2002/144

Rapport

Verzoekster klaagt erover dat de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (het CBR), regio Noord te Assen, nadat zij op 4 juli 2001 ter verkrijging van een verklaring van geschiktheid ten behoeve van de vernieuwing van haar rijbewijs een algemene medische keuring had ondergaan, haar heeft verzocht een nadere keuring bij een oogarts te ondergaan, terwijl de algemeen keurend arts haar had meegedeeld dat haar gezichtsscherpte voldoende was en zij geen beperkingen van het gezichtsveld had.

Beoordeling

1. Verzoekster wilde vanwege het verstrijken van de geldigheidstermijn haar rijbewijs vernieuwen. Omdat zij de leeftijd van zeventig jaren had bereikt moest zij bij de aanvraag om afgifte van een nieuw rijbewijs een verklaring van geschiktheid en een door een arts opgemaakt geneeskundig verslag overleggen (respectievelijk artikel 35, aanhef en onder b.I en artikel 100, derde lid en onder a van het Reglement rijbewijzen, zie Achtergrond, onder 1.). Op 4 juli 2001 onderging verzoekster daartoe een algemene medische keuring. Het door de keurend arts ondertekende geneeskundig verslag vermeldde ten aanzien van de gezichtsscherpte van verzoekster dat zij een visus had van 0,35 en 0,65. Naar zeggen van verzoekster deelde de arts haar mee dat haar gezichtsscherpte voldoende was.

De Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (het CBR) verleende verzoekster echter (nog) geen verklaring van geschiktheid, maar vorderde dat zij zich liet keuren door een oogarts.

Verzoekster klaagt erover dat het CBR een nadere medische keuring heeft gevorderd, terwijl de algemeen keurend arts haar had meegedeeld dat zij voldoende zag en zij geen beperkingen van het gezichtsveld had.

2. Op grond van artikel 101, eerste lid en onder a van het Reglement rijbewijzen is het CBR bevoegd te vorderen dat de aanvrager van een verklaring van geschiktheid zich op eigen kosten laat keuren door een door het CBR aangewezen arts indien het door de aanvrager overgelegde geneeskundig verslag daartoe aanleiding geeft (zie Achtergrond, onder 1.).

Deze aanleiding is aanwezig indien de aanvrager niet voldoet aan de bij de Regeling eisen geschiktheid 2000 vastgestelde eisen ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen, dan wel indien daarover twijfel bestaat. Ten aanzien van het gezichtsvermogen is in paragraaf 3.2.1. van de “Bijlage behorende bij de Regeling eisen geschiktheid 2000” bepaald dat de visus van bestuurders van personenauto's met beide ogen tezamen ten minste 0,5 dient te bedragen. In paragraaf 3.6. van deze Bijlage is voorts bepaald dat voor een rijbewijs na het zeventigste jaar een geschiktheidtermijn van vijf jaren geldt, indien er (blijkend uit de aantekening c.q. het verslag van de keurend arts) geen belangrijke afwijkingen zijn gevonden in visus of gezichtsvelden. Indien er wel een belangrijke afwijking is geconstateerd, is aanvullend onderzoek door een oogarts nodig ter vaststelling van de geschiktheidtermijn, aldus paragraaf 3.6. (zie Achtergrond, onder 2.).

3. Het CBR deelde in reactie op de klacht mee dat de vordering tot nader onderzoek door een oogarts was gebaseerd op paragraaf 3.6. van de Bijlage van de Regeling eisen geschiktheid 2000. Het CBR heeft intern als richtsnoer vastgesteld dat van een “belangrijke afwijking” in de zin van deze paragraaf 3.6. sprake is als de waarde voor het beste van de beide ogen de 0,7 niet haalt. De in het geneeskundig verslag van verzoekster vermelde meetwaarden van 0,35 en 0,65 voldeden niet aan dit richtsnoer. Om die reden was sprake van een belangrijke afwijking en moest nader onderzoek plaatsvinden om de geschiktheidtermijn te bepalen.

Het CBR liet verder nog weten dat bij elke arts in Nederland bekend is dat een normale gezichtsscherpte tussen de 0,8 en 1,2 ligt. Met dit gegeven als uitgangspunt heeft het CBR intern bepaald dat wanneer de gezichtsscherpte van het beste oog minder is dan 0,7 er sprake is van een belangrijke afwijking in de zin van paragraaf 3.6. van de Bijlage. De oorzaak van verminderde gezichtsscherpte is in het algemeen een verkeerde bril en/of een progressieve oogziekte. Een nadere keuring door een oogarts dient er dan voor om advies te verkrijgen over de termijn waarvoor iemand geschikt kan worden verklaard tot het besturen van motorrijtuigen. Zo is bij een gezichtsscherpte van 0,6 veroorzaakt door staar de termijn van vijf jaar te lang. De staar zal ongetwijfeld toenemen en binnen afzienbare tijd voldoet betrokkene niet meer aan de minimumnorm van 0,5, aldus het CBR.

Het CBR heeft het hiervoor bedoelde interne richtsnoer vermeld in het handboek voor de medische adviseurs van het CBR. Voorts is de interne afspraak terug te vinden in een medisch naslagwerk genaamd “Oogheelkunde voor de huisarts”, waarin een hoofdstuk is gewijd aan de rijbewijskeuring en het gezichtsvermogen. Daarnaast is de vermelding van en het instrueren omtrent het hier bedoelde richtsnoer onderdeel geweest van twee cursussen, die het CBR had georganiseerd ten behoeve van keurende huisartsen.

4. Op grond van artikel 4:2, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (zie Achtergrond, onder 3.) moet de aanvrager van een beschikking de gegevens en bescheiden verschaffen 'die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn'. Tot de gegevens die nodig zijn voor de beslissing op de aanvraag behoren in ieder geval de gegevens die bij of krachtens bijzonder wettelijk voorschrift bij het indienen van de aanvraag moeten worden verstrekt. Op grond van artikel 101, eerste lid en onder a van het Reglement rijbewijzen is het CBR bevoegd te vorderen dat de aanvrager van een verklaring van geschiktheid zich op eigen kosten laat keuren door een door het CBR aangewezen arts indien het door de aanvrager overgelegde geneeskundig verslag daartoe aanleiding geeft. Voor rijbewijzen na het zeventigste jaar is in dit verband in paragraaf 3.6. van de Bijlage behorende bij de Regeling eisen geschiktheid 2000 nader bepaald dat indien er in het geneeskundig verslag een 'belangrijke afwijking' is geconstateerd een aanvullend onderzoek door een oogarts nodig is ter vaststelling van de geschiktheidtermijn. Het CBR heeft intern als richtsnoer vastgesteld, dat sprake is van een 'belangrijke afwijking' indien de visus van het beste oog minder dan 0,7 bedraagt.

5. Op grond van de door het CBR genoemde argumenten, zoals weergegeven onder 3, is de Nationale ombudsman van oordeel dat het CBR in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat bij een visus voor het beste oog van minder dan 0,7 sprake is van een 'belangrijke afwijking' als bedoeld in paragraaf 3.6. van de Bijlage behorende bij de Regeling eisen geschiktheid 2000, zodat van een aanvrager van een geschiktheidverklaring die de leeftijd van zeventig jaar heeft bereikt en van wie de visus van het beste oog kleiner is dan 0,7 een aanvullend onderzoek door een oogarts mag worden verlangd.

De onderzochte gedraging is behoorlijk.

6. De Nationale ombudsman merkt nog ten overvloede op dat het begrijpelijk is dat verzoekster is afgegaan op de mededeling die haar algemeen keurend arts - naar eigen zeggen - omtrent haar gezichtsscherpte heeft gedaan. Op grond van regelgeving is het echter het CBR en niet de algemeen keurend arts die een geldende uitspraak kan doen over de vraag of iemands gezichtsvermogen voldoende is om - zonder gevaar voor de verkeersveiligheid - een motorrijtuig te besturen en voor welke periode hij of zij daartoe geschikt kan worden geacht. Om verwarring zoals bij verzoekster is ontstaan, te voorkomen verzoekt het CBR de algemeen keurend arts dan ook middels een voorbedrukte tekst op het formulier voor de eigen verklaring om zich in het stadium van de keuring ten behoeve van het geneeskundig verslag niet uit te laten over de geschiktheid. Voor zover de keurend arts van verzoekster dit toch heeft gedaan, valt dit te betreuren. Het CBR kan ten aanzien daarvan echter geenszins een verwijt worden gemaakt.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (het CBR), regio Noord te Assen, is niet gegrond.

Onderzoek

Op 22 oktober 2001 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van mevrouw H. te Makkum, met een klacht over een gedraging van de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (het CBR), regio Noord te Assen.

Naar deze gedraging werd een onderzoek ingesteld.

In het kader van het onderzoek werd het CBR verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben.

Vervolgens werd verzoekster in de gelegenheid gesteld op de verstrekte inlichtingen te reageren.

Tevens werd het CBR een aantal specifieke vragen gesteld.

Verzoekster werd vervolgens in de gelegenheid gesteld op de beantwoording van deze vragen door het CBR te reageren.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen.

Het CBR deelde mee zich met de inhoud van het verslag te kunnen verenigen.

Verzoekster gaf binnen de gestelde termijn geen reactie.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:

A. feiten

1. Ten behoeve van de vernieuwing van haar rijbewijs voor de categorieën B (personenauto's) en E (aanhangwagens en opleggers) bij B vroeg verzoekster, die de leeftijd van zeventig jaren had bereikt, een verklaring van geschiktheid aan (artikel 35, aanhef en onder b.I van het Reglement rijbewijzen, zie Achtergrond, onder 1.). Eveneens vanwege haar leeftijd diende zij bij de aanvraag een door een arts opgemaakt geneeskundig verslag over te leggen (artikel 100, derde lid en onder a van het Reglement rijbewijzen, zie Achtergrond, onder 1.). Op 4 juli 2001 onderging verzoekster daartoe een algemene medische keuring.

Het op 19 juli 2001 door de keurend arts, de heer J., ondertekende geneeskundig verslag - deel uitmakend van de eigen verklaring - houdt onder meer het volgende in:

“Welke is de gezichtsscherpte? (in decimalen)

VOD zonder correctie: (…) 0,35 (…)

VOS zonder correctie: (…) 0,65 (…)

Bestaat er een beperking van het gezichtsveld? Neen”

Op de eigen verklaring is voorts de volgende opmerking vermeld:

Het CBR verzoekt de keurend arts vriendelijk zich in dit stadium niet uit te laten over de geschiktheid.

2. Verzoekster leverde de eigen verklaring met het geneeskundig verslag in bij de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (het CBR) ter verkrijging van de gewenste verklaring van geschiktheid. Het CBR gaf verzoekster echter nog geen verklaring van geschiktheid af, maar vorderde dat zij zich liet keuren door een oogarts.

3. Bij brief van 19 augustus 2001 uitte verzoekster haar verbazing aan het CBR over de verwijzing naar een oogarts.

Het CBR reageerde bij brief van 24 augustus 2001 onder meer als volgt:

“In antwoord op uw brief van 19 augustus jl., deel ik u mede dat de verwijzing naar een oogarts niet berust op een vergissing.

De oogmeting door dokter J. laat nl. een gezichtsscherpte zien van minder dan normaal.

Onderzoek door een oogarts is dan noodzakelijk om de termijn te bepalen hoe lang uw rijbewijs geldig mag zijn.”

B. Standpunt verzoekster

Het standpunt van verzoekster staat samengevat weergegeven onder Klacht.

C. Standpunt Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen

Het CBR reageerde bij brief van 5 december 2001 onder meer als volgt op de klacht:

“aan klaagster is toegelicht (bij brief van 24 augustus 2001, zie onder A.3.; N.o.) dat “de verwijzing naar een oogarts niet berust op een vergissing”, en dat “de oogmeting een gezichtsscherpte van minder dan normaal” laat zien. Ook is vermeld dat “onderzoek door een oogarts noodzakelijk is om de termijn te bepalen hoe lang het rijbewijs geldig mag zijn”.

Deze toelichting is inhoudelijk geheel correct. Klaagster heeft naar eigen zeggen evenwel van de algemeen keurend arts te horen gekregen dat ze “goed ziet” en dat “de fout bij het CBR moet liggen”. Daarnaast heeft ze van die arts het Geneeskundig Verslag ontvangen en ingezien. De daarin vermelde meetwaarden VOD: 0,35 en VOS: 0,65 zijn kennelijk voor de algemeen keurend arts geen aanleiding geweest om te twijfelen aan de kwaliteit van de gezichtsscherpte, benodigd voor het besturen van een motorvoertuig, hoewel in de Regeling Eisen Geschiktheid (Stct. 99. 18-5-2000) paragraaf 3.6 uitdrukkelijk is aangegeven dat aanvullend onderzoek door een oogarts nodig is ter vaststelling van de geschiktheidstermijn, indien er belangrijke afwijkingen zijn gevonden in de visus. Van belangrijke afwijkingen is sprake indien de waarde voor het beste van de beide ogen de 0,7 niet haalt. Deze waarde van 0,7 is door CBR intern als richtsnoer vastgesteld, omdat in de praktijk anders betrekkelijke willekeur zou kunnen ontstaan bij het bepalen van het begrip “belangrijke afwijkingen”.

Zie overigens ook art. 101, lid 1 onder a Reglement Rijbewijzen (zie Achtergrond, onder 1.; N.o.).

De keurend arts heeft dit principe, indien en voorzover hij gesproken heeft, zoals betrokkene aangeeft, niet onderkend. Bovendien heeft CBR op de Eigen Verklaring een verzoek aangebracht: “Het CBR verzoekt de keurend arts vriendelijk zich in dit stadium niet uit te laten over de geschiktheid”; aan dit verzoek heeft de keurend arts zich, overigens buiten verantwoordelijkheid van CBR, naar het zich laat aanzien, niet gebonden gevoeld.”

D. Reactie verzoekster

Bij brief van 15 januari 2002 deelde verzoekster als reactie op de onder C. weergegeven brief van het CBR onder meer het volgende mee:

“Ja inderdaad heeft het CBR mij geschreven dat ik minder zie dan normaal hoe kan dat? Je ziet goed zegt de keuringsarts (wie spreekt de waarheid?).

Ze schrijven ook dat onderzoek door een oogarts noodzakelijk is om de termijn te bepalen hoelang het rijbewijs geldig is.

Een goede bekende van mij even oud zelfs een paar maandjes ouder heeft het rijbewijs weer voor 5 jaar gekregen. Hoefde niet naar de oogarts. Ze meten daar zeker met twee maten?”

E. Reactie Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen

1. Op 4 februari 2002 stelde de Nationale ombudsman het CBR schriftelijk een aantal vragen. Het CBR beantwoordde deze vragen bij brief van 20 februari 2002 als volgt:

“Ad 1. Hoe is het CBR gekomen tot het oordeel dat een belangrijke afwijking bestaat nu verzoekster bij de oogmeting voldoet aan de norm van paragraaf 3.2.1. van de Regeling eisen geschiktheid 2000 (zie Achtergrond, onder 2.; N.o.)?

Een normale gezichtsscherpte ligt tussen de 0,8 en 1,2. Dit is algemeen bekend bij elke arts in Nederland. Onder de 0,8 bestaat dus een afwijking van de gezichtsscherpte.

Een afwijking in de gezichtsscherpte speelt een rol bij de beoordeling voor meerdere paragrafen in hoofdstuk 3 van de Regeling eisen geschiktheid 2000. Omdat paragraaf 3.6 stelt dat - na het zeventigste jaar - een geschiktheidstermijn van vijf jaar mogelijk is indien geen belangrijke afwijkingen bestaan, legt het CBR de grens niet bij 0,8. Eerst wanneer de gezichtsscherpte van het beste oog minder is dan 0,7 oordeelt het CBR dat sprake is van een belangrijke afwijking, waarvoor aanvullend onderzoek van de oogarts nodig is.

De oorzaak van verminderde gezichtsscherpte is in het algemeen een verkeerde bril en/of een progressieve oogziekte zoals staar of maculadegeneratie. De bedoeling van de keuring door de oogarts is om ingeval van een progressieve oogziekte een advies te verkrijgen over de termijn waarvoor iemand geschikt kan worden verklaard. Ter illustratie: bij een gezichtsscherpte van 0,6 veroorzaakt door staar is de termijn van vijf jaar te lang. De staar zal ongetwijfeld toenemen en binnen afzienbare tijd voldoet betrokkene niet meer aan de minimumnorm van 0,5. Was de slechte gezichtsscherpte alleen veroorzaakt door een verkeerde bril en bestaat er geen progressief ooglijden dan is er geen bezwaar tegen een rijbewijs voor vijf jaar en zal de oogarts een nieuw brilrecept verstrekken.

Mevrouw voldeed op grond van de resultaten van de oogmeting wel aan de eisen van paragraaf 3.2.1., maar voor personen boven de 70 geldt een aanvullende eis, vastgelegd in paragraaf 3.6.

Voor beoordeling van deze paragraaf is aanvullend onderzoek door een specialist, de oogarts nodig omdat in haar gezichtsscherpte een belangrijke afwijking is gevonden.

Ad 2a. Waaruit blijkt het interne richtsnoer van 0,7?

Deze interne afspraak staat in het handboek voor de medisch adviseurs van het CBR (zie hierna, onder E.2; N.o.), waarvan elke medisch adviseur een exemplaar in bezit heeft. Dit zorgt voor uniforme behandeling van de aanvraag voor een Verklaring van geschiktheid.

(…)

Ad 2b. Hoe wordt deze afspraak bekend gemaakt en aan wie?

Deze interne afspraak is buiten het CBR onder meer terug te vinden in het medisch naslagwerk “Oogheelkunde voor de huisarts”, een uitgave van de Boerhaave Commissie van oktober 1999, waar een hoofdstuk gewijd is aan de rijbewijskeuring en het gezichtsvermogen.

Dit hoofdstuk is een bewerking van een lezing van het Hoofd Medische Zaken van het CBR over dit onderwerp bij post-academisch onderwijs voor huisartsen.

Aangezien de keurling op grond van artikel 100 lid 3 van het Reglement rijbewijzen het Geneeskundig verslag door elke arts in Nederland kan laten invullen, is bij het CBR niet bekend welke artsen wel of geen rijbewijskeuringen doen en is het zodoende onmogelijk deze hierover te informeren. In het verleden heeft het CBR wel twee maal een (vrijwillige) cursus georganiseerd voor keurende huisartsen en hen over deze regel geïnstrueerd.

Ook wordt geregeld telefonisch contact gezocht door (huis)artsen met de medisch adviseurs waarbij deze informatie wordt verstrekt.

Overigens betreft deze richtsnoer dus alleen dat het CBR een gezichtsscherpte van minder dan 0,8 - het algemene uitgangspunt voor afwijkingen - pas onder de 0,7 aanmerkt als een belangrijke afwijking als bedoeld in paragraaf 3.6.”

2. Bij zijn reactie voegde het CBR een afschrift van de betreffende pagina uit het handboek voor de medisch adviseurs van het CBR. De inhoud van deze pagina luidt onder meer als volgt:

“In de volgende gevallen is een oogartsverwijzing noodzakelijk:

(…)

2. Betrokkene vraagt alleen een VvG (verklaring van geschiktheid; N.o.) voor groep 1, maar de visus van het beste oog (na correctie als er een correctie wordt gedragen) is kleiner dan 0,7. Hoewel dit meer is dan de vereiste 0,5 volgt toch een oogartsverwijzing. Het recht om iemand met een subnormaal gezichtsvermogen naar de oogarts te verwijzen haalt de medisch adviseur uit de Regeling eisen geschiktheid. Paragraaf 3.6 eist voor vernieuwing van het rijbewijs een oogartsrapport indien er belangrijke afwijkingen zijn gevonden in de visus of de gezichtsvelden. Intern is afgesproken dat als het beste oog, eventueel met correctie de 0,7 niet haalt er zeker gesproken mag worden van een belangrijke afwijking. De reden voor het oogartsrapport is dat een verminderde visus mogelijk het gevolg van een progressieve oogaandoening is, die aanleiding zou zijn voor het verstrekken van een Verklaring van geschiktheid met een beperkte geldigheid.”

F. Nadere reactie verzoekster

Verzoekster reageerde bij brief van 7 maart 2002 op de brief van 20 februari 2002 van het CBR. Zij bracht hierin geen nieuwe standpunten naar voren.

Achtergrond

1. Reglement rijbewijzen

Artikel 35, aanhef en onder a en b.I:

"Indien de aanvraag betrekking heeft op de vernieuwing van het eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs, dienen, behoudens de in artikel 33 genoemde bescheiden, bij de aanvraag tevens te worden overgelegd:

a. dat eerder afgegeven rijbewijs;

b. een niet langer dan een jaar vóór de aanvraag afgegeven verklaring van geschiktheid indien

I. de aanvrager de leeftijd van 70 jaren heeft bereikt"

Artikel 97, eerste lid:

"1. Verklaringen van geschiktheid worden op aanvraag en tegen betaling van het daarvoor vastgestelde tarief afgegeven door het CBR aan een ieder die voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen."

Artikel 100, eerste lid, onder a en derde lid, onder a:

“1. Bij de aanvraag (van een verklaring van geschiktheid; N.o.) dienen te worden overgelegd:

a. een niet langer dan twee weken voor de aanvraag getekende, volledig ingevulde eigen verklaring volgens door het CBR vastgesteld model;

(…)

3. Bij de aanvraag dient tevens een door een arts opgemaakt, niet langer dan twee weken voor de aanvraag getekend, geneeskundig verslag volgens door het CBR vastgesteld model te worden overgelegd indien de aanvraag betrekking heeft op:

a. de afgifte van een rijbewijs aan een aanvrager die de leeftijd van 70 jaren heeft bereikt”

Artikel 101, eerste lid en onder a:

“1. Het CBR is bevoegd te vorderen dat de aanvrager zich op eigen kosten laat keuren door een of meer door het CBR aangewezen artsen indien:

a. de door de aanvrager overgelegde eigen verklaring dan wel, indien een geneeskundig verslag wordt vereist, het geneeskundig verslag daartoe aanleiding geeft”

Artikel 103, eerste en tweede lid:

"1. Indien de aanvrager naar het oordeel van het CBR voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën waarop de aanvraag betrekking heeft, geeft het voor die categorie of categorieën een verklaring van geschiktheid af.

2. Indien naar het oordeel van het CBR redelijke grond bestaat voor de verwachting dat de aanvrager slechts aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voldoet voor een daarbij te bepalen termijn die korter is dan de in artikel 122, eerste lid, van de wet (WVW 1994; N.o.) voorziene geldigheidsduur, tekent het CBR die termijn aan op de verklaring van geschiktheid."

2. Regeling eisen geschiktheid 2000

Artikel 1:

“In deze regeling wordt verstaan onder:

a. groep 1: bestuurders van motorrijtuigen van de categorieën A, B en B + E”

Artikel 2:

“De eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen worden vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage."

Hoofdstuk 3 (Stoornissen van het gezichtsorgaan) van de “Bijlage behorende bij de Regeling eisen geschiktheid 2000” houdt onder meer het volgende in:

3.1. Inleiding

In dit hoofdstuk worden de eisen aan de geschiktheid gegeven voor het gezichtsorgaan.

3.2. Gezichtsvermogen

De hierna gegeven normen voor gecorrigeerde visus, brekingsafwijkingen (bril, contactlenzen), gezichtsvelden enzovoort gelden met inachtneming van het gestelde in paragraaf 3.3 t/m 3.6.

3.2.1. Gecorrigeerde visus

a. groep 1: De visus met beide ogen tezamen dient, eventueel gecorrigeerd, ten minste 0,5 te bedragen. (…)

(…)

3.6. Vernieuwing rijbewijs

Voor beide groepen rijbewijzen geldt na het zeventigste jaar een geschiktheidstermijn van vijf jaar, indien er (blijkend uit de aantekening c.q. het verslag van de keurend arts) geen belangrijke afwijkingen zijn gevonden in visus of gezichtsvelden. Indien dit wel het geval is, is aanvullend onderzoek door een oogarts nodig ter vaststelling van de geschiktheidstermijn.”

3. Algemene wet bestuursrecht

Artikel 4:2, tweede lid:

“De aanvrager verschaft voorts de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.”

Instantie: Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen

Klacht:

Verzoekster verzocht nadere keuring bij oogarts te ondergaan, terwijl algemeen keurend arts haar had meegedeeld dat haar gezichtsscherpte voldoende was.

Oordeel:

Niet gegrond