2001/054

Rapport

Op 7 december 1999 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer L. te Amsterdam, met een klacht over een gedraging van het Agentschap van het Ministerie van Financiën te Amsterdam en een gedraging van de Minister van Financiën.

Naar deze gedragingen, waarbij de gedraging van het Agentschap van het Ministerie van Financiën wordt aangemerkt als een gedraging van de Minister van Financiën, werd een onderzoek ingesteld.

Op grond van de door verzoeker verstrekte gegevens werd de klacht als volgt geformuleerd:

Verzoeker klaagt over de wijze waarop hij door het Agentschap van het Ministerie van Financiën is behandeld tijdens de procedure naar aanleiding van zijn sollicitatie naar de functie van dealer/beleidsmedewerker. In dit verband heeft verzoeker naar voren gebracht dat hij:

1. ondanks een mondelinge toezegging op 19 oktober 1999 van het toenmalige hoofd AGK dat hij was aangenomen, uiteindelijk niet in dienst is genomen.

2. er nimmer op is gewezen dat zijn aanstelling afhing van het aanblijven van het hoofd Afdeling Geld- en Kapitaalmarkt (AGK). Verzoeker stelt zich op het standpunt dat het Agentschap van het Ministerie van Financiën tijdens de sollicitatieprocedure van het vertrek van deze functionaris op de hoogte moet zijn geweest.

Voorts klaagt verzoeker erover dat de Minister van Financiën in zijn brief van 24 november 1999 in onvoldoende mate is ingegaan op de argumenten die verzoeker in zijn brief van 18 november 1999 naar voren heeft gebracht.

Achtergrond

Gedragsregels voor selectie van externe sollicitanten (circulaire van 10 december 1982 van het Ministerie van Financiën, Centrale Directie Personeel en Organisatie, Afdeling Personeelsontwikkeling, Werving en Selectie).

"…14. Laatste fase van de sollicitatieprocedure

In dit stadium van de procedure, wordt met de sollicitant in het bijzonder gesproken over de arbeidsvoorwaarden.

Bij de uitnodiging van een dergelijk gesprek wordt teneinde de sollicitant vooraf zo goed mogelijk voor te lichten, aan hem een exemplaar van de brochure "Rechtspositie Rijksambtenaar" verstuurd. De sollicitant kan zich door middel van deze brochure beter voorbereiden over het gesprek over de arbeidsvoorwaarden.

(…)

17. Aanbieding.

Het hoofd van dienst bepaalt in overleg met het hoofd van het betreffende bedrijfsbureau welke kandidaat een aanbieding krijgt. De salarispositie en de overige voorwaarden voor aanstelling worden aan de kandidaat door het bevoegd gezag schriftelijk meegedeeld. Ook verdere afspraken die met de sollicitant gemaakt zijn, worden schriftelijk bevestigd. De schriftelijke bevestiging wordt in tweevoud aan de sollicitant gestuurd met het verzoek een exemplaar voor akkoord te ondertekenen en dit vervolgens te retourneren.

Bij de definitieve besluitvorming wordt door het bevoegde gezag onderzocht of een voorstel van een hoofd van dienst past in het algemene personeelsbeleid. Gewaakt dient te worden tegen het wekken van verwachtingen - met name ook met betrekking tot studiefaciliteiten - die niet altijd kunnen worden gehonoreerd…"

Onderzoek

In het kader van het onderzoek werd de Minister van Financiën verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben. Daarbij werd tevens een aantal specifieke vragen gesteld. Vervolgens werd verzoeker in de gelegenheid gesteld op de verstrekte inlichtingen te reageren.

Nadien werd ook het toenmalige hoofd AGK van het Agentschap van het Ministerie van Financiën verzocht om op de klacht te reageren en een aantal specifieke vragen te beantwoorden.

Vervolgens werd verzoeker in de gelegenheid gesteld om ook op deze informatie te reageren.

Het hoofd Bedrijfsbureau van de Generale Thesaurie van het Ministerie van Financiën en A. hebben in het kader van het onderzoek tegenover een medewerker van het Bureau Nationale ombudsman telefonisch een verklaring afgelegd.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. Verzoeker deelde mee zich met de inhoud van het verslag te kunnen verenigen. De overige betrokkenen gaven binnen de gestelde termijn geen reactie.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:

A. feiten

1. In een advertentie in de Volkskrant van 11 september 1999 riep het Agentschap van het Ministerie van Financiën (hierna: het Agentschap) kandidaten op om te solliciteren naar de functie van dealer/beleidsmedewerker. De tekst van de advertentie luidt als volgt:

"…Vac.nr. BBGT99.47 Senior dealer bij het Agentschap

Het Agentschap van het Ministerie van Financiën te Amsterdam heeft twee kernactiviteiten: de beleidsvoorbereiding en het uitgeven en beheren van de staatsschuld (…). Als (senior) dealer/beleidsmedewerker participeert u vanuit de dealingroom actief in de financiële markten. De Afdeling Geld- en Kapitaalmarkt is verantwoordelijk voor het emissiebeleid en voor de feitelijke uitgifte van staatsleningen en geldmarktpapier. Daarnaast worden dagelijks geldmarkttransacties uitgevoerd om het schatkistsaldo bij De Nederlandse Bank op het gewenste niveau te sturen. U sluit namens de Staat zelfstandig telefonisch transacties af. Met behulp van geavanceerde financiële technieken analyseert u rente- en derivatenmarkten, yieldcurves en waarderingsvraagstukken. U adviseert over tal van praktische en theoretische aspecten en onderhoudt contacten met financiële instellingen in binnen- en buitenland alsmede met verschillende onderdelen van het Ministerie van Financiën in Den Haag en andere organisaties.

U bent een universitair opgeleide en kwantitatief ingestelde econoom of econometrist. U heeft kennis van financiële markten en producten en financiële rekenkunde kent voor u geen geheimen. Enige relevante ervaring, bijvoorbeeld bij de overheid of in de financiële sector, strekt tot aanbeveling, maar ook jonge academici kunnen solliciteren. Inschaling is afhankelijk van leeftijd en ervaring (…). Voor meer informatie (…) kunt u contact opnemen met X, hoofd van de Afdeling Geld- en Kapitaalmarkt,…"

2. Verzoeker reageerde op deze advertentie en werd vervolgens uitgenodigd voor een aantal sollicitatiegesprekken bij het Agentschap. Op 25 oktober 1999 vond een arbeidsvoorwaardengesprek plaats met Y, werkzaam bij de Generale Thesaurie van het Ministerie van Financiën (hierna: de Generale Thesaurie). Daarbij werd afgesproken dat aan verzoeker uiterlijk 29 oktober 1999 een bod zou worden gedaan. Omdat dit bod uitbleef, ondanks een telefonisch rappel bij Y, nam verzoeker op 8 november 1999 contact op met X, hoofd van de Afdeling Geld- en Kapitaalmarkt (AGK) van het Agentschap. Deze deelde hem vervolgens mee dat hij de organisatie per 1 december 1999 zou gaan verlaten en dat verzoeker om die reden niet meer voor de functie in aanmerking kwam.

3. Ter bevestiging van dit telefoongesprek deelde de Minister van Financiën verzoeker bij brief van 11 november 1999 het volgende mee:

"…Naar aanleiding van uw telefonisch onderhoud met het hoofd AGK op 8 november 1999 bevestig ik dat wordt afgezien van het doen van een aanbieding voor de functie van dealer/beleidsmedewerker bij het Agentschap van het Ministerie van Financiën.

De sterke aarzeling bij de dienstleiding of uw persoonlijkheidskenmerken bij het profiel van de functie zouden passen, zijn aanleiding geweest om u in totaal vijf maal voor een oriënterend gesprek uit te nodigen. Bij de uiteindelijke afweging heeft het voornemen van het hoofd AGK om u persoonlijk onder zijn hoede te nemen een belangrijke rol gespeeld. Deze begeleiding is van cruciaal belang bij de onderhavige functie, waarin zowel specialistische kennis als de wijze van benadering van marktpartijen zeer belangrijk zijn. Deze aspecten moeten goeddeels op de werkvloer en onder deskundige leiding worden verworven.

Zoals u weet hebben de aanvullende salariseisen die u heeft gesteld tot enige verwarring en tot verdere vertraging geleid. U hebt in dat verband te kennen gegeven een schriftelijk aanbod op zijn merites te zullen beoordelen.

Tot onze grote spijt heeft het hoofd AGK inmiddels een functie aanvaard in het buitenland. Hij zal het Agentschap per 1 december a.s. verlaten. Dit feit heeft de omstandigheden waaronder u in de dealingroom van het Agentschap zou worden opgevangen en opgeleid, drastisch gewijzigd. Het management van het Agentschap meent dat het onder deze omstandigheden niet in uw belang is, noch in dat van het Agentschap, om u een dienstverband aan te bieden. De vacature zal thans worden bevroren tot een nieuw hoofd van de dealingroom is benoemd.

Ik kan mij voorstellen, dat ondanks uw aarzelingen ten aanzien van de inschaling, bij u verwachtingen zijn ontstaan en dat de thans genomen beslissing door u als pijnlijk wordt ervaren. Ik betreur dat ten zeerste en bied daarvoor mijn welgemeende excuses aan…"

4. Verzoeker reageerde bij brief van 18 november 1999 als volgt:

"…Naar aanleiding van uw aangetekend schrijven van 11 november jl. heb ik de volgende aanmerkingen op uw beweegredenen om mij ondanks een mondelinge toezegging niet in dienst te nemen.

Het feit of er al dan niet sprake is geweest van sterke aarzeling om mij in dienst te nemen doet geheel niet terzake. Tijdens de sollicitatieprocedure is mij niet gemeld dat aan mijn aanstelling de voorwaarde was verbonden dat het hoofd van AGK zou aanblijven. Het hoofd van AGK verlaat volgens uw schrijven de dealingroom per 1 december a.s. Een opzegtermijn van twee maanden in acht nemend betekent dat u derhalve al voor en tijdens de sollicitatieprocedure op de hoogte van het vertrek (naar nota bene het buitenland) van het betreffende hoofd bent geweest. Bovendien is het verwonderlijk dat de aanname van een sollicitant afhangt van het aanblijven van één persoon binnen een professionele organisatie als het Agentschap waar men omgaat met gemeenschapsgelden.

Het feit dat u salariseisen als verwarrend ervaart is mijns inziens niet te geloven en klinkt op zijn minst onprofessioneel. De salariseisen zoals u deze noemt bestonden uit 2 periodieken boven de initieel geboden schaal 10.2. Y verhoogde het bod snel naar schaal 10.3 waarmee de door u genoemde eis slechts 1 periodiek extra betrof hetgeen uitermate bescheiden kan worden genoemd. Vervolgens werd ik reeds na een uur gebeld door Y waarbij werd teruggekomen op het eerder gedane bod (schaal 10.3). Tevens verklaarde zij dat het enige bod wat ik zal krijgen schaal 10.2 bedraagt en dat daar niet aan te tornen valt. Verder is het bij de overheid gebruikelijk dat men op dezelfde hoogte qua salaris begint in de aanloopschaal als in de functionele schaal hetgeen mijn vraag om schaal 10.4 rechtvaardigt. Verwarring inderdaad: bij ondergetekende.

Als laatste wil ik u erop wijzen dat ik reeds ben aangenomen door het Agentschap middels een mondelinge overeenkomst. Een en ander is bevestigd door Z (hoofd Bedrijfsbureau van de Generale Thesaurie; N.o.) tijdens een gesprek tussen hem en A. Ik wil u als eerste herinneren aan het in de politiek vaak gebezigde gezegde: Een man een man, een woord een woord. Maar behalve dat een mondelinge overeenkomst een zekere morele waarde kent, kent deze ook rechtsgeldigheid (pacta servanda sunt = overeenkomsten moeten worden nagekomen) en zelfs middels een aangetekend schrijven kunt u dit niet meer ongedaan maken…"

5. In antwoord hierop deelde de Minister van Financiën verzoeker bij brief van 24 november 1999 het volgende mee:

"…Ik heb er begrip voor dat u het niet honoreren van uw verwachting dat u een aanstelling zou worden aangeboden als pijnlijk ervaart. Mijn besluit vindt zijn rechtvaardiging in de niet voorziene situatie dat het hoofd AGK met ingang van 1 december 1999 zijn ontslag heeft gevraagd, zoals in mijn schrijven van 11 november j.l. reeds aan u is meegedeeld. Laatstgenoemde had in de laatste fase van de selectieprocedure te kennen gegeven dat hij u door zijn persoonlijke inzet en begeleiding een redelijke kans van slagen zou kunnen geven bij dit departement.

Het pro en contra van de ontstane situatie zijn afgewogen voor uw belangen. Het feit dat de overige medewerkers, die bij uw werving en selectie waren betrokken, in tegenstelling tot het hoofd AGK, geen positief beeld van de kennismaking hadden, is van doorslaggevende betekenis geweest voor mijn besluit.

In uw brief zijn geen nieuwe feiten en/of omstandigheden die aanleiding zijn op mijn besluit terug te komen. Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd…"

B. Standpunt verzoeker

Voor het standpunt van verzoeker wordt verwezen naar de klachtformulering onder klacht.

Ter toelichting bracht verzoeker in zijn verzoekschrift van 2 december 1999 nog het volgende naar voren:

"…Na een aantal sollicitatiegesprekken bij het Agentschap (…) te Amsterdam ben ik op dinsdag 19 oktober jl. om circa 16.45 uur gebeld door het hoofd van AGK, X met de mededeling dat ik was aangenomen. Hij zou er verder voor zorgen dat het bedrijfsbureau (Bedrijfsbureau Generale Thesaurie van het Ministerie van Financiën; N.o.) contact met mij zou opnemen om een afspraak te maken met als doel het bespreken van de arbeidsvoorwaarden. Dit gebeurde inderdaad en maandag 25 oktober had dit gesprek in Den Haag tussen Y en mij plaats.

Y zei mij toe dat zij mij vrijdag 29 oktober een aanbieding zou doen toekomen. Deze aanbieding heeft echter nooit mijn adres bereikt en op donderdag 4 november belde ik naar Y voor uitleg. Volgens haar zou het bod er komen en zou zij de volgende dag contact met mij opnemen. Y heeft in het vervolg geen contact meer met mij opgenomen en ook het bod is er nooit gekomen.

Vervolgens heb ik het hoofd van AGK X gebeld en deze heeft mij toen gezegd dat hij de organisatie per 1 december zou verlaten en dat ik derhalve niet meer kon worden aangenomen. Zowel in de vacature in de krant als tijdens de gesprekken die ik met AGK heb gehad is geen woord gerept over het feit dat een aanstelling zou afhangen van het eventuele aanblijven van bepaalde personeelsleden bij het Agentschap. Hierna is mij op 11 november een aangetekend schrijven gestuurd waarin een verklaring wordt gegeven waarom zij de beslissing van het hoofd van AGK terugdraaien. Aangezien er al sprake was van een mondelinge overeenkomst heb ik hier 18 november op gereageerd en mijns inziens al hun argumenten ontkracht. Op dit schijven volgde 24 november een antwoord wat ik niet bevredigend en zelfs een beetje beledigend vind."

C. Standpunt Minister van Financiën

1. Naar aanleiding van de klacht van verzoeker reageerde de Minister van Financiën bij brief van 21 februari 2000 als volgt:

"…In vorige briefwisselingen tussen het ministerie en (verzoeker; N.o.) is dezerzijds te kennen gegeven dat ik de ontstane situatie betreur en dat er begrip is voor zijn teleurstelling omtrent het niet honoreren van zijn verwachting dat hem een aanstelling zou worden aangeboden. De selectieprocedure was voor (verzoeker; N.o.) misschien niet altijd even duidelijk, maar ik ben van mening dat de uiteindelijke beslissing zorgvuldig is genomen. Bij de overige medewerkers bestond namelijk grote twijfel over de geschiktheid van (verzoeker; N.o). Zulks blijkt ook uit het feit dat men het nodig oordeelde betrokkene vijfmaal voor sollicitatiegesprekken bij het Agentschap uit te nodigen, hetgeen vaker is dan te doen gebruikelijk. Nadat het toenmalig hoofd AGK zijn aanstelling had opgezegd, was de situatie dusdanig gewijzigd dat men het niet verantwoord achtte om (verzoeker; N.o.) in dienst te nemen. De overige medewerkers die bij de werving en selectie betrokken waren hadden namelijk, in tegenstelling tot het hoofd AGK, geen positief beeld van betrokkene. Dit heeft uiteindelijk de doorslag gegeven voor mijn besluit.

In antwoord op uw gestelde vragen deel ik u tevens mee:

1. Is het juist dat destijds door het toenmalige hoofd AGK de toezegging is gedaan dat verzoeker was aangenomen?

Het toenmalig hoofd AGK heeft nooit expliciet aan (verzoeker; N.o.) meegedeeld dat hij was aangenomen, omdat het arbeidsvoorwaardengesprek nog moest plaatsvinden. Wel is het voorstelbaar dat (verzoeker; N.o) uit het feit dat hij voor een arbeidsvoorwaardengesprek was uitgenodigd heeft begrepen dat hij zo goed als aangenomen was.

2. Is de stelling van verzoeker juist dat hij er tijdens de procedure nimmer op is gewezen dat zijn aanstelling zou afhangen van het aanblijven van het hoofd AGK? Zo nee, dan verzoek ik u stukken te overleggen waaruit uw standpunt blijkt.

Tijdens de sollicitatieperiode was er geen sprake van dat het hoofd AGK de dienst zou verlaten. Dit was daarom ook geen afweging. Dit kon om die reden niet aan (verzoeker; N.o.) worden meegedeeld. De stelling is derhalve juist.

3. Was u er tijdens de procedure van op de hoogte dat het hoofd AGK per 1 december 1999 uw organisatie zou gaan verlaten? Zo nee, hoe valt dit te verklaren, indien ervan uit moet worden gegaan dat deze functionaris een bepaalde ontslagtermijn in acht moest nemen?

Tijdens de procedure was er geen sprake van dat het hoofd AGK zou vertrekken. De desbetreffende medewerker heeft pas eind oktober, tijdens een congres in het buitenland, een aanbod gekregen van een buitenlandse financiële instelling. Hij heeft de dienstleiding hiervan onverwijld in kennis gesteld. Om belangenverstrengeling te voorkomen, is het hoofd AGK onmiddellijk op non-actief gesteld.

Gegeven die omstandigheid is tevens besloten af te wijken van de geldende ontslagtermijn en hem reeds per 1 december eervol ontslag te verlenen.

4. Ik verzoek u nader aan te geven wat de 'aanvullende salariseisen' van verzoeker inhielden, zoals door u vermeld in uw brief aan verzoeker van 11 november 1999, en waarom deze tot verwarring en vertraging hebben geleid. Verzoeker heeft op dit punt aangevoerd dat het om twee periodieken ging boven de initieel geboden schaal 10.2.

Voorafgaand aan de definitieve keuze van een sollicitant vindt er altijd nog een arbeidsvoorwaardengesprek plaats. Ook met (verzoeker; N.o.) heeft er een arbeidsvoorwaardengesprek plaatsgevonden. Na dit gesprek bleef er een discrepantie bestaan tussen de salariseis van betrokkene (10.4) en het salaris dat het ministerie (10.2) bereid was te betalen. De indruk bestond dat (verzoeker; N.o.) niet op dit bod zou ingaan, zodat daarover intern beraad is geweest waardoor enige verwarring en vertraging is ontstaan. Na enig overleg tussen het bedrijfsbureau en het Agentschap is hem meegedeeld dat het bod niet meer dan het salaris conform 10.2 zou zijn. Er is toen afgesproken dat dit schriftelijk aan hem zou worden meegedeeld en hij het aanbod op zijn merites zou bezien. Gelet op de ontwikkelingen bij het Agentschap is hem nimmer schriftelijk een aanbod gedaan. Gelet op bovenstaande ligt het ook niet voor de hand om dat nog te doen…"

2. In een telefonische toelichting op de reactie deelde een medewerker van het Ministerie van Financiën daarnaar gevraagd nog mee dat het hoofd AGK op 29 oktober 1999 zijn ontslag had aangeboden.

D. Reactie verzoeker

In reactie op het standpunt van de Minister van Financiën en in antwoord op een aantal nadere vragen deelde verzoeker bij brief van 6 april 2000 het volgende mee:

"…Hier volgt mijn reactie op uw vragen en het schrijven van de minister.

1a. Wie zijn de heren A. en Z en wat is hun relatie tot u dan wel tot de Generale Thesaurie?

A. is ambtenaar te Amsterdam Zuidoost en heeft als functie (…). Onze relatie ligt in de persoonlijke sfeer. Z is hoofd van het Bedrijfsbureau Generale Thesaurie en derhalve de meerdere van Y.

1b. Wanneer heeft het gesprek tussen deze personen plaatsgevonden?

Dit gesprek heeft op 8 november 1999 plaatsgevonden.

1c. Kunt u de door u gestelde bevestiging op enigerlei wijze aannemelijk maken?

A. is bereid om een verklaring omtrent deze materie af te leggen. (…)

Het toenmalig hoofd X heeft aangegeven dat ik was aangenomen. Ik heb hem namelijk nog expliciet gevraagd waarom hij mij heeft aangenomen. Hierop verklaarde hij dat mijn econometrische vaardigheden bruikbaar zouden zijn voor de Thesaurie. Verder verklaarde hij dat het arbeidsvoorwaardengesprek een formaliteit zou zijn. Tijdens dit gesprek heeft mijn gesprekpartner Y het alleen gehad over de arbeidsvoorwaarden. Het ging hier dus niet om een selectiegesprek, hetgeen mij vooral duidelijk werd toen zij de afkorting SPD, Staats Praktijk Diploma (een zeer hoog aangeslagen boekhoudkundig diploma) verwarde met Sociaal Pedagogische Daghulp. Ik ben overigens in de avonduren docent in bepaalde SPD vakken. Y, heeft zoals zij zelf toegaf, slechts een beleidsuitvoerende taak te weten, het opsturen van het bod, hetgeen zij heeft nagelaten.

2. Wanneer is het door u in de brief van 18 november 1999 genoemde salarisbod door Y gedaan, op welk bod zij al na een uur weer zou zijn teruggekomen?

Y zei mij maandag 25 oktober tijdens het arbeidsvoorwaardengesprek toe dat zij mij vrijdag 29 oktober een bod zou doen toekomen.

Het feit dat de Thesaurie steeds blijft terugkomen op het niet ter zake doende feit dat ik tot vijfmaal toe ben uitgenodigd voor gesprekken stoort mij. Naar eigen zeggen zou de Thesaurie dus tot vijf keer toe de mogelijkheid hebben gehad om mij af te wijzen hetgeen zij niet hebben gedaan. De praktijk is echter dat ik slechts één keer extra op gesprek ben geweest. Verder is er een extra afspraak gemaakt zodat ik een standaardtest kon afleggen. Ik was namelijk vanwege andere werkzaamheden niet in staat deze test tijdens een "normale afspraak" af te leggen. In totaal ben ik overigens drie keer voor gesprekken op bezoek geweest bij de Thesaurie. Verder heb ik de Thesaurie één keer bezocht voor het afleggen van eerder genoemde standaardtest.

In punt 3 stelt de Thesaurie dat het hoofd AGK eind oktober een aanbod heeft gekregen van een buitenlandse financiële instelling. Ik ben benieuwd wanneer dit bod precies heeft plaatsgevonden aangezien ik het sterke vermoeden heb dat dit tijdens de sollicitatieprocedure moet zijn geweest. Ik heb namelijk sollicitatiegesprekken met personeelsleden van de Thesaurie gehad tijdens de afwezigheid van het hoofd.

De Thesaurie betoogt in punt 4 dat de schijn bestond dat ik niet op het bod in zou gaan. Hieruit blijkt dat de overheid mensen dus alleen aanbiedingen doet als zij deze aannemen. Dit lijkt mij in ieder geval erg vreemd. Het enig overleg wat in desbetreffend punt wordt genoemd heeft binnen een uur plaatsgevonden. Y heeft mij namelijk op mijn mobiele telefoon teruggebeld toen ik in de trein van Den Haag naar Amsterdam zat. Ook hier heeft Y mij toegezegd dat het bod er vrijdag zou komen. Zij schrijven: Er is toen afgesproken dat dit schriftelijk aan hem zou worden meegedeeld en hij het aanbod op zijn merites zou bezien. Lijkt een zeer normale gang van zaken. Sollicitant ontvangt een aanbieding en denkt er goed over na. Deze gang van zaken is kennelijk reden tot verwarring bij de Thesaurie. Overigens zou dit betekenen dat (zie de vorige alinea) X tussen maandag 25 oktober en vrijdag 29 oktober naar het buitenland is geweest en daar gedurende deze periode een bod heeft ontvangen…"

E. Reactie TOENMALIG HOOFD AGK X

1. In het kader van het onderzoek door de Nationale ombudsman zijn aan het toenmalig hoofd AGK X de volgende vragen voorgelegd:

"…1. Verzoeker stelt in zijn verzoekschrift dat u op dinsdag 19 oktober 1999 om circa 16.45 uur telefonisch contact met hem heeft opgenomen, waarbij u hem heeft meegedeeld dat hij was aangenomen. Is dit juist? Zo nee, heeft u op enig ander moment aan verzoeker een toezegging in die richting gedaan en zo ja, wanneer?

2. Verzoeker stelt dat het Agentschap al tijdens de sollicitatieprocedure op de hoogte moet zijn geweest van uw vertrek per 1 december 2000. Dit gelet op het feit dat een bepaalde ontslagtermijn in aanmerking dient te worden genomen. Ik verzoek u nader toe te lichten hoe een en ander in zijn werk is gegaan.

3. Is het juist, zoals de minster stelt, dat van alle medewerkers die bij de werving en selectie waren betrokken, alleen u een positief beeld had omtrent verzoekers geschiktheid voor de functie?

4. Wat is voor u de reden geweest om met verzoeker in zee te gaan?

5. Is tijdens de sollicitatiegesprekken met verzoeker aan de orde geweest dat u hem in geval van indiensttreding persoonlijk onder uw hoede zou nemen.

6. Hoeveel gesprekken heeft u in totaal met verzoeker gevoerd en wanneer hebben deze plaatsgevonden?…"

2. In antwoord op deze vragen deelde X bij brief van 19 september 2000 het volgende mee:

"…Afgezien van mijn mening dat in de sollicitatieprocedure niet incorrect is gehandeld, kan ik mij (…) voorstellen dat (verzoeker; N.o.) teleurgesteld is dat zijn sollicitatie in een laat stadium van het proces is afgeketst. Overigens blijkt hiermee eens te meer het belang van alle stadia in een sollicitatieproces, waarvan geen enkele slechts een formaliteit is.

In antwoord op uw vragen, kan ik u het volgende meedelen.

Vraag 1:

Nee, zo'n onvoorwaardelijke toezegging is door mij niet gedaan. Ik ga er in iedere sollicitatieprocedure van uit dat iemand pas aangenomen is nadat alle stadia van het sollicitatieproces met positief resultaat zijn verlopen. Voordien zou ik niet een dergelijke toezegging doen, ook in dit geval niet. Naarmate men in een verder stadium belandt, zeker bij besprekingen met personeelszaken over arbeidsvoorwaarden, wordt de toonzetting uiteraard navenant positiever.

Vraag 2:

Mijn vertrek bij het Agentschap was pas bekend bij mijn werkgever op de dag dat ik mijn ontslag heb ingediend. Vanwege de marktgevoelige informatie die met mijn functie gepaard gaat, is de opzegtermijn zo kort mogelijk gehouden.

Vragen 3, 4 en 5:

(Verzoeker; N.o.) was een twijfelgeval, in het bijzonder met betrekking tot zijn persoonlijkheid. Niettemin is (verzoeker; N.o.) tot in een laat stadium als kandidaat serieus genomen. Een en ander moet worden gezien tegen een achtergrond van een zeer krappe arbeidsmarkt, waarin het al langere tijd uitermate moeilijk was om vacatures in te vullen. In deze situatie heb ik mijn eisen aangepast. Ik ging er vanaf het begin van uit dat intensieve begeleiding vereist was; dit is op een gegeven moment ook met (verzoeker; N.o.) besproken, die zich er nog over verbaasde dat ik dat nodig vond.

Vraag 6:

Ik werkte op het Agentschap met een electronische agenda en beschik niet meer over die gegevens; de data van de gesprekken met (verzoeker; N.o.) zijn mij derhalve niet bekend. Wel kan ik u melden dat er een boven-normaal aantal gesprekken heeft plaatsgevonden. Juist vanwege de twijfel, ook bij mij, vond ik het nuttig (verzoeker; N.o.) met diverse mensen binnen het Agentschap te laten praten..."

F. Nadere reactie verzoeker

In reactie op de informatie van het toenmalige hoofd AGK deelde verzoeker bij brief van 7 november 2000 het volgende mee:

"…Voordat ik in ga op de punten die (het toenmalige hoofd AGK X; N.o.) naar voren brengt, wil ik het volgende onder uw aandacht brengen. Het ministerie wringt zich in allerlei bochten teneinde te doen voorkomen dat zij mij nimmer een baan hebben toegezegd. Echter, zoals ik in mijn repliek van 6 april reeds schreef: In hun schrijven van 21 februari schrijven zij in punt 4: "Er is toen afgesproken dat dit schriftelijk aan hem zou worden meegedeeld en hij het aanbod op zijn merites zou bezien." Ik kan dit niet anders uitleggen dan dat er is afgesproken dat mij een aanbieding zou worden gedaan.

Voorts ga ik in op de antwoorden van (X; N.o.)

Antwoord 1:

Ik bestrijd dit en verwijs naar mijn repliek dd 6 april.

Antwoord 2:

Geen commentaar.

Antwoord 3, 4 en 5:

(X; N.o.) stelt dat een en ander moet worden bezien tegen de achtergrond van een zeer krappe arbeidsmarkt. De relevantie van deze stelling ontgaat mij volledig. Ik ben zowel doctorandus in de economie als de econometrie. De arbeidsmarkt voor econometristen is altijd gunstig geweest. Ik zie hier dus geen uitzonderlijke omstandigheden. Verder heb ik nimmer verbaasd gereageerd. (X; N.o) heeft mij telefonisch medegedeeld dat ik was aangenomen. Derhalve was het onmogelijk voor hem om iets over mijn gemoedstoestand te concluderen.

Antwoord 6:

Dit antwoord vind ik uitermate curieus. In antwoord 3, 4 en 5 weet (X; N.o.) zich allerlei details omtrent mijn reactie te herinneren. Echter hoe vaak ik precies op gesprek ben geweest weet hij niet meer..."

G. VERKLARING HOOFD BEDRIJfSBUREAU van de GENERALE THESAURIE

Daarnaar gevraagd tijdens een telefoongesprek op 17 november 2000 met een medewerker van het Bureau Nationale ombudsman, ontkende het hoofd Bedrijfsbureau van de Generale Thesaurie dat hij op 8 november 1999 telefonisch aan A. had meegedeeld dat verzoeker reeds was aangenomen op basis van een mondelinge overeenkomst, zoals door verzoeker gesteld in zijn brief van 18 november 1999 (zie bevindingen, bij A. FEITEN onder 4.)

H. VERKLARING A., ambtenaar IN AMSTERDAm-ZUIDOOST EN BEKENDE VAN VERZOEKER

A. verklaarde in een telefoongesprek op 17 november 2000 met een medewerker van het Bureau Nationale ombudsman dat hij op 8 november 1999 had gebeld met het hoofd Bedrijfsbureau van de Generale Thesaurie waarbij laatstgenoemde twee- tot driemaal toe had bevestigd dat verzoeker mondeling bij het Agentschap was aangenomen. Het hoofd Bedrijfsbureau speelde de bal echter terug naar het Agentschap met de mededeling dat het Agentschap autonoom was en dat hij aan de situatie dan ook niets kon veranderen, aldus A. in zijn verklaring.

Beoordeling

A. Inleiding

1. In de Volkskrant van 11 september 1999 riep het Agentschap van het Ministerie van Financiën (hierna: het Agentschap) kandidaten op om te solliciteren naar de functie van dealer/beleidsmedewerker.

Verzoeker reageerde op deze advertentie en werd vervolgens uitgenodigd voor een aantal sollicitatiegesprekken bij het Agentschap. Op 25 oktober 1999 vond een gesprek over de arbeidsvoorwaarden plaats bij de Generale Thesaurie van het Ministerie van Financiën (hierna: de Generale Thesaurie). Tijdens dit gesprek werd afgesproken dat verzoeker uiterlijk 29 oktober 1999 een bod zou worden gedaan. Omdat, ondanks een rappel, dit bod uitbleef nam, verzoeker op 8 november 1999 telefonisch contact op met X, hoofd van de Afdeling Geld- en Kapitaalmarkt (AGK) van het Agentschap. Deze deelde hem vervolgens mee dat hij per 1 december 1999 de organisatie zou gaan verlaten en dat verzoeker om die reden niet meer voor de functie in aanmerking kwam.

Uit de brieven van de Minister van Financiën van 11 en 24 november 1999 aan verzoeker blijkt dat er bij de selectiecommissie twijfels bestonden over de vraag of verzoeker geschikt was voor de functie, dat het hoofd AGK als enige een positief beeld van verzoekers kandidatuur had en dat deze in de laatste fase van de selectieprocedure te

kennen had gegeven dat hij verzoeker door zijn persoonlijke inzet en begeleiding een redelijke kans van slagen zou kunnen geven.

Verzoeker klaagt over de gang van zaken rond zijn sollicitatie naar de functie van dealer/beleidsmedewerker.

B. Ten aanzien van de gedane toezegging

1. Verzoeker heeft in dit verband allereerst naar voren gebracht dat het hoofd AGK hem op 19 oktober 1999 telefonisch had meegedeeld dat hij was aangenomen, maar dat hij desondanks uiteindelijk niet in dienst is genomen.

2. Daarnaar gevraagd ontkende het hoofd AGK dat hij zich in dergelijke bewoordingen richting verzoeker had uitgelaten. Wel erkende hij dat, naarmate de procedure vordert

- zeker in het stadium van een bespreking met personeelszaken over arbeidsvoorwaarden - de toonzetting navenant positiever wordt. Tijdens het onderzoek door de Nationale ombudsman is dan ook niet vast komen te staan dat het hoofd AGK op enig moment de toezegging heeft gedaan dat verzoeker was aangenomen.

Wel moet verzoeker worden toegegeven dat hij er, gelet op het verloop van de procedure, van uit mocht gaan dat het Agentschap hem geschikt achtte voor de functie. Er was namelijk met verzoeker al een gesprek gevoerd over de arbeidsvoorwaarden en het is gebruikelijk dat, indien partijen tijdens zo'n gesprek tot overeenstemming komen, de sollicitant een aanbieding wordt gedaan om in dienst te treden. Verzoeker heeft in dit verband terecht opgemerkt dat een arbeidsvoorwaardengesprek niet het karakter draagt van een selectiegesprek. In zoverre heeft het Agentschap bij verzoeker wel verwachtingen gewekt dat het in principe bereid was om met hem een dienstverband aan te gaan.

Wat hiervan echter ook zij, nu niet vaststaat dat aan verzoeker op enig moment een concrete toezegging is gedaan, is er onvoldoende aanleiding om te oordelen dat het Agentschap om die reden gebonden was om verzoeker een dienstverband aan te bieden.

4. Afgezien hiervan is niet gebleken dat partijen al tot definitieve overeenstemming waren gekomen. In de laatste fase van de procedure waren het Agentschap en verzoeker het immers nog niet eens over de arbeidsvoorwaarden. Naar aanleiding van het gesprek op 25 oktober 1999 zou aan verzoeker nog een bod worden gedaan, dat hij vervolgens op zijn merites zou beoordelen. Nu partijen nog met elkaar in onderhandeling waren, waren zij nog niet door afspraken over en weer aan elkaar gebonden. Dit betekent dat op het Agentschap niet de plicht rustte om verzoeker in dienst te nemen.

De onderzochte gedraging is dan ook behoorlijk.

5. Los van het voorgaande wordt nog wel opgemerkt dat de sollicitatieprocedure geen schoonheidsprijs verdient. Nu verzoeker en het Agentschap met elkaar in onderhandeling waren over de arbeidsvoorwaarden, was het namelijk niet correct om verzoeker af te wijzen met het argument dat hij bij de leden van de selectiecommissie - op het hoofd AGK na - geen positieve indruk had achtergelaten. Zoals reeds overwogen, mocht verzoeker er namelijk van uitgaan dat het Agentschap hem geschikt achtte voor de functie.

Voor zover het Agentschap in deze fase van de procedure nog van een dienstverband met verzoeker wilde afzien, kon dit fatsoenshalve slechts op basis van argumenten die verband hielden met de arbeidsvoorwaarden of met eventuele verdere stappen die in de procedure nog genomen moesten worden, zoals een antecedentenonderzoek. In het verlengde hiervan vormt evenmin het vertrek van het hoofd AGK een deugdelijk argument om verzoeker geen dienstverband aan te bieden. Daar komt nog bij dat het hoofd AGK ook zijn ontslag had kunnen indienen op het moment dat verzoeker reeds bij het Agentschap in dienst was getreden, waardoor zich eenzelfde situatie zou hebben voorgedaan. Het argument overtuigt dan ook niet. Verzoeker heeft in dit verband terecht opgemerkt dat het wonderlijk is dat de aanname van een sollicitant afhangt van het aanblijven van één persoon binnen een organisatie.

C. Ten aanzien van het vertrek van het hoofd AGK

1. In de tweede plaats heeft verzoeker naar voren gebracht dat hij er nooit op is gewezen dat zijn aanstelling afhing van het aanblijven van het hoofd AGK. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat het Agentschap al tijdens de sollicitatieprocedure van het vertrek van deze functionaris op de hoogte moet zijn geweest.

2. De Minister van Financiën deelde in reactie op de klacht mee dat er tijdens de procedure geen sprake van was dat het hoofd AGK zou vertrekken. In dit verband liet de Minister weten dat deze medewerker pas eind oktober, tijdens een congres in het buitenland, een aanbod had gekregen van een buitenlandse financiële instelling. Het hoofd AGK heeft vervolgens op 29 oktober 1999 zijn ontslag ingediend, waarna hem per 1 december 1999 eervol ontslag is verleend, aldus de Minister in zijn reactie.

Het hoofd AGK liet daarnaar gevraagd weten dat zijn vertrek bij het Agentschap bekend werd op de dag dat hij zijn ontslag indiende.

3. Deze toelichting van de Minister op de gang van zaken komt aannemelijk voor. Nu in de stukken geen aanknopingspunten te vinden zijn die in een andere richting wijzen, is het op zich voorstelbaar dat in de periode tussen 19 oktober 1999 - de datum waarop het laatste gesprek plaats had tussen het hoofd AGK en verzoeker - en 29 oktober 1999 - de datum waarop verzoeker uiterlijk een bod zou worden gedaan - het hoofd AGK een baan in het buitenland heeft aangeboden gekregen en geaccepteerd. Het is ook voorstelbaar dat het hoofd AGK, gezien dit relatief korte tijdsbestek, zijn vertrek pas bekend heeft gemaakt met het indienen van zijn ontslag op 29 oktober 1999.

Gelet hierop is er onvoldoende aanleiding om te veronderstellen dat het Agentschap al tijdens de sollicitatieprocedure van het vertrek van het hoofd AGK op de hoogte is geweest. In het verlengde hiervan kan het Agentschap er dan ook geen verwijt van worden gemaakt dat het verzoeker er niet op heeft gewezen dat zijn aanstelling afhing van het aanblijven van het hoofd AGK.

Op dit punt is de onderzochte gedraging dan ook behoorlijk.

D. Ten aanzien van de brief van 24 november 1999

1. In de derde plaats is verzoeker van mening dat de Minister van Financiën in zijn brief van 24 november 1999 in onvoldoende mate is ingegaan op de argumenten die hij in zijn brief van 18 november 1999 naar voren heeft gebracht.

2. Verzoeker had zijn brief van 18 november 1999 geschreven naar aanleiding van de brief van de Minister van Financiën van 11 november 1999. In deze brief bevestigde de Minister het telefoongesprek dat verzoeker op 8 november 1999 met het hoofd AGK had gevoerd en waarbij het hoofd AGK hem had meegedeeld dat - in verband met zijn vertrek - verzoeker niet voor de functie van dealer/beleidsmedewerker bij het Agentschap in aanmerking zou komen.

3. In zijn brief aan de Minister van 18 november 1999 sprak verzoeker zijn verontwaardiging uit over de gang van zaken rond zijn sollicitatieprocedure. In dit verband merkte verzoeker op dat het vertrek van het hoofd AGK tijdens de procedure bekend moest zijn geweest, weersprak verzoeker dat er verwarring kon zijn ontstaan over zijn salariseisen en stelde hij zich voorts op het standpunt dat hij reeds was aangenomen op basis van een mondelinge overeenkomst.

4. In zijn brief van 24 november 1999 herhaalde de Minister nogmaals de reden van zijn beslissing en gaf hij aan dat verzoeker in zijn brief geen nieuwe feiten en/of argumenten naar voren had gebracht die aanleiding gaven om op zijn besluit terug te komen.

De Minister ging echter niet in op de punten die verzoeker in zijn brief van 18 november 1999 naar voren had gebracht. Dit is niet juist. Aangezien verzoeker alle stadia van de sollicitatieprocedure had doorlopen, had de Minister ervan uit kunnen gaan dat bij verzoeker bepaalde verwachtingen waren gewekt. Enige nadere toelichting door de Minister in zijn brief van 24 november 1999 was dan ook op zijn plaats geweest. Wellicht had dit bij verzoeker ook tot meer begrip geleid voor de genomen beslissing.

Op dit punt is de onderzochte gedraging dan ook niet behoorlijk.

5. Ten overvloede wordt nog opgemerkt dat het eveneens op de weg van de Minister had gelegen om, zodra het vertrek van het hoofd AGK bekend was, verzoeker uit eigen beweging te informeren over zijn beslissing om hem geen dienstverband aan te bieden. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat het hoofd AGK op 29 oktober 1999 zijn ontslag heeft aangeboden en dat op dat moment zijn vertrek bekend werd. Pas op 8 november 1999 is verzoeker van de beslissing om hem niet in dienst te nemen op de hoogte gesteld, nadat verzoeker zelf telefonisch contact had gezocht met het hoofd AGK. Dit is niet juist, temeer daar aan verzoeker op 25 oktober 1999 was toegezegd dat hij op 29 oktober 1999 een bod zou krijgen.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van het Agentschap van het Ministerie van Financiën, die wordt aangemerkt als een gedraging van de Minister van Financiën, is niet gegrond.

De klacht over de onderzochte gedraging van de Minister van Financiën is gegrond.

Instantie: Minister van Financiën

Klacht:

In onvoldoende mate ingegaan op argumenten die verzoeker in brief naar voren heeft gebracht.

Oordeel:

Gegrond

Instantie: Agentschap van het Ministerie van Financiën

Klacht:

Behandelwijze tijdens de procedure n.a.v. sollicitatie; verzoeker is niet in dienst genomen, ondanks mondelinge toezegging van hoofd AGK en verzoeker is er niet op gewezen dat zijn aanstelling afhing van het aanblijven van het hoofd AGK.

Oordeel:

Niet gegrond