en

b het niet-tijdig nemen van een besluit.”

1.2. Artikel 6:20

“1 Indien het bezwaar of beroep is gericht tegen het niet-tijdig nemen van een besluit, blijft het bestuursorgaan verplicht een besluit op de aanvraag te nemen.

2 Het in het eerste lid bepaalde geldt niet:

a gedurende de periode dat het bezwaar aanhangig is;

b na de beslissing op het bezwaar of beroep indien de indiener als gevolg daarvan geen belang meer heeft bij een besluit op de aanvraag.

(…)”.

1.3. Artikel 7:10

“1 Het bestuursorgaan beslist binnen zes weken of - indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 is ingesteld - binnen tien weken na ontvangst van het bezwaarschrift.

(…)

3 Het bestuursorgaan kan de beslissing voor ten hoogste vier weken verdagen. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan.

4 Verder uitstel is mogelijk voor zover de indiener van het bezwaarschrift daarmee instemt en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad of ermee instemmen.”

2. Memorie van Toelichting (Tweede Kamer, 1988-1989, 21 221, nr. 3)

Artikel 6.2.12a

“(…)

In het hier bedoelde geval is weliswaar bezwaar of beroep mogelijk, maar is het bestuursorgaan in beginsel niet ontslagen van de verplichting alsnog op de aanvraag te beslissen. De mogelijkheid om tegen het uitblijven van een tijdige beslissing is immers niet gegeven om het bestuursorgaan van verplichtingen te verlossen, maar om belanghebbenden de gelegenheid te bieden daartegen een bezwaar- of beroepsprocedure aan te spannen. (…) Het uitgangspunt van het eerste lid is dan ook dat het bestuursorgaan gehouden blijft op de aanvraag te beslissen.

In sommige gevallen heeft dit echter geen zin meer. Ten eerste zal dat bij bezwaar in het algemeen het geval zijn, zolang het bezwaar aanhangig is. De indiener mag dan spoedig een beslissing op zijn bezwaar verwachten. Dat zal tevens een beslissing op de oorspronkelijke aanvraag zijn. De indiener van de oorspronkelijke aanvraag zal er dan veelal geen belang bij hebben dat voorafgaand aan de beslissing op zijn bezwaar alsnog op zijn oorspronkelijke aanvraag wordt beslist. Daarom is in onderdeel a van het tweede lid neergelegd, dat het bestuursorgaan hiertoe niet verplicht is. Het blijft daartoe wel bevoegd, hetgeen onder omstandigheden in het belang van de aanvrager zou kunnen zijn. (…).”

3. Vreemdelingencirculaire 2000, Hoofdstuk B.1.1.2

“(…)

Voor mvv-aanvragen is er geen wettelijke beslistermijn. De beslissing moet genomen worden binnen een redelijke termijn. Die termijn bedraagt drie maanden. In elk geval wordt binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag bericht binnen welke termijn een beslissing kan worden verwacht (…).”

Instantie: Visadienst

Klacht:

Wijze van behandeling van klacht over lange behandelingsduur van bezwaarschrift tegen het niet-tijdig beslissen op ingediende aanvraag om mvv.

Oordeel:

Gegrond